← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090116.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090116.8 Rolnummer: 2007/AR/938 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 263 - laatst gezien 2026-07-02 21:44 Fiche Het hof beslist tot voorlegging van de vordering aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Algemeen (ruimtelijke ordening) Vrije woorden: Ruimtelijke ordening - Herstelvordering. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 16-01-2009 tussenarrest overgeschreven te Brugge 1ste kantoor der Hypotheken 61-T-27/05/2004-06789 op 27 mei 2004 art. 198 bis, 2de lid D.O.R.O. Hoge Raad voor het Herstelbeleid vergunningsregister BR 2007/AR/938 in de zaak van: DE GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR BIJ HET MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP VAN DE AFDELING RUIMTELIJKE ORDENING VOOR DE PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, met kantoren te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9, woonstkeuze doende bij zijn raadsman hierna vermeld, appellant, hebbende als raadsman mr. BRONDERS Bart, advocaat te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106 tegen: G. H., wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. NEIRYNCK Hans, advocaat te 8000 BRUGGE, Sint-Annaplein 3 velt het Hof het volgend arrest:

  1. Het hof nam kennis van het bestreden vonnis d.d. 21 juni 2005 van de 1ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, aldaar gekend onder A.R. 04/1768/A, gewezen op tegenspraak tussen de appellant als oorspronkelijke eisende partij en de geïntimeerde als oorspronkelijke verwerende partij. Het hof heeft de partijen, bij monde van hun raadslieden, gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
  2. De betwisting betreft de herstelvordering van de appellant n.a.v. de oprichting en instandhouding van een onroerend goed (vergund als garages doch ingericht en gebruikt als woning) door de geïntimeerde op het perceel grond gelegen te , kadastraal gekend afdeling, sectie , nr. . Het perceel waarop werd gebouwd is gelegen in woongebied, zoals vastgesteld door het gewestplan bij K.B. van 7 april 1977 en maakt deel uit van een op 17 juli 1967 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente (thans stad ) goedgekeurde verkaveling. Aan de geïntimeerde werd voor het bedoeld perceel door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op: - 23 september 1968 een bouwvergunning afgeleverd strekkende tot het bouwen van 5 (aaneengesloten) garages achteraan op het perceel; - 20 mei 1970 een bouwvergunning afgeleverd voor de oprichting van een meergezinswoning aan de voorzijde (straatzijde) van het perceel. Volgens de geïntimeerde: - was hij mede-eigenaar van het bedoeld perceel samen met de heer C.; - werden onmiddellijk na het bekomen van de bouwvergunning voor de garages de bouwplannen gewijzigd en wilde hij een bungalow oprichten in plaats van 5 garages (m.n. een identiek constructie als de garages maar met omvorming binnenin tot woning); - werd voor deze "omvorming" toestemming gevraagd aan de gemeente die deze toestemming verleende, en werd pas na deze goedkeuring de bestemming van de garages gewijzigd; - werd aan de woning een huisnummer toegekend (met name het huisnummer en betaalt hij sindsdien onroerende voorheffing; - werd hij nooit verontrust omtrent het statuut van het onroerend goed en is het pas ter gelegenheid van een schenking, waardoor hij volledig eigenaar werd, dat hij geconfronteerd werd met een controle vanwege inspectie Stedenbouw en een onmiddellijke reactie van de stad Brugge. Hoe dan ook werd op 12 maart 2002 vastgesteld dat in plaats van 5 garages aldaar een woning werd opgericht en werd in het hieromtrent opgesteld proces-verbaal de overtreding als volgt beschreven: "- Het niet naleven van de goedgekeurde plannen dd. 23.06.1968 voor het bouwen van 5 garages. Op de plaats van de voorziene garages in de tuin is een woning opgericht, zonder de bij artikel 99 §1 en §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd door decreten van 28.09.1999, 22.12.1999 en 26.04.2000, voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen verkregen te hebben. - Het schenden van een verordende akte: verkaveling 6761 dd. 17.07.
  3. Een verkaveling van 5 percelen voor gesloten en halfopen bebouwing (bestemming: woningen) met een bouwdiepte van maximum 13 m (grafisch). Het kadastraal perceel 62b9, waarop de woning nr. gebouwd is in strijd met de vergunning voor garages, is een tuingedeelte van de percelen 1 en 2 van de verkaveling." Kopie van dit proces-verbaal werd door de stad Brugge doorgestuurd naar het parket van de Procureur des Konings te Brugge. Bij brief d.d. 2 mei 2002 deelde de stad Brugge aan de geïntimeerde mede dat de bouwovertreding niet kon worden geregulariseerd en dat binnen de 6 maanden aanpassingswerken dienden te gebeuren nl. het slopen van de woning tot 1 meter onder het maaiveld, het herstellen van de bodem met teelaarde en het inrichten van de bouwplaats als tuin. Op deze beslissing werd evenwel terug gekomen bij beslissing d.d. 1 augustus 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge, hetgeen aan de geïntimeerde werd gemeld bij brief d.d. 8 augustus 2003 (met kopie aan de appellant): "Naar aanleiding van uw schrijven van 02.06.2002 en de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. 16 mei 2003 aangaande een andere bouwovertreding, BV 02/0830 heeft het College van Burgemeester en Schepenen opnieuw over uw bouwovertreding beraadslaagd. In de zitting van 01.08.2003 werd door het College van Burgemeester en Schepenen beslist dat de tijdsafstand tussen de bouwvergunning dd. 23.09.1968, de oorspronkelijke vaststelling dd. 11.12.1969 en de huidige vaststelling dd. 12.03.2002 te groot is om nu nog op te treden. De woning mag dus behouden blijven en moet niet gesloopt worden zoals medegedeeld met ons schrijven van 02.05.2002." Door de appellant werd alsdan op niet nader aangegeven datum in toepassing van artikel 149 § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna genoemd D.O.R.O.) een herstelvordering opgesteld, waarbij het betalen van een meerwaarde van 45.817,72 euro werd voorgesteld volgens een bijgaande berekeningsnota.
  4. De zaak werd voor de eerste rechter gebracht door de appellant bij dagvaarding d.d. 25 mei 2004 (overgeschreven in het 1ste hypotheekkantoor te Brugge op 27 mei 2004). De vordering van de appellant (zoals geformuleerd in deze dagvaarding en gehandhaafd in conclusies voor de eerste rechter) strekte o.g.v. art. 151 juncto 149 § 1 D.O.R.O. tot: - het doen bepalen van de meerwaarde op 45.817,72 euro, overeenkomstig de aan de bij de dagvaarding gevoegde nota, opgemaakt volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de berekening en de betaling van de meerwaarde in uitvoering van artikel 149 §5 van het D.O.R.O.; - de veroordeling van de geïntimeerde tot betaling van de meerwaardesom conform artikel 149§1 en §5 juncto artikel 151 D.O.R.O., begroot op 45.817,72 euro, meer de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding; - de veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van het geding, zoals nader begroot aan de zijde van de appellant; - het doen uitvoerbaar verklaren bij voorraad van het tussen te komen vonnis, spijts elk rechtsmiddel en zonder borgstelling noch kantonnement. Middels het bestreden vonnis d.d. 21 juni 2005 werd de vordering van de appellant ontvankelijk verklaard doch afgewezen als ongegrond. Meer bepaald oordeelde de eerste rechter dat de appellant niet bewees dat door de geïntimeerde werd gebouwd in strijd met de bouwvergunning waarvan de appellant beweerde dat ze werd afgeleverd doch die niet werd voorgelegd, zodat op grond van artikel 96 §4 2de lid D.O.R.O. het gebouw vermoed werd vergund te zijn. De appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding, niet nader begroot aan zijn zijde en nader begroot aan de zijde van de geïntimeerde. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder enige borgstelling.
  5. Met het hoger beroep beoogt de appellant dat zijn voor de eerste rechter gebrachte vordering vooralsnog wordt toegekend, met de verwijzing van de geïntimeerde in de gedingkosten van de beide instanties, zoals nader begroot aan zijn zijde. In het dispositief van zijn conclusies verzoekt de geïntimeerde dat het hof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaart. Ondergeschikt verzoekt hij in aflopende volgorde dat het hof: - zegt voor recht dat er geen reden is om een herstelmaatregel, meer bepaald een meerwaardevergoeding, op te leggen; - de meerwaarde beperkt tot 1,00 euro; - een deskundige aanstelt om te doen vaststellen of er door de bouwovertreding een meerwaarde op heden werd gerealiseerd, en in bevestigend geval deze meerwaarde te doen bepalen en begroten; - alvorens een herstelmaatregel te bevelen, het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid overeenkomstig artikel 198 bis D.O.R.O. alsnog in te winnen. Tenslotte verzoekt de geïntimeerde dat de appellant wordt verwezen in de kosten van het hoger beroep, nader begroot aan zijn zijde.
  6. Het principaal hoger beroep werd tijdig en in regelmatige vorm ingesteld. Bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen exceptie is dit principaal hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren. Het hof stelt vast dat de geïntimeerde in het motiverend deel van zijn conclusies in deze instantie zich (net als in zijn conclusies voor de eerste rechter) beroept op de verjaring van de vordering van de appellant (hetgeen evenwel niet wordt herhaald in het dispositief van deze conclusies) en op grond van de ingeroepen verjaring stelt dat de vordering van de appellant onontvankelijk minstens ongegrond is. Aldus stelt de appellant (minstens impliciet) hoger beroep in tegen het bestreden vonnis waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaarde. Bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen exceptie is ook dit incidenteel hoger beroep ontvankelijk. 6.a. De appellant grondde zijn herstelvordering in zijn inleidende dagvaarding op het (misdrijf van) het oprichten van het vergunningsplichtig gebouw zonder vergunning, stellende dat het bouwen in strijd met een vergunning dient te worden beschouwd als het bouwen zonder vergunning. In conclusies voor de eerste rechter werd door de appellant evenwel ook aangegeven dat de herstelvordering gegrond werd op het (misdrijf van) de instandhouding van het gebouw in strijd met de afgeleverde vergunning. Het hof stelt vast dat de appellant in deze instantie de door hem ontwikkelde middelen uitsluitend toespitst op de ingeroepen verjaring van de herstelvordering gegrond op het (misdrijf van) instandhouden. Los van het antwoord op de vraag of de (herstel)vordering van de appellant, voor zover gegrond op het (misdrijf van) het oprichten van het vergunningsplichtig gebouw, al dan niet verjaard is, in acht nemende: - het feit dat er geen betwisting bestaat dat strafrechterlijk het misdrijf (van oprichting) verjaard is; - de betwisting of de burgerechtelijke verjaringstermijn van artikel 2262 bis §1 B.W. van toepassing is, en in bevestigend geval: · of de verjaringstermijn 10 jaar dan wel 5 jaar bedraagt; · of de voor de aanvang van deze verjaringstermijn bepalende "dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon" hetzij de dag nà de oorspronkelijke vaststelling d.d. 11 december 1969 (waarvan sprake in het schrijven van de stad Brugge d.d. 8 augustus 2003) betreft (zoals door de geïntimeerde wordt voorgehouden) dan wel de dag nà de vaststelling d.d. 12 maart 2002 (zoals door de appellant wordt voorgehouden) betreft; dient hoe dan ook vastgesteld te worden dat de (herstel)vordering van de appellant, voor zover gegrond op het voorgehouden (misdrijf van) instandhouden van de wederrechtelijk opgerichte woning, niet verjaard is. Het litigieuze onroerend goed is gelegen in een woongebied zodat voor het misdrijf van instandhouding geen strafsanctie (meer) geldt. Volgens artikel 146, 3de lid D.O.R.O. (invoeging bij art. 7 van het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft - hierna genoemd handhavingdecreet - met ingang van 22 augustus 2003, zelf gedeeltelijk vernietigd bij arrest Arbitragehof nr. 14/2005, 19 januari 2005) geldt immers de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het 1ste lid van dat artikel 146 onder 1°, 2°, 3°, 6° en 7° niet voor zover de werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden. Een herstelmaatregel kan, spijts het feit dat een veroordeling wegens het voormelde instandhouden niet meer mogelijk is op grond van art. 146, 3de lid D.OR.O., naar het oordeel van het hof evenwel nog wel worden bevolen. Alhoewel volgens deze bepaling geen strafsanctie meer geldt, behoudens in (oorspronkelijk) 3 gevallen die, na het arrest 14/2005 van het Arbitragehof van 19 januari 2005, zijn herleid tot het enkele geval van instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied, wordt hierdoor evenwel het strafbare karakter van de instandhouding niet opgeheven en bevat deze bepaling m.a.w. enkel een strafuitsluitingsgrond. Deze strafuitsluitingsgrond doet enkel de strafvordering vervallen doch doet geen afbreuk aan de kwalificatie van de feiten als misdrijf. Een misdrijf is een door de wet omschreven gedraging waaraan de wet een straf vastknoopt en er is slechts sprake van "decriminalisering" wanneer de wet zowel de inbreuk als de eraan verbonden strafsanctie schrapt. Krachtens artikel 78 S.W. is een misdrijf enkel verschoonbaar in de gevallen bij de wet bepaald. Het bepaalde in artikel 146, 3de lid D.O.R.O. is de uitzondering op de regel in artikel 146,1ste lid D.O.R.O.: het instandhoudingsmisdrijf wordt er eerst, zoals voordien, zonder restrictie omschreven in het 1ste lid en pas daarna in het 3de lid wordt er bepaald dat "de strafsanctie" in bepaalde gevallen "niet geldt". Aldus is het duidelijk dat artikel 146, 3de lid D.O.R.O. betrekking heeft op de straftoemeting en derhalve een strafuitsluitende verschoningsgrond is, die uitsluitend betrekking heeft op de bestraffing of de strafwaardigheid van het bewezen misdrijf van instandhouding. Het hof onderschrijft dan ook het omtrent het bovenstaande (weliswaar ruimer gesitueerd) verstrekte advies van procureur-generaal bij het Hof van Cassatie M. DE SWAEF (Cass., 13 december 2005, AR P.2005.0693.N en P.2005.0891.N). De in artikel 149, § 1, 1ste lid, D.O.R.O. bedoelde herstelmaatregelen, die weliswaar tot de strafvordering behoren en worden opgelegd, hetzij door de strafrechter bij de uitspraak over de strafvordering of in een latere afzonderlijke beslissing, hetzij door de burgerlijke rechter, hebben (niettemin) een civielrechtelijk karakter en zij strekken als bijzondere vorm van vergoeding of teruggave ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad (vgl. Cass., 9 september 2004, AR. C.03.0393.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040909.22, www.cass.be). Waar, zoals boven gesteld, de opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding ingevolge de wijziging van art. 146 D.O.R.O. (invoeging van het 3de lid bij art. 7 handhavingsdecreet) alleen het verval van de op dat misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg heeft, brengt deze wijziging, bij ontstentenis van een anders luidende bepaling, evenwel niet mee dat de instandhouding (die in onderhavig geval hoe dan ook strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond) niet langer de grondslag zou kunnen uitmaken van een herstelvordering. Besluitend dient dan ook te worden gesteld dat in de gegeven omstandigheden en gelet op: - het feit dat de vordering van de appellant een maatregel is van burgerlijke aard die de strafvordering beoogt, zodat deze vordering, overeenkomstig artikel 26 Voorafgaande Titel W.Sv., niet verjaart voor de strafvordering; - de voortdurende instandhouding van de inbreuk; kan er te dezen, op het ogenblik van de stuiting ingevolge dagvaarding d.d. 25 mei 2004, geen sprake zijn van de verjaring van de aldus gestelde herstelvordering. Tot op heden is geen einde gesteld aan de voorgehouden onwettig uitgevoerde werken en evenmin is hiervoor een regelmatige vergunning bekomen, zodat de herstelvordering tot op heden niet verjaard is. De dienaangaande door de geïntimeerde aangevoerde middelen falen dan ook naar recht en van een verjaring van de vordering van de appellant lastens de geïntimeerde op grond van het instandhouden van de wederrechtelijk gebouwde woning, is dus hoe dan ook geen sprake in onderhavig geval. 6.b. Wat de grond van de betwisting betreft volhardt de geïntimeerde, spijts het feit dat in deze instantie door de appellant de bouwvergunning d.d. 23 september 1968 wordt voorgelegd, in zijn standpunt (waarin hij gevolgd werd door de eerste rechter) dat op grond van artikel 96, §4 D.O.R.O. de door hem opgerichte woning wordt vermoed vergund te zijn, zodat de herstelvordering als ongegrond dient te worden afgewezen. Artikel 96, §4 D.O.R.O. luidt als volgt: "Constructies waarvan door enig bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn voor de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, krijgen in het vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund dient te worden beschouwd. Constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, maar die dateren van voor de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, krijgen in het vergunningenregister de vermelding dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd, indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht." Het is niet betwistbaar dat: - op het betrokken perceel een woning werd opgericht in strijd met de (thans voorliggende) bouwvergunning d.d. 23 september 1968; - de kwestieuze woning werd opgericht in de periode 1968-1970 en er dus geen beroep kan worden gedaan op het vermoeden van artikel 96, §4, 1ste lid D.O.R.O.. Waar zoals gesteld de appellant in deze instantie de bouwvergunning d.d. 23 september 1968 voor de garages voorlegt alsook de goedgekeurde plannen, wordt door hem het vermoeden van vergunning, zoals neergeschreven in artikel 96, §4, 2de lid D.O.R.O. weerlegd en wordt op afdoende wijze bewezen dat de constructie in overtreding met de vergunning werd opgericht. De geïntimeerde tracht zulks te weerleggen door voorop te stellen dat de bedoelde woning wel vergund is, gezien na de oorspronkelijke vergunning er een nieuwe vergunning werd aangevraagd en toegestaan waarbij de oorspronkelijke bestemming werd gewijzigd in "bewoning". Zulks blijkt evenwel nergens uit. Het feit dat aan de woning een huisnummer werd toegekend alsook dat de geïntimeerde onroerende voorheffing betaalt levert op generlei wijze het bewijs van het bestaan van een dergelijke vergunning. Dit bewijs wordt evenmin geleverd door de door de geïntimeerde voorgelegde verklaring d.d. 2 juli 2007 van H. M. (gepensioneerd gemeenteambtenaar van de toenmalige gemeente Sint-Kruis en gepensioneerd stadsambtenaar van de stad Brugge). In deze verklaring is er nergens sprake van een vergunning voor de omvorming van de garages naar een woning doch enkel van een "gedogen" en "seponeren" van de overtreding begaan door de geïntimeerde in opdracht van de toenmalige burgemeester van de gemeente Sint-Kruis. Zulks kan uiteraard niet gelijkgeschakeld worden met de "voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning" die op grond van artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw (B.S, 12 april 1962) zoals toepasselijk vóór de wijziging van dit artikel door artikel 4 van de wet van 22 december 1970 (B.S., 5 februari 1971) verplicht was op het moment van de oprichting van de woning (wijziging van de vergunde garages naar een woning/bungalow). De geïntimeerde houdt dus onterecht voor nog met succes beroep te kunnen doen op het vermoeden van artikel 96, §4, 2de lid D.O.R.O.. 6.c. Met betrekking tot het door de geïntimeerde in ondergeschikte orde geformuleerd verzoek om advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid in te winnen, vermag het hof het volgende te stellen. Artikel 198 bis D.O.R.O luidt als volgt: "De bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, zoals bedoeld in artikel 149 §1, en artikel 153, treden pas in werking nadat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is opgericht en het huishoudelijke reglement is goedgekeurd. De rechter kan ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van voor 1 mei 2000, maar die nog niet voor een eensluidend advies werden voorgelegde aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid." De Vlaamse Regering heeft overeenkomstig art. 9 bis, § 8 D.O.R.O. de nadere regels vastgesteld met betrekking tot de werking en de organisatie van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid (Besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, B.S. 24 mei 2004). Op 22 juli 2005 werden de voorzitter, de leden en de vaste secretaris van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid benoemd (Besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005, B.S. 12 augustus 2005). Zoals voorzien door de art. 198 bis, 1ste lid en 9 bis, § 5 D.O.R.O. werd door de Hoge Raad voor het Herstelbeleid het huishoudelijk reglement opgesteld en goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 16 december 2005 (B.S. 13 januari 2006, p. 2414-2418). De bepalingen met betrekking tot het in de art. 149 §1 en 153 D.O.R.O. bedoeld advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid zijn aldus, gelet op het bepaalde in art. 198 bis, 1ste lid D.O.R.O. in werking getreden De herstelvordering, aangebracht middels dagvaarding d.d. 25 mei 2004, dateert van vóór de goedkeuring van voormeld huishoudelijk reglement en dienvolgens van vóór de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Bij arrest van het Arbitragehof d.d. 19 januari 2005 werden de woorden "vóór 1 mei 2000" vernietigd in artikel 149, §1 D.O.R.O. (Arbitragehof, 19 januari 2005, nr. 14/2005) zodat de bevoegdheid van de rechter om overeenkomstig artikel 198 bis, 2de lid D.O.R.O. de ingediende vorderingen voor advies voor te leggen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet alleen geldt voor de vóór 1 mei 2000 ingediende herstelvorderingen doch ook voor deze vanaf 1 mei 2000 (vgl. Cass., 5 september 2006, P060543N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.1; Grondwettelijk Hof, 7 maart 2007, nr. 34/2007). M.a.w. artikel 198 bis, 2de lid D.O.R.O. geldt als overgangsbepaling en laat de rechter vrij toe te oordelen telkens wanneer het bestuur de ingediende herstelvordering nog niet kon voorleggen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid omdat deze nog niet functioneerde. Hieruit volgt evenwel niet dat de rechter de ingediende vorderingen die nog niet voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid konden worden voorgelegd in de zin zoals voormeld, meteen ook steeds "moet" voorleggen (vgl. Cass., 5 juni 2007, T.M.R., 2008, 58 e.v.). De rechter beslist dus in het bedoelde geval soeverein of er al dan niet nood bestaat om het advies van de Hoge Raad voor herstelbeleid in te winnen (Parl. St., Vl. Parl., 2002-03,1566/5,6). In de concreet gegeven omstandigheden zijn er naar het oordeel van het hof redenen om voorafgaand aan de verdere beoordeling van de herstelvordering (o.m. wat betreft de gevorderde meerwaardesom) advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid in te winnen aangaande de te bevelen herstelmaatregel in de zin van art. 198 bis, 2de lid D.O.R.O., inzonderheid nu door de gemeente Brugge in haar schrijven d.d. 1 augustus 2003 klaarblijkelijk werd afgezien van elke herstelvordering, terwijl de appellant in zijn herstelvordering o.m. aangeeft dat de gerealiseerde woning niet storend is voor de omgeving, dat er een lange tijd verstreken is tussen het uitvoeren van de werken en het verbaliseren en dat de constructie inpasbaar is in de ruimtelijke context, mede gelet op de geringe impact op de omgeving. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak. In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni
  7. Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en thans reeds ten dele gegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond. Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaarde. Vooraleer nader te oordelen. Beslist dat de ingediende vordering, zoals voormeld, wordt voorgelegd voor een advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, zoals bedoeld in art. 198 bis, 2de lid D.O.R.O.. Beveelt dat daartoe, zoals voorzien in de art. 28 en 29 § 1 van het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 16 december 2005, de vereiste stukken en gegevens aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid door middel van aangetekend schrijven zullen worden overgemaakt, zijnde minstens:

(1)een eensluidend verklaard afschrift van het onderhavige arrest waarbij met toepassing van art. 198 bis, 2de lid D.O.R.O. de Hoge Raad voor het Herstelbeleid wordt gevat;
(2)een eensluidend verklaarde kopie van de dagvaarding d.d. 25 mei 2004 houdende de herstelvordering waarover het advies wordt gevraagd. Verstaat dat deze adviesaanvraag zal worden overgemaakt aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid op het volgende adres: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Hoge Raad voor het Herstelbeleid Phoenixgebouw Koning Albert II-laan 19 bus 14 1210 Brussel Telefoon: 02/553 17 93 Fax: 02/553 17 94 E-mail: info@hrh.vlaanderen.be Verstaat dat de griffier daartoe het nodige zal doen op verzoek van de meest gerede partij. Verwijst de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op zestien januari tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040909.22 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.