← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090123.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090123.3 Rolnummer: 2007/AR/210 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-04 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 19:02 Fiche Het Hof heeft geen rechtsmacht om te oordelen over het verzoek van appellante betreffende haar recht op subsidie bij toepassing van het decreet 19/04/95 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimtes en het besluit van de Vlaamse regering van 1/07/1997 tot uitvoering van dit decreet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - HUISVESTING - Vlaanderen - Leegstand Vrije woorden: Leegstand - Subsidie - Gunning. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 23-01-2009 2007/AR/210 in de zaak van: De STAD HARELBEKE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, gevestigd in het stadhuis te 8530 HARELBEKE, Marktstraat 29, appellante, hebbende als raadsman mr. DECLERCK Arnoud, advocaat te 8530 HARELBEKE, Kortrijksesteenweg 387 tegen: Het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de Vlaamse minister van FINANCIEN, BEGROTING en RUIMTELIJKE ORDENING, met kabinet te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. RONSE Steve, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6 bus 24 velt het Hof het volgend arrest: 1. Het hof heeft de partijen in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, de debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De regelmatig neergelegde conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien. De appellante heeft, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof alhier op 22 januari 2007, tijdig en in regelmatige vorm hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis, op tegenspraak uitgesproken op 11 juli 2006 door de 3e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, aldaar gekend onder A.R. 05/1228/A, tussen enerzijds haarzelf als oorspronkelijke eiseres en anderzijds de geïntimeerde als oorspronkelijke verweerder. 2. De feitelijke gegevens die aan de grondslag liggen van de betwisting tussen de partijen werden door de eerste rechter correct uiteengezet zodat het desbetreffend volstaat naar het bestreden vonnis te verwijzen. Voor een goed begrip wordt alhier herhaald dat de aanhoudende betwisting tussen de partijen de aanspraken betreft die de appellante lastens de geïntimeerde maakt op subsidie (dan wel een hiermee qua bedrag overeenstemmende schadevergoeding - cf. infra) voor instandhoudingswerken aan de vroegere cinema Majestic, gelegen aan de Gentsestraat 13 te Harelbeke (welke door de appellante zou worden ingericht - en thans blijkens de bevestiging in conclusies reeds ingericht is - als archiefruimte) conform het decreet van 19 april 1995 "houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten" (B.S., 13 september 1995) (zoals gewijzigd bij diverse decreten) en de uitvoeringsmaatregelen van dit decreet zoals geregeld bij het besluit van de Vlaamse regering d.d. 1 juli 1997 (besluit van de Vlaamse Regering "tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten", B.S., 1 oktober 1997). Inzonderheid behelst de betwisting het niet verlenen van subsidie door de geïntimeerde om reden dat de appellante vooraf aan de aanvraag tot subsidiëring bij brief d.d. 20 juli 2004 reeds middels openbare aanbesteding was overgegaan tot het gunnen van de opdracht voor de revonatie- of instandhoudingswerken aan de aannemer N.V. B&R voor een bedrag van 284.381,53 euro incl. B.T.W. (hetgeen door de appellante aan de betrokken aannemer ter kennis was gebracht bij brief d.d. 16 juli 2004). De geïntimeerde meldde bij brief d.d. 25 augustus 2004 aan de appellante dat, gezien de tweestappen - procedure zoals geregeld in het voormeld besluit van de Vlaamse regering d.d. 1 juli 1997 (inzonderheid de artikelen 23, 24 en 25 van dit besluit die in een regeling voorzien voor de aanvraag tot subsidiebelofte voor saneringswerken, voor het verlenen van de subsidiebelofte en voor de aanvraag en toekenning van de definitieve subsidie en waarbij krachtens artikel 23 in fine voor de aanvraag tot subsidiebelofte het besluit van de Vlaamse regering van 21 juni 1989 "houdende vaststelling van de procedure inzake de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd" van toepassing

  1. is)niet was gevolgd, m.n.: - vooreerst de aanvraag tot subsidie die gevolgd kan worden door een subsidiebelofte van de geïntimeerde op basis van een over te maken ontwerp; - vervolgens na de betekening van de subsidiebelofte het starten van de gunningprocedure door de appellante, waarna op basis van de meest regelmatige offerte de definitieve subsidie door de geïntimeerde wordt bepaald en na de betekening ervan de subsidie - aanvrager de werken kan gunnen; er enkel nog subsidie kon worden bekomen indien de reeds gedane aanbesteding en gunning nietig werden verklaard en er heraanbesteed werd. In dit schrijven werd inzonderheid verwezen naar het voormeld besluit van de Vlaamse regering d.d. 1 juli 1997, naar het voormeld besluit van de Vlaamse regering d.d. 21 juni 1989 en naar de bijhorende omzendbrief d.d. 21 juni 1989 ("omzendbrief betreffende de subsidiëring van gebouwen en monumenten en aanverwante materies: het samenstellen en indienen van de subsidieaanvragen in toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 21 juni 1989 houdende vaststelling van de procedure inzake de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd", B.S.). De geïntimeerde maakte op 28 augustus 2004 wel nog een "subsidieberekening project sanering verlaten bedrijfsruimte (basis ontwerpdossier)" aan de appellante over, waarbij overeenkomstig deze berekening de subsidie maximaal 146.779,23 euro zou bedragen en waarbij werd gemeld dat dit geenszins als een subsidiebelofte (die enkel op basis van een op te stellen gunningdossier kon worden verleend) kon worden beschouwd. De appellante meldde evenwel middels brief d.d. 31 augustus 2004 aan de geïntimeerde dat haar inziens "niets zich verzet tegen een afhandeling van dit subsidiedossier overeenkomstig de wettig gestelde normen en zonder dat tot heraanbesteding dient overgegaan te worden" en verzocht aan de geïntimeerde "het dossier in zijn huidige staat alsnog te honoreren". Gezien de geïntimeerde in zijn schrijven d.d. 1 december 2004 haar standpunt behield, ging de appellante op 16 juni 2005 over tot dagvaarding van de geïntimeerde voor de eerste rechter, strekkende tot: - de geïntimeerde te horen zeggen voor recht dat met betrekking tot de instandhoudingswerken van de vroegere cinema Majestic, gelegen aan de Gentsestraat 13 te 8530 Harelbeke, de appellante gerechtigd is op subsidiëring overeenkomstig het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, en het besluit van de Vlaamse regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van dit decreet, zonder dat de geïntimeerde gerechtigd is om deze subsidie te weigeren omdat de werken werden gegund vooraleer de appellante in kennis werd gesteld van de beslissing omtrent het goedgekeurde subsidiebedrag; - de geïntimeerde te horen zeggen voor recht dat het aan de appellante toekomend subsidiebedrag, onder voorbehoud van wijziging lopende de aanneming, 146.779,23 euro bedraagt; - de geïntimeerde te horen veroordelen om aan de appellante een schadevergoeding te betalen van 146.779,23 euro wegens gederfde subsidie, eventueel te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding, en te verhogen met de compensatoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van verschuldigdheid van de samenstellende delen van dit bedrag, en de gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van de uiteindelijke betaling; - de geïntimeerde bovendien te horen veroordelen tot de kosten van de juridische bijstand van de appellante, voorlopig en provisioneel begroot op 12.500,00 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf datum dagvaarding tot aan de datum van volledige betaling; - de geïntimeerde tevens te horen veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingvergoeding; - het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg en niettegenstaande elk aanbod tot consignatie met bijzondere besteding. Deze vordering werd gehandhaafd in conclusies voor de appellante neergelegd voor de eerste rechter. De geïntimeerde concludeerde voor de eerste rechter tot de onbevoegdheid van de rechtbank om over de vorderingen van de appellante uitspraak te doen. Ondergeschikt verzocht hij dat de vorderingen van de appellante zouden worden afgewezen als onontvankelijk, minstens als ongegrond. Tenslotte vorderde de geïntimeerde de veroordeling van de appellante tot de nader aan zijn zijde bepaalde gedingkosten. Middels het bestreden vonnis d.d. 11 juli 2006 verklaarde de eerste rechter zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering van de appellante en werd laatstgenoemde veroordeeld tot de gerechtskosten, nader begroot in hoofde van de geïntimeerde. 3.a. De appellante vordert in hoger beroep dat het hof haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, dienvolgens het bestreden vonnis teniet doet, en opnieuw wijzende haar oorspronkelijke vordering zoals aangebracht voor de eerste rechter ontvankelijk en gegrond verklaart, met veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van de beide instanties, nader begroot aan haar zijde. 3.b. De geïntimeerde concludeert tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert derhalve dat het hof het bestreden vonnis bevestigt. Tevens formuleert hij in deze instantie een tegenvordering en meer bepaald vordert hij, in de mate dat het hof de verhaalbaarheid van de erelonen van de raadslieden erkent, dat het hof de appellante veroordeelt tot vergoeding van de kosten van haar juridische bijstand, voorlopig en provisioneel begroot op 1,00 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf de datum van het formuleren van deze tegenvordering in conclusies (zijnde in conclusies neergelegd ter griffie van het hof op 13 september 2007). Tenslotte vordert hij dat de appellante wordt veroordeeld tot alle kosten van de beide instanties, nader begroot aan zijn zijde. 4. Boven werd reeds aangegeven dat het hoger beroep van de appellante tijdig en regelmatig werd ingesteld. Bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen exceptie is dit hoger beroep ontvankelijk te verklaren. Evenzeer is de in deze instantie regelmatig geformuleerde tegenvordering van de geïntimeerde, bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen exceptie, ontvankelijk te verklaren. 5.a. Door de eerste rechter werden op een omstandige wijze de middelen die de partijen voor hem aanbrachten uiteengezet. Het hof stelt vast dat de partijen in deze instantie geen nieuwe middelen of argumenten ontwikkelen zodat desbetreffend naar de uiteenzetting van de eerste rechter kan worden verwezen. 5.b. De vordering van de appellante, zoals uiteengezet in haar inleidende dagvaarding en gehandhaafd in deze instanties, is eerder sibillijns te noemen. Enerzijds stelt de appellante dat zij onder toepassing van het voormeld decreet van 19 april 1995 en het voormeld besluit van 17 juli 1997 van de Vlaamse regering gerechtigd is op subsidie van de geïntimeerde voor de uitvoering van de bedoelde instandhoudingswerken, doch de geïntimeerde desondanks weigerde om deze subsidie effectief toe te kennen, en vordert zij: "te horen zeggen voor recht dat met betrekking tot de instandhoudingswerken van de vroegere cinema Majestic, gelegen aan de Gentsestraat 13 te 8530 Harelbeke, zij gerechtigd is op subsidiëring overeenkomstig het Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, en het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1997 tot uitvoering van dit decreet, zonder dat de geïntimeerde gerechtigd is om deze subsidie te weigeren omdat de werken werden gegund vooraleer verzoekster in kennis werd gesteld van de beslissing omtrent het goedgekeurde subsidiebedrag" alsook: "te horen zeggen voor recht dat het aan haar toekomend subsidiebedrag, onder voorbehoud van wijziging lopende de aanneming, 146.779,23 euro bedraagt." Anderzijds houdt zij voor dat de weigering van de geïntimeerde om de voorziene subsidie uit te betalen "foutief" is, want gebaseerd op een onwettige sanctie die opgenomen is een omzendbrief die aangetast is door machtsoverschrijding en vordert zij (tevens): "de geïntimeerde te horen veroordelen om aan de appellante een schadevergoeding te betalen van 146.779,23 euro wegens gederfde subsidie, eventueel te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding, en te verhogen met de compensatoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van verschuldigdheid van de samenstellende delen van dit bedrag, en de gerechtelijke interesten vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van de uiteindelijke betaling". 5.c. De eerste rechter, en in deze instantie het hof, kan slechts recht spreken voor zover hij hiertoe "macht" heeft. De grondwetgever heeft de beslechting van de geschillen waarbij subjectieve of materiële rechten betrokken zijn, expliciet aan de hoven en de rechtbanken toevertrouwd, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen (artikel 144 en 145 Gecoörd. G.W.; artikel 556 Ger.W.). Wanneer aldus een gedingpartij van oordeel is dat het geschil geen subjectief recht betreft, werpt zij een betwisting omtrent de rechtsmacht van de geadieerde rechter op. In geval het voorwerp van de eis niet tot het "imperium" van de rechterlijke macht behoort, moet de rechter alsdan bij gebrek aan rechtsmacht de zaak uit handen geven. Aldus worden o.a. geschillen waarbij de wetgever een administratieve rechter heeft aangewezen, aan de rechtsmacht van de rechter onttrokken. Het hof kan zich derhalve als overheidsrechter slechts "bevoegd" verklaren, wanneer de beslechting van het geschil aan de rechterlijke macht waartoe hij behoort, werd toevertrouwd. M.a.w. vooraleer zich uit te spreken over de bevoegdheidsvraag moet het hof nagaan of hij rechtsmacht heeft. 5.d. Voor zover de vordering van de appellante betrekking heeft op haar verzoek dat wordt gezegd voor recht dat zij recht heeft op de subsidie en dat het desbetreffend aan haar toekomende subsidiebedrag (onder voorbehoud van wijziging lopende de aanneming) 146.779,23 euro bedraagt, beschikt het hof hoe dan ook niet over rechtsmacht om hierover te oordelen. In casu is het recht op subsidie, gelet op de verordende bepalingen terzake, niet als een subjectief recht waarop de appellante aanspraak kan maken te beschouwen. Een subjectief recht kan worden omschreven als het recht dat bestaat in hoofde van een rechtssubject wanneer dit van een ander rechtssubject het stellen van een bepaalde handeling of het zich daarvan onthouden, kan eisen op grond van een norm van het objectief recht die laatstgenoemd rechtssubject daartoe rechtstreeks verplicht, en waarbij het rechtssubject dat de uitvoering eist een voldoende eigen belang heeft bij die uitvoering. Overeenkomstig artikel 42§1 van voormeld decreet van 19 april 1995 kan (onderlijning door het hof) een financiële steun worden toegekend door de geïntimeerde en dit "binnen de perken van de beschikbare kredieten voor de verwerving en de sanering van een onroerend goed dat in de inventaris is gemeld, aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gemeenten, vereniging van gemeenten, de door de Vlaams Huisvestingsmaatschappij erkende sociale bouwmaatschappijen, gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen en het Vlaams Woningfonds voor de Grote Gezinnen." Aldus heeft de geïntimeerde inzake de toekenning van subsidie/financiële steun, zoals bedoeld in hoofdstuk V van voormeld decreet van 19 april 1995 een eigen beslissingsbevoegdheid die zij op discretionaire wijze kan uitoefenen indien aan de voorwaarden voor het bekomen van de subsidie is voldaan Het hof treedt desbetreffend de pertinente beoordeling van de eerste rechter bij dat de appellante derhalve op grond van voormelde bepaling van de geïntimeerde "het stellen van een bepaalde handeling" in casu het uitbetalen van een subsidie, niet kan afdwingen of hem daartoe rechtstreeks verplichten en dat er m.a.w. geen (verworven) recht op subsidie bestaat, enkel een mogelijkheid tot subsidie "binnen de perken van de beschikbare kredieten". Zoals de eerste rechter terecht stelde gaat het dus om een discretionaire bevoegdheid van de geïntimeerde met appreciatiebevoegdheid en niet om een (doel)gebonden bevoegdheid die in hoofde van de overheid een verplichting oplegt, voortspruitende uit een norm van het objectief recht. Voor zover de appellante dus aanspraak maakt op het recht waarvan het al dan niet bestaan afhangt van een beslissing waarbij de geïntimeerde gebruik maakt van een discretionair appreciatierecht, kan zij zich niet beroepen op een subjectief recht, en was de eerste rechter zonder rechtsmacht om van de vordering van de appellante desbetreffend kennis te nemen. Het bestreden vonnis is, voor zover het deze beoordeling betreft, bij te treden met dien verstande dat waar de eerste rechter zich onbevoegd verklaarde om (inzonderheid ook over dit onderdeel van de vordering van de appellante te oordelen) hij zich zonder rechtsmacht diende te verklaren. 5.e. Zoals boven gesteld behelst de vordering van de appellante (zoals door haar aangebracht voor de eerste rechter en hernomen in deze instantie) eveneens het bekomen van een schadevergoeding, stellende dat waar de geïntimeerde voor de weigering van de toekenning van de subsidie zich beroept op de voormelde omzendbrief d.d. 21 juni 1989, waarin wordt gesteld: "Op straffe van de ambtshalve schrapping van de subsidie mag de kennisgeving van de goedkeuring van zijn inschrijving aan de betrokken inschrijver niet worden betekend vooraleer de initiatiefnemer in kennis gesteld van de beslissing omtrent het goedgekeurde subsidiebedrag (met aanpassing van de eerste genomen vastlegging)" deze omzendbrief onwettig is en aangetast door machtsoverschrijding, zodat de weigering van de geïntimeerde om de voorziene subsidie uit te betalen foutief is (want gebaseerd op een onwettige sanctie die opgenomen is in een omzendbrief die aangetast is door machtsoverschrijding). De geïntimeerde meent evenwel (hierin gevolgd door de eerste rechter) dat spijts het formuleren van deze vordering het werkelijke en rechtstreekse voorwerp het bekomen van de subsidie is én blijft (zeker nu het gevorderde bedrag van de schadevergoeding identiek
  2. is)zodat ook wat dit (onderdeel van de vordering van de appellante) betreft de eerste rechter zich terecht niet "bevoegd" verklaarde (hetgeen evenwel als het ontbreken van rechtsmacht dient beschouwd te worden - cf. supra) om hiervan kennis te nemen. Door de appellante wordt aldus echter een vordering geformuleerd op grond van de artikelen 1382 en 1383 B.W. strekkende tot vergoeding van de schade die zij beweert te hebben geleden wegens de niet-toekenning van de subsidie door de geïntimeerde. M.a.w. beroept zij zich op een "fout" in hoofde van de geïntimeerde bij de uitoefening van zijn (discretionaire) bevoegdheid om subsidie toe te kennen. Geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel stelt de administratieve overheid in de uitoefening van haar bevoegdheden vrij van de verplichting voortvloeiend uit de artikelen 1382 en 1383 B.W. om de door haar fout aan een ander toegebrachte schade te vergoeden. Hieruit volgt dat de rechterlijke macht bevoegd is (rechtsmacht heeft) om het bestuur te veroordelen tot vergoeding van de schade die een derde lijdt ingevolge zijn onzorgvuldig optreden, zonder daarbij evenwel aan het bestuur zijn beleidsvrijheid te ontnemen en zonder zich in zijn plaats te stellen. Aldus kan het hof kennis nemen van de vordering tot schadevergoeding die werd geformuleerd door de appellante. 5.f. De geïntimeerde handhaaft zijn voor de eerste rechter opgeworpen exceptie van onbevoegdheid ratione loci van de eerste rechter en meent dat onder toepassing van artikel 624 Ger.W. de vordering diende gebracht te worden voor de rechter van zijn woonplaats, zijnde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (derwijze dat het hof desgevallend de zaak zou dienen te verwijzen naar het hof van beroep te Brussel als zijnde territoriaal bevoegd). Deze bevoegdheidsexceptie kan evenwel niet worden onderschreven. De plaats waar de verbintenis voortvloeiend uit een extra-contractuele fout is ontstaan in de zin van artikel 624,2° Ger.W. is immers zowel de plaats waar de fout is begaan als de plaats waar de schade is geleden. De plaats waar de (beweerde) schade is geleden is de woonplaats van de appellante zodat de eerste rechter territoriaal bevoegd was om van de extra-contractuele vordering van de appellante kennis te nemen. 5.g. De appellante faalt evenwel in de op haar rustende bewijslast van een fout in hoofde van de geïntimeerde. Zoals boven reeds aangegeven heeft de appellante nagelaten de wettelijk voorgeschreven procedureregels voor het bekomen van de subsidie te volgen en meer bepaald heeft zij nog vooraleer zij een subsidie-belofte mocht ontvangen de gunningsprocedure ingezet en zelfs een vergunningsbeslissing genomen. Los van het antwoord op de vraag of (zoals voorgehouden door de appellante): - de geïntimeerde, zich o.m. beroepend op de voormelde omzendbrief van 21 juni 1989 (inzonderheid op de bepaling die voorziet: "Op straffe van de ambtshalve schrapping van de subsidie mag de kennisgeving van de goedkeuring van zijn inschrijving aan de betrokken inschrijver niet worden betekend vooraleer de initiatiefnemer in kennis gesteld van de beslissing omtrent het goedgekeurde subsidiebedrag (met aanpassing van de eerste genomen vastlegging)" zich schuldig zou hebben gemaakt aan machtsoverschrijding; - de omzendbrief behept zou zijn met een formele onwettigheid gezien deze door het inbouwen van een sanctie een verordenend karakter heeft; dient echter met de geïntimeerde vastgesteld te worden dat het voornoemde verbod om voorafgaandelijk aan het bekomen van een subsidiebelofte de gunningsprocedure in te zetten reeds vervat ligt in artikel 7 en 8§1 van het voormeld besluit van de Vlaamse regering d.d. 21 juni 1989. Immers bepaalt artikel 7 van dit besluit dat "de ontvangst van de belofte van subsidie de initiatiefnemer het recht geeft de gunningsprocedure in te zetten", terwijl artikel 8§1 voorziet dat "de initiatiefnemer binnen de 365 kalenderdagen vanaf de datum van betekening van de belofte van subsidie de gunningsprocedure dient door te voeren." Hieruit volgt reeds dat de appellante, indien zij aanspraak wenste te maken op subsidie, niet het recht had de gunningsprocedure in te zetten op een moment dat zij nog geen subsidiebelofte had ontvangen, laat staan dat zij reeds tot gunning kon overgaan. Overigens heeft de "gewraakte" bepaling van de voormelde omzendbrief van 21 juni 1989 en inzonderheid de hierin bedoelde "schrapping van de subsidie" duidelijk betrekking op het geval waarbij nà de betekening van de subsidiebelofte, nà het starten van de gunningprocedure en nà het bepalen op basis van de meest regelmatige offerte van het bedrag van de definitieve subsidie, de initiatiefnemer (in casu de appellante) reeds zou zijn overgaan tot gunning vooraleer in kennis te zijn gesteld van het definitieve subsidiebedrag. Te dezen is de appellante evenwel reeds voor elke aanvraag tot subsidiebelofte overgegaan tot gunning van de instandhoudingswerkzaamheden. In die omstandigheden wordt er in hoofde van de geïntimeerde dan ook geen fout, bestaande uit machtsoverschrijding of toepassing van een onwettige bepaling, bewezen. Evenmin kan de appellante gevolgd worden in haar standpunt dat de geïntimeerde niet afdoende zou hebben gemotiveerd. De geïntimeerde is bij de afwijzing van de aanvraag tot subsidie niet willekeurig tewerk gegaan maar heeft zich enkel gehouden aan de wettelijke bepalingen en de door haar vooropgestelde beleidslijnen. De beslissing die zij dienaangaande heeft genomen werd vanuit deze optiek op een afdoende wijze gemotiveerd. In de briefwisseling desbetreffend werd op een duidelijke en afdoende manier (en onder verwijzing naar de geldende bepalingen) kenbaar gemaakt dat geen subsidie kon worden toegekend om reden dat de appellante de gunningsprocedure had laten aanvangen nog vooraleer zij in het bezit was van een subsidiebelofte. De appellante was aldus op de hoogte van de motieven die aan de bestreden beslissing ten grondslag lagen. Besluitend dient gesteld dat geen fout in hoofde van de geïntimeerde wordt bewezen en dat de vordering van de appellante, voor zover gesteund op een fout in de zin van artikel 1382 en 1383 B.W. als ongegrond is af te wijzen. 6.a. In acht genomen hetgeen voorafgaat dient tevens de vordering van de appellante tot het bekomen van een vergoeding voor kosten van juridische bijstand (geformuleerd voor de eerste rechter en hernomen in deze instantie) als ongegrond te worden afgewezen. 6.b. Aangaande de in deze instantie geformuleerde vordering van de geïntimeerde, strekkende tot veroordeling van de appellante tot vergoeding van de kosten van zijn juridische bijstand (voorlopig en provisioneel begroot op 1,00 euro) dient het volgende gesteld te worden. Sinds 1 januari 2008 zijn de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de voormelde wetsartikelen, in werking getreden. Bij artikel 1022, zesde lid Ger. W. wordt voorgeschreven : "Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van de andere partij". De vordering van de geïntimeerde tot terugbetaling van zijn advocatenkosten wordt bijgevolg als ongegrond afgewezen. 7. Spijts het feit dat het hoger beroep van de appellante gegrond is, waar de eerste rechter zich onbevoegd verklaarde, dient zij ingevolge de afwijzing van haar vordering om de bovenvermelde redenen als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017, lid 1 Ger.W. te worden beschouwd. De eerste rechter heeft dus hoe dan ook een terechte beslissing over de kosten genomen. Ook de kosten van de huidige instantie dienen ten laste te worden gelegd van de appellante. Er worden geen redenen aangehaald om van het basistarief zoals voorzien in artikel 2 van de voormeld K.B. van 26 oktober 2007 af te wijken. OM DEZE REDENEN, HET HOF,OM DEZE REDENEN, HET HOFOM DEZE REDENEN, HET HOF gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van de appellante ontvankelijk en in de navolgende mate gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het oordeelde over de kosten in eerste aanleg. Dienaangaande opnieuw wijzende: - wijst de vordering van de appellante, voor zover betrekking op haar verzoek dat wordt gezegd voor recht dat zij recht heeft op de subsidie en dat het desbetreffend aan haar toekomend subsidiebedrag (onder voorbehoud van wijziging lopende de aanneming) 146.779,23 euro bedraagt, af wegens gebrek aan rechtsmacht; - verklaart voor het overige de vordering van de appellante ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond; Verklaart de tegenvordering in deze instantie van de geïntimeerde ontvankelijk doch wijst deze af als ongegrond. Verwijst de appellante in de kosten van huidige instantie, deze kosten aan haar zijde niet nader nuttig te begroten zijnde en aan de zijde van de geïntimeerde begroot op 5.000,00 euro rechtsplegingvergoeding. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op drieëntwintig januari tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.