← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090126.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090126.11 Rolnummer: 2008/AR/1240 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-04-17 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 19:02 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Voorrechten - Algemene voorrechten op roerende goederen - Auteursrecht Vrije woorden: Brilmonturen vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 30/06/1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, zoals achteraf gewijzigd - ten deze werd de vordering verworpen in zoverre ze gegrond is op artikel 97 van de Auteurswet, bij gebrek aan een eigen persoonlijk karakter dat de stempel draagt van de persoonlijkheid van de maker. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 26-01 2009 Nr. 2008/AR/1240 ------------------------ AUTEURSRECHT in de zaak van : ØRGREEN OPTICS A/S, vennootschap naar Deens recht met maatschappelijke zetel te Hauser Plads 30A 2, DK 1127 Kopenhagen K, Denemarken, appellante, hebbende als raadsman mr. Bruno Vandermeulen, advocaat met kantoor te 1040 Brussel, Oudergemselaan 22-28, alwaar woonstkeuze gedaan wordt voor de kennisgeving van de beroepsakte, tegen N.V. X-OPTIX, met maatschappelijke zetel te 9300 Aalst, Valerius De Saedeleerstraat 97 D en met ondernemingsnummer 0861.252.607, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Geert Suy, advocaat met kantoor te 9300 Aalst, Albrechtlaan 18, velt het Hof volgend arrest : I . Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep

  1. Bestreden beslissing: de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent, die zitting nam zoals in kort geding (08/476/A) van 11 april
  2. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 13 mei
  3. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
  4. De overblijvende betwisting betreft de vragen of 1) Ørgreen Optics S/A (hierna "Ørgreen") over een auteursrecht op drie brilmonturen beschikt; 2) Zo ja, of de N.V. X-Optix Belgium (hierna "X-Optix") dit auteursrecht geschonden heeft; 3) Zo ja, welk rechtsherstel in het kader van de vordering tot staken passend is.
  5. Ørgreen brengt een aantal brilmonturen bij, afkomstig van haar en van X-Optix. De monturen zijn zeer gelijkend, tot zelfs bijna identiek, wat de uiterlijke vormgeving betreft. Ze verschillen in kleur en vooral in materiaal. De monturen van Ørgreen zijn gemaakt van het veel lichtere titanium terwijl X-Optix vooral een zwaarder metaal gebruikt.
  6. De eerste rechter oordeelde dat de brilmonturen van Ørgreen geen werk van toegepaste kunst zijn en geen eigen persoonlijk karakter hebben. Hij wees de vordering tot staken af. III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
  7. Ørgreen werpt op dat de bestreden beschikking feitelijk en juridisch onjuist is. Het is niet bewezen dat haar brilmonturen niet origineel zijn en deel uitmaken van "gangbare trends" en om die reden niet in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming. Ørgreen herneemt grotendeels haar vordering van in eerste aanleg.
  8. X-Optix vordert de bestreden beslissing te bevestigen. IV. Beoordeling Op de volgende gronden bevestigt het Hof de bestreden beschikking. Geen merk of modeldepot
  9. Ørgreen beschikt over merk, noch model voor de brilmonturen die in het geding zijn. Zij beroept zich daar ook niet op. Om die redenen gaat het Hof niet in op het verweer met betrekking tot het merkenrecht en het tekeningen- en modellenrecht van X-Optix. De vordering tot staken is actueel
  10. X-Optix is van oordeel dat de vordering tot staken geen voorwerp meer heeft. Zij wijst erop dat zij de brilmonturen niet meer verkoopt en niet meer opgenomen heeft in haar catalogus. Uit de stukken van Ørgreen blijkt dat de bewering van X-Optix feitelijk niet correct is. Op de website waren de betwiste monturen nog steeds zichtbaar en verkrijgbaar. Bovendien is het gevaar voor herhaling niet op een objectieve, zekere en definitieve manier uitgesloten. De monturen kunnen nog opnieuw gemaakt en in handel gebracht worden. Het verweer van X-Optix wordt op dit punt verworpen. De auteurswet is van toepassing op voorwerpen
  11. Ten onrechte argumenteert X-Optix dat brilmonturen niet onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, zoals achteraf gewijzigd (hierna "de Auteurswet"). Op grond van het eerste lid van artikel 2 van de Wet houdende instemming met volgende internationale Akten:
  12. Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober
  13. Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971 (B.S., 10 november 1999) (hierna "Instemmingswet Berner Conventie") mogen de Belgische auteurs, tot eigen voordeel, in België de toepassing eisen van de bepalingen van de Berner Conventie in al de gevallen waar deze bepalingen gunstiger zijn dan de Belgische wet. Het begrip "een werk van letterkunde of kunst" uit de Auteurswet moet ruim worden geïnterpreteerd, in toepassing van artikel 2 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971 (hierna "Berner Conventie"). Dit artikel 2 bepaalt in de eerste paragraaf het volgende: "De term "werken van letterkunde en kunst" omvat alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes; muzikale composities met of zonder woorden; cinematografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithografeerkunst; fotografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van toegepaste kunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topografie, de bouwkunde of de wetenschappen." (onderstreping door het Hof toegevoegd). Een brilmontuur kan beschouwd worden als een werk van toegepaste kunst in de zin van artikel 2, lid 1 van de Berner Conventie. Voorwaarde voor auteursrechtelijke bescherming: het oorspronkelijk karakter van het werk Herhaling van de algemene principes
  14. Op grond van artikel 7 van het Decret d'Allarde van 2/17 maart 1791 geldt de vrijheid van beroep en bedrijf. Dit impliceert de vrijheid van mededinging. De vrijheid van de mededinging vindt een concrete toepassing in de vrijheid van kopie (cfr. ook GOTZEN, F., "De eerlijke gebruiken en de rechten van intellectuele eigendom", in STUYCK, J. en WYTINCK, P., De nieuwe wet handelspraktijken, Kluwer, 261-263). Intellectuele eigendomsrechten vormen een uitzondering op de vrijheid van handel en meer bepaald op de vrijheid van kopie. Intellectuele eigendomsrechten in het algemeen en het auteursrecht in het bijzonder kennen een monopolie toe en dat voorrecht moet niet toegekend worden aan elke prestatie of elk werk enkel en alleen omdat het de vrucht is van intellectuele inspanningen. Dit blijkt duidelijk uit artikel 1 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten dat alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren (cfr. ook BERENBOOM, A., Le nouveau droit d'auteur et les droits voisins, Larcier, 1997, 2de ed., nr.28, p. 50). Anderzijds kan een inbreuk op het auteursrecht, en het onterecht maken van een kopie in het algemeen, aanleiding geven tot concurrentievervalsing. Het auteursrecht beoogt "free riding", dit wil zeggen het ongeoorloofd gebruik maken van de inspanningen tot ontwikkeling en innovatie van een ander, te voorkomen en te beteugelen. De uitzondering op de vrijheid van handel is derhalve aan welbepaalde voorwaarden gebonden, die niet steeds door de wet zelf ingevuld zijn, maar door rechtspraak en rechtsleer op basis van internationale verdragen en de dagelijkse praktijk bepaald zijn. Zo moet, om auteursrechtelijke bescherming te genieten, een werk uitgedrukt zijn in een bepaalde vorm, die mededeelbaar is aan het publiek (ideeën zijn niet beschermd, maar behoren tot het publiek domein). Bovendien moet het werk origineel zijn.
  15. Om auteursrechtelijke bescherming te verkrijgen is het een noodzakelijke maar voldoende voorwaarde dat een voortbrengsel de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker. Die intellectuele inspanning is de onontbeerlijke voorwaarde om aan het werk het nodige individuele karakter te geven waardoor een creatie ontstaat (Cass., 27 april 1989, Pas., 1989, I, 908; Cass., 2 maart 1993, Pas., I, 234; Cass., 24 februari 1995, R.W., 1995-'96, 433 en I.R. D.I., 1996, 28; Cass., 10 december 1998, R.W. 1999-2000, 325; Cass., 11 maart 2005, www.cass.be). Een origineel werk is een vorm, een voortbrengsel met een eigen persoonlijk karakter, dat de stempel draagt van de persoonlijkheid van de maker, op het gebied van de toegepaste kunst (Benelux Gerechtshof, inzake Screenoprints, 22 mei 1987, R.W., 1987-'88, 14), zonder dat uit het zicht van het werk moet kunnen afgeleid worden wie de auteur is. Drukt het werk de activiteit uit van zijn auteur? Heeft het werk een individueel karakter? Een zekere mentale activiteit is vereist, zoniet komt de persoonlijkheid van de auteur niet tot uiting in het werk. Elementen die op zich niet origineel zijn kunnen door de wijze waarop ze samen gebracht zijn een origineel geheel opleveren. De artistieke noch de esthetische waarde zijn relevant om te bepalen of een werk al dan niet auteursrechtelijk beschermd is (Cass., 27 april 1989, Pas., 1989, I, 908; STROWEL, A., "L' originalité en droit d'auteur: un critère à géométrie variable", J.T., 1991, 513 (inz. 514-515)). Handigheid, technische vaardigheid of omvangrijk werk (zonder de persoonlijke inbreng van de maker) zijn onvoldoende opdat een werk auteursrechtelijk beschermd zou zijn. Nieuwheid is in beginsel geen criterium om een werk auteursrechtelijk te beschermen (DE VISSCHER, F. en MICHAUX, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, 2000, Brussel, Bruylant, nrs. 23 en 31, met verwijzing; STROWEL, A., "L' originalité en droit d'auteur: un critère à géométrie variable", J.T., 1991, 513-514), net zo min als omvangrijk opzoekingswerk of een grote inspanning om het werk te maken (ibidem). Wat nieuw is, is niet automatisch origineel. Wat origineel is, kan nieuw zijn en zal vaak een aspect van nieuwheid impliceren. De twee begrippen vallen evenwel niet samen. De maker van een later werk mag nog steeds bewijzen dat zijn werk onafhankelijk van het eerste werk tot stand gekomen is. Een origineel werk is niet vanzelfsprekend. Het is ook niet banaal. De originaliteit van een brilmontuur is in een veeleer beperkt aantal kenmerken gelegen, gelet op de functionaliteit en de bestemming van een bril.
  16. De bewijslast van Ørgreen beperkt zich tot het aanduiden waarin de originaliteit van de creatie ligt. Zij dient aan te tonen dat de brilmonturen niet geheel bepaald zijn door de aard en dat de vormgeving het resultaat is van de eigen keuzes van de ontwerper (DE VISSCHER, F. en MICHAUX, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, 2000, Brussel, Bruylant, nrs. 24, met referenties). Toepassing
  17. Principieel kan een brilmontuur voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Door de aard van een bril, meer bepaald doordat een bril lenzen voor de ogen op hun plaats moet houden, is een persoonlijke inbreng van de maker van een brilmontuur wel mogelijk, maar veelal beperkt. Enkel in geval de vormgeving gekenmerkt wordt door hoogst persoonlijke keuzes binnen de beperkingen door de vereisten van een bril, waardoor de persoonlijkheid van de auteur tot uiting komt, is de voorwaarde van oorspronkelijkheid vervuld en kan auteursrechtelijke bescherming verleend worden.
  18. De schetsen die Ørgreen onder de stukken 2 neerlegt, kunnen getuigen van een zekere inspanning van één of meerdere werknemers bij Ørgreen, maar het resultaat, zoals het blijkt uit de neergelegde drie types monturen, toont niet aan dat er welbepaalde vormen (waaronder ook de kleuren en materialen) gekozen zijn, die het vereiste individuele karakter aan de brilmonturen geven waardoor een creatie zou ontstaan. Een eigen persoonlijk karakter, dat de stempel draagt van de persoonlijkheid van de maker, is onvoldoende aanwezig in de voorgelegde brilmonturen om auteursrechtelijke bescherming te kunnen verkrijgen. De geleverde inspanning is onvoldoende om een intellectuele inspanning te zijn, waardoor de brilmonturen het nodige individuele karakter krijgen. Ørgreen benadrukt vooral (maar beperkt zich niet uitsluitend tot) het oorspronkelijk karakter van de benen van de drie neergelegde types van brilmonturen (zie o.a. p. 21 van haar syntheseconclusie). Zij beoogt evenwel de auteursrechtelijke bescherming van het geheel van de brilmonturen, zodat in deze zaak het globale beeld van de monturen in overweging genomen moet worden om de eventuele originaliteit te bepalen. Het globale beeld van elk van de drie types brilmontuur beantwoordt niet aan de hiervoor gegeven vereisten. Ørgreen toont niet naar genoegen van recht de eigen keuzes aan. De verklaringen van "gerenommeerde en ervaren ontwerpers uit de sector" (p. 21 van de syntheseconclusie van Ørgreen, met verwijzing naar stuk 3g) zijn niet voldoende om een brilmontuur het oorspronkelijk karakter te verlenen dat vereist is om de bescherming van de Auteurswet te verkrijgen. Met alle respect voor de ontwerpers van T. en B., hun onafhankelijkheid is niet gegarandeerd en de verklaringen zijn eenzijdig. De neergelegde drie brilmonturen tonen aan dat Ørgreen aan het werk gegaan is met de mogelijkheden die nieuwe materialen ook voor brillen met zich meebrengen. Dit is evenwel in deze zaak niet voldoende om tot het oorspronkelijk karakter in de zin van het auteursrecht van elk van de drie types monturen als concrete, onderscheiden en gedetailleerde uitdrukkingen te besluiten. In deze zaak is tenslotte niet aangetoond dat de vormgeving van de brilmonturen de trends overstijgen en een duidelijkere individuele intellectuele stempel dragen dan de trends die op het ogenblik van de creatie in het modebeeld als geheel aanwezig waren. De bewijslast hiervoor berust bij Ørgreen. Ook kledij, handtassen en schoenen worden voortdurend vernieuwd, maar zijn aan mode en trends onderhevig, zonder dat zij daarom zonder meer beschermd worden door het auteursrecht. Ook in 2004 was een brilmontuur voor een bepaald publiek een element van de uitdrukking van hun levensstijl en persoonlijkheid en werd de bril beschouwd als een middel om op een creatieve manier persoonlijkheid tot uiting te brengen. Een brilmontuur kadert voor een bepaald publiek dus in het grotere geheel van de kledij, dat onderhevig is aan bepaalde trends en modegebonden is. In deze zaak is niet aangetoond dat elk van de drie monturen afzonderlijk dit algemeen modebeeld, waarvan de brilmontuur een onderdeel uitmaakt, overstijgt. Het feit dat X-Optics geen voorbeelden bijbrengt, die dateren van voor eind 2004, met gelijkende of gelijkaardige elementen, en dus geen anterioriteit bewijst, wijzigt niets aan het voorgaande. Zoals hiervoor geschreven, is nieuwheid geen voldoende element om auteursrechtelijke bescherming te verlenen.
  19. Gelet op al het voorgaande, meer bepaald op de afwezigheid van originaliteit, gaat het Hof niet verder in op de overige middelen en argumenten van partijen. Conclusie
  20. Het hoger beroep en de oorspronkelijke vordering worden verworpen in zoverre ze gegrond zijn op artikel 97 van de Auteurswet, bij gebrek aan originaliteit van elk van de drie voorgelegde brilmonturen. Kosten
  21. Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. appellante tot betaling van de kosten veroordeeld. De basisvergoeding voor de hoofdvordering bedraagt euro 1.
  22. V. Beslissing Het hoger principaal beroep is toelaatbaar, maar ongegrond. Het Hof: - bevestigt het bestreden vonnis, zij het met een enigszins andere motivering, geïntimeerde: hoger beroep: rechtsplegingvergoeding hoofdvordering: euro 1.200 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op zesentwintig januari tweeduizend en negen. Repertorium nr. 2009/ A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele P. Vanherpe Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.