id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090108.9 Rolnummer: 2004/AR/934 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-02-26 Raadplegingen: 166 - laatst gezien 2026-07-02 18:56 Fiche De vrijwillige tussenkomst is te beschouwen als een dagvaarding voor het gerecht in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek en stuit de verjaring. De stuiting grijpt plaats op het ogenblik van het neerleggen van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst ter griffie en niet pas op het ogenblik dat de schuldenaar kennis krijgt van het verzoekschrift. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tussenkomst - Vrijwillig Vrije woorden: vrijwillige tussenkomst - stuiting verjaring - ogenblik - neerlegging verzoekschrift ter griffie Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 8 januari 2009 na tussenarrest d.d. 08.03.2007 2004/AR/934 in de zaak van: STAD AALST, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met burelen te 9300 AALST, Grote Markt 3, appellant, hebbende als raadsman mr. VAN AKEN Geert, advocaat te 9300 AALST, Keizerlijk Plein 8 tegen:
- SINT-JOZEFSCOLLEGE V.Z.W., met zetel te 9300 AALST, Pontstraat 7, eerste geïntimeerde,
- ELECTRONISCHE ONDERNEMINGEN VANDER PUTTEN B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9500 MOERBEKE, Pauwelstraat 7, ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde onder nummer 22.428, met KBO-nummer 0418.220.250, tweede geïntimeerde,
- VANDEWALLE N.V., sanitaire installaties, met maatschappelijke zetel te 8460 ROKSEM, Brugsesteenweg 23 A, ingeschreven in het handelsregister te Oostende onder nummer 47.754, met KBO-nummer 0441.838.859, derde geïntimeerde, de eerste t/m de derde geïntimeerden allen hebbende als raadsman mr. DANNEELS Jacques, advocaat te 9000 GENT, Coupure Rechts 156
- ONDERNEMINGEN JAN DE NUL N.V., met maatschappelijke zetel te 9308 HOFSTADE, Tragel 23, ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder nummer 5.038, vierde geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. MERTENS Jos, advocaat te 9000 GENT, Bagattenstraat 124
- AQUAFIN N.V., met maatschappelijke zetel te 2630 AARTSELAAR, Dijkstraat 8, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer 276.982, vijfde geïntimeerde, hebbende als raadslieden mr. DE CUYPER Wim en mr. RENTMEESTERS Erika, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57
- ELECTRABEL N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Regentlaan 8, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 267.922, zesde geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. MACHIELS Jean, advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Koninklijkelaan 32
- D. S. G., wonende te, zevende geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE BECKER André, advocaat te 1000 BRUSSEL, Ernest Allardstraat 35-37
- P&V VERZEKERINGEN C.V., met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Koningstraat 151, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 2.179, met KBO-nummer 0402.236.531, achtste geïntimeerde,
- DE JEUGDVRIENDEN - SJ TROMMELKORPS V.Z.W., met zetel te 9300 AALST, Houtmarkt 1, negende geïntimeerde,
- V. D. C., wonende te tiende geïntimeerde,
- SOCIALISTISCHE SENIORENCLUB - SOCIALISTISCHE GEPENSIONEERDEN AALST, met zetel te 9300 AALST, Houtmarkt 1, elfde geïntimeerde,
- CSC VORMINGSWERK AALST, met zetel te 9300 AALST, Houtmarkt 1, twaalfde geïntimeerde,
- B. Y., wonende te dertiende geïntimeerde,
- B. G., wonende te, veertiende geïntimeerde,
- B. L. (elders ook:L), wonende te vijftiende geïntimeerde, de achtste t/m de vijftiende geïntimeerden allen hebbende als raadsman mr. VAEREWYCK Patrick, advocaat te 9112 SINAAI-WAAS, Hulstbaan 233A
- DE FEDERALE VERZEKERINGEN C.V., verzekeringsmaatschappij, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Stoofstraat 12, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 1.948, zestiende geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. MERTENS Jos, voornoemd,
- OUDENBERGHOF B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9500 GERAARDSBERGEN, Eidingseweg 13, zeventiende geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VERMASSEN Jef, advocaat te 9340 LEDE, Kasteeldreef 48
- LIMIT ELECTRONIC N.V., met maatschappelijke zetel te 9300 AALST, Alfred Nichelstraat 6-8, achttiende geïntimeerde,
- ALTRONIC N.V., met maatschappelijke zetel te 9300 AALST, Alfred Nichelstraat 10-12, negentiende geïntimeerde,
- V. L.L., wonende te twintigste geïntimeerde,
- KRINGLOOPCENTRUM TELESHOP MEUBELEN V.Z.W., met maatschappelijke zetel te 9300 AALST, Alfred Nichelstraat 14, eenentwintigste geïntimeerde,
- ARIJS N.V., met maatschappelijke zetel te 9300 AALST, Houtmarkt 6, ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder nummer 58.913, tweeëntwintigste geïntimeerde,
- L.C. Et., wonende te drieëntwintigste geïntimeerde,
- SCHOLENGROEP 19 'DENDER', als rechtsopvolger van het Koninklijk Atheneum II - lyceum, als rechtsopvolger van de ARGO, met zetel te 9300 AALST, Welvaartstraat 70/4, vierentwintigste geïntimeerde,
- V.L. I., wonende te, vijfentwintigste geïntimeerde,
- B.P., wonende te zesentwintigste geïntimeerde,
- C. I., wonende te zevenentwintigste geïntimeerde,
- a. S. J., b. H. P., c. H. L., d. H. K., allen wonende te achtentwintigste geïntimeerden,
- a. P. M., b. D. M. G., beiden samenwonende te negenentwintigste geïntimeerden,
- a. B. E., b. V. G., beiden samenwonende dertigste geïntimeerden,
- HUIS DER SOCIALISTEN - ABVV AALST V.Z.W., met zetel te 9300 AALST, Houtmarkt 1, eenendertigste geïntimeerde,
- a. D. J., b. A. C., samenwonende te 9300 AALST, Houtmarkt 6, tweeëndertigste geïntimeerden,
- GENERAL REPAIR CENTER (GRC) N.V., met maatschappelijke zetel te 9450 HELDERGEM, Holbeekweg 13 en uitbatingszetel te 9300 Aalst, Pontstraat 58, ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder nummer 37.144, drieëndertigste geïntimeerde,
- EUROPEAN CONSULTANCY COMPANY (ECC) N.V., met maatschappelijke zetel te 9450 HELDERGEM, Holbeekweg 13 en uitbatingszetel te 9300 Aalst, Pontstraat 58, ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder nummer 37.144, vierendertigste geïntimeerde, de achttiende t/m de vierendertigste geïntimeerden allen hebbende als raadsman mr. ROSELETH Nestor, advocaat te 9300 AALST, Leopoldlaan 32a bus 1-2 wijst het hof het volgend arrest: De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
- Bij tussenarrest van 08.03.2007 - in hoger beroep van het bestreden vonnis d.d. 16 januari 2004 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, 6e kamer - werd beslist om gerechtsdeskundige Guido De Hondt te horen teneinde op bepaalde punten toelichting te bekomen bij zijn destijds opgesteld verslag. Tevens werd aan de partijen onder punt 4.10 van het tussenarrest gevraagd om standpunt in te nemen m.b.t. het al dan niet vorderen van de btw en terzake de nodige stavingstukken voor te leggen.
- De deskundige werd gehoord op 31.05.
- In hun respectieve conclusies na verhoor van de deskundige volharden alle partijen in hun voorheen ingenomen standpunt en hun voorheen gestelde vorderingen, met dien verstande dat zij allen ook standpunt hebben ingenomen over de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ingevolge de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 09.11.2007) en zij hun vordering dienovereenkomstig hebben aangepast. beoordeling ontvankelijkheid van het hoger beroep Het college van burgemeester en schepenen van de Stad Aalst werd bij beslissing van de gemeenteraad van 31.03.2004 gemachtigd tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van 16.01.
- Het op 05.04.2004 ingesteld hoger beroep is ontvankelijk. aansprakelijkheden
- Stad Aalst 1.1 De diverse schadelijders baseren hun vordering tegen de Stad Aalst in de eerste plaats op de artikelen 1382-1383 B.W.. Zij verwijten aan de Stad Aalst dat zij zowel vóór als tijdens de regenval heeft nagelaten de maatregelen te treffen die zij als een normaal voorzichtige overheid in dezelfde omstandigheden had moeten nemen. Met name stellen zij: - dat de Stad Aalst, die van dichtbij bij de werken aan de toezichtsput betrokken was nu zij daarbij is opgetreden als studiebureau, een fout heeft begaan door toe te laten dat - door het dicht metsen van de oude koker van de Hoezebeek en door de afvoer van het water enkel nog te verzekeren door een buis met een diameter van dertig centimeter evenals een pomp met een capaciteit van 1.000 m³ per uur bij eventueel grotere debieten - de afvoercapaciteit van de oude koker van de Hoezebeek aanzienlijk werd verminderd, daar waar deze door de Stad Aalst zelf was geconcipieerd als een noodoverloop voor het geval de in 1989 gestoken nieuwe koker het water niet zou kunnen verwerken; - dat het krooshek voor de ingang van de koker van de Siesegembeek niet afdoende werd gecontroleerd en het vuil ervoor niet afdoende werd verwijderd, zodat het water zich voor dit krooshek heeft opgehoogd en uiteindelijk massaal in de oude koker van de Hoezebeek is terechtgekomen; dat het krooshek uiteindelijk werd verwijderd en hogerop werd geplaatst, maar dit te laat gebeurde vermits het centrum van Aalst toen reeds overstroomd was. De Stad Aalst stelt daar in essentie tegenover dat zij wel degelijk alle voorzorgen heeft genomen en haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt, noch wat het dispositief aan de toezichtsput, noch wat het krooshek betreft. Zij stelt dat zich door de zeer hevige onweders boven Nieuwerkerken een dermate grote en onvoorziene hoeveelheid water heeft aangeboden dat heel de omgeving van de twee kokers totaal overstroomd raakte en de beide kokers gedurende korte tijd volledig gevuld waren. Volgens de Stad Aalst is er dan ook sprake van overmacht in haar hoofde. 1.2 In eerste instantie moet worden opgemerkt dat de Stad Aalst zich op "overmacht" beroept, maar dit begrip in voorliggend geval geen autonome betekenis heeft. De aansprakelijkheid van de Stad Aalst wordt immers gebaseerd op een beweerde schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm. Om daartoe te kunnen besluiten, is vereist dat de schade voorzienbaar is, terwijl overmacht een onvoorzienbaar en onafwendbaar feit of gebeurtenis veronderstelt. Bij de schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm leiden de omstandigheden die overmacht kunnen uitmaken derhalve meteen tot de vaststelling van de afwezigheid van een fout. Terzake dient dan ook enkel te worden nagegaan of er al dan niet sprake is van een schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm en, in het kader daarvan, of de schade voor de Stad Aalst al dan niet redelijkerwijze voorzienbaar was. 1.3 Zoals hiervoor gesteld, werd met het oog op het uitvoeren van de herstellingswerken aan de toezichtsput in de A. Nichelstraat de sectie van de oude koker van de Hoezebeek aanzienlijk verkleind. Deze koker, die een diameter van 1,60 m heeft, werd op de plaats waar hij in de toezichtsput komt, volledig dicht gemetst. Om tijdens de werken de afvoer van het water in de oude koker van de Hoezebeek te verzekeren, werd een buis met een diameter van 30 cm voorzien, die doorheen de toezichtsput liep. Daarenboven werd een pomp geïnstalleerd, zodat een capaciteit van ongeveer 1.000 m³/uur mogelijk was (D.V. p. 68). De gerechtsdeskundige heeft in verband met dit door aannemer De Nul geïnstalleerd dispositief opgemerkt - en dit wordt door geen van de partijen betwist - dat met deze capaciteit het normaal debiet, namelijk het regen- en afvalwater van de huizen die op de oude koker van de Hoezebeek aangesloten waren, kon worden afgevoerd, maar dat daarbij geen rekening werd gehouden met een mogelijk debiet dat van stroomopwaarts kon komen, meer bepaald van de ingang van de oude koker van de Hoezebeek. Aan deze ingang is immers een overloop voorzien, waardoor in uitzonderlijke omstandigheden de oude koker van de Hoezebeek, die in normale omstandigheden nog enkel als riool diende, toch nog beekwater kon ontvangen, met name in de gevallen waarin de koker van de Siesegembeek - die sinds 1989 ook het water van de Hoezebeek doorheen het centrum van Aalst naar de Dender leidt - het wassende water niet zou kunnen verwerken. De cruciale vraag die terzake moet worden gesteld is dan ook of bij het opstellen van het dispositief voor de werken aan de toezichtsput rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat via deze noodoverloop aanzienlijke hoeveelheden beekwater in de koker konden terechtkomen, hoeveelheden die door de geïnstalleerde capaciteit niet zouden kunnen worden verwerkt. Anders gezegd: was de mogelijkheid dat dit scenario zich kon voordoen, met alle schadelijke gevolgen van dien, redelijkerwijze voorzienbaar? Het hof is, met de eerste rechter, van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De oude koker van de Hoezebeek was, zoals gezegd, bij werken van 1989 geconcipieerd als een noodoverloop voor de koker van de Siesegembeek die voortaan het beekwater van de diverse beken zou afvoeren. Bij de conceptie zelf van de nieuwe inkokering van de beken heeft de Stad Aalst dus rekening gehouden met de mogelijkheid dat er zich situaties konden voordoen waarbij deze nieuwe koker het water niet zou kunnen verwerken en heeft zij voor die situaties voorzien dat de oude koker van de Hoezebeek als noodverloop zou fungeren. Gegeven het feit dat de oude koker van de Hoezebeek was geconcipieerd als noodoverloop voor de koker van de Siesegembeek, kan de Stad Aalst bezwaarlijk stellen dat het redelijkerwijze niet voorzienbaar was dat de mogelijkheid bestond dat de koker zijn functie als noodoverloop zou moeten vervullen. De omstandigheid dat, naar bewering van de Stad Aalst, de oude koker van de Hoezebeek tijdens de zes jaar tussen de aanleg van de nieuwe koker en het schadegeval nooit als noodoverloop dienst heeft moeten doen, doet er niets aan af dat de mogelijkheid dat dit in bepaalde omstandigheden zou moeten gebeuren, werd ingecalculeerd. Overigens is het, zoals terecht wordt opgemerkt, niet zeker dat de oude koker van de Hoezebeek voor het schadegeval nooit als noodoverloop heeft moeten fungeren, nu zulks automatisch gebeurt en dit niet op zicht kan worden vastgesteld. Indien de Stad Aalst de oude koker concipieerde als noodoverloop diende de koker deze functie dus ook te kunnen vervullen tijdens de werken aan de inspectieput. Dit had gekund door de sectie van de koker niet volledig dicht te metsen, zoals men na het schadegeval ook heeft gedaan (zie stuk 34 Aquafin). Op die wijze kon enerzijds de put droog gehouden worden tijdens de werken zolang de oude koker van de Hoezebeek enkel het normaal debiet te slikken had, maar zou hij anderzijds toch hebben kunnen fungeren als noodafvoer van het beekwater in de gevallen waarin de koker deze functie te vervullen had. De Stad Aalst die, zoals de deskundige terecht heeft opgemerkt, de toestand in verband met de inkokering van de beken het best kende, die als studiebureau de plannen voor de werken aan de toezichtsput heeft opgesteld en wiens technische diensten met De Nul overleg hebben gepleegd omtrent de te nemen maatregelen om het water in de oude koker tijdens de werken af te voeren, had de aandacht van de aannemer moeten vestigen op de functie van de oude koker als noodoverloop en op de noodzaak dat het in te stellen dispositief moest toelaten dat deze functie ook tijdens de werken kon worden vervuld. Zoals gezegd kon dit, bijvoorbeeld, door erop aan te dringen dat de sectie van de oude koker slechts deels zou worden dicht gemetst. Er kan worden aangenomen dat indien de Stad Aalst daarop de aandacht had gevestigd en daarop had aangedrongen, dit ook effectief zou zijn uitgevoerd door De Nul. Deze maatregel hield immers een redelijk compromis in tussen de bekommernis van de aannemer om de bouwput droog te houden tijdens de werken en de noodzaak om de oude koker van de Hoezebeek zijn functie van noodoverloop te laten vervullen. De Nul is na het schadegeval bereid geweest om deze oplossing te weerhouden. De omstandigheid dat De Nul thans - in het kader van de huidige procedure en ter ondersteuning van haar stelling dat het terzake ging om overmacht, minstens een onvoorzienbaar schadegeval - stelt dat zij geen andere maatregelen had genomen en geen ander dispositief zou hebben ingesteld indien de Stad Aalst haar erop had gewezen dat de oude koker van de Hoezebeek als noodoverloop dienst deed, doet geen afbreuk aan de overtuiging van het hof dat zij daartoe wél bereid zou zijn geweest indien de Stad Aalst dat zou hebben gevraagd. Er bestaat bijgevolg wel degelijk een causaal verband tussen de fout van de Stad Aalst en de schade. 1.4 Wat de problematiek van het krooshek betreft, hebben aangestelden van de Stad Aalst bij het eerste plaatsbezoek van de gerechtsdeskundige verklaard dat tijdens de overstromingen in de nacht van 19 op 20.02.1995, het krooshek, dat de nieuwe koker afsluit, werd weggenomen en hogerop werd geplaatst omdat het van stroomopwaarts meekomende vuil dat voor dit krooshek bleef hangen voortdurend de normale toevoer tot de beek belette (D.V., p.8). Verder maakt de gerechtsdeskundige ook melding van het verslag van de Technische Dienst van de Stad Aalst, waarin in verband met het krooshek het volgende wordt vermeld: "Zodra de deksteen van de Siesegembeek koker betreedbaar was, werd het krooshek voortdurend vrij van takken gehouden. De werklieden hebben rond 9 uur maandagmorgen het krooshek bevestigd aan de eerste opening 10 m. stroomopwaarts" (D.V. p. 70). Wat dit laatste betreft, heeft de gerechtsdeskundige bij zijn onderhoor op 31.05.2007 bevestigd dat de overstroming in het centrum van Aalst reeds was gebeurd toen het krooshek werd verplaatst. Uit de voormelde verklaringen van de aangestelden van de Stad Aalst en uit het door de gerechtsdeskundige aangehaald verslag van de Technische Dienst van de Stad Aalst kan niet worden afgeleid dat de aangestelden van de Stad Aalst tijdens de bewuste nacht en ochtend niet al het mogelijke hebben gedaan om het krooshek vrij te houden van takken en vuil dat blijkbaar continu werd aangevoerd en aan het krooshek bleef hangen. Dat de Stad Aalst een fout heeft begaan door het krooshek onvoldoende te reinigen, is dan ook niet aangetoond. Op haar verzoek om door getuigen te bewijzen dat het krooshek permanent werd bewaakt en zo lang als mogelijk werd onderhouden, dient derhalve niet te worden ingegaan. Daarentegen hebben de aangestelden van de Stad Aalst wel een inschattingsfout gemaakt door veel te laat te beslissen om het krooshek van voor de koker van de Siesegembeek weg te nemen en hogerop (stroomopwaarts) te verplaatsen. Door het verplaatsen van het krooshek kon het water terug in de koker van de Siesegembeek worden geleid, wat niet mogelijk was wanneer het krooshek vlak voor deze inkokering stond en allerlei vuil de toegang tot de inkokering voortdurend belette. Indien het krooshek tijdig, d.i. vóór het water dermate hoog gestegen was dat het in de oude koker van de Hoezebeek kon terechtkomen, verplaatst zou zijn geweest - wat gezien de permanente bewaking van het krooshek mogelijk was - dan had de koker van de Siesegembeek verder het water kunnen afvoeren, zou geen water in de oude koker van de Hoezebeek terecht zijn gekomen en zou de overstroming in het centrum van Aalst zich niet hebben voorgedaan. De opwerping van de Stad Aalst dat het onmiddellijk verwijderen van het krooshek niet aangewezen was omdat al het vuil dan in het rioleringssysteem zou terecht gekomen zijn, met inwendige verstoppingen en overstromingen elders tot gevolg, kan niet worden bijgetreden. Het krooshek diende immers niet te worden verwijderd, maar enkel stroomopwaarts te worden verplaatst waar het nog steeds het vuil kon tegenhouden, maar waar het de toegang tot de koker van de Siesegembeek niet belette. 1.5 Uit wat voorafgaat volgt dat de aansprakelijkheid van de Stad Aalst dient te worden weerhouden op basis van de artikelen 1382-1383 B.W., zoals de eerste rechter terecht heeft beslist. Nu de aansprakelijkheid op deze grond wordt weerhouden, dient de eventuele aansprakelijkheid van de Stad Aalst op basis van artikel 1384, 1ste lid B.W., art. 123, 11° van de Nieuwe Gemeentewet en artikel 544 B.W. niet te worden onderzocht, nu deze niet kunnen leiden tot toekenning van een grotere vergoeding.
- NV Ondernemingen Jan De Nul 2.1 De vordering van de diverse schadelijders jegens aannemer De Nul is gebaseerd op artikel 1382 B.W.. Ook aan De Nul wordt verweten door het afsluiten van de oude koker van de Hoezebeek een situatie te hebben gecreëerd waarbij deze koker zijn functie van noodoverloop voor de koker van de Siesegembeek niet meer kon vervullen. De Nul verweert zich door overmacht in te roepen en door te stellen dat de schade onvoorzienbaar was. 2.2 Vooreerst kan worden verwezen naar wat hiervoor onder punt 1.2 werd gesteld: overmacht heeft terzake geen autonome betekenis. Er dient enkel te worden nagegaan of er in hoofde van De Nul al dan niet sprake is van een schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm en, in het kader daarvan, of de schade voor De Nul al dan niet redelijkerwijze voorzienbaar was. 2.3 Ook hier volgt het hof het oordeel van de eerste rechter dat De Nul niet als een zorgvuldig en omzichtig aannemer geplaatst in dezelfde omstandigheden heeft gehandeld. De Nul, die de rioleringswerken in 1989 heeft uitgevoerd, was ongetwijfeld op de hoogte van het feit dat de oude koker van de Hoezebeek fungeerde als noodoverloop van de koker van de Siesegembeek en dat het dus mogelijk was dat in uitzonderlijke omstandigheden beekwater in de oude koker van de Hoezebeek zou terechtkomen. Indien zij dat niet zou hebben geweten, had zij, geconfronteerd met de manifeste overdimensionering van de koker (als riool) de Stad Aalst daarover moeten bevragen. Indien zij dat niet heeft gedaan, heeft zij haar werkzaamheden niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid. In de wetenschap dat de oude koker van de Hoezebeek was geconcipieerd als noodoverloop voor de koker van de Siesegembeek had De Nul daarmee rekening moeten houden en had zij de afvoer van het water in de oude koker derwijze moeten organiseren dat de oude koker van de Hoezebeek deze functie kon blijven vervullen tijdens de werken. Dit was mogelijk door de sectie van de koker niet volledig, maar bijvoorbeeld slechts voor de helft of nog minder dicht te metsen, wat na het schadegeval ook is gebeurd. Daardoor kon enerzijds in normale omstandigheden de bouwput droog worden gehouden, maar kon anderzijds de koker in uitzonderlijke omstandigheden toch zijn functie van noodoverloop blijven vervullen. De Nul wordt derhalve niet bijgetreden waar zij, onder verwijzing naar het feit dat de deskundige heeft gesteld dat de regenval zoals deze zich tijdens de bewuste nacht heeft voorgedaan maar één keer om de 25 à 50 jaar voorkomt en onder verwijzing naar de richtlijnen van de Vlaamse Overheid (aan de gemeenten) om bij de aanleg van rioleringen rekening te houden met terugkeerperiodes van maximaal 10 jaar, stelt dat van haar niet kon worden verwacht dat zij rekening zou houden met een situatie die zich maar eens om de 25 à 50 jaar voordoet. Nu de koker geconcipieerd was als noodoverloop diende er wel rekening mee te worden gehouden dat er zich tijdens de werken omstandigheden konden voordoen waarbij de koker deze functie zou moeten vervullen. Overigens staat het geenszins vast en stond het op het ogenblik dat De Nul besliste welk dispositief voor de afvoer van het water zou worden geïnstalleerd, geenszins vast dat alleen bij een dermate uitzonderlijke regenval beekwater in de oude koker van de Hoezebeek kon terechtkomen. Het is niet omdat de regenval die zich de bewuste nacht heeft voorgedaan maar eens om de 25 à 50 jaar voorkomt, dat de oude koker van de Hoezebeek maar eens om 25 à 50 jaar zijn functie van noodoverloop moet vervullen. De Nul had dus wel degelijk rekening moeten houden met een mogelijk bijkomend debiet van beekwater dat van stroomopwaarts van het gewelf van de Hoezebeek kon komen. Door dit niet te doen heeft De Nul een fout begaan, zoals de deskundige terecht heeft geoordeeld (D.V. p.72). Ook de aansprakelijkheid van De Nul dient derhalve te worden weerhouden op basis van artikel 1382-1383 B.W., zoals de eerste rechter terecht heeft beslist.
- De Federale Verzekeringen Een aantal schadelijders richten zich, bij rechtstreekse vordering, tegen De Federale Verzekeringen, BA-verzekeraar van De Nul. De Federale Verzekeringen betwist niet in geval van aansprakelijkheid van De Nul, tot vergoeding gehouden te zijn. Deze vorderingen zijn dan ook inwilligbaar.
- Aquafin De vordering tegen Aquafin is gebaseerd op artikel 544 B.W.. Voor aansprakelijkheid op deze grond is vereist dat het evenwicht tussen naburige erven wordt verbroken, m.a.w. dat bovenmatige hinder wordt veroorzaakt aan een nabuur door een daad, een verzuim of enige gedraging van een houder van een attribuut van het eigendomsrecht op het erf van waarop de hinder wordt veroorzaakt. In dat geval is deze houder van het attribuut van het eigendomsrecht op het hinder verwekkende erf compensatie verschuldigd aan de nabuur die de hinder ondervindt. Terzake is voldaan aan alle toepassingsvoorwaarden voor aansprakelijkheid van Aquafin op deze grond. De diverse schadelijders hebben als gevolg van de werken aan de toezichtsput en de overstroming die hiervan het gevolg is geweest, meer of minder aanzienlijke schade opgelopen aan hun respectieve onroerende en roerende goederen. Het spreekt voor zich dat deze schade de normale ongemakken uit nabuurschap overstijgt en dat er dus sprake is bovenmatige hinder. Hoewel het op basis van de voorliggende gegevens niet helemaal duidelijk is of Aquafin eigenaar is van de toezichtsput waaraan de werken werden uitgevoerd, staat genoegzaam vast dat zij in elk geval houder is van een attribuut van het eigendomsrecht op deze put. Uit de voorliggende gegevens blijkt immers dat de put een inspectieput op een aan Aquafin toebehorende collector is (stuk 6 Aquafin) en dat Aquafin deze put exploiteert (stuk 2 Aquafin). Daarom was Aquafin ook de opdrachtgever voor de herstellingswerken aan deze put. Tenslotte is de hinder ook terug te brengen op een daad van Aquafin en is zij haar dus toerekenbaar. Aquafin heeft immers opdracht gegeven tot het uitvoeren van de herstellingswerken aan de toezichtsput. Dit volstaat opdat de hinder haar toerekenbaar is, zoals de eerste rechter terecht heeft beslist. De omstandigheid dat de directe oorzaak van de hinder gelegen is in fouten van de Stad Aalst en van aannemer De Nul doet er niet aan af dat de hinder aan Aquafin toerekenbaar is doordat zij tot het uitvoeren van de werken heeft beslist. Daartoe is niet vereist dat aan Aquafin zelf enig gedrag of verzuim kan worden "verweten" - de aansprakelijkheid op basis van artikel 544 B.W. is immers een foutloze aansprakelijkheid - en evenmin dat de fout van de Stad Aalst of van aannemer De Nul haar kan worden toegerekend. Enkel is vereist dat de hinder terug te voeren is op een daad, een verzuim of enige gedraging van Aquafin, wat het geval is. De bovenmatige hinder die de diverse schadelijders door de overstroming hebben geleden, kan slechts worden gecompenseerd door het vergoeden van de schade die zij daarbij hebben opgelopen. Ook jegens Aquafin hebben de diverse schadelijders bijgevolg recht op vergoeding van hun schade.
- in solidum aansprakelijkheid - onderling verhaal Nu de respectieve fouten of tot aansprakelijkheid leidende gedragingen van de Stad Aalst, De Nul en Aquafin de schade hebben veroorzaakt, zijn zij in solidum gehouden tot het vergoeden ervan. Aquafin beschikt, als foutloos aansprakelijke op basis van art. 544 B.W., over een integraal regres jegens de Stad Aalst en De Nul. De in ondergeschikte orde door Aquafin gestelde vrijwaringsvordering is derhalve gegrond. Vermits de respectieve fouten van de Stad Aalst en van De Nul in dezelfde mate hebben bijgedragen tot de schade dienen zij, in hun onderlinge verhouding, elk de helft van de schade ten laste te nemen. De vrijwaringsvordering van de Stad Aalst tegen De Nul is binnen deze perken gegrond: De Nul dient de Stad Aalst te vrijwaren voor de helft van alle bedragen, zo in hoofdsom, interest als kosten, die de Stad Aalst zou dienen te betalen aan de schadelijders of aan Aquafin. De vrijwaringsvordering van de Stad Aalst jegens Aquafin is daarentegen ongegrond, nu bij samenloop van foutaansprakelijkheid en aansprakelijkheid op basis van burenhinder degene die door fout de schade veroorzaakte, de integrale schade finaal dient te dragen. De Nul stelt geen vrijwaringsvorderingen. Ook op al deze punten heeft de eerste rechter correct beslist. exceptie van verjaring ten aanzien van bepaalde schadelijders De Nul werpt op dat de vordering van de achttiende tot en met de vierendertigste geïntimeerden ten hare opzichte verjaard is. De vordering jegens De Nul betreft een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid. Overeenkomstig art. 2262bis §1, tweede lid B.W. verjaart deze vordering door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op deze waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Artikel 2262bis B.W. werd ingevoerd door artikel 5 van de wet van 10 juni
- Wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet en de verjaring onder de oude wet op dat ogenblik nog niet was ingetreden - wat hier het geval is - beginnen de nieuwe verjaringstermijnen waarin deze wet voorziet te lopen vanaf haar inwerkingtreding (art. 10 wet 10 juni 1998). De wet van 10 juni 1998 is in werking getreden 10 dagen na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, hetzij op 28.06.
- Dit betekent dat indien op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet aan de voorwaarde van kennis van schade en identiteit van de aansprakelijke was voldaan, de rechtsvordering tot vergoeding van buitencontractuele schade die vóór de wet is ontstaan, verjaart vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de wet, derhalve op 28.06.
- Ten onrechte werpen de achttiende tot en met de vierendertigste geïntimeerden op dat aan de voorwaarde van kennis van de schade en van de identiteit van de aansprakelijke maar is voldaan op het ogenblik dat zij effectief kennis krijgen van de omvang van de schade die zij hebben geleden en op het ogenblik dat ontegensprekelijk vaststaat wie voor deze schade aansprakelijk is. Gelet op de betwistingen die de Stad Aalst, De Nul en Aquafin voeren, begint volgens de achttiende tot en met vierendertigste geïntimeerden de verjaringstermijn pas te lopen wanneer zij kennis krijgen van de rechterlijke uitspraak die de aansprakelijkheid definitief vastlegt. Dit standpunt kan geenszins worden bijgetreden. Aan de vereiste van kennis van schade en identiteit van aansprakelijke is voldaan van zodra de benadeelde kennis heeft van het feit dat hij schade heeft geleden en van de identiteit van de potentieel aansprakelijke. Het is geenszins vereist dat de schadeomvang en de aansprakelijkheid bij een definitieve rechterlijke beslissing zijn vastgesteld. Dit zou overigens tot gevolg hebben dat de vordering tot vergoeding van buitencontractuele schade nooit zou kunnen verjaren, stelling welke evident niet kan worden aangehouden. Vermits in voorliggend geval de achttiende tot en met de vierendertigste geïntimeerden vóór 28.06.1998 wisten dat zij schade hadden geleden en wie de potentieel aansprakelijken waren, verjaart hun vordering vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, dus op 28.06.
- De achttiende tot en met vierendertigste geïntimeerden kunnen evenmin worden bijgetreden waar zij stellen dat de verjaring, vóór zij door vrijwillige tussenkomst in de procedure voor de eerste rechter de rechtsvordering hebben ingesteld, diverse keren werd gestuit. Zij verwijzen daarvoor naar het indienen van hun vordering bij de gerechtsdeskundige en de kennisgeving die aldus gebeurde aan de aansprakelijke partijen. Zij verwijzen ook naar de diverse opmerkingen die hierover ten aanzien van de deskundige werden geformuleerd en naar het feit dat de deskundige op 24.08.2001 zijn visie inzake de schadebegroting aan alle partijen heeft meegedeeld. Al deze handelingen hebben evenwel geenszins de verjaring gestuit. Zij houden geen dagvaarding voor het gerecht of bevel tot betaling in de zin van art. 2244 B.W. in en evenmin een erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt in de zin van art. 2248 B.W.. Er valt niet in te zien hoe en op welke grond deze handelingen stuitende werking zouden kunnen hebben. Achttiende tot en met vierendertigste geïntimeerden verduidelijken dat ook niet. De cruciale vraag die moet worden beantwoord is bijgevolg of de achttiende tot en met de vierendertigste geïntimeerden tijdig, dit is vóór 28.06.2003, de verjaring hebben gestuit door hun vrijwillige tussenkomst in de procedure voor de eerste rechter. De vrijwillige tussenkomst is te beschouwen als een dagvaarding voor het gerecht in de zin van artikel 2244 B.W.. Zij stuit de verjaring. De achttiende tot en met de vierendertigste geïntimeerden hebben hun verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst in de procedure voor de eerste rechter neergelegd op 31.03.2003, dus vóór de verjaring werd bereikt. Het verzoekschrift werd echter pas aan de raadsman van De Nul meegedeeld bij brief (van de raadsman van achttiende tot en met vierendertigste geïntimeerde) van 10.09.2003, hetzij nà het verstrijken van de verjaringstermijn. Volgens De Nul dient deze laatste datum in aanmerking te worden genomen, nu de neerlegging van het verzoekschrift ter griffie en de mededeling ervan als één geheel zouden moeten worden beschouwd en er dus pas stuiting zou zijn indien beide handelingen voltrokken zijn. De Nul kan hierin niet worden gevolgd. Het stuitend effect van een dagvaarding voor het gerecht in de zin van art. 2244 B.W. spruit voort uit en is een gevolg van de uiting van de wil van de schuldeiser om zijn door verjaring bedreigd recht in rechte erkend te zien. Daaruit volgt dat de verjaring gestuit wordt op de dag waarop de schuldeiser zijn wil om zijn recht in rechte erkend te zien via een "dagvaarding voor het gerecht" tot uiting brengt en niet op de dag waarop de schuldenaar daarvan kennis neemt. Toegepast op het geval waar de schuldeiser zijn vordering in rechte instelt door vrijwillige tussenkomst in een hangende procedure betekent dit dat de verjaring wordt gestuit op het ogenblik van het neerleggen van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst en niet pas op het ogenblik dat de schuldenaar kennis krijgt van het verzoekschrift. Opgemerkt dient overigens te worden dat het gerechtelijk wetboek niet voorziet in de kennisgeving van een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst aan de overige procespartijen. Het hof gaat niet in op het verzoek van De Nul om alvorens over de verjaring te oordelen een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, met name of het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden doordat een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst de verjaring stuit zonder dat het moet meegedeeld worden aan degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, terwijl wanneer een vordering wordt ingesteld bij dagvaarding de verjaring pas gestuit wordt op het moment dat degene tegen wie de vordering gesteld wordt er kennis van krijgt, namelijk op het moment van de betekening. Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel wordt door deze verschillende behandeling immers kennelijk niet geschonden nu, zoals hiervoor gezegd, de kennisname door de schuldenaar van de vordering in rechte vanuit het oogpunt van de verjaring niet relevant is. De wilsuiting van de schuldeiser om zijn vordering in rechte erkend te zien is determinerend voor de stuiting van de verjaring en het moment waarop dit gebeurt. Besloten moet derhalve worden dat de neerlegging ter griffie van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst op 30.03.2003 de verjaring van de vordering van de achttiende tot en met de vierendertigste geïntimeerden heeft gestuit en dat de verjaring bijgevolg niet werd bereikt. De exceptie van verjaring dient te worden verworpen. begroting van de schade vorderingen waarover reeds werd geoordeeld door de eerste rechter
- De vordering van het Sint-Jozefscollege werd door de eerste rechter ingewilligd ten belope van 44.458,12 euro, meer interest. Het Sint-Jozefscollege vraagt in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vonnis. De omvang van de door het Sint-Jozefscollege geleden schade werd en wordt door geen van de aansprakelijke partijen als dusdanig betwist. Wel merkt de Stad Aalst op dat De Federale Verzekeringen aan het Sint-Jozefscollege een bedrag van 20.003,72 euro heeft betaald en nadien nog eens 20.354,66 euro, zodat de vordering van het Sint-Jozefscollege geen 44.458,12 euro meer zou kunnen bedragen. Deze opmerking van de Stad Aalst is onjuist. Ten eerste blijkt uit de conclusies van De Federale Verzekeringen dat deze, als ABR-verzekeraar van de nieuwbouwwerken aan het Sint-Jozefscollege, inderdaad een bedrag van 20.003,72 euro heeft betaald aan het Sint-Jozefscollege. Dit betrof echter schade aan de nog niet opgeleverde nieuwbouwwerken, terwijl de in het kader van huidige procedure door het Sint-Jozefscollege gevorderde som schade betreft aan de bestaande gebouwen en goederen (zie D.V. p.64). Ten tweede werd op 04.09.2001 door De Federale Verzekeringen aan het Sint-Jozefscollege inderdaad een bedrag van 20.354,66 euro betaald. Dit bedrag werd evenwel reeds door het Sint-Jozefscollege in mindering gebracht van haar vordering, die echter, rekening houdend met de vervallen interesten, nog steeds 44.458,12 euro bedraagt (zie de berekening in de eerste conclusies van het Sint-Jozefscollege voor de eerste rechter, berekening die terecht door de eerste rechter correct werd bevonden). Het gevorderd bedrag van 44.458,12 euro, vermeerderd met de interesten vanaf 07.09.2001, is bijgevolg wel degelijk inwilligbaar. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd.
- De vorderingen van de BVBA Electronische Ondernemingen Vander Putten en van de NV Vandewalle, die door de eerste rechter werden ingewilligd, worden cijfermatig niet betwist. Het bestreden vonnis kan ook wat hen betreft volledig worden bevestigd.
- De vordering van G. D. S. werd door de eerste rechter ingewilligd ten belope van 4.278,34 euro. Deze vordering wordt door de aansprakelijke partijen integraal betwist. Zij wijzen erop dat de schade niet tegensprekelijk werd vastgesteld en stellen dat mevrouw D. S. niet bewijst dat zij schade heeft geleden, noch de omvang van haar schade bewijst. Tevens wordt het vermoeden geuit dat mevrouw D. S. zou zijn vergoed door haar brandverzekeraar, bij wie zij aangifte heeft gedaan van het schadegeval. Vooreerst blijkt uit een brief van 27.02.1995 van De Vaderlandsche, brandverzekeraar van G. D. S, dat de schade niet onder de brandpolis gewaarborgd was. G. D. S. is dus niet vergoed door haar brandverzekeraar die overigens, indien hij zou hebben vergoed, zonder twijfel een subrogatoir verhaal zou hebben uitgeoefend op de aansprakelijke partijen. Dat geen subrogatoir verhaal wordt uitgeoefend, bevestigt dat G. D. S. geen verzekeringsvergoeding heeft ontvangen. Het feit dat mevrouw D. S. niet is tussengekomen in de expertise en de schade die zij heeft geleden niet tegensprekelijk werd vastgesteld en geraamd, belet niet dat op basis van de voorliggende stukken vaststaat dat zij schade heeft geleden door de overstroming. Deze schade werd door eerste rechter op correcte wijze begroot: - de drie voorliggende facturen voor het reinigen van kledij (wasserij De Drie Sleutels), herstel van de centrale verwarming (G.) en van een ontkalker (V. D. B.) betreffen herstel van schade opgelopen bij de overstroming, zoals uitdrukkelijk op deze facturen, die dateren van kort na het schadegeval, is vermeld; deze bedragen zijn toewijsbaar; - op basis van de voorliggende foto's heeft de eerste rechter de schade aan allerlei voorraden en diverse goederen en de schade wegens ongemakken en opkuis passend in billijkheid geraamd op respectievelijk 1.487,36 euro en 371,85 euro. Het hoofdberoep en de incidentele beroepen van de aansprakelijke partijen zijn bijgevolg ongegrond. Het incidenteel beroep van G. D. S. dat ertoe strekt ook haar rechtstreekse vordering tegen De Federale Verzekeringen, verzekeraar BA-exploitatie van De Nul, te horen inwilligen, is eveneens gegrond, met dien verstande dat De Federale Verzekeringen slechts wordt veroordeeld tot het bedrag van de bewezen schade, nl. 4.278,34 euro, en niet 4.404,77 euro zoals gevorderd. vorderingen waarover nog niet werd geoordeeld door de eerste rechter voorafgaande opmerking De eerste rechter oordeelde dat de overige vorderingen niet in staat van wijzen waren en heropende de debatten teneinde deze partijen toe te laten aanvullende gegevens voor te brengen. Bepaalde schadelijders tekenen incidenteel beroep aan tegen het bestreden vonnis. Deze incidentele beroepen zijn ontvankelijk, maar zijn af te wijzen als ongegrond nu niet wordt gezegd waarom de eerste rechter verkeerd zou hebben beslist door te oordelen dat de vorderingen niet in staat van wijzen waren en door de debatten te heropenen. Wel dient het hof, ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep, uitspraak te doen over alle schadevorderingen. Thans liggen wel alle gegevens voor die toelaten over deze vorderingen te oordelen. beoordeling van de vorderingen
- De navolgende partijen beperken hun vordering tot het bedrag van de schade zoals geraamd door de gerechtsdeskundige. Deze vorderingen, waaromtrent de aansprakelijke partijen zich cijfermatig naar het oordeel van het hof gedragen, kunnen worden ingewilligd. Het betreft de volgende partijen: - NV Limit Electronics: de som van 13.401,97 euro; - NV Altronic: de som van 1.378,90 euro; - L. V. L.: de som van 3.280,72 euro; - VZW Kringloopcentrum Teleshop Meubelen: de som van 3.282,11 euro; - NV Arijs: de som van 2.193,51 euro; - Scholengroep 19 Dender: de som van 3.864,36 euro; - I. C.: de som van 1.247,64 euro; - E. B. en G. V.: de som van 4.967,29 euro; - VZW Huis der Socialisten - ABVV Aalst: 66.663,46 euro; - J. D. en C. A.: de som van 3.882,01 euro; - NV General Repair Center: de som van 34.140,24 euro; - NV European Consultancy Company: de som van 2.482,70 euro; alle bedragen te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling.
- P&V Verzekeringen, verzekeraar van de negende tot en met de vijftiende geïntimeerden - nl VZW Trommelkorps, C. V. D., Socialistische Seniorenclub, CSC Vormingswerk, Y. B, G.B. en L. B. - bewijst door voorlegging van de vergoedingskwijtingen wel degelijk dat zij haar verzekerden heeft betaald en bijgevolg bij toepassing van art. 41 WLO in hun rechten is gesubrogeerd. De door P&V Verzekeringen aan de negende tot en met vijftiende geïntimeerden uitgekeerde hoofdsommen plus het door tiende tot en met vijftiende geïntimeerden gevorderd saldo (alleen de VZW Trommelkorps ontving van P&V Verzekeringen de volledige hoofdsom) stemmen overeen met de schadebedragen zoals geraamd door de gerechtsdeskundige en zijn inwilligbaar. De door P&V Verzekeringen betaalde sommen kunnen worden vermeerderd met de interest vanaf de respectieve data van betaling. Negende tot en met vijftiende geïntimeerden vorderen - benevens het saldo van de hoofdsom voor diegenen onder hen die niet de volledige hoofdsom ontvingen van P&V Verzekeringen - vergoedende interest voor de periode tussen het schadegeval (20.02.1995) en het ogenblik waarop zij werden vergoed door P&V Verzekeringen. Deze vorderingen zijn eveneens inwilligbaar.
- De schade van de NV Electrabel werd in het kader van een minnelijke schatting tussen Electrabel, OMOB, de Stad Aalst en De Nul bepaald op 31.343,71 euro. Dit bedrag is toewijsbaar. Op het verzoek van Electrabel tot kapitalisatie van de op 19.09.2001 vervallen vergoedende interesten wordt niet ingegaan nu Electrabel niet aantoont dat kapitalisatie vereist is om haar schade integraal te vergoeden. Daarbij dient opgemerkt te worden dat artikel 1154 B.W. niet van toepassing is op de vergoedende interesten bij onrechtmatige daad. Toewijsbaar is bijgevolg: 31.343,71 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.
- De door de BVBA Oudenberghof gevorderde hoofdsom stemt overeen met de schaderaming door de gerechtsdeskundige en is toewijsbaar. De vanwege De Federale Verzekeringen op 17.01.2002 ontvangen som van 1.966,34 euro wordt op correcte wijze in mindering gebracht van de verschuldigde hoofdsom, interest en kosten (zie synthesebesluiten na verhoor deskundige, p.2). Op 17.01.2002 bedroeg het openstaand saldo bijgevolg nog 2.474,97 euro. De respectieve vorderingen van de BVBA Oudenberghof tegen de Stad Aalst (ten belope van 2.220,66 euro) en tegen De Nul (ten belope van 254,31 euro) zijn toewijsbaar. Interest is slechts verschuldigd vanaf 18.01.
- E. L. vordert benevens het door de gerechtsdeskundige weerhouden schadebedrag van 5.290,74 euro - bedrag dat toewijsbaar is - vergoeding van de navolgende twee schadeposten: - morele schade wegens het verlies van fotoalbums: het betreft albums met foto's van de mentaal gehandicapte zoon van de heer L. met familieleden en bekende personen. Er kan worden aangenomen dat het verlies van deze foto's moreel leed heeft teweeggebracht voor de heer L.. In billijkheid is 250,00 euro toewijsbaar; - de ereloonnota van architect V. ten bedrage van 238,97 euro voor het opstellen van een proces-verbaal van vaststelling van de schade in de woning van de heer L. (vaststellingen verricht op 20.02.1995) maakt vergoedbare schade uit nu het laten vaststellen van de schade noodzakelijk was om zijn recht op vergoeding te vrijwaren. Toewijsbaar is bijgevolg: 5.290,74 euro + 250,00 euro + 238,97 euro = 5.779,71 euro, meer de interest zoals gevorderd.
- De gerechtsdeskundige begrootte de schade geleden door I. V. L.op 743,68 euro. Ten onrechte betwist zij deze begroting: - wat de schade aan de koelgroepen betreft, heeft de deskundige terecht rekening gehouden met de vetusteit van de beschadigde koelgroepen en slechts een bedrag van 247,89 euro, nl. de restwaarde van de koelgroepen, weerhouden. Het gevraagde bedrag van 1.636,89 euro werd terecht niet aanvaard, nu dit de kostprijs was van de installatie van nieuwe koelgroepen; - de deskundige heeft op gemotiveerde wijze de door I. V. L.gevraagde kostprijs voor het onderstutten van de kelder afgewezen, met name omdat er naar het oordeel van de deskundige geen verzakking of noemenswaardige scheurvorming in relatie met de overstroming merkbaar was. I. V. L. bewijst niet dat de verzakking wél aan de overstroming te wijten is, bewijs dat door haar dient te worden geleverd. Deze post dient te worden afgewezen. Enkel het door de deskundige weerhouden bedrag van 743,68 euro is toewijsbaar, meer de interest.
- P. B. vordert benevens het bedrag weerhouden door de gerechtsdeskundige - dat toewijsbaar is - een bedrag van 1.000,00 euro uit hoofde van omzetverlies ingevolge de sluiting van zijn handelszaak gedurende twee dagen, nl. op 19 en 20.02.
- Aangezien het schadegeval zich pas heeft voorgedaan in de nacht van 19 op 20.02.1995, kan de handelszaak op 19.02.1995 niet omwille van de overstroming gesloten zijn geweest. Wel is het aannemelijk dat dit op 20.02.1995 het geval was. De daardoor geleden schade, die niet voor exacte begroting vatbaar is, kan in billijkheid worden geraamd op 300,00 euro. Toewijsbaar is bijgevolg: 1.606,35 euro + 300,00 euro = 1.906,35 euro, meer de interest.
- J. S. en de consorten H. vragen, naast het door de gerechtsdeskundige weerhouden bedrag - dat toewijsbaar is - terugbetaling van de ereloonnota van de gerechtsdeurwaarder die werd aangezocht om vaststellingen te doen in de woning onmiddellijk na het schadegeval. Deze kosten zijn vergoedbare schade nu het laten vaststellen van de schade onmiddellijk na het schadegeval noodzakelijk was om hun recht op vergoeding te vrijwaren. Deze kosten waren niet nutteloos omwille van de latere aanstelling van een gerechtsdeskundige en maken geen dubbel gebruik uit met de expertisekosten. Toewijsbaar is bijgevolg: 9.205,77 euro + 198,31 euro = 9.404,08 euro, meer interest.
- De gerechtsdeskundige raamde de schade geleden door M.P. en G. D. M. op 3.903,80 euro. De heer en mevrouw P.-D. M. betwisten deze raming op de volgende punten: * vastgestelde schade: - Ten onrechte worden de door de deskundige gehanteerde tarieven voor de schilderwerken, het reinigen en het opruimen betwist. De deskundige heeft bij de keuze van de eenheidsprijs terecht rekening gehouden met de sleet (DV p. 154). - De deskundige heeft voor het tapijt Kula slechts een minderwaarde na reiniging toegekend; klaarblijkelijk was de deskundige van oordeel dat dit tapijt, in tegenstelling tot het tapijt Monastir, wél nog verkoopbaar was. Uit de voorliggende stukken blijkt het tegendeel niet. Het door de deskundige weerhouden bedrag van 309,87 euro dient dan ook te worden bijgetreden. * vermoede schade: - Op basis van de voorliggende gegevens staat niet met afdoende zekerheid vast dat de kwetsuur aan de arm werd opgelopen bij de opruimingswerken naar aanleiding van de overstroming, wat door de aansprakelijke partijen wordt betwist. Bepaalde medische attesten bevatten weliswaar de vermelding "ongeval 20.02.1995", maar deze vermeldingen gaan terug op eigen verklaringen van mevrouw P. en kunnen niet gelden als een onomstootbaar bewijs dat de kwetsuur daadwerkelijk bij de opruimingswerken werd opgelopen. De gevorderde medische kosten zijn bijgevolg niet toewijsbaar, evenmin als de vergoeding betaald aan de dochter om de winkel open te houden tijdens de afwezigheid van mevrouw P. omwille van deze kwetsuur en de kosten voor gezinshulp. - Terecht wordt erop gewezen dat de deskundige in zijn eindverslag aanvullend de beschadiging van enkele goederen heeft aanvaard en daarvoor 126,40 euro weerhoudt, daar waar daarmee in het finaal overzicht (DV p.178) geen rekening is gehouden. Er is daarentegen geen reden om af te wijken van het advies van de deskundige om slechts 75 % (en geen 100 %) van het deel van de opgegeven schade dat op foto's te onderscheiden is toe te kennen, nu de bedragen waarvan werd uitgegaan door de schadelijders zelf werden opgegeven en dus geen door de deskundige geraamde waarden betreft. Het hof sluit zich aan bij het advies van de deskundige dat de werkelijke waarde van de op de foto's vaststelbare schade van de goederen 75 % bedraagt van de door mevrouw P. gevraagde bedragen. Er worden geen elementen aangebracht die het hof kunnen overtuigen dat deze schatting niet correct zou zijn. * niet-vastgestelde schade: Nog afgezien van de vraag of de inboedel van de dochter daadwerkelijk in de kelder aanwezig was en of de kelder daartoe een geschikte plaats was, kan enkel de dochter zelf en niet de heer mevrouw P.-D. M. vergoeding vorderen voor de schade aan haar goederen. De vordering dient op dit punt te worden afgewezen. * bijkomende schade: De gerechtsdeskundige heeft de bijkomende schade terecht niet aanvaard nu deze niet kon worden vastgesteld en er geen bewijskrachtige documenten met betrekking tot deze schade konden worden voorgelegd. Het uit dien hoofde gevraagd bedrag van 974,10 euro is niet toewijsbaar. De kostprijs voor de huur van een ontvochtiger werd daarentegen terecht wél aanvaard door de deskundige. Het bedrag van 164,30 euro is toewijsbaar. Uit al het voorgaande volgt dat aan de heer en mevrouw P.-D. M. kan worden toegekend: 3.903,80 euro + 126,40 euro + 164,30 euro = 4.194,50 euro, meer de interest. oorspronkelijke tegen- en tussenvorderingen van De Nul en van De Federale Verzekeringen
- De Federale Verzekeringen hebben, zoals hiervoor reeds vermeld, als ABR-verzekeraar van de nieuwbouwwerken aan het Sint-Jozefscollege, aan dit laatste een bedrag van 20.003,72 euro betaald uit hoofde van schade aan de niet-opgeleverde nieuwbouwwerken. De Nul zelf betaalde de vrijstelling ten bedrage van 2.478,93 euro. Beiden vorderen terugbetaling van deze sommen jegens de Stad Aalst. In geval van gedeelde aansprakelijkheid vorderen zij het deel van deze sommen dat overeenstemt met het weerhouden aansprakelijkheidspercentage. Nu de Stad Aalst en De Nul elk voor de helft aansprakelijk zijn voor de schade ingevolge de overstroming en dus ook voor de schade aan de nieuwbouwwerken in het Sint-Jozefscollege, is de vordering van Federale Verzekeringen en van De Nul ten belope van de helft van de aan het Sint-Jozefscollege betaalde sommen - derhalve ten belope van respectievelijk 10.001,86 en 1.239,47 euro - inwilligbaar, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 04.10.
- Nu de aansprakelijkheid van De Nul weerhouden blijft, is de vordering van De Federale Verzekeringen en van De Nul ertoe strekkend van de schadelijders aan wie zij bepaalde sommen hebben uitgekeerd terugbetaling te bekomen van deze sommen, ongegrond. gedingkosten
- In het licht van de vastgestelde aansprakelijkheden past het dat de gedingkosten als volgt worden ten laste gelegd: - Stad Aalst, De Nul en Aquafin zijn in solidum gehouden tot betaling van de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van de diverse schadelijders; ten aanzien van de schadelijders die ook tegen De Federale Verzekeringen een vordering hebben gesteld, is ook deze, in solidum met de overige aansprakelijke partijen, tot de gedingkosten gehouden; - Stad Aalst en De Nul zijn in solidum gehouden tot de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van Aquafin en dienen Aquafin te vrijwaren voor de gedingkosten die zij eventueel aan de schadelijders zal dienen te betalen; - Stad Aalst, De Nul en De Federale Verzekeringen dienen de aan hun zijde gevallen gedingkosten zelf te dragen. 2.1 Wat de rechtsplegingsvergoedingen in hoger beroep betreft - die worden beheerst door de regels ingevoerd door de wet van 21 april 2007 - bestaat tussen partijen geen betwisting dat elke partij recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding. De Stad Aalst en De Nul vragen dat de aan de schadelijders toe te kennen rechtsplegingsvergoedingen tot de minimumvergoeding worden herleid, nu meerderen eenzelfde raadsman hebben waardoor zij hun proceskosten voor een groot deel van hun argumentatie hebben kunnen delen en zij enkel over de cijfers afzonderlijk dienden te argumenteren. Bovendien wijzen zij er - terecht - op dat rekening moet worden gehouden met artikel 1022, 5e lid Ger.W.. Dit artikel bepaalt dat wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, het bedrag ervan maximum het dubbel mag bedragen van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. De VZW Sint-Jozefscollege, BVBA Electronische Ondernemingen Vander Putten en NV Vandewalle vragen toekenning van één globale rechtsplegingsvergoeding, zij het de maximale. Hierna worden, in eerste instantie, voor de diverse schadelijders de rechtsplegingsvergoedingen bepaald. In tweede orde wordt dan nagegaan of de som van deze rechtsplegingsvergoedingen de bovengrens van art. 1022, 5e lid Ger.W. al dan niet overschrijdt. 2.2 Het hof is van oordeel dat het kennelijk onredelijk zou zijn om aan de schadelijders wier vorderingen cijfermatig niet werden betwist, de basisrechtsplegingsvergoeding toe te kennen, temeer nu zij hetzij (met meerderen) door eenzelfde advocaat werden vertegenwoordigd, hetzij wat de argumentatie over de aansprakelijkheid betreft, louter hebben verwezen naar de argumentatie ontwikkeld door andere partijen. Het past om voor deze partrijen slechts de minimale rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Het betreft de volgende partijen aan wie de volgende rechtsplegingsvergoedingen worden toegekend : - NV Limit Electronics: 625,00 euro - NV Altronic: 200,00 euro - L. V. L.: 375,00 euro - VZW Kringloopcentrum Teleshop Meubelen: 375,00 euro - NV Arijs: 200,00 euro - Scholengroep 19 "Dender": 500,00 euro - I. C.: 200,00 euro - E. B. en G. V.: 500,00 euro - VZW Huis der Socialisten: 1.000,00 euro - J. D. en C. A.: 375,00 euro - NV General Repair Center: 1.000,00 euro - NV European Consultancy Center: 375,00 euro - P&V Verzekeringen: 500,00 euro - VZW De Jeugdvrienden - SJ Trommelkorps: 75,00 euro - C. V. D.: 125,00 euro - Socialistische Seniorenclub - Socialistische gepensioneerden Aalst: 125,00 euro - CSC Vormingswerk Aalst: 75,00 euro - Y. B.: 75,00 euro - G. B.: 200,00 euro - L. B.: 75,00 euro. - BVBA Oudenberghof: 375,00 euro - NV Electrabel: 1.000,00 euro. Wat de navolgende partijen betreft, die hetzij het voortouw hebben genomen bij de argumentatie over de aansprakelijkheid, hetzij hebben moeten argumenteren over de cijfers aangezien hun vordering werd betwist, past het de basisrechtsplegingsvergoeding toe te kennen. De zaak is niet dermate complex dat eender welke partij dan ook een maximale rechtsplegingsvergoeding moet worden toegekend. Aan de volgende partijen worden bijgevolg de navolgende basisbedragen toegekend: - VZW Sint-Jozefscollege: 2.500,00 euro - BVBA Electronische Ondernemingen Vander Putten: 2.000,00 euro - NV Vandewalle: 1.100,00 euro - G. D. S.: 900,00 euro - E. L.: 900,00 euro - J.S./consorten H. : 900,00 euro. Tenslotte past het om aan de navolgende schadelijders, die zich niet konden neerleggen bij de door de gerechtsdeskundige geraamde schade maar ten aanzien van wie het meer gevorderde volledig of grotendeels als ongegrond werd afgewezen, slechts het basisbedrag toe te kennen dat overeenstemt met de schijf waarin het toegekend bedrag ligt, nu het kennelijk onredelijk zou zijn om het basisbedrag overeenstemmend met het gevorderd bedrag toe te kennen. Het betreft de volgende partijen aan wie de volgende rechtsplegingsvergoedingen wordt toegekend: - I. V. L.: 400,00 euro - P. B.: 400,00 euro - M. P. en G. D. M.: 650,00 euro. 2.3 In tweede orde dient te worden nagegaan of de bovengrens bepaald door artikel 1022, 5e lid Ger.W. niet wordt overschreden. Van de schadelijders kan de partij VZW Huis der Socialisten - ABVV Aalst aanspraak maken op de hoogste rechtsplegingsvergoeding, nl. een maximale rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 euro (gezien haar vordering 66.663,46 euro bedraagt). Hieruit volgt dat het totaal bedrag van de rechtsplegingsvergoedingen toe te kennen aan de diverse schadelijders in totaal het bedrag van 12.000,00 euro niet mag te boven gaan. Vermits het totaal bedrag aan rechtsplegingsvergoedingen hoger is dan 12.000,00 euro, nl. 18.100,00 euro, dient het hiervoor aan elke schadelijder toegekend bedrag proportioneel te worden verminderd, door toepassing van de regel van drie. Concreet betekent dit dat elke schadelijder slechts een breukdeel, nl. 12.000/18.100, toegekend krijgt van de hiervoor bepaalde rechtsplegingsvergoedingen. Zo bijvoorbeeld wordt het aan de VZW Sint-Jozefscollege toegekend bedrag van 2.500,00 euro herleid tot: 2.500 x 12.000 = 1.657,46 euro. 18.100 Op dezelfde wijze wordt tewerk gegaan voor de overige schadelijders. 2.4 Tenslotte is Aquafin te beschouwen als in het gelijk gestelde partij op haar vrijwaringsvordering. Deze vrijwaringsvordering is te beschouwen als een niet in geld waardeerbare vordering, waarvoor het basisbedrag 1.200,00 euro bedraagt. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de Stad Aalst ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de NV Ondernemingen Jan De Nul ontvankelijk maar wijst het grotendeels af als ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de CV De Federale Verzekeringen ontvankelijk maar wijst het grotendeels af als ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van NV Aquafin ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van G. D. S. ontvankelijk en deels gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis behoudens: - waar het de tegeneis van de NV Ondernemingen Jan De Nul en de tussenvordering van de CV De Federale Verzekeringen jegens de Stad Aalst met betrekking tot de schade aan de nieuwbouwwerken van het Sint-Jozefscollege als ongegrond heeft afgewezen; - waar het niet heeft geoordeeld over de vordering van G. D. S. jegens de CV De Federale Verzekeringen. Opnieuw wijzend op deze punten: Veroordeelt de Stad Aalst tot betaling aan de NV Ondernemingen Jan de Nul van de som van 1.239,47 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 04.10.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling. Veroordeelt de Stad Aalst tot betaling aan de CV De Federale Verzekeringen van de som van 10.001,86 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling. Veroordeelt De Federale Verzekeringen in solidum met de Stad Aalst, de NV Ondernemingen Jan de Nul en de NV Aquafin tot betaling aan G. D. S. van de som van 4.278,34 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling. * * * Verklaart de incidentele beroepen van de diverse schadelijders over wiens vordering nog niet werd geoordeeld door de eerste rechter ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond. Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep oordelend over deze vorderingen: Veroordeelt de Stad Aalst, de NV Ondernemingen Jan de Nul en de NV Aquafin in solidum tot betaling van de navolgende bedragen aan de navolgende partijen: - aan NV Limit Electronic de som van 13.401,97 euro te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan NV Altronic de som van 1.378,90 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan L. V. L. de som van 3.280,72 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan VZW Kringloopcentrum Teleshop Meubelen de som van 3.282,11 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan NV Arijs de som van 2.193,51 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan Scholengroep 19 "Dender" als rechtsopvolger van het Koninklijk Atheneum II - lyceum de som van 3.864,36 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan de Scholengroep 19 "Dender" als rechtsopvolger van de ARGO de som van 3.025,34 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan I. C. de som van 1.247,64 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan E. B. en G. V. de som van 4.967,29 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan VZW Huis der Socialisten - ABVV Aalst de som van 66.663,46 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan J. D. en C. A. de som van 3.882,01 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan NV General Repair Center de som van 34.140,24 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan NV European Consultancy Company de som van 2.482,70 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan E. L. de som van 5.779,71 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan I. V. L. de som van 743,68 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan P. B. de som van 1.906,35 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan J. S., P. H., L. H. en K. H., de som van 9.404,08 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling; - aan M. P. en G. D. M., de som van 4.194,50 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling. Veroordeelt de Stad Aalst, de NV Ondernemingen Jan De Nul, de CV De Federale Verzekeringen en de NV Aquafin in solidum tot betaling van de navolgende bedragen aan de navolgende partijen: - aan C.V. P&V Verzekeringen: * als gesubrogeerde in de rechten van de VZW De Jeugdvrienden - S.J. T., de som van 1.127,92 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 28.03.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interest tot de datum van betaling; * als gesubrogeerde in de rechten van C. V. D., de som van 940,06 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 18.04.2000 tot 08.06.2000 op 413,24 euro en vanaf 08.06.2000 tot heden op 940,06 euro en vanaf heden te vermeerderen met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interest tot de datum van betaling; * als gesubrogeerde in de rechten van Socialistische Seniorenclub - Socialistische gepensioneerden Aalst, de som van 799,31 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 06.03.2000 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interest tot de datum van betaling; * als gesubrogeerde in de rechten van CSC Vormingswerk Aalst, de som van 582,82 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 16.03.2000 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interest tot de datum van betaling; * als gesubrogeerde in de rechten van Y. B., de som van 308,08 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 16.03.2000 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interest tot de datum van betaling; * als gesubrogeerde in de rechten van G. B., de som van 3.137,84 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 02.02.1996 tot 09.07.1999 op 2.478,94 euro en vanaf 09.07.1999 tot heden op 3.137,84 euro en vanaf heden te vermeerderen met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interest tot de datum van betaling; * als gesubrogeerde in de rechten van L. B., de som van 3.037,14 euro te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 27.02.1996 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interest tot de datum van betaling; - aan VZW De Jeugdvrienden - S.J. T. de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet op 1.127,92 euro vanaf 20.02.1995 tot 28.03.1995, te vermeerderen met de verwijlinterest aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot de datum van betaling; - aan C. V. D., de som van 663,71 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot 18.04.2000 op 1.603,77 euro, vanaf 18.04.2000 tot 08.06.2000 op 1.190,53 euro en vanaf 08.06.2000 tot heden op 663,71 euro, vanaf heden te vermeerderen met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom van 663,71 euro plus de vergoedende interest tot de datum van betaling; - aan de Socialistische Seniorenclub - Socialistische gepensioneerden Aalst, de som van 304,93 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot 06.03.2000 op 1.104,24 euro en vanaf 06.03.2000 tot heden op 304,93 euro, vanaf heden te vermeerderen met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom van 304,93 euro plus de vergoedende interest tot de datum van betaling; - aan CSC Vormingswerk Aalst, de som van 167,48 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot 16.03.2000 op 750,30 euro en vanaf 16.03.2000 tot heden op 167,48 euro, vanaf heden te vermeerderen met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom van 167,48 euro plus de vergoedende interest tot de datum van betaling; - aan Y. B., de som van 167,48 euro te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot 30.08.1995 op 475,56 euro en vanaf 30.08.1995 tot heden op 167,48 euro, vanaf heden te vermeerderen met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom van 167,48 euro plus de vergoedende interest tot de datum van betaling; - aan G. B. de som van 2.204,27 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot 02.02.1996 op 5.342,11 euro, vanaf 02.02.1996 tot 09.07.1997 op 2.863,17 euro en vanaf 09.07.1997 tot heden op 2.204,27 euro, vanaf heden te vermeerderen met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom van 2.204,27 euro plus de vergoedende interest tot de datum van betaling; - aan L. B., de som van 19,59 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot 27.02.1996 op 3.056,73 euro en vanaf 27.02.1996 tot heden op 19,59 euro, vanaf heden te vermeerderen met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom van 19,59 euro plus de vergoedende interest tot de datum van betaling; - aan NV Electrabel de som van 31.343,71 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.02.1995 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de dag der betaling. Veroordeelt de Stad Aalst tot betaling aan de BVBA Oudenberghof van de som van 2.220,66 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 18.01.2002 tot heden en vanaf heden met de verwijlinterest eveneens aan de wettelijke interestvoet tot de datum van betaling. Veroordeelt de NV Ondernemingen Jan De Nul tot betaling aan de BVBA Oudenberghof van de som van 254,31 euro. vrijwaringsvorderingen Veroordeelt de Stad Aalst en de NV Ondernemingen Jan De Nul om de NV Aquafin te vrijwaren voor alle bedragen die deze aan de voormelde schadelijders zou dienen te betalen, zo in hoofdsom, interest als kosten. Veroordeelt de NV Ondernemingen Jan De Nul om de stad Aalst te vrijwaren voor de helft van alle bedragen, zo in hoofdsom, interest als kosten die de Stad Aalst zou dienen te betalen aan de voormelde schadelijders. gedingkosten Veroordeelt de Stad Aalst, de NV Ondernemingen Jan De Nul en de NV Aquafin in solidum tot de gedingkosten in hoger beroep gevallen aan de zijde van de VZW Sint-Jozefscollege, de BVBA Vander Putten Electronische Ondernemingen, de NV Vandewalle en veroordeelt hen in solidum met De Federale Verzekeringen tot de gedingkosten in hoger beroep gevallen aan de zijde van D. S. G.. Begroot deze kosten als volgt: - aan de zijde van de VZW Sint-Jozefscollege: 1.657,46 euro rechtsplegingsvergoeding; - aan de zijde van BVBA Vander Putten Electronische Ondernemingen: 1.325,97 euro rechtsplegingsvergoeding; - aan de zijde van NV Vandewalle: 729,28 euro rechtsplegingsvergoeding; - aan de zijde van G. D. S.: 596,69 euro rechtsplegingsvergoeding. * * * Veroordeelt de Stad Aalst, de NV Ondernemingen Jan De Nul en de NV Aquafin tot de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van de overige partijen. Begroot deze als volgt: - aan de zijde van NV Limit Electronic: · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 euro · aandeel expertisekosten: 2.975,02 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 414,36 euro - aan de zijde van NV Altronic: · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 euro · aandeel expertisekosten: 1.023,28 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 132,60 euro - aan L. V. L.: · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 euro · aandeel expertisekosten: 1.106,05 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 248,62 euro - aan VZW Kringloopcentrum Teleshop Meubelen: · kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 euro · aandeel expertisekosten: 1.404,76 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 248,62 euro - aan de zijde van NV Arijs: · kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 167,33 euro · aandeel expertisekosten: 3.241,43 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 132,60 euro - aan de zijde van E. L. · kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 euro · aandeel expertisekosten: 1.659,07 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 596,69 euro - aan de zijde van Scholengroep 19 "Dender", én als rechtsopvolger van Koninklijk Atheneum II - lyceum én als rechtsopvolger van ARGO: · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 euro · aandeel expertisekosten: 2 x 1.703,48 euro 3.406,96 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 331,49 euro - aan de zijde van I. V. L. kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 167,33 euro · aandeel expertisekosten: 597,42 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 265,19 euro - aan de zijde van P. B.: · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 euro · aandeel expertisekosten: 1.023,27 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 265,19 euro - aan de zijde van I. C.: · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 euro · aandeel expertisekosten: 597,42 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 132,60 euro - aan de zijde van J. S., P. H., L. H. en K.l H.: · kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · aandeel expertisekosten: 2.765,13 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 596,69 euro - aan de zijde van M. P. en G. D M.: · kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · aandeel expertisekosten: 1.106,05 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 430,94 euro - aan de zijde van E. B. en G.V.: · kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · aandeel expertisekosten: 1.360,36 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 331,49 euro - aan de zijde van VZW Huis der Socialisten - ABVV Aalst: · kosten dagvaarding kortgeding: 48,14 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · aandeel expertisekosten: 9.930,88 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 662,98 euro - aan de zijde van J. D. en C. A.: · kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · aandeel expertisekosten: 1.106,05 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 248,62 euro - aan de zijde van NV General Repair Center: · kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · aandeel expertisekosten: 4.069,00 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 662,98 euro - aan de zijde van NV European Consultancy Company: · kosten dagvaarding kortgeding: 24,07 euro · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · aandeel expertisekosten: 3.838,84 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 248,62 euro. Veroordeelt de Stad Aalst, de NV Ondernemingen Jan De Nul, de CV De Federale Verzekeringen en de NV Aquafin tot betaling van de navolgende gedingkosten aan de navolgende partijen: - aan de CV P&V Verzekeringen: · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · aanvullende rechtsplegingsvergoeding expertise: 60,73 euro · aandeel expertisekosten: 5.707,85 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 331,49 euro - aan de zijde van VZW De Jeugdvrienden - S.J. T. : · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · aanvullende rechtsplegingsvergoeding expertise: 60,73 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 49,72 euro - aan de zijde van C. V. D.: · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · aanvullende rechtsplegingsvergoeding expertise: 60,73 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 82,87 euro - aan de zijde van Socialistische Seniorenclub - Socialistische Gepensioneerden Aalst: · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · aanvullende rechtsplegingsvergoeding expertise: 60,73 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 82,87 euro - aan de zijde van CSC Vormingswerk Aalst: · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · aanvullende rechtsplegingsvergoeding expertise: 60,73 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 49,72 euro - aan de zijde van Y. B.: · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · aanvullende rechtsplegingsvergoeding expertise: 60,73 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 49,72 euro - aan de zijde van G. B.: · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · aanvullende rechtsplegingsvergoeding expertise: 60,73 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 132,60 euro - aan de zijde van L. B.: · rechtsplegingsvergoeding kortgeding: 111,55 euro · aanvullende rechtsplegingsvergoeding expertise: 60,73 euro · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 49,72 euro - aan de zijde van NV Electrabel: · rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,60 euro · rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 662,98 euro. Veroordeelt de Stad Aalst en de NV Ondernemingen Jan De Nul tot de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van de BVBA Oudenberghof. Begroot deze op 334,60 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 248,62 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Veroordeelt de Stad Aalst en de NV Ondernemingen Jan De Nul tot de gedingkosten gevallen aan de zijde van de NV Aquafin. Begroot deze op 334,60 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 1.200,00 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Zegt dat de Stad Aalst, de NV Ondernemingen Jan De Nul en De Federale Verzekeringen de aan hun zijde gevallen gedingkosten zelf dienen te dragen. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ACHT JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div