← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090123.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090123.5 Rolnummer: 2008/AR/0289 Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-03-11 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 19:01 Fiche UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Onafhankelijkheid, onpartijdigheid Vrije woorden: Deskundig verslag - geen schending van de rechten van verdediging - geen partijdigheid in hoofde van deskundige Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9ter Kamer ________ Terechtzitting van 23 januari 2009 ________ 2008/AR/289 - In de zaak van: GEPROMA N.V., met maatschappelijke zetel te 1180 BRUSSEL, Molièrelaan 321, appellante, hebbende als raadsman mr. FISCHER Jenny, advocaat te 1200 BRUSSEL, Mistrallaan 61 tegen : FORÉ N.V., met maatschappelijke zetel te 9900 EEKLO, Ringlaan 11, ingeschreven met KBO-nummer 414.308.180, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. TIELEMANS Philippe, advocaat te 9000 GENT, Coupure Rechts 224 velt het hof het volgend arrest:

  1. Het hof heeft kennis genomen van het vonnis, gewezen op 20 december 2007 door de rechtbank van koophandel te Gent, vijfde kamer. Tegen dit vonnis werd tijdig en geldig hoger beroep en incidenteel beroep ingesteld. De partijen werden, bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
  2. Blijvende betwisting betreft de al dan niet geldigheid van het gerechtsdeskundig onderzoek, in opdracht van de eerste rechter uitgevoerd door interieurarchitect D V. D. H. (....), neergelegd op 10 mei 2004, betreffende de levering en plaatsing door F.. van een parketvloer, gedeeltelijk in eik, gedeeltelijk in teak, voor een bedrag van 10.320,72 EUR (excl. BTW) in opdracht van GEPROMA voor een appartement te Knokke, Victor Lamoralstraat nr.
  3. GEPROMA blijft in hoger beroep aanvoeren dat het betreffende gerechtsdeskundig verslag ongeldig zou zijn omdat de rechten van verdediging in haren hoofde zouden zijn geschonden, wegens de beperking op de installatievergadering van het aantal toegelaten aanwezigen en omdat er tot voorbarige besluitvorming is overgegaan in het voorverslag. GEPROMA blijft tevens aanvoeren dat er sprake zou zijn van partijdigheid in hoofde van de gerechtsdeskundige, waarbij gewag wordt gemaakt van onder meer "animositeit", "bedreiging" en "persoonlijke vete" vanwege de gerechtsdeskundige jegens de zaakvoerder van GEPROMA. GEPROMA kan geenszins dienaangaande gevolgd worden. 2.
  4. De blijkbare intentie van de gerechtsdeskundige om het aantal aanwezigen op de expertise te beperken was louter diens eigen suggestie. Niet meer, niet min. Dergelijke door de gerechtsdeskundige gewenste beperking is nergens voorgeschreven noch afdwingbaar, laat staan oplegbaar aan de partijen. Het stond de partijen derhalve ten volle vrij om passend daartegen te reageren en/of dit gewoon te negeren door met de zelf gewenste personen wél aanwezig te zijn, wat GEPROMA niet heeft gedaan en evenmin op enige wijze heeft voorgesteld te doen. In ieder geval kon dienaangaande onmiddellijk worden beroep gedaan op de passende tussenkomst van de toeziende rechter, wat hier niet is gebeurd, althans niet op dat moment. Essentieel is dat de gerechtsdeskundige zowel de partijen als hun raadslieden persoonlijk en regelmatig heeft uitgenodigd voor de installatievergadering, zoals het hoort. F. was aanwezig d.m.v. haar zaakvoerder en haar advocaat. GEPROMA was aanwezig d.m.v. haar zaakvoerder en ir. BOERJAN, haar technisch raadsman. Dat de advocaat van GEPROMA niet aanwezig was, is louter een eigen beslissing: deze was formeel uitgenodigd en kon hoe dan ook de expertise volgen, niettegenstaande de voormelde door de expert gewenste beperking. Hetzelfde geldt trouwens voor de rechter, die ook een uitnodiging heeft ontvangen en desgewenst evenzeer steeds de expertise kon volgen. Er is geen enkele grond om enige schending van de rechten van verdediging in hoofde van GEPROMA aan te nemen. Immers, er werd van de installatievergadering d.d. 9 december 2003 een nauwkeurig "kort verslag" van 2 bladen opgesteld, uitdrukkelijk niet te beschouwen zijnde als voorlopig deskundig verslag en houdende een voorstel tot verzoening. Dit werd ook aan de advocaat van GEPROMA toegestuurd op 10 december
  5. Deze laatste heeft daarop ten volle kunnen reageren, wat ook onmiddellijk en heel omstandig is gebeurd bij brief d.d. 20 december 2003 (6 bladen). Uit het betreffende "kort verslag" blijkt dat door de gerechtsdeskundige op de kwestieuze installatievergadering enkel feiten werden geacteerd en bevindingen werden gedaan. Er werden daarin geen definitieve standpunten ingenomen noch definitieve besluiten getrokken, ook niet wat betreft de oplevering. Wat dit laatste betreft werd er in punt 5 enkel vastgesteld: "Na onderzoek blijkt dat er geen echt, door beide partijen ondertekend, opleveringsdocument aanwezig is, noch van voorlopige oplevering. Een fax, verstuurd op 6 maart 2003, gedagtekend op 16 februari 2003 en verstuurd door GEPROMA zou daarvoor dienstig zijn (?). Deze fax vermeldt 10 punten, waarvoor opmerkingen zijn. Deze fax wordt vergezeld van een tweede document, welke vermeldt dat de punten 5, 7 en 8 nog dienen opgelost te worden. Andere punten zouden opgelost zijn.". Er werd aldus (nog) niet geoordeeld of er al dan niet een oplevering was, laat staan dat enig standpunt over de juridische draagwijdte daarvan werd ingenomen of moest worden ingenomen (wat op zich trouwens buiten het bestek van een expertise en de louter technische bevoegdheden van de expert valt en louter behoort tot de debatten en beoordeling ten gronde). In de mate dat een datum van oplevering werd gesuggereerd in het betreffende "kort verslag", betrof dit enkel een (dan nog voorlopig) technisch advies van de gerechtsdeskundige, waaromtrent GEPROMA (zowel tijdens de verdere expertise als in het kader van het onderhavige geding) wel degelijk de gelegenheid heeft gekregen alle technische én juridische argumenten te formuleren én wat zij ook terdege en omstandig heeft gedaan. De bewering van de advocaat van GEPROMA dat op de installatievergadering de juridische draagwijdte niet kon worden uitgelegd, is dan ook niet dienend. Overigens wordt niet verwacht dat een zijn cliënt en/of juridisch advies zou verstekken. Voor zover GEPROMA niet zou begrijpen wat "oplevering" betekent, wat in hoofde van een bouwheer van een appartement redelijkerwijze onaannemelijk is, was de installatievergadering hoe dan ook niet de passende plaats noch het passende moment om vanwege diens advocaat daarover toelichting te bekomen. Integendeel, gelet op de reeds maandenlange discussies tussen partijen, moet aangenomen worden dat elke zorgvuldige advocaat reeds lang het nodige consult zal hebben gegeven dienaangaande. Enige schending van de rechten van verdediging in hoofde van GEPROMA is derhalve geenszins aannemelijk noch op enige wijze aangetoond. De in die zin opgeworpen ongeldigheid van de expertise faalt dan ook volkomen. 2.
  6. Ook de bewering dat er tot voorbarige besluitvorming is overgegaan in het voorverslag blijkt uit niets. In de mate dat betreffende bepaalde vastgestelde schade (waterschade, diepe krassen, lijmsporen van plakband, ondeskundig herstellen van eigen schade enz.) door de gerechtsdeskundige onmiddellijk werd overwogen in het voorverslag dat deze kennelijk na afwerking en oplevering moet zijn aangebracht door GEPROMA of door personen die in haar opdracht werken aldaar hebben uitgevoerd, betrof dit ook hier enkel een (dan nog voorlopig) technisch advies van de gerechtsdeskundige, waaromtrent GEPROMA (zowel tijdens de verdere expertise als in het kader van het onderhavige geding) wel degelijk de gelegenheid heeft gekregen alle technische én juridische argumenten te formuleren. Hetzelfde geldt wat betreft de discussie over het uitzicht van bepaalde parketplanken in teak: de gerechtsdeskundige deed geenszins aan voorbarige besluitvorming wanneer hij vanuit zijn algemene vakkennis mededeelde dat het uitzicht en de variaties in de planken bij dergelijke teakvloer gebruikelijk en normaal is. Dergelijke bevinding betrof opnieuw enkel een (dan nog voorlopig) technisch advies van de gerechtsdeskundige, waaromtrent GEPROMA (zowel tijdens de verdere expertise als in het kader van het onderhavige geding) wel degelijk de gelegenheid heeft gekregen alle technische én juridische argumenten te formuleren. Het is evident dat de gerechtsdeskundige onmiddellijk reeds in de preliminaria aangaande de aangevoerde punten een duidelijke schifting maakt: zowel om proceseconomische redenen als uit materiële noodzaak wordt geenszins van de gerechtsdeskundige verwacht dat hij alle mogelijke en onmogelijke zaken zou onderzoeken louter en alleen omdat deze aldus door een partij worden aangevoerd; integendeel, zijn opdracht beperkt zich tot de redelijkerwijze dienende discussiepunten waarvoor de aansprakelijkheidsdiscussie kan gaan. Het betreft geenszins een voorbarig besluit en niets belet uiteraard de partijen één en ander naderhand vooralsnog verder te bevragen en in hun opmerkingen nader aan te brengen. Enige schending van de rechten van verdediging in hoofde van GEPROMA is derhalve ook hier niet aannemelijk noch op enige wijze aangetoond. De opgeworpen ongeldigheid van de expertise faalt dan ook wat dit punt betreft. 2.
  7. De beweringen over partijdigheid in hoofde van de gerechtsdeskundige, van onder meer "animositeit", "bedreiging" en "persoonlijke vete" vanwege de gerechtsdeskundige jegens de zaakvoerder van GEPROMA worden door niets aangetoond noch aannemelijk gemaakt. GEPROMA verwijst voor deze beweringen (onder meer betreffende een zogezegd "incident" tussen haar zaakvoerder en de gerechtsdeskundige aan de raadkamerdeur op 25 maart 2004) naar een eigen brief d.d. 26 maart 2004, wat in deze aangelegenheid uiteraard geen enkele bewijswaarde heeft. Het is niet omdat de gerechtsdeskundige niet is ingegaan op dergelijke (eerder polemische) brief dat hij de inhoud op enige wijze erkend zou hebben, laat staan dat er sprake kan zijn van enig ontstaan bewijs lastens hem: Immers, het betreft hier geen toepassing van art. 25 W.Kh. (aanvaarding door handelaren van facturen). Integendeel, door op dergelijke brief niet in te gaan en elke nodeloze polemiek verder te vermijden, heeft de gerechtsdeskundige een correct, deskundig en objectief gedrag vertoond, wat trouwens blijkt uit gans het verslag. Ook de door GEPROMA in conclusies beweerde "kleine voorbeelden" van zogeheten partijdigheid falen volkomen en tonen geenszins de beweerde partijdigheid vanwege de gerechtsdeskundige aan: - wanneer door de gerechtsdeskundige op p. 4 van het verslag wordt uiteengezet dat reeds bij de installatie aan GEPROMA tevergeefs de vraag werd gesteld waaraan de vastgestelde zware beschadiging, krassen, waterschade e.d.m. te wijten waren, dan is dit geen partijdige of onterechte beschuldiging doch enkel een correcte weergave van diens vaststelling dat volgens hem dienaangaande noodzakelijke informatie werd/wordt verzwegen door GEPROMA, informatie die van belang is zowel voor de besluitvorming van de gerechtsdeskundige als voor de rechterlijke beoordeling en die aldus moet worden vermeld in het verslag; - wanneer de gerechtsdeskundige op p. 3 van het verslag antwoordt op het standpunt van GEPROMA in verband met het niet beantwoorden van het teakparket aan het haar voorgelegde staal, dat hij tal van verschillende bijkomende referenties heeft opgevraagd doch dat die allen in de lijn liggen van de hetgeen door F. werd geplaatst, dan is dit geen partijdigheid of poging tot belachelijk maken van GEPROMA (zoals deze beweert), doch maakt dit integendeel het ernstig en grondig onderzoek uit van een essentieel punt van de problematiek, wat precies de opdracht is van de gerechtsdeskundige. Er dient uit de zorgvuldige lezing van het voorliggende deskundigenverslag te worden vastgesteld dat de gerechtsdeskundige de hem bij vonnis d.d. 9 oktober 2003 verleende opdracht correct, evenwichtig en grondig heeft uitgevoerd, dat hij, na afloop van de verrichtingen, aan de partijen omstandig, duidelijk en op begrijpelijke wijze kennis heeft gegeven van zijn bevindingen. De partijen hebben ten volle de kans gekregen om hun opmerkingen hierover te formuleren en GEPROMA heeft deze kans terdege aangegrepen. In het op 10 mei 2004 neergelegde eindverslag heeft de gerechtsdeskundige deze opmerkingen (andermaal volkomen conform de opdracht) systematisch en zorgvuldig opgetekend en beantwoord, waarna partijen de gelegenheid hadden de zaak verder in staat te stellen in het onderhavige geding en er hun argumentatie te ontwikkelen. Daarbij weze andermaal opgemerkt dat de gerechtsdeskundige uitsluitend belast is met het verlenen van een technisch advies en geenszins met een juridisch advies of een advies omtrent de wijze waarop de partijen al dan niet hun contractuele verplichtingen waren nagekomen. In de gegeven omstandigheden is er dan ook geen reden om het deskundig verslag (op enige wijze) nietig te verklaren of uit de debatten te weren. Er zijn integendeel geen redenen om te twijfelen aan de objectiviteit en deskundigheid van de gerechtsdeskundige, die zijn opdracht correct, zorgvuldig gemotiveerd en verantwoord heeft uitgevoerd en op wiens verslag ten volle kan worden gesteund bij de beoordeling in rechte.
  8. GEPROMA blijft tevens betwisten dat de werken zouden zijn opgeleverd en meent dat de gerechtsdeskundige onterecht zou zijn uitgegaan van dergelijke oplevering. Ook op dit punt kan GEPROMA niet worden gevolgd. Vooreerst weze opgemerkt dat betreffende het kwestieuze leveren en plaatsen van een parketvloer, deels in eik, deels in teak in principe niet de regelen inzake koop/verkoop gelden doch wel deze betreffende aanneming. Voor alle duidelijkheid dient eraan herinnerd te worden dat volgens de hier geldende regelen betreffende de aanneming de (voorlopige) oplevering behoort tot de verplichtingen van de aannemer en in principe niet aan een bepaalde vorm is gebonden: de aannemer moet het werk aan de goedkeuring van de bouwheer onderwerpen wanneer het voltooid is en het ter vrije beschikking van de bouwheer stellen. De (voorlopige) oplevering heeft tot doel de voltooiing van het werk vast te stellen, wat op zichzelf geen aanvaarding insluit. Zij betekent dat de besteller het werk ter beschikking heeft gekregen; hij draagt dan ook van af dan het risico. De gebeurlijke schadevergoeding of boete wegens vertraging loopt niet meer. Zij is het aanvangspunt van de onderhoudstermijn en dekt in principe de zichtbare (lichte) gebreken waarover geen opmerkingen worden gemaakt en voor zover ze niet erger worden tijdens de onderhoudstermijn. Zij heeft (enkel) tot doel na te gaan of het bestek werd gevolgd en of de plannen in acht werden genomen. De vraag of het uitgevoerde werk al dan niet opleverbaar is, moet objectief worden beoordeeld en hangt niet van de willekeur van de partijen af. In geval van betwisting, zal een deskundige daarover advies geven. Is het werk volgens het bestek en de plannen uitgevoerd en naar de regels van goed vakmanschap, dan mag de aanbesteder zijn goedkeuring niet weigeren. Het formuleren van kleine tekortkomingen of gebreken, waartoe de oplevering precies dient, of het formuleren van enig voorbehoud staat daarentegen de oplevering op zich niet in de weg. Deze moeten tijdens de onderhoudstermijn worden hersteld, afgewerkt of verder nagezien. Volgens de voorliggende stukken werd door de zaakvoerder van GEPROMA bij brief d.d. 16 februari 2003 een opsomming gedaan van 10 opmerkingen op de uitgevoerde werken, na een bijeenkomst met de zaakvoerder van F. daags voordien, op 15 februari 2003 en daarnaar uitdrukkelijk verwijzende (dossier/GEPROMA, stuk 2). Met een faxbericht van 6 maart 2003 (dossier/F., stuk 8) werden de resterende opmerkingen geformuleerd door de zaakvoerder van GEPROMA die, blijkens de op het stuk aangebrachte notities, werden nagezien door de beide partijen op de bijeenkomst de volgende dag, zijnde 7 maart 2003 (zij werden ofwel als voor akkoord afgekruist ofwel beantwoord, zoals blijkt uit de brief/GEPROMA d.d. 18 maart 2003 (dossier/GEPROMA, stuk 13). Het geheel van deze aansluitende en overeenstemmende gegevens doet besluiten dat er, in tegenstelling tot hetgeen GEPROMA voorhoudt, wel degelijk een oplevering is gebeurd. Zoals gezegd, is het niet omdat er opmerkingen en/of voorbehoud werd gemaakt dat er geen oplevering is. De oplevering zelf kan overigens niet geweigerd worden (zoals GEPROMA blijkbaar meent te kunnen voorhouden) nu blijkens het voorliggende gerechtsdeskundig verslag blijkt dat onmiddellijk werd vastgesteld dat de kwestieuze parketvloeren normaal zijn, van goede kwaliteit en uitzicht en uitgevoerd volgens de regels van de kunst (zie reeds het eerste "kort verslag" van de gerechtsdeskundige d.d. 10 december 2003, punt 6). Alles is blijkbaar conform de offerte, bestelbon, tekeningen en orderbevestigingen en er is enkel sprake van enkele kleinere gebreken en/of minderwaarden (deskundig verslag, p. 2- 4). Er is trouwens geen sprake van enig "verkeerd lopen van de afwerking", zoals volkomen onterecht voorgehouden door GEPROMA. De gerechtsdeskundige besluit dat dit niet het geval is. Hij wijst er op dat het aangeklaagde "verdwijnen" van de kleur en de aanwezigheid van grote krassen latere beschadigingen betreffen en dat er daarvan ook geen spoor is te vinden in de n.a.v. de oplevering opgestelde documenten (deskundig verslag p. 3). De gerechtsdeskundige is redelijkerwijze tot dit besluit gekomen op grond van zijn tegensprekelijke vaststellingen en onderzoek. Er is geen enkele reden om aan de juistheid en deskundigheid van dit besluit te twijfelen. De eerste rechter kan dan ook worden gevolgd waar wordt overwogen dat de gerechtsdeskundige terecht is uitgegaan van een oplevering van de werken en dat deze kan worden bijgetreden in zijn technisch advies dat het werk opleverbaar was en werd opgeleverd. Het vonnis a quo is in die zin op dit punt te bevestigen.
  9. GEPROMA blijft tevergeefs de reeds aan de gerechtsdeskundige opgeworpen gebreken en gedane opmerkingen herhalen (zie brief van haar raadsman d.d. 29 april 2004 aan de gerechtsdeskundige, bijlage 10 eindverslag). De gerechtsdeskundige heeft deze opmerkingen systematisch en zorgvuldig opgetekend, onderzocht en beredeneerd en gemotiveerd beantwoord. Er is geen enkele reden om aan de juistheid en deskundigheid daarvan te twijfelen en het hof sluit zich daar ten volle bij aan. 4.
  10. GEPROMA voert aan dat de gerechtsdeskundige de conformiteit van de geleverde eik niet zou hebben getoetst aan het bestelde en dat het besluit van de gerechtsdeskundige dat de afwerking conform de offerte, bestelbon, tekeningen en orderbevestigingen is geschied onjuist zou zijn nu deze documenten geen betrekking zouden hebben op de afwerking met olie. Deze opmerkingen falen in feite nu enerzijds de orderbevestiging d.d. 30 oktober 2002 (dossier/F., stuk 4) de kwestieuze eik expliciet omschrijft en anderzijds de behandeling met olie evenzeer uitdrukkelijk wordt voorzien zowel in de offerte d.d. 20 oktober 2002 als de orderbevestiging d.d. 30 oktober 2002 (dossier/F., stukken 3-4). 4.
  11. GEPROMA voert andermaal aan dat het teakparket niet zou beantwoorden aan het haar destijds voorgelegde staal. Ook deze opmerking faalt in feite nu een marktonderzoek vanwege de gerechtsdeskundige heeft aangetoond dat alle geziene stalen in de lijn liggen van wat F. heeft geplaatst. Er worden evident geen andere stalen gemaakt voor F.. Het prijsaspect is daarbij niet dienend, nu deze aanneembaar en variabel is naargelang de te plaatsen oppervlaktes. Het betreft hier een bijzonder kleine bestelling. 4.
  12. Volgens GEPROMA zouden de lijmsporen van kleefband, de diepe krassen, de verkleuringen/vlekvorming alsook de herstelling met amateuristische producten te wijten zijn aan de slechte uitvoering van de werken door F.. De gerechtsdeskundige heeft na vaststelling en onderzoek dienaangaande formeel bevestigd in zijn antwoord dat het geen slechte uitvoering door F. betreft doch wel nadien veroorzaakte beschadigingen. Er is uitdrukkelijk sprake van waterschade, wellicht te wijten aan een nalatigheid van de sanitaire installateur. Ook de vlekken op het teakparket van de badkamer zijn volgens de gerechtsdeskundige veroorzaakt door gebrek aan onderhoud of preventief onderhoud of door waterschade (voortdurende blootstelling aan water in de badkamer) (zie deskundig verslag, p. 4-5). GEPROMA weerlegt dit niet door erop te wijzen dat de vlekvorming in de badkamer reeds werd aangeklaagd in haar brief d.d. 16 februari 2003: zij had de kwestieuze parketvloeren toen reeds ter beschikking, zodat de kwestieuze, na de uitvoering/afwerking veroorzaakte, beschadiging geenszins uitgesloten voorkomt. Overigens is het ten zeerste onaannemelijk dat dergelijke opzichtelijke beschadigingen (die niet werden opgemerkt bij de oplevering) door F. zelf zouden zijn veroorzaakt bij de uitvoering: Immers, als vakman gaat hij toch geenszins zijn eigen werk zwaar krassen, met tape afplakken of waterschade aanrichten, laat staan herstellingen uitvoeren met amateuristische producten. Uit de voorliggende correspondentie blijkt trouwens dat de sanitaire inrichting pas na het leggen van de parketten is gebeurd. F. heeft daar op gewezen bij brief d.d. 18 maart 2003 (dossier/F., stuk 13), wat niet wordt ontkend of betwist. De gerechtsdeskundige wees er reeds uitdrukkelijk op dat van bij de installatievergadering om nadere uitleg werd gevraagd betreffende de meest opvallende doch zelfs niet vermelde gebreken (lijmresten, diepe krassen, vlekvormingen), doch wat - veel betekenend - nooit werd beantwoord door GEPROMA. 4.
  13. GEPROMA werpt vervolgens nogmaals mankementen op betreffende de plinten alsook dat er t.h.v. het hangtoilet geen uitsnijdingen zijn en waardoor F. haar informatieplicht t.a.v. GEPROMA zou hebben miskend. Ook dit faalt volkomen. Immers, de gerechtsdeskundige wees er reeds terecht op: - dat de gesignaleerde mankementen aan de plinten geen invloed hebben op het voorgaande, doch van louter esthetische aard zijn; - dat het uitsnijden van plinten, ter hoogte van hangtoiletten, niet ten laste is van F., dat dit nergens beschreven is en er geen zichten aanwezig zijn waarop dit vermeld staat, noch sjablonen hiervoor aan F. ter beschikking werden gesteld; bij ontstentenis daaraan valt dit ten laste en onder de verantwoordelijkheid van de sanitaire installateur. Deze logische, gemotiveerde en duidelijke antwoorden van de gerechtsdeskundige komen volkomen correct voor en zijn te bevestigen. Wat betreft zowel het eiken parket als het teakparket heeft de gerechtsdeskundige gesteld dat de kwaliteit en uitvoering conform de offerte, bestelbon, tekeningen en orderbevestigingen zijn gebeurd. 4.
  14. Andermaal maakt GEPROMA gewag van opgelopen vertragingen. Dit wordt niet ernstig aangetoond en het werd trouwens niet gemeld in de voormelde stukken omtrent de oplevering (o.m. de brief van 16 februari 2003). Zoals reeds terecht opgemerkt door de gerechtsdeskundige kan vertraging van ingebruikname na de oplevering hier niet weerhouden worden.
  15. Er wordt geen fout of nalatigheid in hoofde van F. aangetoond: er dient op basis van de voormelde gegevens vastgesteld te worden dat F.gebrekloze, als normaal te beschouwen, parketvloeren heeft geleverd, op enkele details na, zoals bedongen in de overeenkomst en zonder dat de gerechtsdeskundige opmerkingen kon maken op kwaliteit en afwerking (behoudens een paar te verbeteren plinten). De pogingen vanwege GEPROMA om de voormelde bevindingen van de gerechtsdeskundige in twijfel te trekken, falen ten zeerste, evenzeer waar zij dit poogt d.m.v. een door haar voorgebracht rapport d.d. 2 juni 2003 van ir. W. B.. Dit laatste betreft een volkomen eenzijdig verslag, opgesteld door haar eigen technisch raadsman en kan geenszins aangenomen worden als bewijs van enige fout of tekortkoming in hoofde van F. voorafgaand de oplevering en tegen het op tegenspraak tot stand gekomen gerechtsdeskundig verslag in. Hetzelfde dient overwogen te worden m.b.t. de evenzeer eenzijdige verklaring van de zgn. parketspecialist Z., die door GEPROMA wordt voorgebracht. Een beweerd rapport/TKINT, waarover GEPROMA eveneens in besluiten gewag maakt, is zelfs niet terug te vinden in haar stukkendossier. GEPROMA faalt in de op haar rustende bewijslast betreffende de in hoofde van F. aangevoerde gebreken in het parket en tekortkomingen: zodoende heeft zij geen grond tot niet betaling van de aannemingsprijs voor conforme levering en uitvoering van werken.
  16. M.b.t. de door GEPROMA bij tegeneis gevorderde schadevergoeding: GEPROMA herhaalt haar bewering dat zij schade zou hebben geleden "naar aanleiding van deze zaak". Zij blijft echter, zoals hoger reeds overwogen, in gebreke om het bewijs te leveren van enige contractuele wanprestatie of tekortkoming vanwege F.. Ook de beweerde schade t.b.v. 10.412,12 EUR wordt op generlei wijze aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen en gestaafd: Zoals reeds overwogen kan GEPROMA zich dienaangaande geenszins beroepen op de als stuk 18 voorgebrachte nota en vaststellingen d.d. 2 juni 2003 van (haar eigen technische raadsman) ir. W. B.: zoals gezegd betreft dit een louter eenzijdig en niet tegensprekelijk opgesteld document, dat integraal wordt tegengesproken door het in opdracht van de eerste rechter uitgevoerde gerechtsdeskundig onderzoek vanwege D. V.DER H. (waaraan ir. B. als technisch raadsman van partij GEPROMA ten volle heeft deelgenomen). GEPROMA blijft steeds in gebreke om ook maar enig element aan te voeren tot staving van haar vordering wegens 4 maanden genotsderving van het appartement (door haar zonder meer "forfaitair" geraamd op 750,00 EUR per maand). Evenmin wordt door GEPROMA op enige wijze aannemelijk gemaakt of aangetoond dat zij recht zou hebben op een "schadevergoeding wegens bijkomende administratie- en personeelskosten, kosten wegens vertraging van de werf", door haar zonder meer begroot op 706,62 EUR, enkel met de uitleg dat dit hetzelfde bedrag zou zijn als wat door F. wordt gevorderd (doch wat evident geen grond uitmaakt ter staving van dit gevorderde onderdeel). GEPROMA mist geloofwaardigheid waar zij als grondslag voor haar - niet bewezen - tegenvordering van 10.421,12 EUR de "garantieverplichting" van F. inroept voor gebreken van de verkochte zaak (gebreken die er volgens de gerechtsdeskundige allerminst zijn), terwijl zij totaal in gebreke blijft om enig door FORE veroorzaakt gebrek in de zaak aan te tonen. De tegenvordering van GEPROMA dient bijgevolg te worden afgewezen in al haar onderdelen en het vonnis a quo is in die zin te bevestigen.
  17. M.b.t. de door F. gevorderde bedragen, interest en schadevergoeding: 7.
  18. F.kan in de gegeven omstandigheden voor de door haar uitgevoerde werken aanspraak maken op de betaling van de overeengekomen aannemingsprijs, zijnde de som van 10.320,72 EUR (zie orderbevestiging d.d. 30 oktober 2002). Deze som dient verminderd te worden met het reeds door GEPROMA betaalde voorschot t.b.v. 3.259,50 EUR (niet betwist) alsook met de uit het gerechtsdeskundig onderzoek blijkende en in aanmerking te nemen minderwaarde van 95,00 EUR betreffende de (losgekomen) plint in de living. Aangezien F. niet aantoont dat de plint werd aangepast dient een minderwaarde t.b.v. de voormelde som in rekening te worden gebracht: de door de gerechtsdeskundige dienaangaande geraamde som komt verantwoord en passend voor. De gerechtsdeskundige meldt als oorzaak onder meer de slechte of onvoldoende bevestiging bij het plaatsen, wat evident onder de verantwoordelijkheid valt van F.. De door F. bij wijze van incidenteel beroep geopperde mogelijkheid dat het loskomen te wijten zou kunnen zijn aan de activiteiten van GEPROMA of derden, die na de aanleg van het parket nog tal van andere werken (sanitaire werken, betegeling) hebben uitgevoerd, wordt door niets concreet aangetoond noch aannemelijk gemaakt; integendeel betreft het een losgekomen plint in de living. Het oordeel van de eerste rechter dat de vordering in hoofdsom gegrond voorkomt t.b.v. 6.966,22 EUR is aldus en in die zin te bevestigen. 7.
  19. Bij wijze van incidenteel beroep meent F. dat de door GEPROMA op 22 januari 2003 betaalde voorschotfactuur d.d. 31 december 2002 t.b.v. 3.075,00 (dossier/GEPROMA, stukken 1bis en 1ter; dossier/F., stuk 6) bij ontstentenis van protest in haren hoofde aanvaarding zou inhouden van de algemene verkoopsvoorwaarden, meer bepaald wat betreft de conventionele verwijlinterest (vrijwillig herleid tot 10 % per jaar) en de contractuele schadevergoeding (vrijwillig herleid tot een forfaitaire vermeerdering van de hoofdsom met 10 %). F.E kan niet gevolgd worden in dit standpunt. Het betreft hier in principe geen verkoop doch een aanneming, waarvan de tussen de partijen gesloten en geldende overeenkomst blijkt uit de samenlezing van het voorgebrachte voorstel d.d. 12 oktober 2002, de offerte van 30 oktober 2002 en de orderbevestiging d.d. 30 oktober
  20. Noch in deze stukken, noch in de voorgebrachte kopies van de facturen, wordt op enige wijze gewag gemaakt van geldende algemene voorwaarden betreffende de bedoelde conventionele interest en contractuele schadevergoeding. Er wordt in de voorgebrachte stukken blijkbaar ook niet verwezen naar dergelijke voorwaarden/bedingen. F. kan in de gegeven omstandigheden zich zelfs niet beroepen op enige kennis en/of aanvaarding van dergelijke voorwaarden vanwege GEPROMA. Het oordeel van de eerste rechter dat F. zich niet kan beroepen op haar factuurvoorwaarden als grondslag van haar vordering, is aldus en in die zin te bevestigen.
  21. M.b.t. de gedingkosten: 8.
  22. Gelet op de inwerkingtreding van de op heden dienaangaande geldelijke wettelijke regeling op 1 januari 2008, blijven de in het vonnis d.d. 20 december 2007, bepaalde en op zich niet betwiste gedingkosten in eerste aanleg gelden. 8.
  23. Gelet op het ongelijk vanwege GEPROMA m.b.t. het door haar ingestelde hoger beroep en het ongelijk vanwege F.m.b.t. het door haar ingestelde incidenteel beroep (beperkt zijnde tot enkel een geringe minderwaarde, de interesten en het schadebeding), komt het passend voor GEPROMA verhoudingsgewijs naast de eigen kosten te verwijzen in negen/tienden van de beroepskosten in hoofde van F., zijnde de (op zich niet betwiste) rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.100,00 EUR.
  24. Alle anders luidende conclusies worden verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk; Wijst het hoger beroep af als ongegrond; Wijst het incidenteel beroep af als ongegrond; Bevestigt aldus het vonnis d.d. 20 december 2007; Verwijst GEPROMA in de eigen kosten van het hoger beroep alsook in negen/tienden van de kosten van het hoger beroep in hoofde van F., op heden nuttig te bepalen op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.100,00 EUR; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, NEGENDE ter KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 23 januari
  25. Aanwezig: L. Thabert, Raadsheer wn. Voorzitter Kurt Goossens, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.