← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090120.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090120.13 Rolnummer: 2008/AR/448 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 19:01 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Algemeen (successierechten) Vrije woorden: Een erfgenaam, legataris of begiftigde die samen met de andere erfgenamen, legatarissen en/of begiftigden krachtens artikel 70, 2de lid W.Succ. tot het betalen van de rechten en interesten gehouden zijn die verschuldigd zijn op het erfdeel, het legaat of gift van een andere erfgenaam, legataris of begiftigde, wordt, in het geval hij de rechten en interesten betaalt, gesubrogeerd in de rechten van de Belgische Staat. Zijn vordering tot verhaal dat hij krachtens artikel 7 W.Succ. tegen de erfgenaam, legataris of begiftigde wiens rechten en interesten hij vereffend heeft, kan instellen, is dan ook op hetzelfde moment ontstaan als de vordering van de Belgische Staat, namelijk op het moment van het openvallen van de nalatenschap. Met die datum moet rekening gehouden worden om na te gaan of aan de anterioriteitsvereiste van de pauliaanse vordering is voldaan. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 20-01-2009 Nr.2008/AR/448 - in de zaak van:

  1. C. A., gepensioneerde, wonende te..............., ................
  2. M. L., zelfstandig garagist, wonende te..............., .............., appellanten, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. GOETGHEBUER Pieter loco mr. MAILLIARD Isabelle, advocaat te 8940 GELUWE, Ieperstraat 168, tegen:
  3. L. R., bediende, wonende te..........., ............, doch woonst kiezend ten kantore van haar raadsman mr. DEBEL, advocaat te 8560 GULLEGEM, Oude Ieperstraat 4 geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. DEKEYZER Jonah loco mr. DEBEL José, advocaat te 8560 GULLEGEM, Oude Ieperstraat 4
  4. FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, - vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, - Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector registratie en domeinen, Registratie Ieper, met kantoren gevestigd te 8900 IEPER, Rene Colaertplein 31, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. PEERAER Marleen, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 977, spreekt het Hof het volgend arrest uit:
  5. Procedure Bij verzoekschrift van 18 februari 2008 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 11 december 2007 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan: Verklaart de vorderingen ontvankelijk en als volgt gegrond. Veroordeelt eerste verweerster tot betaling aan eiseres van de som van 8.549,62 EUR, meer de wettelijke rente vanaf de datum van betaling de dato 31.03.2004 en meer de gerechtelijke intresten. Zegt verder voor recht dat de rechtshandeling-schenking de dato 17.06.2003 verleden voor notaris Debucquoy te Zonnebeke, houdende schenking van eerste verweerster aan tweede verweerder van een stuk bouwgrond, niet tegenstelbaar is aan eiseres. Wijst eiseres van het overige af. Veroordeelt eerste en tweede verweerders tot de gedingkosten verbonden aan de vorderingen gesteld onder 3.2.
  6. en 3.2.2., aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op 292,79 EUR dagvaardingskosten en 371,84 EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding. Veroordeelt eisers tot de gedingkosten verbonden aan de vordering gesteld onder 3.2.3., aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van de derde verweerder begroot op 371,84 EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding. Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vorderingen van de eerste geïntimeerde als onontvankelijk, minstens als ongegrond afwijst. De appellanten vorderen verder de afwijzing van het incidenteel hoger beroep van de eerste geïntimeerde. De appellanten vragen bovendien dat de geïntimeerden zouden veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De eerste geïntimeerde vordert dat het Hof het principaal hoger beroep als ongegrond zou afwijzen met verwijzing van de appellanten in de gerechtskosten. Daarnaast stelt de eerste geïntimeerde ook incidenteel hoger beroep in. Ze vraagt het bestreden vonnis gedeeltelijk teniet te doen door met name de appellanten bijkomend te veroordelen tot het betalen van de kosten kantmelding ten belope van 55,02 euro, de kosten voor de hypotheekbewaarder ten belope van 27,11 euro + 27,11 euro en de kosten voor het kadaster en het registratiekantoor ten belope van 7,50 euro + 26,90 euro. Ook vraagt ze in het kader van het incidenteel hoger beroep om de tweede geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van de som van 8.549,62 euro, te vermeerderen met de compensatoire interest, gelijk aan de wettelijke rente vanaf 31 maart 2004 tot de dag der algehele betaling. De eerste geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de tweede geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De tweede geïntimeerde vordert dat het Hof de vorderingen van de appellanten en de vorderingen van de eerste geïntimeerde die tegen hem gesteld worden, ongegrond zou verklaren en veroordeling van de appellanten en de eerste geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. Partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
  7. Feitelijke gegevens De appellante en de appellant zijn moeder en zoon. De eerste appellante en de eerste geïntimeerde waren beide bloedverwanten van mevrouw A. P. Mevrouw P. is op 21 oktober 1991 op hoge leeftijd overleden. Ze liet geen reservataire erfgenamen na. De appellante en de eerste geïntimeerde waren, samen met diverse andere bloedverwanten, wettelijke erfgenamen van A. P. Enkele jaren vóór het overlijden van A. P. ging ze bij de appellante wonen. De appellante werd daarvoor via maandelijkse betaling vergoed, maar af en toe ontving ze ook geld en waardepapieren. A. P. liet alleen roerende goederen na, waaronder geld en vooral waarde-effecten. In een bankkluis werd een testament gevonden dat niet door A. P. zelf geschreven was maar dat wel een beverige handtekening bevatte die duidelijk in een andere schrijfstijl dan de rest van het testament was neergezet. In dat testament werd voor een bedrag van 8.000.000 frank (198.314,82 euro) gelegateerd, waaronder 3.000.000 frank (74.368,06 euro) aan de appellante. Een aantal van de andere wettelijke erfgenamen hebben zich in 1993 burgerlijke partij gesteld bij de onderzoeksrechter te Kortrijk. De klacht was gericht tegen de appellante en een andere wettelijke erfgename, Y. P. (die ook in het genoemde testament als legataris was aangesteld, nl. voor 2.000.000 frank (49.578,70 euro)). De klacht sloeg enerzijds op het afleggen van een valse eed en het gebruik van valse stukken door de appellante en Y. P. afgelegd naar aanleiding van de boedelbeschrijving in het kader van de vereffening en verdeling van de nalatenschap. Anders sloeg de klacht ook op bedrieglijke wegmaking van goederen van de huwgemeenschap van A. P. en haar vooroverleden echtgenoot en eventuele andere valsheden en het gebruik van valse stukken. Die klacht was ook gericht tegen een bankbediende. Op aangeven van de klachtleggers werd op instructie van de onderzoeksrechter een huiszoeking gedaan in de woning van de appellant, zoon van de appellante. Bij de appellante werden in een safe diverse waardepapieren aangetroffen. Behoudens een map met documenten van de appellante waren er nog documenten van de appellant en zijn echtgenote, van de vader van de appellant (van wie de appellante al jaren gescheiden was) en van de schoonvader van de appellant. De map met documenten van de appellante bevatte diverse waardepapieren voor een totaal bedrag van 3.000.000 frank (74.368,06 euro). Deze waardepapieren werden geïnventariseerd en in beslag genomen. Ook de andere waardepapieren werden geïnventariseerd. Tussen de documenten die in de map op naam van de appellant en zijn echtgenote stonden, bleken voor 150.000 frank (3.718,40 euro) obligaties van de Generale Bank te zitten, zijnde de helft van de obligaties waarvan uit het onderzoek gebleken is dat A. P. ze bij de Generale Bank gekocht had. In een verklaring aan de politie heeft de appellante uiteindelijk verklaard dat ze inderdaad af en toe geld en waardepapieren kreeg van A. P.. In het totaal zou ze voor een bedrag van ongeveer 500.000 frank (12.394,68 euro) geld en waardepapieren ontvangen hebben, waaronder 150.000 frank (3.718,40 euro) obligaties en een paar keer 100.000 frank (2.478,94 euro) effecten en nog enkele kleinere effecten. Het gerechtelijk onderzoek leidde tot een gerechtelijke vordering waarin de derde kamer van het Hof van Beroep te Gent op 13 april 2000 uitspraak deed. Het Hof stelde vast dat de valsheid van het testament niet bewezen was; de appellante en Y. P. werden wel beiden veroordeeld voor het afleggen van een valse eed naar aanleiding van de boedelbeschrijving op 14 januari
  8. De appellante en Y. P. dienden tegen die uitspraak een cassatievoorziening in maar tussen alle wettelijke erfgenamen werd op 9 augustus 2001 een dading afgesloten ten einde definitief de nalatenschap van A. P. van haar vooroverleden man en van de tussen dezen ontstane huwgemeenschap te kunnen vereffenen en verdelen. Die dading hield onder andere in: - afstand van de cassatievoorziening door de appellante en Y. P.; - de vrijgave van de bij de notaris geconsigneerde gelden van de nalatenschappen (vermeld als 9.465.256 frank (234.637,57 euro) bruto, d.w.z. vóór aftrek van kosten en erelonen) met verdeling van dat bedrag onder de contractanten-erfgenamen, elk volgens hun wettelijk erfdeel, met dien verstande dat aan de appellante geen deel toekwam; de broer van de appellante, kreeg het deel van de appellante; - vrijgave en terbeschikkingstelling ten voordele van de appellante van de waardepapieren die bij de appellant in beslag waren genomen en een nominale waarde van 3.000.000 frank (74.368,06 euro) hadden. De dading werd afgesloten met de volgende formule: Mits uitvoering van deze overeenkomst verklaren ondergetekenden volledig te zijn vereffend en verdeeld met betrekking tot de genoemde nalatenschappen en ontbonden huwgemeenschap, van elkaar niets meer te vorderen of te eisen te hebben, uit dezen hoofde of uit welken anderen hoofde ook. Naderhand, op 24 september 2001 is tussen de appellante en haar broer kennelijk een afzonderlijke overeenkomst gemaakt (het voorgelegde stuk bevat geen handtekening van de broer) waarin bedongen werd dat haar broer het deel dat hij uit de vereffening en verdeling ontving, met de appellante zou delen (verdeling in gelijke helften). Op 18 maart 2002, meer dan 10 jaar na het overlijden van A. P., werd door alle wettelijke erfgenamen (of, als gevolg van overlijdens, hun eigen erfgenamen) voor het eerst een aangifte in de nalatenschap van A. P. ingediend. Daarin werd een totaal bruto-actief, uitsluitend bestaande uit roerende goederen aangegeven van 8.466.616 frank (209.881,93 euro). De hoger vermelde obligaties van de Generale Bank staan niet vermeld tussen de aangegeven portefeuillewaarden. Evenmin staan de waardepapieren ter waarde van 3.000.000 frank (74.368,06 euro) die eerder in beslag waren genomen in de aangifte vermeld. De rechten op basis van die aangifte, vermeerderd met intrest en boete werden door de erfgenamen vrijwillig vereffend. Op basis van zijn analyse van het arrest van de derde kamer van het Hof van Beroep te Gent van 13 april 2000 heeft de tweede geïntimeerde geoordeeld dat er naast de aangegeven activa voor de successierechten nog bijkomend moest rekening gehouden worden met de giften in waardepapieren aan de appellante voor een bedrag van 3.000.000 frank (74.368,06 euro), giften die zouden gedaan zijn in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het overlijden van A.P. De tweede geïntimeerde telde dat bedrag bij het gedeelte van de aangegeven nalatenschap dat wettelijk aan de appellante toekwam en maakte een herberekening. Dat gaf een saldo in hoofdsom van 1.244.261 frank of 30.844,42 euro. Bovendien werd een boete verschuldigd geacht van 200%, evenwel beperkt tot 10% van het totaal van de verschuldigde rechten of 372.000 frank (9.221,64 euro). Op 19 maart 2002 vaardigde de tweede geïntimeerde voor die bedragen een dwangbevel uit waarin hij de appellante als schuldenaar beschouwde op grond van artikel 7 W.Succ. en de overige wettelijke erfgenamen, waaronder de eerste geïntimeerde, elk voor hun deel krachtens de artikelen 70, 71 en 126 W.Succ. Ook de interesten en de vervolgingskosten werden verschuldigd verklaard. Na visum en uitvoerbaarverklaring werd het dwangbevel in maart 2002 aan de betrokkenen betekend. Op 8 januari 2004 heeft de bevoegde ontvanger van de tweede geïntimeerde aan de eerste geïntimeerde per brief gevraagd om betaling van haar aandelen in de na te heffen rechten, intresten, boeten en kosten voor een bedrag, berekend tot 6 februari 2004, van 8.549,62 euro. Op 8 maart 2004 heeft de eerste geïntimeerde dat bedrag aan de ontvanger betaald. Op 27 september 2004 vroeg de advocaat van de eerste geïntimeerde aan de tweede geïntimeerde of er bewarende en/of uitvoerende maatregelen genomen waren om de schuld jegens de appellante te kunnen innen en wat dat had opgeleverd. De tweede geïntimeerde antwoordde op 28 september 2004 dat het plan om bewarend beslag te leggen op de woning van de appellante op niets was uitgedraaid omdat van de verkoop door de instrumenterende notaris pas werd kennis gegeven nadat deze voltrokken was, ook al was voordien al bij de notaris naar de stand van zaken geïnformeerd. Tevens werd meegedeeld dat op 17 april 2003 uitvoerend beslag onder derden gelegd werd in handen van de NV Centea en dat op 17 april 2004 aan de appellante (opnieuw) een dwangbevel werd betekend. De advocaat van de eerste geïntimeerde richtte zich ook naar de appellante en haar advocaat liet weten dat haar cliënte van oordeel was dat zij de bijkomende successierechten niet moest betalen. Er volgde nog briefwisseling over en weer tussen de partijen maar een minnelijke oplossing bleek niet mogelijk. Op 16 en 23 maart 2005 liet de eerste geïntimeerde zowel de appellanten als de tweede geïntimeerde dagvaarden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper. Na beraad besloot de derde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper in zijn vonnis van 18 mei 2007 dat het een geschil betrof omtrent de toepassing van een belastingwet en verwees de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 11 december 2007 geoordeeld zoals hoger al weergegeven. Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.
  9. Stellingen en beoordeling 3.
  10. Vordering tot betaling van 8.549,62 euro meer interest (principaal hoger beroep) 3.1.
  11. Bijkomende belastingschuld op 3.000.000 frank De appellante betwist in het algemeen dat er nog reden bestond om nog aanvullende successierechten, interest en boete te betalen om reden dat er nog andere aan te geven goederen waren, door haar bekomen, dan deze die in de door alle erfgenamen ingediende aangifte van 18 maart 2002 werden vermeld. In het bijzonder betwist de appellante dat uit het arrest van de derde kamer van het Hof van Beroep te Gent van 13 april 2000 zou blijken dat zij voor een bedrag van 3.000.000 frank (74.368,06 euro) roerende waarden zou gekregen hebben van A. P. en dit bovendien in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het overlijden van deze. Afgezien van de vraag of dat bewijs al afdoend zou geleverd zijn op basis van (het gezag van gewijsde van) het arrest van 13 april 2000, stelt het Hof vast dat er voldoende gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zijn dat de roerende waarden, ter waarde van 3.000.000 frank (74.368,06 euro) die destijds in de kluis van de appellant werden aangetroffen en in beslag genomen werden, overeenstemmen met waarden en gelden die de appellante van A. P. moet gekregen hebben in de periode van 3 jaar vóór haar overlijden. De vaststaande feiten die tot die vermoedens doen besluiten zijn de volgende: • de appellante heeft uiteindelijk bekend dat ze waardepapieren en geld van A. P. gekregen heeft (met dien verstande dat ze geen hoger bedrag bekende dan 500.000 frank (12.394,68 euro)); • de appellante verklaarde zelf aan de gerechtelijke politie dat ze de gelden en waardepapieren alle ontving in de periode van anderhalf jaar of een jaar vóór het overlijden van A. P.; • het hoger vermelde testament - dat weliswaar nooit ten uitvoer werd gebracht - vermeldde dat aan de appellante het bedrag van 3.000.000 frank (74.368,06 euro) toekwam; • de waardepapieren, op 22 februari 1994 teruggevonden in de kluis bij de appellant, die aan de appellante toebehoorden hadden een nominale waarde van exact 3.000.000 frank (74.368,06 euro); • op een lijst die de appellante voorlegt met alle kasbons die ze ooit via het kantoor Mestdagh-Perneel kocht, komen 8 kasbons voor die op 22 februari 1994 al gekocht waren maar nog niet vervallen waren, terwijl die kasbons niet in de kluis van de appellant werden aangetroffen; de bewaargeving in de kluis van de appellant was dus een vorm van ‘afzonderlijk' houden van die waardepapieren voor een bedrag van 3.000.000 frank (74.368,06 euro); • de al in 1994 vervallen waardepapieren uit diezelfde lijst volstaan in waarde zeker niet om nog een bijkomende herbelegging van 3.000.000 frank (74.368,06 euro) te doen; • in de dading van 9 augustus 2001 maken alle erfgenamen een globale afspraak omtrent de verdeling van de nalatenschap; de gelden en waarden die bij de notaris geconsigneerd werden, werden aan de erfgenamen verdeeld volgens hun erfdeel maar dan wel zonder dat de appellante er een deel in ontving; er werd tegelijk verduidelijkt dat de 3.000.000 frank waardepapieren die in beslag waren genomen, integraal aan de appellante toekwamen; pas achteraf zou de appellante nog haar deel via een overeenkomst met haar broer gekregen hebben. In verband met het laatst vermelde feit blijkt dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat de giften van A. P. aan de appellante niet moesten worden ingebracht en er evenmin reden tot inkorting bestond (A. P. liet immers onbetwistbaar geen reservataire erfgenamen na). Tegen die juridische achtergrond zou het logisch geweest zijn dat de appellante, naast de aan haar toegekende giften, niettemin haar deel in de nalatenschap ontving. Het is pas naderhand dat zij kennelijk met haar broer tot een vergelijk kwam om haar deel nog te krijgen. Aan de hand van de hoger genoemde lijst met aankopen van waardepapieren, weerlegt de appellante geenszins het vermoeden dat zij voor een waarde van 3.000.000 frank (74.368,06 euro) giften ontving vanwege A. P. Ook het feit dat de appellante een volle actieve loopbaan achter de rug had en geld verdiende en een woning uit een echtscheiding kon verkopen, volstaan op zich niet als bewijs dat de in de kluis van de appellant aangetroffen waardepapieren met gelden uit eigen bronnen werden aangekocht. Behoudens de voorgelegde lijst van aankopen van waardepapieren - die geen weerlegging van het vermoeden inhoudt - legt de appellante immers geen andere bewijzen voor van aankoop van waardepapieren (hetzij de in beslag genomen waardepapieren zelf, hetzij andere waarmee de in beslag genomen waardepapieren of bij wijze van herbelegging zouden kunnen gefinancierd zijn). Verder was het enkel aan de appellante zelf om de ontvangen giften aan te geven. Dat in de gezamenlijke aangifte van die giften geen melding werd gemaakt, kan als verklaring hebben dat de erfgenamen geen duidelijkheid hadden over het moment waarop de giften hadden plaatsgevonden. Zelfs wanneer toen geen onverdeeld standpunt zou hebben bestaan omtrent de periode waarin de giften gedaan werden (nl. 3 jaar vóór het overlijden van A. P.), dan nog is dat ontegensprekelijk in strijd gebleken met de eigen verklaring van de appellante. 3.1.
  12. Invloed van de dading op de vordering van de eerste geïntimeerde Het voorwerp van de dading is duidelijk omschreven: ze strekte er (slechts) toe om de nalatenschap van A. P., haar vooroverleden man en de tussen hen ontstane huwgemeenschap te vereffenen en te verdelen. Dat de dading de clausule bevat dat de contractanten erkennen ‘volledig vereffend en verdeeld' te zijn met betrekking tot die nalatenschappen en huwgemeenschap en van elkaar uit dezen hoofde of welken hoofde ook niets meer te vorderen hebben, belet niet dat de eerste geïntimeerde nog een vordering kan stellen die betrekking heeft op door haar vereffende successierechten. Binnen het kader van de dading kon de eerste geïntimeerde immers geen afstand doen van een nog te ontstane vordering die haar oorzaak zou vinden in de belastingwet, meer bepaald met betrekking tot de successierechten, belastingen die geen voorwerp uitmaakten van de dading. 3.1.
  13. Gevolgen - conclusie Nu vaststaat dat de appellante bijkomend voor 3.000.000 frank (74.368,06 euro) giften had moeten aangeven (zie randnummer 3.1.) staat meteen ook vast dat de tweede geïntimeerde met reden overging tot invordering van de bijkomende belastingschuld (successierechten, interest, boeten en kosten). Terecht laat de eerste geïntimeerde gelden dat die invordering gebeurde op basis van dwangbevelen die niet in rechte werden bestreden, terwijl dat wel degelijk mogelijk is. De stelling van de appellante dat de eerste geïntimeerde een onverschuldigde betaling zou hebben gedaan, kan dus niet worden bijgetreden. De eerste geïntimeerde bewijst op 8 maart 2004 het bedrag van 8.549,62 euro aan de tweede geïntimeerde betaald te hebben. Dat bedrag stemde overeen met het aandeel dat zij hoofdelijk verschuldigd was als erfgenaam in de belastingschuld (successierechten, interest, boete en kosten) met betrekking tot het bijkomende (fictief) belastbaar actief van 3.000.000 frank (74.368,06 euro) op grond van de schenking die de appellante ontving. Krachtens artikel 75 W.Succ. is het de appellante die de belastingschuld moet dragen op dat (volledige) fictief actief; zij was het immers die de betreffende gelden en waarden voor 3.000.000 frank (74.368,06 euro) verkreeg. Overeenkomstig het eerste lid, in fine van artikel 7 W.Succ. beschikken de erfgenamen - waaronder hier de eerste geïntimeerde - over een verhaal op de begiftigde - hier de appellante - voor de wegens de binnen de drie jaar voor het overlijden geschonken goederen gekweten successierechten. Dat is een voldoende rechtsgrond voor de vordering van de eerste geïntimeerde om van de appellante betaling te bekomen van het hoger vermelde bedrag van 8.549,62 euro meer interest vanaf 31 maart
  14. De eerste rechter heeft dus met reden de vordering van de eerste geïntimeerde gegrond verklaard. Deze grief is ongegrond. 3.
  15. Niet-tegenstelbaarheid van de schenking door de appellante aan appellant (principaal hoger beroep) De eerste geïntimeerde heeft een pauliaanse vordering ingesteld om de schenking van een onroerend goed (een stuk grond) die de appellante op 17 juni 2003 aan de appellant, haar zoon, gedaan heeft, ten aanzien van haar niet-tegenstelbaar te horen verklaren. De eerste rechter verklaarde die vordering gegrond. Er wordt niet betwist dat de appellante door de betreffende schenking zich in een toestand gebracht heeft waardoor zij over geen goederen meer beschikt waarop schuldeisers hun schuldvorderingen tegen haar zouden kunnen invorderen. Het is verder duidelijk dat de appellante, na eerst haar huis aan derden verkocht te hebben op 9 april 2003, zich met de schenking aan de appellant ‘onvermogend' gemaakt heeft en wel wetende dat van haar door de tweede geïntimeerde betaling van 40.066,06 euro successierechten en boeten meer interest (van 11 september 1992) en kosten van vervolging gevorderd werden ingevolge het dwangbevel van 19 maart 2002 dat haar op 22 maart 2002 was betekend. Vermits de appellante het dwangbevel niet bestreed maar toch geen betaling uitvoerde, terwijl de ontvanger ook bevestigde dat de notaris van de appellante bepaald niet meewerkte om de tweede geïntimeerde in de mogelijkheid te brengen om bewarend beslag te leggen, staat vast dat de betreffende schenking gebeurd is met bedrieglijke benadeling van de rechten van de tweede geïntimeerde. De appellanten betwisten dat door de eerste geïntimeerde toepassing zou kunnen gemaakt worden van artikel 1167 BW omdat de schuldvordering van de eerste geïntimeerde tot betaling van 8.549,62 euro meer interest pas zou ontstaan zijn op het moment van vereffening aan de tweede geïntimeerde (op 8 maart 2004) en dus na de schenking. De appellanten kunnen in dat standpunt niet gevolgd worden. De erfgenaam, zoals de eerste geïntimeerde, die krachtens artikel 70, 2de lid W.Succ. samen met alle erfgenamen voor zijn deel gehouden is tot de rechten en interest die verschuldigd zijn door de begiftigden is samen met (o.a.) die begiftigde tot betaling van die schuld gehouden tegenover de Ontvanger van de Registratie (hier de tweede geïntimeerde). Wanneer die erfgenaam zijn deel in de schuld aan de Ontvanger betaalt, dan ontstaat overeenkomstig de artikelen 1249 en 1251, 3° BW van rechtswege indeplaatsstelling (subrogatie) van die erfgenaam in de rechten van de schuldeiser, namelijk de Ontvanger. Door haar betaling op 8 maart 2004 is de eerste geïntimeerde dan ook gesubrogeerd in de rechten van de tweede geïntimeerde. Dat houdt in dat de eerste geïntimeerde (een deel van) de schuldvordering van de tweede geïntimeerde uitoefent jegens de appellante. Vermits de schuldvordering van de tweede geïntimeerde krachtens de wet ontstaan is als gevolg van het overlijden van A. P. en bovendien minstens geconcretiseerd werd met het uitvoerbaar verklaren van het dwangbevel van 19 maart 2002 op 20 maart 2002, staat vast dat de schuldvordering waarvan de eerste geïntimeerde betaling vordert (vordering die hierboven gegrond bevonden is), al ontstond vóór de gehekelde schenking op 17 juni
  16. Gelet op de subrogatie geldt de hoger gedane vaststelling dat de schenking met bedrieglijke benadeling van de rechten van de tweede geïntimeerde gebeurde ook in het voordeel van de eerste geïntimeerde, gesubrogeerde. De eerste geïntimeerde moet ook gevolgd worden in haar stelling dat de vereiste dat de appellant medeplichtig moest zijn aan de bedrieglijke benadeling, niet geldt omdat het om een schenking gaat en dus niet om een overeenkomst ten bezwarende titel; bovendien blijkt uit het geheel van de feiten dat de appellant goed moet geweten hebben wat de bedoeling was van de appellante. De eerste rechter heeft dus terecht geoordeeld dat de schenking van de appellante aan de appellant van 17 juni 2003 niet aan de eerste geïntimeerde kan tegengesteld worden. Ook deze grief is dus ongegrond. 3.
  17. Kosten van kantmelding, hypotheekbewaarder, kadaster en registratierecht De kosten die de eerste geïntimeerde gemaakt heeft om bij de hypotheekbewaarder, het kadaster en de ontvanger van de registratie akten, een plan en een kadasteruittreksel te bekomen om haar standpunt te motiveren, zijn geen gerechtskosten maar kosten van verdediging. Die kosten werden niet gemaakt in graad van hoger beroep en vallen dan ook nog onder de regeling die gold tot aan de inwerkingtreding op 1 januari 2008 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Onder dat regime konden die kosten van verdediging zeker niet ten laste gelegd worden van de verliezende tegenpartij. De eerste rechter heeft op dat punt terecht geoordeeld. Wat de kosten van kantmelding betreft, laat de eerste geïntimeerde met reden gelden dat de inschrijving van de pauliaanse vordering in de kant van de overschrijving van de titel van de schenking van het onroerend goed voorgeschreven is overeenkomstig artikel 3 Hyp.W. (Cass. 25 oktober 2001, Arr.Cass., 2001, 1771). De kosten van kantmelding zijn emolumenten van een gerechtelijke akte en dus gerechtskosten zoals voorzien in artikel 1018, 2° Ger.W. Deze grief is dus gegrond. 3.
  18. De vordering op grond van artikel 1382 BW jegens de tweede geïntimeerde (incidenteel hoger beroep) De eerste geïntimeerde bewijst niet dat de tweede geïntimeerde een fout of een onzorgvuldigheid beging in de wijze waarop hij de invordering van de successierechten, intrest, boeten en kosten ten nadele van de appellante aanpakte. De tweede geïntimeerde kan krachtens de wet de belastingschuld zowel van de betrokken begiftigde als van alle andere erfgenamen, legatarissen en begiftigden invorderen (artikel 70 W.Succ.). Aannemen dat de tweede geïntimeerde terugbetaling zou moeten doen, geheel of gedeeltelijk van wat hij van een van die krachtens het tweede lid van artikel 70 W.Succ. medegehouden erfgenamen - hier de eerste geïntimeerde - ontvangen heeft, om reden dat niet alle redelijke middelen om de belastingschuld vanwege de betrokken begiftigde zelf - hier de appellante - in te vorderen benut werden - zou betekenen dat aan de wet een voorwaarde voor het invorderen van de schuld jegens de medegehoudenen wordt toegekend. Zelfs wanneer de trage invordering vanwege de tweede geïntimeerde de kans gaf aan de appellante om zich onvermogend te maken, dan nog bewijst de eerste geïntimeerde daarmee nog niet dat de tweede geïntimeerde op die manier aan de eerste geïntimeerde schade heeft veroorzaakt. Zoals hoger gebleken is, kan een pauliaanse vordering immers de invorderingsmogelijkheden herstellen. Ook deze grief van het incidenteel hoger beroep is dus ongegrond.
  19. De gerechtskosten De appellanten worden in het ongelijk gesteld wat het principaal hoger beroep betreft; ze moeten daarom de gerechtskosten van dat hoger beroep dragen. De eerste geïntimeerde wordt ten gronde in het ongelijk gesteld wat het incidenteel hoger beroep aangaat. Zij moet de gerechtskosten van dat hoger beroep dragen. Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W., zowel wat het principaal als het incidenteel hoger beroep betreft, zich in de schijf van 5.000,01 tot 10.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 900,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk; wijst het principaal hoger beroep af als ongegrond en verklaart het incidenteel hoger beroep gedeeltelijk gegrond; bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de appellanten nu ook de kosten van kantmelding t.b.v. 55,02 euro moeten dragen. veroordeelt de appellanten tot het betalen van de gerechtskosten van het principaal hoger beroep, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellanten: • rolstelling hoger beroep 186,00 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 900,00 EUR - aan de kant van de eerste geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 900,00 EUR veroordeelt de eerste geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van het incidenteel hoger beroep, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de eerste geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 900,00 EUR - aan de kant van de tweede geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 900,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op TWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.