id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 14 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090114.13 Rolnummer: 2008/AR/1531 Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2009-05-14 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-02 18:58 Fiche Naar Belgisch recht moet de bevoegdheid worden bepaald naar het onderwerp van de vordering en worden beoordeeld, niet naar het door de feitenrechter vast te stellen werkelijke onderwerp van het geschil, maar wel naar de vordering zoals zij door de eiser is voorgedragen. Elk prejudicieel onderzoek van de grond van de zaak, met het oog op de beslechting van een bevoegdheidsgeschil, wordt door het Hof van Cassatie afgewezen. Ook de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken ten aanzien van vreemdelingen of buitenlandse rechtspersonen wordt beoordeeld rekening gehouden met het voorwerp van de vordering zoals bepaald in de dagvaarding. Voor geschillen met een internationaal karakter dient de vraag welke rechter over rechtsmacht beschikt, beslecht te worden overeenkomstig de EEX-Verordening, die van toepassing is op geschillen, ingeleid vanaf 1 maart 2002 (art. 76 van de Verordening). Een forumbeding in de zin van artikel 23 EEX-Verordening is exclusief, tenzij de partijen anders overeenkomen (artikel 23.1, tweede zin, EEX-Verordening). Dit betekent dat het geschil enkel aan de in het beding aangewezen rechter kan voorgelegd worden en niet aan de rechter die er kennis van zou kunnen nemen op grond van onder meer de artikelen 2 of 5 van de EEX-Verordening. Wanneer in een geschil met een internationaal karakter, de partijen overeengekomen zijn een rechter aan te wijzen conform artikel 23 EEX-Verordening, dan stelt deze overeenkomst de toepassing van artikel 4, eerste lid van de alleenverkoopwet, buiten werking. De Europese Verordening primeert immers de regels van intern Belgisch recht. De bepaling van artikel 23 EEX-Verordening berust op de erkenning van de partijautonomie Deze wil van de partijen om een rechter aan te wijzen moet duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komen. Aldus is een beding dat aan een partij de keuze laat om na het ontstaan van het geschil de rechtbank te vatten die haar het meest geschikt lijkt, te vaag en kan het niet ingeroepen worden. Hetzelfde geldt voor een beding waarin bedongen wordt dat de geschillen uitsluitend 'door de door [één der partijen] aangeduide rechtbanken beslecht worden'. Deze bedingen geven aldus aan een partij de volledige vrijheid om, op het ogenblik dat zij een geding wil instellen, elke rechtbank naar haar keuze te vatten. Van een overeenkomst over een aan te wijzen rechtbank is in dat geval geen sprake. Artikel 23 EEX-Verordening verplicht de partijen niet om slechts één rechter aan te wijzen, bij wie alle geschillen worden gebracht die uit de overeenkomst ontstaan. Zij kunnen bovendien overeenkomen dat de forumkeuze slechts geschiedt in het voordeel van één partij. Zij kunnen ook de rechtbank van twee of meer Staten aanwijzen om, naar gelang van de plaats van de partijen in de rechtspleging, kennis te nemen van de geschillen die hun oorsprong vinden in het contract. Bovendien belet niets de partijen overeen te komen om aan één van hen een grotere keuze aan jurisdicties te geven dan aan de andere, op voorwaarde dat uit het forumbeding voldoende nauwkeurig bepaald is welke de jurisdicties zijn die over rechtsmacht beschikken. Artikel 23 EEX-Verordening beperkt het recht om een overeenkomst tot aanwijzing van een of meer rechters te sluiten niet tot het tijdstip waarop hun rechtsbetrekking tot stand komt. Zij kunnen een dergelijke overeenkomst ook sluiten tijdens de duur van deze rechtsbetrekking. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE Vrije woorden: Internationale rechtsmacht - geen prejudicieel onderzoek - E.E.X.-verordening - artikel 23 E.E.X.-verordening - partijautonomie -aanwijzing van meer dan één partij - forumkeuze in het voordeel van één partij - forumbeding overeengekomen na totstandkoming overeenkomst. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 14 januari 2009 EINDARREST E.E.X.-VO - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/1531 van: nv I.P.M., (in het bestreden vonnis en in de besluiten van deze partij : nv INDUSTRIAL PLASTICS MACHINES) met zetel te 9000 Gent, Achilles Musschestraat 45, met ondernemingsnr.: 0433.535.857, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, op tegenspraak gewezen door de zesde kamer dd. 3-4-2008, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. DE VLEESCHAUWER Philippe, advocaat te 9840 De Pinte, Hemelrijkstraat 1 tegen : ENGEL AUSTRIA GmbH, vennootschap naar Oostenrijks recht met zetel te A - 4311 Schwertberg (Oostenrijk), Ludwig-Engel-Strasse 1, LG Linz, FN 78038 m, UID-nr. ATU 36793608, DVR 0469530, geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. KOCKS Christoph, advocaat te 1050 Brussel, Legrandlaan 41 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 9 juni 2008, stelde de naamloze vennootschap I.P.M. (hierna "IPM" genoemd) hoger beroep in tegen het vonnis dat op 3 april 2008 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de zesde kamer van de rechtbank van koophandel te Gent. Antecedenten I.
- Engel Vertriebsgesellschaft mbH stelde met ingang van 1 april 1987 de PVBA Provide aan als haar handelsagent voor België en Luxemburg. Op 8 en 9 april 1987 ondertekenden deze partijen een overeenkomst, waarin bedongen was dat zij op proef gesloten was tot 31 maart
- Bij gebrek aan opzegging zou zij vanaf 1 april 1988 voor onbepaalde duur worden verlengd. Voor de PVBA Provide werd de overeenkomst ondertekend door de heer P. D. C. Op 27 april 1988 sloten Engel Vertriebsgesellschaft mbH en IPM een handelsagentuurovereenkomst voor België en Luxemburg. Deze overeenkomst trad in werking vanaf 1 april 1988 en was gesloten voor onbepaalde duur. Voor IPM ondertekende de heer P. D. C. deze overeenkomst. Op 6 juni 2001 sloten Engel Vertriebsgesellschaft mbH en IPM een overeenkomst, waarbij IPM aangesteld werd als exclusieve vertegenwoordiger van Engel Vertriebsgesellschaft in België en Luxemburg. De overeenkomst bepaalde dat de koopcontracten ofwel tot stand konden komen door rechtstreekse facturatie van Engel aan de klant (agentuur) of als wederverkooptransactie (verkoopconcessie). Er werd evenwel aan toegevoegd dat de zaken in de regel "op wederverkoop-basis" zouden afgehandeld worden. Verder bepaalde deze overeenkomst dat zij het contract van 27 april 1988 verving en voor onbepaalde duur in werking trad op 1 januari
- Zij bevatte onder artikel 20 de volgende clausule: "Gerichtsstand ist Linz. ENGEL ist jedoch nach ihrer Wahl berechtigt, das örtlich zuständige Gericht am Sitz des Vertreters oder das Schiedsgericht der Internationalen Handelskammer in Paris anzurufen. Die Entscheidung des Schiedsgerichtes der Internationalen Handelskammer is inappelabel. In allen Fällen gelangt österreichisches Recht zur Anwendung" of, vrij vertaald: "De rechtbank van Linz is bevoegd. Engel kan evenwel, naar haar keuze, de rechtbank van de plaats van de zetel van de vertegenwoordiger of het Scheidsgerecht van de Internationale Kamer van Koophandel te Parijs vatten. Tegen de beslissing van het Scheidsgerecht van de Internationale Kamer van Koophandel kan geen hoger beroep worden ingesteld. In alle gevallen is het Oostenrijkse recht toepasselijk".
- Bij aangetekende brief van 27 juli 2007 liet Engel Austria GmbH (hierna afgekort "Engel" genoemd) aan IPM weten dat zij een einde stelde aan de overeenkomst van vertegenwoordiging voor België die sedert 1 april 1987 bestond. Zij verklaarde de overeenkomst op te zeggen met een opzeggingstermijn van zes maanden. Met een tweede brief van dezelfde dag bood Engel aan een globale vergoeding van 220.000,00 EUR te betalen aan IPM. Bovendien verklaarde zij zich bereid om de stock van IPM na inventaris en actuele schatting terug te kopen. II.
- Op 17 september 2007 liet IPM een dagvaarding met verkorte termijnen betekenen aan Engel om te verschijnen voor de rechtbank van koophandel te Gent, zetelend in kort geding. Zij vorderde de veroordeling van Engel tot betaling van 500.000,00 EUR als voorschot op de compensatoire opzeggingsvergoeding, waarop zij aanspraak maakte op grond van artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (hierna "de alleenverkoopwet" genoemd). Bovendien vorderde zij de aanstelling van een deskundige met als opdracht de begroting van de gemiddelde bruto marge over de laatste 5 jaar verbonden aan de concessie, die als berekeningsbasis zou dienen voor de in de bodemprocedure toe te kennen billijke compensatoire opzeggingsvergoeding, evenals van de bekende meerwaarde van het cliënteel van de "Engel-producten", gerealiseerd door IPM over de periode van 27 april 1988 tot en met 27 juli
- In conclusies vorderde IPM bovendien bij wijze van eisuitbreiding dat aan Engel, onder verbeurte van een dwangsom, zou bevolen worden de levering van machines en wisselstukken te hervatten.
- Engel besloot in hoofdorde dat de kortgedingrechter zich zonder rechtsmacht, dan wel internationaal onbevoegd, diende te verklaren. In ondergeschikte orde besloot zij tot de niet toelaatbaarheid van de vordering bij gebrek aan urgentie, minstens tot de ongegrondheid ervan.
- De voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent, zetelend in kort geding, verklaarde zich in zijn beschikking van 10 oktober 2007 zonder rechtsmacht. Hij stelde vast dat de overeenkomst een geldig bevoegdheidsbeding bevatte. Verwijzend naar artikel 31 van de EG-Verordening 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna "de EEX-Verordening" genoemd), overwoog hij dat er geen reële band bestond tussen het voorwerp van de gevorderde maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter.
- Het hoger beroep van IPM tegen deze beschikking werd ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. In een arrest van 28 januari 2008 nam het hof van beroep (zevende kamer) de overwegingen van de kortgedingrechter over wat de vordering tot betaling van een voorschot betrof. Wat de gedwongen hervatting van de leveringen betrof, stelde het hof dat de Belgische kortgedingrechter rechtsmacht had om, in de gevallen die hij spoedeisend achtte, nuttige bewarende maatregelen te treffen, die afgestemd zijn op de bodemrechten van partijen, zo de maatregel ook in België moet uitgevoerd worden. Het hof overwoog evenwel dat noch de bodemrechter, noch de kortgedingrechter, de contractuele relatie tussen partijen konden herstellen en partijen tot nakomen van haar contractuele verbintenissen konden dwingen. Bovendien preciseerde IPM volgens het hof niet nader welke bijzondere omstandigheden de uitvoering van bepaalde leveringen zouden vereisen om een onherstelbaar nadeel te voorkomen. Met betrekking tot de aanstelling van een deskundige overwoog het hof dat deze maatregel urgent was en dat de opdracht van de deskundige zich hoofdzakelijk in België situeerde. Het hof stelde bedrijfsrevisor Estella Verschueren aan met als opdracht de gemiddelde bruto marge over de laatste vijf jaar te begroten die de concessieovereenkomst met Engel voor IPM heeft opgebracht met vermelding van het aandeel van deze concessie in de totale activiteiten van IPM. Verder kreeg de deskundige als opdracht gegevens te verzamelen en te bundelen over het cliënteel dat IPM voor Engel heeft gerealiseerd tussen 27 april 1988 en 27 juli 2007, over de evolutie van het aantal cliënten en de omzet van IPM voor Engel en "over hun verdere binding met IPM of Engel na de beëindiging op 16 oktober 2007 van de concessieovereenkomst."
- Engel verklaart een voorziening in Cassatie te hebben ingesteld tegen het arrest van 28 januari 2008 van het hof van beroep. III.
- Eveneens op 17 september 2007 heeft IPM een dagvaarding ten gronde laten betekenen aan Engel om te verschijnen voor de rechtbank van koophandel te Gent. Zij vorderde dat voor recht gezegd werd dat de Belgische rechtbanken bevoegd waren om kennis te nemen van het geschil, gelet op de dwingende bepalingen van de alleenverkoopwet, en dat de rechtbanken van het arrondissement Gent territoriaal bevoegd waren, gelet op de ligging van haar maatschappelijke zetel. Zij maakte aanspraak op een bijkomende compensatoire opzegvergoeding, gelijk aan 36 maanden semi-bruto winst en vorderde uit hoofde daarvan een provisioneel bedrag van 1.677.789,00 EUR. Bovendien vorderde zij een provisioneel bedrag van 593.500,00 EUR ten titel van rouwgeld voor personeel. Verder vorderde zij dat aan Engel bevolen werd om de stock van wisselstukken en producten terug te nemen voor een provisioneel bedrag van 271.059,00 EUR. Tevens vorderde zij 200.000,00 EUR als bijkomende niet-recupereerbare kosten voor de uitbating van de concessie in uitvoering van artikel 3 van de alleenverkoopwet en een provisionele vergoeding van 279.631,00 EUR voor bekende meerwaarde van cliënteel. Ten slotte vorderde IPM de aanstelling van een gerechtsdeskundige bedrijfsrevisor of accountant, met als opdracht om advies te verlenen over de bekende meerwaarde van het cliënteel van de Engel-producten, gerealiseerd door IPM over de periode van 27 april 1988 tot en met 27 juli
- In conclusies breidde zij deze opdracht uit.
- Engel wierp vóór elk ander verweer de exceptie van internationale onbevoegdheid op, zich beroepend op de forumkeuze in de concessieovereenkomst in het voordeel van de rechtbanken te Linz (Oostenrijk). In ondergeschikte orde stelde Engel dat de dagvaarding nietig was, omdat er geen bewijs voorlag van betekening en omdat de betekening naar Oostenrijks recht laattijdig gebeurd was. Nog meer ondergeschikt wees Engel erop dat de partijen een geldige rechtskeuze gedaan hadden voor het Oostenrijkse recht en dat het contract overeenkomstig dit recht correct was opgezegd met een opzeggingstermijn van zes maanden. In de meest ondergeschikte orde betoogde Engel dat de vordering ook naar Belgisch recht ongegrond was, minstens wees zij de gevorderde bedragen af en verzette zij zich tegen de uitvoerbaarverklaring van het vonnis. Zij vroeg dat IPM veroordeeld werd tot de gedingkosten.
- De eerste rechter verklaarde zich zonder rechtsmacht om kennis te nemen van het geschil en veroordeelde IPM tot de gedingkosten. Hij stelde vast dat artikel 20 van de overeenkomst de bevoegde rechter aanwees en dat dit artikel een forumbeding was, zoals bedoeld in artikel 23 van de EG Verordening 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna "de EEX-Verordening" genoemd). De eerste rechter wees het verweer van IPM dat het forumbeding uit de overeenkomst nietig was, af. Hij stelde dat het geen beding was dat aan een partij de keuze liet om na het ontstaan van het geschil de rechtbank te vatten die haar het meest geschikt leek. Bovendien overwoog hij dat artikel 23 van de EEX-Verordening niet uitsluit dat het forumbeding voor elke partij een ander forum aanduidt. Hij stelde vast dat het beding voor IPM geen keuze liet, doch dat als algemene regel geldt dat de rechtbanken van Linz bevoegd zijn. Ook voor Engel was er volgens de eerste rechter geen willekeurig keuzerecht voor de rechtbank die haar het meest geschikt lijkt: zij kan enkel kiezen tussen de rechtbanken van Linz, deze van de woonplaats van IPM of voor het scheidsgerecht van de Internationale Kamer van Koophandel te Parijs. Tenslotte stelde de eerste rechter dat de eventuele nietigheid van het forumbeding met betrekking tot het keuzerecht van Engel de ondubbelzinnige aanwijzing van de bevoegde rechtbank voor IPM niet aantastte. Aangezien de overeenkomst ten aanzien van IPM de rechtbanken van Linz aanwees als enige bevoegde rechtbank om kennis te nemen van een eventueel geschil voortvloeiend uit de overeenkomst en het forumbeding van artikel 20 van de overeenkomst een geldig beding was, besloot de eerste rechter dat hij geen rechtsmacht had om kennis te nemen van het geschil zoals omschreven in de inleidende dagvaarding. Ten slotte achtte de rechtbank het onredelijk om de aan Engel toekomende rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op 30.000,00 EUR, zoals door haar gevorderd, en zelfs op het basisbedrag van 15.000,00 EUR. Gelet op de aard en de belangrijkheid van het door hem beslechte twistpunt beperkte de eerste rechter de rechtsplegingsvergoeding in redelijkheid tot een forfaitair bedrag van 3.000,00 EUR. IV.
- In hoger beroep vordert IPM dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en, opnieuw recht sprekend, zich bevoegd verklaart en uitspraak doet zoals gevorderd voor de eerste rechter, met dien verstande dat het provisioneel bedrag waarvoor zij betaling vordert ten titel van rouwgeld, verminderd wordt tot 100.000,00 EUR. Ten slotte vraagt zij dat het hof Engel veroordeelt tot de gedingkosten in beide aanleggen. Zij stelt dat de eerste rechter zich ten onrechte zonder rechtsmacht verklaard heeft om kennis te nemen van het geschil. In haar beroepsakte argumenteert IPM dat, overeenkomstig het bevoegdheidsbeding, de concessienemer kan gedagvaard worden voor de rechter van de plaats waar zijn zetel gevestigd is. Zij wijst erop dat, volgens artikel 4 van de concessiewet, de Belgische rechtbank in ieder geval de Belgische concessiewet moet toepassen en dat deze bepaling van dwingend recht is, zodat een andersluidend beding voor niet geschreven wordt gehouden. Zij betoogt dat een bevoegdheidsbeding, dat aan één van de partijen een keuzerecht laat, nietig is en besluit dat, gelet op de nietigheid van het bevoegdheidsbeding, de artikelen 4 en 6 van de alleenverkoopwet van toepassing zijn en de Belgische rechtbanken onbetwistbaar bevoegd zijn. In haar conclusie wijst IPM er bovendien op dat de overeenkomst van 6 juni 2001, waarin voor het eerst de door Engel ingeroepen bevoegdheids- en rechtskeuzeclausule voorkwam, niets anders was dan de voortzetting van de overeenkomst van 27 april
- Zij betoogt dat de alleenverkoopwet toepasselijk is, niettegenstaande hiermee strijdige overeenkomsten, gesloten vóór het einde van het contract en dat bijgevolg de contractuele bepaling, vervat in artikel 20 van de overeenkomst van 6 juni 2001, die werd gesloten lopende de concessieovereenkomst, zonder uitwerking is. IPM besluit dat zij, overeenkomstig artikel 4 van de alleenverkoopwet, in elk geval Engel kan dagvaarden voor de rechter van haar woonplaats. In ondergeschikte orde argumenteert IPM dat, rekening houdend met het feit dat in de overeenkomst van 6 juni 2001 het Oostenrijks recht toepasselijk werd verklaard, de Oostenrijkse rechter, indien hij zou worden gevat, de dwingende bepalingen van de alleenverkoopwet kan, maar niet moet toepassen. Verder wijst IPM erop dat, naar Oostenrijks recht, de wetgeving op de handelsagentuurovereenkomst zal toegepast worden, aangezien er geen concessiewetgeving bestaat en dat de handelsagentuurwet niet dezelfde bescherming biedt als de alleenverkoopwet. Zij besluit dat, ook inzake het toepasselijke recht, artikel 20 van de overeenkomst van 6 juni 2001 haar rechten aantast. Aangezien enkel de problematiek van de bevoegdheid wordt behandeld, verzoekt IPM het hof om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot 3.000,00 EUR, onder voorbehoud van vermeerdering in geval van verdere behandeling ten gronde.
- Engel vraagt in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vonnis. In ondergeschikte orde vraagt zij dat alle vorderingen van IPM onontvankelijk, minstens ongegrond worden verklaard en dat IPM veroordeeld wordt tot de gedingkosten. Wat de rechtsplegingsver-goeding in eerste aanleg betreft vraagt zij bevestiging van het door de eerste rechter toegekende bedrag van 3.000,00 EUR. In hoger beroep vraagt zij een rechtsplegingsvergoeding van 10.000,00 EUR. Beoordeling I.
- Het hoger beroep van IPM, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk.
- Op de inleidende zitting van 10 september 2008 hebben de partijen een minnelijk akkoord inzake conclusietermijnen neergelegd. De voorzitter heeft akte genomen van deze conclusietermijnen, ze bekrachtigd en, overeenkomstig artikel 747§2, derde lid Ger.W., de rechtsdag bepaald op 17 december 2008, met dien verstande dat op deze rechtsdag enkel kon gepleit worden over de rechtsmacht.
- In haar conclusie, neergelegd op 8 oktober 2008 vraagt IPM dat het hof, na het bestreden vonnis vernietigd te hebben en, opnieuw recht doende, zich bevoegd te hebben verklaard, in het kader van de verdere behandeling van deze zaak binnen de zes weken na het arrest, en bij gebrek aan minnelijke conclusiekalender tussen partijen, een rechterlijke kalenderregeling bepaalt. II.
- IPM, die een Belgische vennootschap is, vordert vergoedingen wegens de eenzijdige beëindiging van een concessie van alleenverkoop van onbepaalde duur door Engel, die een vennootschap naar Oostenrijks recht is. Wanneer Engel opwerpt dat de rechtbank van koophandel te Gent - en in hoger beroep dit hof - "onbevoegd" zijn om kennis te nemen van het geschil tussen partijen, betreft deze exceptie de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken. Engel houdt immers niet voor dat een andere Belgische rechtbank dan de rechtbank van koophandel te Gent bevoegd was om van het geschil kennis te nemen, maar wel dat het niet tot het imperium van de Belgische rechterlijke orde behoort (vgl.: LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 414-416, p. 227-228).
- Naar Belgisch recht moet de bevoegdheid worden bepaald naar het onderwerp van de vordering en worden beoordeeld, niet naar het door de feitenrechter vast te stellen werkelijke onderwerp van het geschil, maar wel naar de vordering zoals zij door de eiser is voorgedragen (vgl.: CASS. 11 februari 1904, Pas. 1904, I, 134; CASS. 21 februari 1944, Pas. 1944, I, 219; CASS. 8 september 1978, R.W., 1978-79, 960; CASS. 19 december 1985, Arr. Cass. 1985-86, 58). Elk prejudicieel onderzoek van de grond van de zaak, met het oog op de beslechting van een bevoegdheidsgeschil, wordt door het Hof van Cassatie afgewezen. Ook de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken ten aanzien van vreemdelingen of buitenlandse rechtspersonen wordt beoordeeld rekening gehouden met het voorwerp van de vordering zoals bepaald in de dagvaarding (vgl.: BRUSSEL, 1 december 1994, Pas. 1994, II, 11, GENT, 15 mei 2002, T..B.H. 2003, 155).
- IPM steunt de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken en de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Gent op artikel 4, eerste lid, van de alleenverkoopwet, dat bepaalt: "De benadeelde concessiehouder kan, bij de beëindiging van een verkoopconcessie met uitwerking voor het gehele Belgische grondgebied of een deel ervan, in elk geval de concessiegever in België dagvaarden, hetzij voor de rechter van zijn eigen woonplaats, hetzij voor de rechter van de woonplaats of de zetel van de concessiegever". Het is niet mogelijk af te wijken van deze bepaling vóór het einde van de overeenkomst (artikel 6 van de alleenverkoopwet).
- Voor geschillen met een internationaal karakter dient de vraag welke rechter over rechtsmacht beschikt, beslecht te worden overeenkomstig de EEX-Verordening, die van toepassing is op geschillen, ingeleid vanaf 1 maart 2002 (art. 76 van de Verordening). Engel beroept zich op het artikel 23 van de EEX-Verordening om de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken te betwisten. Daarin wordt bepaald dat, wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht of de gerechten van deze lidstaat bevoegd zijn. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten: - hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, - hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden, - hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen (artikel 23.1 EEX-Verordening). Een forumbeding in de zin van artikel 23 EEX-Verordening is exclusief, tenzij de partijen anders overeenkomen (artikel 23.1, tweede zin, EEX-Verordening). Dit betekent dat het geschil enkel aan de in het beding aangewezen rechter kan voorgelegd worden en niet aan de rechter die er kennis van zou kunnen nemen op grond van onder meer de artikelen 2 of 5 van de EEX-Verordening.
- Uit de hoger aangehaalde clausule van artikel 20 van de overeenkomst van 6 juni 2001 blijkt dat de partijen bij schriftelijke overeenkomst de rechtbanken van Linz in Oostenrijk hebben aangewezen om kennis te nemen van de geschillen in verband met de tussen hen gesloten concessie van alleenverkoop. Dit beding voldoet aan de voorwaarden van artikel 23 EEX-Verordening.
- Wanneer in een geschil met een internationaal karakter, de partijen overeengekomen zijn een rechter aan te wijzen conform artikel 23 EEX-Verordening, dan stelt deze overeenkomst de toepassing van artikel 4, eerste lid van de alleenverkoopwet, buiten werking. De Europese Verordening primeert immers de regels van intern Belgisch recht (vgl. WILLEMART, M. en WILLEMART, S., Chronique de Jurisprudence 1997-
- La résiliation unilatérale des concessions de vente exclusive à durée indéterminée, J.T., 2008, p. 2-8, nr. 9.2.).
- IPM stelt vast dat volgens het forumbeding de concessienemer ook kan gedagvaard worden voor de rechtbank van de plaats waar haar zetel gevestigd is. Zij kan niet bijgetreden worden waar zij stelt dat het forumbeding nietig is in de mate dat het aldus geïnterpreteerd wordt dat deze keuzemogelijkheid enkel bestaat voor Engel. 7.
- De bepaling van artikel 23 EEX-Verordening (en voorheen van artikel 17 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, afgekort het EEX-Verdrag) berust op de erkenning van de partijautonomie (vgl.: H.V.J., 9 november 1978, 23/78, Jur. H.v.J, 1978, 2133). 7.
- Deze wil van de partijen om een rechter aan te wijzen moet duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komen (vgl. H.V.J. 19 juni 1984, 71/83, Jur. H.v.J., 1984, 2417). Aldus is een beding dat aan een partij de keuze laat om na het ontstaan van het geschil de rechtbank te vatten die haar het meest geschikt lijkt, te vaag en kan het niet ingeroepen worden (COUWENBERG, I., Artikelsgewijze Commentaar Gerechtelijk Recht, art. 17 EEX, nr.12, p. 11). Hetzelfde geldt voor een beding waarin bedongen wordt dat de geschillen uitsluitend "door de door [één der partijen] aangeduide rechtbanken beslecht worden" (vgl. LAENENS, J., Bevoegdheidsbedingen op de helling ?, R.W. 1975-76, 1314, noot bij RB. ANTWERPEN, 26 juni 1975). Deze bedingen geven aldus aan een partij de volledige vrijheid om, op het ogenblik dat zij een geding wil instellen, elke rechtbank naar haar keuze te vatten. Van een overeenkomst over een aan te wijzen rechtbank is in dat geval geen sprake. Het forumbeding in de overeenkomst van 6 juni 2001, waarop Engel zich beroept, is daarentegen duidelijk en nauwkeurig: het vermeldt zeer precies welke rechter over rechtsmacht beschikt, namelijk de rechtbank van Linz. Bovendien geeft het een limitatieve opsomming van de twee andere rechtsinstanties waarvoor Engel een geschil kan brengen. De partijen bij dit forumbeding zijn aldus overeengekomen dat IPM haar vorderingen dient in te stellen voor de rechtbank te Linz en dat Engel de keuze heeft tussen dezelfde rechtbank, de rechtbank van de plaats waar IPM gevestigd is of het scheidsgerecht bij de Internationale Kamer van Koophandel te Parijs. 7.
- Artikel 23 EEX-Verordening verplicht de partijen niet om slechts één rechter aan te wijzen, bij wie alle geschillen worden gebracht die uit de overeenkomst ontstaan. Zij kunnen bovendien overeenkomen dat de forumkeuze slechts geschiedt in het voordeel van één partij (vgl. KROPHOLLER, J., Europäischer Zivilprozessrecht, Kommentar zu EuGVO und Lugano-Ubereinkommen, 2002, p. 313). Zij kunnen ook de rechtbank van twee of meer Staten aanwijzen om, naar gelang van de plaats van de partijen in de rechtspleging, kennis te nemen van de geschillen die hun oorsprong vinden in het contract (vgl. BRUSSEL, 22 mei 1995, Pas. 1995, II, 25). Bovendien belet niets de partijen overeen te komen om aan één van hen een grotere keuze aan jurisdicties te geven dan aan de andere, op voorwaarde dat uit het forumbeding voldoende nauwkeurig bepaald is welke de jurisdicties zijn die over rechtsmacht beschikken. 7.
- De omstandigheid dat het forumbeding, op grond waarvan de geschillen uit de overeenkomst aanhangig gemaakt worden voor de rechtbank te Linz, bovendien voorziet in de mogelijkheid voor Engel om een geding in te leiden voor de rechter van de plaats waar IPM gevestigd is, doet aldus geen afbreuk aan de geldigheid van de daarin vastgelegde overeenkomst op grond waarvan de partijen de rechtbank te Linz hebben aangewezen voor alle gedingen die ten verzoeke van IPM worden ingeleid.
- IPM kan evenmin een argument voor de afwijzing van de toepassing van het forumbeding putten uit de vaststelling dat dit beding pas opgenomen werd in een overeenkomst van 6 juni 2001, terwijl de commerciële samenwerking tussen partijen reeds van 1988 dateerde. Vooreerst kan er geen betwisting over bestaan dat de contractuele relatie, waaraan Engel een einde maakte met haar opzeggingsbrief van 27 juli 2007, beheerst werd door de bepalingen van de overeenkomst van 6 juni
- Daarin werd immers bepaald dat zij de overeenkomst van 27 april 1988 verving. De omstandigheid dat, volgens artikel 6 van de alleenverkoopwet, de bepalingen van deze wet van toepassing zijn, niettegenstaande hiermee strijdige overeenkomsten, gesloten vóór het einde van het contract waarbij de concessie is verleend, belette de partijen niet om een forumbeding in de zin van artikel 23 EEX-Verordening op te nemen in de overeenkomst van 6 juni
- Artikel 23 EEX-Verordening beperkt immers het recht om een overeenkomst tot aanwijzing van een of meer rechters te sluiten niet tot het tijdstip waarop hun rechtsbetrekking tot stand komt. Zij kunnen een dergelijke overeenkomst ook sluiten tijdens de duur van deze rechtsbetrekking. Uit hetgeen hoger werd overwogen, volgt dat de bepaling van artikel 6 van de alleenverkoopwet de partijen niet verhindert om overeen te komen omtrent een forumbeding in de zin van artikel 23 van de EEX-Verordening. Het is dan ook zonder belang of over dit forumbeding overeengekomen wordt op het ogenblik van de totstandkoming van de alleenverkoopconcessie of op enig later tijdstip. Ten overvloede stelt het hof trouwens vast dat de overeenkomst van 6 juni 2001 de eerste is, waarin sprake is van wederverkoop door IPM van de goederen van Engel. De overeenkomst van 27 april 1988, evenals deze van april 1987 met de PVBA Provide, betroffen geen verkoopconcessie maar een handelsagentuur.
- De beschouwingen van IPM over de gevolgen van de toepasselijkheid van het Oostenrijkse recht, wanneer de zaak behandeld wordt voor een Oostenrijkse rechtbank, en de verwijzing in dit verband naar artikel 4 van de alleenverkoopwet, zijn in het kader van de voorliggende betwisting niet ter zake dienend. Krachtens deze bepaling van de alleenverkoopwet wordt uitsluitend de Belgische wet toegepast, "ingeval het geschil voor een Belgische Rechtbank wordt gebracht" In de mate dat de Belgische rechtbanken niet over rechtsmacht beschikken ingevolge de toepasselijkheid van een forumbeding in de zin van artikel 23 van de EEX-Verordening, kunnen zij zich niet uitspreken over de problematiek van het toepasselijke recht. III.
- Aangezien de Belgische rechtbanken geen kennis kunnen nemen van het geschil, is het hoger beroep van IPM ongegrond en is het verzoek tot het vaststellen van een verdere kalenderregeling voor het neerleggen van conclusies, zonder voorwerp.
- De gerechtskosten in hoger beroep zijn ten laste van IPM. Rekening houdend met het bedrag van de vorderingen van IPM bedraagt het basisbedrag van de op grond van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat" verschuldigde rechtsplegingsvergoeding 15.000,00 EUR. Geen van beide partijen heeft hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van de eerste rechter om de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg te herleiden tot 3.000,00 EUR. Engel vraagt de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te willen vaststellen op het "basisbedrag" van 10.000,00 EUR. IPM vraagt "om redenen van dezelfde motieven als deze aangehaald in de procedure 1ste aanleg", de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep eveneens te beperken tot 3.000,00 EUR, "onder voorbehoud van vermeerdering in geval van verdere behandeling ten gronde".
- Overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., zoals vervangen door artikel 7 van de wet van 21 april 2007, kan de rechter op verzoek van één van de partijen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verminderen, rekening houdend met de financiële draagkracht van de verliezende partij, de complexiteit van de zaak, de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij of het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Zelf heeft IPM voor de eerste rechter geen redenen tot vermindering aangehaald. Reeds op de inleidende zitting voor het hof van beroep is gebleken dat er een akkoord bestond tussen de partijen om het debat in een eerste fase te beperken tot de betwisting over de rechtsmacht en de bevoegdheid. Deze betwisting en het daaromtrent te voeren verweer gaan vooraf aan deze omtrent de vordering ten gronde. De aard en de complexiteit daarvan staan los van het belang en het bedrag van de vorderingen ten gronde. In de gegeven omstandigheden zou het kennelijk onredelijk zijn de hoge basisrechtsplegingsvergoeding toe te kennen voor het voeren van dit beperkte debat, dat geen verband houdt met de waarde van de vorderingen. Het hof bepaalt dan ook de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 3.000,00 EUR. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv I.P.M. ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in zijn beschikkingen; Veroordeelt de nv I.P.M. tot de gerechtskosten in hoger beroep, die niet dienen begroot te worden aan haar zijde aangezien zij te haren laste zijn, aan de zijde van Engel Austria GmbH begroot op 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 14-1-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - M. De Busscher, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div