id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 19 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090119.10 Rolnummer: 2006/AR/1200 Rechtsgebied: Insolventierecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 18:59 Fiche Europese Insolventieverordening - Internationale bevoegdheid van de Belgische rechter - Art. 3 lid 2 Europese Insolventieverordening - Toepassingsvoorwaarden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Algemeen (insolventie) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Collectieve procedures van insolventie Vrije woorden: Insolventieprocedure Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 19-01 2009 Nr. 2006/AR/1200 ------------------------- in de zaak van : N.V. INTERSTORE, met maatschappelijke zetel te 9080 Zaffelare, Bosdam 65 en met ondernemingsnummer 0449.320.331, appellante, hebbende als raadsman mr. Alain Cleyman, advocaat met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Grote Peperstraat 10, tegen
- B.V. MEGAPOOL, vennootschap naar Nederlands recht in staat van faillissement, met zetel te NL-7332BP Apeldoorn (Nederland), Lange Amerikaweg 81 en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Apeldoorn onder nr. 08042434,
- dhr. H.C. B., advocaat met kantoor te , , optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de B.V. MEGAPOOL, voornoemd, hiertoe aangesteld bij vonnis van de Nederlandse rechtbank te Zutphen dd. 8 april 2004,
- dhr. A.P.J.M. D. B., advocaat met kantoor te , optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de B.V. MEGAPOOL, voornoemd, hiertoe aangesteld bij vonnis van de Nederlandse rechtbank te Zutphen dd. 8 april 2004, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Eric Laevens, advocaat met kantoor te 1150 Brussel, Tervurenlaan 270, en welke woonstkeuze doen ter studie van gerechtsdeurwaarder Jacques Matthys, Heirweg 45 te 9840 De Pinte, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep
- Appellante heeft op 11 mei 2006 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen het door de derde kamer van de rechtbank van koophandel te Gent op 21 februari 2006 op tegenspraak gewezen vonnis in de zaak AR nr.A/05/
- Voormeld vonnis werd blijkbaar betekend op 14 april
- De akte van betekening wordt niet voorgelegd. Partijen werden in openbare terechtzitting van 10 november 2008 gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor advies van het Openbaar Ministerie werd vastgesteld op 24 november
- Nadat door het Openbaar Ministerie schriftelijk advies werd verleend en partijen de gelegenheid tot repliek werd verleend, werd de zaak in beraad genomen, alsook de stukken ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg
- De feiten, aanleiding tot de voorliggende betwisting, werden door de eerste rechter op pagina's 2 en 3 van het bestreden vonnis onder randnummer 2 uiteengezet. Het Hof verwijst partijen naar deze uiteenzetting die het volledig bijtreedt en die geen verdere aanvulling behoeft. Samengevat kan worden vermeld dat: - appellante een handelspand gelegen te Gent, Kortrijksesteenweg 1192 B verhuurde aan de rechtsvoorganger van de BV MEGAPOOL. - de BV MEGAPOOL bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 8 april 2004 in staat van faillissement werd verklaard, - na het uitblijven van een mogelijke overname van de handelshuur-overeenkomst en de beëindiging ervan door de curatoren, het gehuurde goed werd leeggemaakt en appellante haar schuldvordering begrootte op een bedrag van 71.553,64 EUR, onder voorbehoud van een bijkomende bezettingvergoeding en eventuele huurschade, - geïntimeerden bevestigden voormelde schuldvordering te noteren op de lijst van de boedelcrediteuren, en meteen meedeelden dat nog niet kon worden bevestigd of en zo ja wanneer tot betaling van de boedelcrediteuren kon en zou worden overgegaan, - na diverse briefwisseling in verband met de aanspraak van appellante tot onmiddellijke uitbetaling van de voormelde schuldvordering als boedelschuld geen vergelijk mogelijk bleek en appellante op 12 april 2005 dagvaardt in secundair faillissement. Na advies van het Openbaar Ministerie verklaarde het bestreden vonnis de vordering tot opening van een secundair faillissement ontvankelijk, maar niet gegrond en verwees het appellante in de gedingkosten. Grieven/voorwerp van het hoger beroep
- Appellante kan zich niet vinden in het bestreden vonnis en argumenteert dat :
(1)de Insolventieverordening (Verordening E.U. van 29 mei 2000 nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures) van toepassing is,
(2)op de met de rechtsvoorganger van BV MEGAPOOL afgesloten huurovereenkomst het Belgisch recht van toepassing is, terwijl het statuut en de rangorde van haar vordering door het Nederlands recht wordt beheerst,
(3)haar rechtspositie in het Belgisch faillissementsrecht voordeliger is dan in het Nederlands faillissementsrecht,
(4)haar vordering in secundair faillissement wel degelijk ontvankelijk en gegrond voorkomt vermits de BV MEGAPOOL wel degelijk een vestiging in België had en de curator van de secundaire procedure de mogelijkheid heeft om goederen die het grondgebeid van de lidstaat die de territoriale procedure heeft geopend, hebben verlaten na de opening van de procedure, kan recupereren,
(5)de vaststelling dat zij haar rechten in de hoofdinsolventieprocedure had kunnen laten gelden daaraan geen afbreuk doet. Appellante is verder van oordeel dat de eerste rechter het secundair faillissement ten onrechte als een loutere opportuniteitsmaatregel beoordeelde, en verder verkeerdelijk vaststelde dat bij gebrek aan vestiging in België geen secundaire procedure meer kon worden geopend. 4. Geïntimeerden zijn van oordeel dat niet voldaan is aan de twee wettelijke voorwaarden voor de opening van een secundaire insolventieprocedure, nu er geen vestiging meer was op het ogenblik van het instellen van de vordering en de vroegere vestiging op dat ogenblik volledig was geliquideerd in het kader van de hoofdinsolventieprocedure. Ondergeschikt argumenteren geïntimeerden nog dat een secundaire insolventieprocedure niet opportuun voorkomt. Samengevat besluiten geïntimeerden tot de bevestiging van het bestreden vonnis. Beoordeling 5. Het lijdt geen twijfel dat op grond van artikel 3 van de Europese Insolventieverordening de Belgische rechter hier de internationale bevoegdheid heeft om te statueren over de door appellante beoogde secundaire insolventieprocedure. In haar inleidende dagvaarding verwijst appellante naar de door de Nederlandse rechtbank te Zutphen op 08.04.2004 geopende hoofdinsolventie-procedure en steunt zij haar vordering tot het openen van een secundaire insolventieprocedure op het feit dat de gefailleerde BV MEGAPOOL een vestiging bezat in België, meer bepaald te Sint-Denijs-Westrem. Zij beroept zich daarbij uitdrukkelijk op artikel 3 lid 2 en 3 van de Insolventieverordening. Het Hof stelt overigens vast dat geïntimeerden, die geen incidenteel hoger beroep instellen en de bevestiging van het bestreden vonnis vorderen, deze bevoegdheid niet in vraag stellen, laat staan betwisten. Ook ambtshalve onderkent het Hof geen rechtsgrond die hier tot de internationale onbevoegdheid van de Belgische rechter zou kunnen leiden. 6. Het lijdt verder geen twijfel dat appellante procesbekwaam is en als schuldeiser van de gefailleerde BV MEGAPOOL over de rechtens vereiste hoedanigheid en het procesrechtelijk belang beschikt om op ontvankelijke wijze haar vordering tot opening van een secundaire insolventieprocedure in te stellen. Ook hier stelt het Hof vast dat geïntimeerden, die geen incidenteel hoger beroep instellen en de bevestiging van het bestreden vonnis vorderen, de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van appellante niet in vraag stellen, laat staan betwisten. Ook ambtshalve onderkent het Hof geen rechtsgrond die tot de onontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering zou kunnen leiden. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd waar het de vordering van appellante ontvankelijk verklaarde. 7. 7.1. Artikel 3 lid 2 van de Europese Insolventieverordening bepaalt dat de rechter slechts tot de opening van een secundaire insolventieprocedure kan overgaan voor zover de schuldenaar op het grondgebied van de lidstaat een vestiging bezit. Hetzelfde staat te lezen in de aanhef van de Europese Insolventieverordening, waar overweging 18 dat vermeldt : "Wanneer een hoofdprocedure is geopend laat de verordening het recht om een insolventieprocedure aan te vragen in de lidstaat waar de schuldenaar een vestiging heeft, onverlet." Artikel 2,
- h)van de voormelde verordening definieert de "vestiging" als : " elke plaats van handeling waar de schuldenaar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit uitoefent die niet van tijdelijke aard is. Verder bepaalt artikel 3 lid 2 van de verordening dat gevolgen van de secundaire procedure alleen gelden ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebeid van de lidstaat bevinden. Artikel 3 lid 3 bepaalt nog dat een secundaire procedure een liquidatieprocedure moet zijn. 7.2. Uit de objectieve gegevens van de zaak blijkt onmiskenbaar dat op het ogenblik van het instellen van de vordering door appellante, hetzij 12 april 2005, aan de door artikel 3 lid 2 gestelde voorwaarde, namelijk het bezit van een vestiging zoals bepaald in artikel 2,
- h)van de verordening, niet was noch kon worden voldaan. Op dat ogenblik bezat BV MEGAPOOL immers geen vestiging meer in België. Uit de voorgelegde stukken blijkt namelijk dat de huurovereenkomst met appellante reeds was beëindigd, minstens opgezegd en dat de vestiging te Sint-Denijs-Westrem reeds geruime tijd voordien volledig werd ontruimd en leeggemaakt. In haar schrijven van 25 augustus 2004 aan geïntimeerden bevestigt appellante één en ander met zoveel woorden. Uit verdere, door appellante niet tegengesproken briefwisseling blijkt tevens dat ook de sleutels van de vestiging reeds op 2 september 2004 aan appellante werden ter hand gesteld. In de gegeven omstandigheden komt de vordering tot opening van een secundair faillissement ongegrond voor. Het Hof merkt nog op dat een secundaire insolventieprocedure zoals door appellante gevorderd hoe dan ook zonder voorwerp is. Immers blijkt uit niets dat er zich nog goederen van de gefailleerde BV MEGAPOOL op het Belgisch grondgebied bevinden die het voorwerp van een liquidatieprocedure kunnen uitmaken. Integendeel bevestigt appellante zelf in haar beroepsconclusie dat "de activa uit de vestiging Gent werden geliquideerd en te gelde gemaakt." Appellante kan niet worden bijgetreden in haar argumentatie dat een territoriaal aangestelde curator perfect in de mogelijkheid verkeert om deze goederen (dan wel hun via zakelijke subrogatie perfect traceerbare opbrengst) te recupereren. Overeenkomstig artikel 18 lid 2 van de Europese Insolventieverordening heeft deze bevoegdheid van de curator slechts betrekking op goederen die het grondgebied van de lidstaat verlieten nà de opening van de secundaire procedure. 7.3. Uit wat voorafgaat blijkt dat niet voldaan is aan de basisvoorwaarde voor de opening van een secundair faillissement, namelijk het bezit van een vestiging op het Belgisch grondgebied, zodat de vordering van appellante reeds om die reden ongegrond voorkomt. Deze vaststelling ontneemt meteen elke relevantie aan de door partijen nog gevoerde discussie zo omtrent de opportuniteit van een secundaire insolventieprocedure, als omtrent de al dan niet verschillende rechtspositie / rechtsbescherming van appellante naar Belgisch dan wel Nederlands faillissementsrecht. Het Hof gaat daarop dan ook niet verder in. 8. In toepassing van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. verwijst het Hof appellant in de aan de zijde van geïntimeerden gevallen kosten van het hoger beroep. Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep werd akte genomen van het akkoord van partijen om de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep vast te stellen op de door het K.B. van 26 oktober 2007 bepaalde basisbedrag van 1.200,00 EUR voor geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Gelet op het advies van het Openbaar Ministerie, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis, zij het deels op andere gronden, Veroordeelt appellante tot betaling van de aan de zijde van geïntimeerden gevallen kosten van het hoger beroep, gezamenlijk begroot op 1.200,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op negentien januari tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div