← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090115.17

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 15 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090115.17 Rolnummer: 2006/AR/2779 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-02-24 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 18:58 Fiche De vordering tot nietigverklaring of ontbinding van een openbare verkoop na uitvoerend beslag op onroerend goed dient door de koper tegen de beslagleggende schuldeiser te worden ingesteld, indien deze vordering wordt ingesteld op het ogenblik dat de prijs nog niet betaald is en de schuldeisers bijgevolg nog niet gedesinteresseerd zijn. Tot zolang blijft de beslagleggende schuldeiser de dwangvertegenwoordiger van de beslagene. Niets belet de beslagene vrijwillig tussen te komen in de procedure nu het de verkoop van zijn goed betreft en met de verkoopopbrengst zijn schuld wordt betaald. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op onroerend goed - Ontbinding Vrije woorden: verkoop na beslag - vordering tot nietigverklaring/ontbinding - tegen beslagleggende schuldeiser - beslagene - vrijwillige tussenkomst. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 15 januari 2009 2006/AR/2779 in de zaak van: V. J., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. DE HAUW Edward, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Voorburg 3 tegen:

  1. P. C., wonende te eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN ASSCHE Michel, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Kon. Astridlaan 25
  2. ING INSURANCE N.V., thans VIVIUM N.V., met maatschappelijke zetel te 1210 SINT-JOOST-TEN-NODE, Koningsstraat 153, ingeschreven met KBO-nummer 0404.500.094, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VERVOORT Jan, advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Elisabethlaan 55 en de vrijwillig tussenkomende partij: K. B, wonende te hebbende als raadsman mr. PEETERS Luc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 93 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 8 november 2006 heeft J. V. hoger beroep ingesteld tegen een vonnis op 8 september 2006 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vijfde kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
  3. Bij beschikking van de beslagrechter te Dendermonde van 14.02.2003 werd notaris P., op verzoek van ING Insurance, aangesteld om over te gaan tot de veiling van het onroerend goed gelegen te, toebehorend aan V.B. J. en K. B., beslagenen. In tweede zitdag gehouden op 06.06.2003 werd het goed toegewezen aan J. V. onder de opschortende voorwaarde van de afwezigheid van hoger bod. Er volgde geen hoger bod. J. V. betaalde de aan de verkoop verbonden kosten ten bedrage van 47.381,86 euro, maar weigerde de betaling van de hoofdsom, stellende dat er sprake was van bedrog en dwaling. Hij stelde daartoe dat de woning na toewijs beschadigd zou zijn geworden, dat de bewoner zou weigeren het pand te verlaten en dat een bodemattest zou zijn afgeleverd dat zou zijn gesteund op onvolledige en onjuiste gegevens en er zou zijn vastgesteld dat er zeer zware bodemverontreiniging was. Door notaris P. werd de procedure inzake rouwkoop opgestart, met verkoopdagen op 11.12.2003 en zo nodig 06.01.
  4. Op 08.12.2003 is J. V. overgegaan tot dagvaarding van notaris P. en van ING tot nietigverklaring van de toewijs, waarna de procedure rouwkoop werd opgeschort. 2.1 Voor de eerste rechter vroeg J. V. dat voor recht zou worden gezegd dat de toewijs van 06.06.2003 gebeurde zonder rechtmatig bodemattest en dat de koop zou worden vernietigd en ontbonden lastens gedaagden. Tevens vroeg hij de veroordeling van notaris P. en van ING Insurance tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 100.000,00 euro. 2.2 Notaris P. en ING Insurance besloten tot de afwijzing van de vordering als onontvankelijk, minstens ongegrond.
  5. Bij het bestreden vonnis van 08.09.2006 werd de vordering van J. V. afgewezen als onontvankelijk. De eerste rechter overwoog daartoe dat bij een verkoop op beslag de beslagen schuldenaars eigenaar blijven van het te verkopen goed en dat een vordering tot vernietiging of ontbinding van de koop tegen de beslagenen moet worden ingesteld, niet tegen de notaris of tegen de beslag leggende schuldeiser. 4.1 Met zijn hoger beroep beoogt J. V. het tenietdoen van het bestreden vonnis en de inwilliging van zijn oorspronkelijke eisen. 4.2 Notaris P. en ING Insurance vragen het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en het bestreden vonnis te bevestigen. 4.3 B. K., één van de twee beslagenen, kwam in de loop van de procedure in graad van hoger beroep vrijwillig tussen. Zij vraagt het hoger beroep van J. V. af te wijzen als ongegrond en zijn oorspronkelijke vordering af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond. beoordeling
  6. De eerste rechter oordeelde dat de vordering tot nietigverklaring of ontbinding van de koopovereenkomst die ingevolge de toewijs op beslag is tot stand gekomen, moest worden gericht tegen de beslagenen, die immers ondanks het beslag eigenaars blijven van het goed en als verkopers te beschouwen zijn, en dus niet tegen de notaris en tegen de beslag leggende schuldeiser. Dat de vordering tot nietigverklaring/ontbinding van de koop op beslag niet tegen de notaris kan worden ingesteld, is evident. De notaris is geen eigenaar van het verkochte goed, noch treedt hij op als vertegenwoordiger van de beslagene. Wel kan tegen de notaris een aansprakelijkheidsvordering worden ingesteld en zulks op buitencontractuele grondslag nu tussen de koper en de door de beslagrechter aangestelde notaris geen contractuele band bestaat. Dergelijke vordering wordt in voorliggend geval ook effectief door J.V. tegen notaris P. ingesteld (zie hierna punt 4). Het hof kan de eerste rechter daarentegen niet bijtreden waar hij heeft geoordeeld dat de vordering tot nietigverklaring of ontbinding, op straffe van onontvankelijkheid, moest worden ingesteld tegen de beslagenen zelf en niet tegen de beslag leggende schuldeiser. Zoals door de eerste rechter terecht werd aangehaald, kan het uitvoerend beslag worden beschouwd als een vorm van dwangvertegenwoordiging waarbij de schuldeiser krachtens een eigen recht optreedt als dwangvertegenwoordiger van de beslagene en waarbij aan de schuldeiser met name de bevoegdheid toekomt om de eigendom van het goed aan de koper over te dragen (vgl. E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in A.P.R., 2001, p.32-33, nr.52). Wanneer - zoals in voorliggend geval - door de koper op beslag een vordering tot nietigverklaring of ontbinding van de koop wordt ingesteld op een ogenblik dat de prijs nog niet betaald is en de schuldeisers derhalve nog niet zijn gedesinteresseerd door de ontvangst van hun aandeel in de verkoopopbrengst, geldt de dwangvertegenwoordiging van de beslagene door de beslag leggende schuldeiser nog steeds. Het is immers niet aanvaardbaar dat een vordering tot nietigverklaring of ontbinding van de koop in dergelijk geval tegen de beslagenen zelf zou kunnen worden ingesteld. Dit zou betekenen dat de beslagenen zelf zouden kunnen beslissen of en hoe zij zich tegen deze vordering verweren, hetgeen onverenigbaar is met het gedwongen karakter van de verkoop op beslag. Bij een verkoop op beslag is het de beslag leggende schuldeiser die, als dwangvertegenwoordiger van de beslagene, de verkoop benaarstigt en die, zolang de prijs niet is betaald en de schuldeisers niet zijn voldaan, ook beslist of en hoe hij zich verweert tegen een vordering tot nietigverklaring ingesteld door de koper. De vordering diende, in voorliggend geval, dus wel degelijk tegen de beslag leggende schuldeiser te worden gericht en het was niet noodzakelijk dat de beslagenen zelf in het geding worden betrokken. Zij zijn immers door de beslag leggende schuldeiser vertegenwoordigd. Niets belet de beslagene evenwel om tussen te komen in het geding. Nu het de verkoop van zijn goed betreft en met de verkoopopbrengst zijn schuld zal worden betaald, heeft hij daartoe evident het vereist procesrechtelijk belang. Uit al het voorgaande volgt dat de vordering tot nietigverklaring/ontbinding van de koop op beslag, in zoverre ingesteld tegen beslag leggende schuldeiser ING Insurance, ontvankelijk is en dat ook de vrijwillige tussenkomst van één van de beslagenen, nl. B. K., die het standpunt van ING Insurance bijtreedt en met name ook de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring vordert, eveneens ontvankelijk is.
  7. De vordering van J. V. tot nietigverklaring van de koopovereenkomst wegens bedrog of dwaling dient als ongegrond te worden afgewezen. Ten eerste zijn de beweerde beschadigingen die tussen de eerste en de tweede zitdag zouden zijn aangebracht binnenin de woonst volkomen onbewezen en wordt ook in het geheel niet gepreciseerd over welke beschadigingen het dan wel zou gaan, zodat ook niet kan worden ingegaan op het aanbod om de beweerde beschadigingen door getuigen te bewijzen. Ten tweede vormt de omstandigheid dat één van beide eigenaars/beslagenen - nl. de heer V. B. - nog in het goed woont, geenszins een grond tot nietigheid van de koop wegens dwaling of bedrog. In artikel 6, 3e lid van het lastenkohier is uitdrukkelijk bepaald dat de koper zelf al het nodige moet doen om te zorgen voor de uitdrijving van de bewoners van het goed ten welke titel ook. Het proces-verbaal van toewijs zal daarvoor overigens als titel kunnen gelden. Waar artikel 10 van het lastenkohier bepaalt dat de goederen worden verkocht voor vrij, zuiver en onbelast, betreft dit uiteraard eventuele hypothecaire in- en overschrijvingen en betekent dit niet dat werd gegarandeerd dat het goed niet meer bewoond zou zijn door de eigenaars zelf. J. V. wist dus perfect of diende te weten dat hij zelf zou dienen in te staan voor de eventuele uitdrijving van de heer V.B.. Tenslotte vormt de aanwezigheid van een aantal autowrakken en ander afval evenmin een grond tot nietigverklaring van de koopovereenkomst wegens dwaling of bedrog. J. V. woont immers naast het verkochte goed en verklaart zelf de situatie ter plaatse goed te kennen. Hij wist dus dat de wrakken en het afval op het terrein aanwezig waren. Van enig wilsgebrek kan dan ook geen sprake zijn. Dat er sprake zou zijn van ernstige bodemvervuiling is overigens geenszins bewezen. Het is niet omdat op het verkochte goed een aantal wrakken van voertuigen, een lege mazouttank en een grote hoeveelheid diverse afvalstoffen liggen (zie de opsomming op p. 4 van het strafdossier) dat de bodem daarom vervuild is. Ten onrechte poogt J. V. zijn bewering dat er bodemvervuiling zou zijn te staven door te verwijzen naar de vervolging van hemzelf en de heer V. B. voor de correctionele rechtbank te Dendermonde. Beiden werden daar immers enkel vervolgd voor inbreuken op het Afvalstoffendecreet omwille van de aanwezigheid van de wrakken en het overige afval op het terrein. Ook uit het strafdossier blijkt nergens dat er sprake is van bodemvervuiling.
  8. Het voorgaande belet evenwel niet dat het op beslag verkochte perceel een "risicogrond" is in de zin van het Bodemsaneringsdecreet, nl. een grond waarop een inrichting gevestigd is of was of een activiteit werd of wordt uitgeoefend die opgenomen is in de lijst bedoeld in art. 3 §1 van het decreet. Meer bepaald staat het vast dat op het ogenblik van de verkoop op het kwestieuze perceel wrakken stonden van elf personenwagens, van één jeep en één bestelwagen, daar waar artikel 2.2.2.d.2° van de lijst van inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken (bijlage 1 bij het Vlarebo) vermeldt: "opslag en mechanische behandeling van (..) voertuigwrakken met een opslagcapaciteit van (..) meer dan 10 wrakken of 10 ton tot en met 100 wrakken of 100 ton". Overeenkomstig artikel 37 §1 van het Bodemsaneringsdecreet - dat op het ogenblik van de toewijs van toepassing was - kunnen risicogronden slechts overgedragen worden als er vooraf een oriënterend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Artikel 40 §2 bepaalt dat de verwerver de nietigheid kan vorderen van de overdracht die plaats vond in strijd met o.a. artikel
  9. Vermits terzake geen voorafgaand oriënterend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden, dient de vordering van J. V. tot nietigverklaring van de koopovereenkomst te worden ingewilligd, niet op basis van het verkeerdelijk door hem aangehaalde art. 36 §4 van het Bodemsaneringsdecreet, maar op basis van art. 40 §
  10. Deze nietigheid - die, in zoverre zij de belangen van de verwerver beschermt, relatief van aard is - werd niet bevestigd door J. V. door de betaling van de kosten van de koop. De bevestiging van een nietige rechtshandeling veronderstelt dat degene die bevestigt de grond tot nietigverklaring kent en daarvan bewust afstand doet. Terzake is niet bewezen dat J. V., toen hij de kosten betaalde, wist dat de koop vernietigbaar was omdat er geen voorafgaand oriënterend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden.
  11. Aan notaris P. kan terzake niets worden verweten. Hij heeft alle gebruikelijke administratieve opzoekingen verricht. Hij bekwam van OVAM een "blanco" bodemattest en via de gemeente werd hem medegedeeld dat, voor zover bekend, op het onroerend goed geen risico-activiteit werd uitgeoefend en er geen risico-inrichting was gevestigd. In die omstandigheden mocht hij ervan uitgaan dat het goed in kwestie geen risicogrond was. Van de notaris kon niet worden verwacht dat hij een onderzoek ter plaatse zou gaan uitvoeren. De omstandigheid dat de heer V. B. gefailleerd was, en dus handelaar geweest was, noopte de notaris in de gegeven omstandigheden niet tot een meer diepgaand onderzoek. Enige fout kan in hoofde van notaris P. niet worden weerhouden. De tegen hem gerichte vordering tot het bekomen van schadevergoeding is ongegrond.
  12. Ook aan ING Insurance, thans Vivium, valt niets te verwijten. Zij heeft als schuldeiser de aanstelling van een notaris gevorderd met opdracht over te gaan tot de veiling en rangregeling van het goed en mocht de verdere afhandeling van de verkoop op beslag aan de notaris overlaten. Zij wist niet en diende niet te weten dat op het goed een aantal autowrakken lagen en dat dit tot gevolg had dat de grond daardoor een risicogrond was in de zin van het Bodemsaneringsdecreet. ING Insurance merkt terecht dat zij geen bank is, zij geen leningen heeft toegestaan aan J. V. B. en dat zij ook vanuit die optiek geen bijzondere kennis had van de activiteiten die hij uitoefende. Ook de vordering tot het bekomen van schadevergoeding gericht tegen ING is bijgevolg ongegrond.
  13. J. V. dient te worden veroordeeld tot de gedingkosten gevallen aan de zijde van notaris P. nu zijn vordering tegen hem faalt. Het past dat ING Insurance en J. V. elk hun eigen gedingkosten ten laste nemen, gelet op hun wederzijds gelijk en ongelijk. Ook B. K. dient, als vrijwillige tussenkomende partij wiens tussenkomst een bewarend karakter heeft, de aan haar zijde gevallen gedingkosten zelf te dragen. Wat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep betreft, zijn de nieuwe tarieven voorzien in het KB van 26.10.2007 van toepassing. Nu de vordering tot nietigverklaring niet in geld waardeerbaar is, dient het basisbedrag, waarvan geen vermindering of vermeerdering wordt gevraagd, te worden bepaald op 1.200,00 euro. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verleent akte aan B. K. van haar vrijwillige tussenkomst en verklaart deze ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en als volgt gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzend: Verklaart de koop-verkoopovereenkomst die ingevolge de openbare toewijs van 6 juni 2003 is tot stand gekomen tussen B. K. en J. V.B. als verkopers en J. V. als koper, nietig. Verklaart de vordering tot het bekomen van schadevergoeding gericht tegen notaris Peers en NV ING Insurance, thans NV Vivium, ontvankelijk maar wijst deze af als ongegrond. Verwijst J. V. in de gedingkosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van notaris Peers. Begroot deze op 364,40 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 1.200,00 euro rechtsplegingsvergoeding. Zegt dat J. V., NV ING Insurance en B. K. de aan hun zijde gevallen gedingkosten zelf dienen te dragen. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op VIJFTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.