id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090130.11 Rolnummer: 2008/AR/1141 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-11 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 19:04 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Nietigheid en vonnis Vrije woorden: geen nietigheid van beroepsakte & noch op basis van art 38 taalgebruikswet 15/06/35 & noch op basis van art 1057, 3, 7° Ger. Wetboek. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9ter Kamer ________ Terechtzitting van 30 januari 2009 ________ 2008/AR/1141 - In de zaak van: TRAVIBOUW B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 3080 DUISBURG, Hertswegenstraat 12, destijds ingeschreven in het handelsregister te Leuven, onder het nummer 58.115, appellante, hebbende als raadsman mr. GUNS Johan, advocaat te 1790 AFFLIGEM, Kasteelstraat 58 tegen :
- M. J., wonende te ...................,
- L. N., wonende te ..............., geïntimeerden, woonstkeuze doende op het gemeenschappelijk administratief kantoor van gerechtsdeurwaarders Marc GERARD, Pierre DOTREMONT, Ingrid EYSKENS en Luk GIELENS te 3000 Leuven, Vaartstraat nr. 42 beiden hebbende als raadsman mr. STEVENS Theo, advocaat te 9300 AALST, Karel van de Woestijnestraat 4 velt het hof het volgend arrest:
- Het hof heeft kennis genomen van het tussenvonnis, gewezen op 4 januari 2008 door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vijfde kamer. Tegen dit vonnis werd hoger beroep en incidenteel beroep ingesteld. De partijen werden, bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
- Uit het geheel van de voorliggende gedingstukken en het verloop van de rechtspleging blijkt dat J. M. en N. L. zowel de beroepsakte d.d. 29 april 2008 als de beschikking d.d. 3 september 2008 houdende de bepaling door de rechter van de conclusietermijnen en rechtsdag, daadwerkelijk hebben ontvangen én begrepen. Er werden voor hen tijdige en omstandige antwoord- en syntheseconclusies neergelegd voor het hof. Uit deze conclusies blijkt dat J. M. en N. L. door de tussenkomst van hun advocaat inderdaad één en ander hebben kunnen ontvangen én dit tijdig hebben kunnen beantwoorden. Het geding werd voor de eerste rechter volledig en uitsluitend in het Nederlands gevoerd, zonder Franse vertaling van de akten van rechtspleging en tussenvonnissen. Het is trouwens pas hangende de eerste aanleg dat J.M. en N. L. vanuit hun vroegere woonplaats te ...t naar hun huidige woonplaats te .... (zijnde het Franse taalgebied) zijn verhuisd. Bij brief d.d. 22 januari 2008 van hun advocaat, met daaraan gehecht de eigenhandige en gehandtekende verklaringen van J. M. en N L., werd uitdrukkelijk en formeel aan de griffier van de eerste rechter bevestigd dat zij de Nederlandstalige rechtspleging en vonnissen "perfect begrepen" (sic) hadden zonder dat een vertaling dienaangaande nodig was, daar zij Nederlandstaligen (wonende in Wallonië) zijn. In de akte van betekening d.d. 4 april 2008 werd bovendien door J. M. en N.L.uitdrukkelijk woonplaats gekozen in het Nederlandse taalgebied, meer bepaald op het kantoor van hun gerechtsdeurwaarder te Leuven. In de gegeven omstandigheden faalt de opgeworpen nietigheid van de beroepsakte en verdere rechtspleging wegens schending van art. 38 Taalgebruikwet van 15 juni
- Immers, art. 38, 8ste lid van de Taalgebruikwet voorziet dat van de voorgeschreven vertaling mag worden afgeweken indien de partij aan dewelke de betekening moet gedaan worden, voor de rechtspleging de taal heeft gekozen of aanvaard, in dewelke de akte, het vonnis of het arrest is gesteld. Dit laatste is hier, gelet op het geheel van de hoger genoemde gegevens, onmiskenbaar het geval in hoofde van J. M. en N. L.. Aan dit alles wordt geenszins afbreuk gedaan door het feit dat bij kennelijke vergissing in de beroepsakte nog het vroegere adres van J. M. en N.L. te .... werd vermeld. Immers, hun uitdrukkelijke keuze en aanvaarding van de rechtspleging in het Nederlands staat in de gegeven omstandigheden hoe dan ook vast, ongeacht deze fout. Wat deze laatste foute vermelding van het adres betreft, kan in de gegeven omstandigheden evenmin worden besloten tot enige nietigheid. Immers, de door art. 1057, 3° Ger.W. op straffe van nietigheid vereiste vermelding van de woonplaats van de gedaagde in hoger beroep kan, gelet op de art. 860, 861, 862 en 867 Ger.W., hier niet tot nietigheid leiden nu, zoals reeds overwogen, uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt (met name de kennisgeving aan J. M. en N. L. van de beroepsakte zodat zij geldig en tijdig verweer kunnen voeren en wat zij daadwerkelijk en terdege ook hebben gedaan) en er in hunnen hoofde geen belangenschade is noch wordt aannemelijk gemaakt. Deze overweging geldt evident zowel wat betreft de beroepsakte op zich als wat betreft de navolgende kennisgeving ervan en de op 3 september 2008 gewezen beschikking houdende de bepaling door de rechter van de conclusietermijnen en rechtsdag. Luidens art. 39 Ger.W. mogen, wanneer de geadresseerde bij een lasthebber woonplaats gekozen heeft, de betekening en de kennisgeving aan die woonplaats geschieden. Het betreft hier een mogelijkheid, geen verplichting die op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Het niet betekenen of kennis geven aan de gekozen woonplaats kan derhalve geen aanleiding geven tot enige nietigheid. Tevergeefs wordt tevens een nietigheid van de beroepsakte aangevoerd omwille van een vermeende schending van art. 1057, 7° Ger.W. (nl. de op straffe van nietigheid voorgeschreven uiteenzetting van de grieven). Immers, in de beroepsakte wordt het vonnis a quo aangevochten specifiek waar de gerechtsdeskundige niet werd gevolgd betreffende diens besluit tot een som van 5.864,64 EUR in het voordeel van b.v.b.a. TRAVIBOUW. Er wordt dienaangaande aangevoerd, in tegenstelling tot hetgeen door de eerste rechter werd overwogen, dat zowel uit het expertiseverslag als uit het gebrek aan protest tijdens de voorlopige oplevering het bewijs voorligt dat het telkens bestelde meerwerken zijn. Dit is een weliswaar korte doch daarom niet minder geldige en afdoende uiteenzetting van de grieven in de zin van art. 1057, 7° Ger.W.: Immers, uit deze uiteenzetting vermochten J. M. en N.L. zonder mogelijke twijfel reeds te weten dat in hoger beroep de betwisting nog zou gaan over de punten van de expertise die niet werden gevolgd in het bestreden tussenvonnis d.d. 4 januari
- Niets belette hen zich onmiddellijk op deze punten te verweren, wat zij blijkens het verdere debat ook in verdere conclusies hebben kunnen doen én ook (omstandig) hebben gedaan. Ook hier is er aldus in hoofde van J.M. en N.L. geen belangenschade noch wordt dit op enige wijze aannemelijk gemaakt. Er zijn voor het overige geen aannemelijke of ambtshalve aan te voeren gronden tot onontvankelijkheid. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en geldig ingesteld.
- Blijvende betwisting tussen partijen betreft in essentie de algemeen weerkerende vraag of b.v.b.a. TRAVIBOUW al dan niet betreffende elk der kwestieuze (door de eerste rechter afgewezen) posten een meerprijs kan/mag aanrekenen. Samengevat meent b.v.b.a. TRAVIBOUW dat het telkens bestelde en uitgevoerde meerwerken betreffen, die bij de oplevering niet werden betwist. Dit heeft volgens b.v.b.a. TRAVIBOUW tot gevolg dat deze meerwerken als aanvaard moeten worden beschouwd, temeer de oplevering is gebeurd met de bijstand van architect . Volgens b.v.b.a. TRAVIBOUW kunnen J. M. en N. L. daarop niet terugkomen en leveren evenmin de eerder door de architect gedane opmerkingen een bewijs op tegen haar. Zij meent voor één en ander bevestiging te vinden in het gerechtsdeskundig verslag, dat volgens haar heeft bevestigd dat deze posten werden uitgevoerd en aangerekend conform de aannemingovereenkomst. B.v.b.a. TRAVIBOUW kan in dit standpunt geenszins worden gevolgd. Het gegeven dat de werken zijn opgeleverd impliceert geenszins dat de afrekening, in het bijzonder de aangerekende meerprijzen, niet meer zou kunnen worden betwist. Immers, de oplevering betreft de goedkeuring/aanvaarding van de uitgevoerde werken zelf. De bijstand van een architect beperkt zich evident tot de gebeurlijke (technische) opmerkingen dienaangaande. Niet meer, niet min. Geenszins kan uit diens bijstand besloten worden in de door b.v.b.a. TRAVIBOUW bedoelde zin. Bovendien weze vastgesteld dat blijkens de voorgebrachte stukken J. M. en N.L.reeds vóór de oplevering heel duidelijk, gedetailleerd en gemotiveerd, de onderscheiden posten van de litigieuze factuur hadden geprotesteerd (dossier/M., stukken 7 e.v.). Uit de voorliggende aannemingovereenkomst d.d. 16 september 2000 en de voorafgaande prijsopgave d.d. 25 augustus 2000 (dossier/M., stukken 3 & 4) blijkt onmiskenbaar dat partijen een aannemingovereenkomst tegen vaste prijs, er uitdrukkelijk gestipuleerd als "globale som van 96.420,22 EUR (= 3.889.582 BEF)", hebben gesloten. Dit betekent dat aannemer TRAVIBOUW zich ertoe verbonden heeft een bepaald werk, waarvan de aard en de omvang zijn omschreven, uit te voeren tegen een vooraf bepaalde vaste en onveranderlijke som voor het geheel. Het betrof trouwens een aanneming tegen volstrekt vaste prijs, nu in de aannemingovereenkomst niet bedongen is dat nog veranderingen of vergrotingen in de plans mogen bevolen worden die meer arbeid en/of meer materialen vergen. Hier draagt b.v.b.a. TRAVIBOUW als aannemer het zogenaamde planrisico, wat betekent dat zij als aannemer werkzaamheden en zaken die nodig zijn, omdat ze een onderdeel van het werk uitmaken of omdat ze naar de regels van goed vakmanschap vereist zijn om een deugdelijke uitvoering te verkrijgen, doch die in de plans en bestekken ontbreken, toch op haar kosten moet uitvoeren. Minstens diende b.v.b.a. TRAVIBOUW als professioneel aannemer J. M. en N. L. daarop te wijzen, nu de plans en het lastenboek haar werden ter beschikking gesteld alvorens en op basis waarvan zij haar globale prijs heeft bepaald. In de gegeven omstandigheden geldt strikt het artikel 1793 B.W.: " Wanneer een architect of een aannemer het oprichten van een gebouw op zich heeft genomen tegen vaste prijs, volgens een met de eigenaar van de grond vastgelegd en overeengekomen plan, kan hij geen vermeerdering van de prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering van de arbeidslonen of van de bouwstoffen, noch onder voorwendsel van verandering of vergrotingen die in het plan zijn aangebracht, tenzij voor die veranderingen of vergrotingen schriftelijke toestemming is verleend, en de prijs ervan met de eigenaar is overeengekomen.". Enig geschrift omtrent de kwestieuze veranderingen/werken ligt niet voor. Evenmin een overeenkomst tussen partijen over de prijs. In de gegeven omstandigheden kan b.v.b.a. TRAVIBOUW voor de betreffende posten geen meerprijs aanrekenen.
- Aanvullend, wat betreft de specifiek in hoger beroep aangevoerde posten: 4.
- M.b.t. de gevorderde kostprijs van 3 "verluchtingsdallen garage" t.b.v. 60,91 EUR (= 2.457 BEF): Op het plan is volgens de gerechtsdeskundige niet te merken of het nu om verlichtings- dan wel verluchtingsdallen zou gaan. Nergens blijkt de bewering dat 3 verlichtingsdallen naderhand moesten worden uitgebroken voor verluchtingsdallen. B.v.b.a. TRAVIBOUW levert als aannemer niet op afdoende wijze het vereiste bewijs van de beweerde veranderingen, noch van een schriftelijke toestemming hierover, noch van een prijsovereenkomst met de eigenaars, in de hoger besproken zin. De in die zin aangevoerde grief en middelen falen dan ook. 4.
- M.b.t. de gevorderde kostprijs van "muur in kelder onder bow-raam" t.b.v. 280,19 EUR (= 11.303 BEF), van "muur bowwindow 7 cm breder" t.b.v. 92,66 EUR (= 3.738 BEF) en van "foamglas boven bow-window" t.b.v. 75,36 EUR (= 3.040 BEF): Om de reeds hoger overwogen redenen is de aanrekening van deze posten als meerwerken, beweerdelijk "om constructieve redenen", niet aannemelijk. Het is niet voldoende vast te stellen dat de plannen werden gewijzigd, zelfs niet beweerdelijk "om constructieve redenen", zoals b.v.b.a. TRAVIBOUW doet: als aannemer verbonden door een overeenkomst tegen vaste prijs dient zij dienaangaande overeenkomstig art. 1793 B.W. op afdoende wijze het vereiste bewijs te leveren van een schriftelijke toestemming en van een prijsovereenkomst met de eigenaars, in de hoger besproken zin. Zij doet dit niet. Bovendien heeft de architect reeds bij brief d.d. 7 mei 2002 er uitdrukkelijk op gewezen dat de 3 betreffende posten in het globaal forfait moeten begrepen zijn en moeten worden beschouwd als beantwoordend aan het vakmanschap en het bouwen volgens de regels van de kunst (dossier/TRAVIBOUW, bijlage bij stuk 5). De in die zin aangevoerde grief en middelen falen dan ook. 4.
- M.b.t. de gevorderde kostprijs van "derde kelderraam" t.b.v. 494,10 EUR: Reeds in het werfverslag d.d. 31 januari 2001 werd door de architect vermeld dat deze post werd aangeboden door de aannemer ("offert par l' entrepreneur") (dossier/M., stuk 5). Het behoort aan de aannemer de werfverslagen na te zien en deze tijdig te protesteren. B.v.b.a. TRAVIBOUW heeft het voormelde werfverslag wat betreft het kwestieuze punt nooit in tempore non suspecto tegengesproken. Het kan dan ook terdege als bewijs tegen haar worden ingeroepen en zij kan aldus hiervoor geen meerprijs aanrekenen. De in die zin aangevoerde grief en middelen falen dan ook. 4.
- M.b.t. de gevorderde kostprijs voor "hoogte buitenmuur" t.b.v. 655,26 EUR: Het is niet voldoende vast te stellen dat de plannen werden gewijzigd, zoals b.v.b.a. TRAVIBOUW andermaal doet: als aannemer verbonden door een overeenkomst tegen vaste prijs dient zij dienaangaande overeenkomstig art. 1793 B.W. op afdoende wijze het vereiste bewijs te leveren van een schriftelijke toestemming en van een prijsovereenkomst met de eigenaars, in de hoger besproken zin. Zij doet dit niet. Deze verrekening is aldus niet aannemelijk. De in die zin aangevoerde grief en middelen falen dan ook. 4.
- M.b.t. de gevorderde kostprijs voor "aansluiting warmtepomp" t.b.v. 17,92 EUR: Hoewel de aansluiting zelf niet op het plan staat, was de warmtepomp zelf wél voorzien. Dergelijke aansluiting is een logische en evidente voorziening bij/voor deze warmtepomp. Het is niet voldoende vast te stellen dat de plannen werden aangepast of gewijzigd, zoals b.v.b.a. TRAVIBOUW andermaal doet: als aannemer verbonden door een overeenkomst tegen vaste prijs dient zij dienaangaande overeenkomstig art. 1793 B.W. op afdoende wijze het vereiste bewijs te leveren van een schriftelijke toestemming en van een prijsovereenkomst met de eigenaars, in de hoger besproken zin. Zij doet dit niet. Deze verrekening is aldus niet aannemelijk. De in die zin aangevoerde grief en middelen falen dan ook. 4.
- M.b.t. de gevorderde kostprijs voor "metselwerk garage 20 cm hoger t.h.v. de rolluik" t.b.v. 313,63 EUR: Uit het gerechtsdeskundig verslag (p. 17) blijkt dat de oorspronkelijk voorziene vrije hoogte te beperkt was voor het inpassen van een sectionaalpoort met veersysteem, zodat verhoging van het metselwerk en de betonbalk een noodzaak was om nog een aanvaardbare doorrijdopening te behouden. Als specialist-aannemer wordt b.v.b.a. TRAVIBOUW geacht deze gebeurlijke vergissing te hebben opgemerkt alvorens zijn offerte te hebben gedaan betreffende de hem gevraagde uitvoering van het werk. Minstens diende hij de opdrachtgever voor te lichten over deze technische onmogelijkheid. Door dit niet te doen wordt de b.v.b.a. TRAVIBOUW geacht dit door haar te voorzien risico te hebben aanvaard en kan zij naderhand geen meerprijs vorderen. Het is bovendien niet voldoende vast te stellen dat de plannen werden aangepast of gewijzigd, zoals b.v.b.a. TRAVIBOUW andermaal doet: als aannemer verbonden door een overeenkomst tegen vaste prijs dient zij dienaangaande overeenkomstig art. 1793 B.W. op afdoende wijze het vereiste bewijs te leveren van een schriftelijke toestemming en van een prijsovereenkomst met de eigenaars, in de hoger besproken zin. Zij doet dit niet. Deze verrekening is aldus ook om die reden niet aannemelijk. De in die zin aangevoerde grief en middelen falen dan ook. 4.
- M.b.t. de gevorderde kostprijs voor "doorvoer naar regenput" t.b.v. 62,96 EUR: Hoewel de doorvoer zelf niet op het plan staat, was de regenwaterput zelf wél voorzien. De doorgang kan niet bijkomend worden aangerekend nu deze inderdaad en logisch is bij het voorzien van een regenwaterput. Het is niet voldoende vast te stellen dat de plannen werden aangepast of gewijzigd, zoals b.v.b.a. TRAVIBOUW andermaal doet: als aannemer verbonden door een overeenkomst tegen vaste prijs dient zij dienaangaande overeenkomstig art. 1793 B.W. op afdoende wijze het vereiste bewijs te leveren van een schriftelijke toestemming en van een prijsovereenkomst met de eigenaars, in de hoger besproken zin. Zij doet dit niet. Deze verrekening is aldus niet aannemelijk. De in die zin aangevoerde grief en middelen falen dan ook. 4.
- M.b.t. de gevorderde kostprijs voor "riolering regenwaterpomp" t.b.v. 29,35 EUR: Er wordt niet aangetoond dat de verandering van plaats van de uitgietbak ook effectief reden kan zijn voor de meerprijs nu anderzijds op de oorspronkelijk voorziene plaats logischerwijze minder werk diende te worden uitgevoerd. Ook hier dient te worden gesteld dat het niet voldoende is vast te stellen dat de plannen werden aangepast of gewijzigd, zoals b.v.b.a. TRAVIBOUW andermaal doet: als aannemer verbonden door een overeenkomst tegen vaste prijs dient zij dienaangaande overeenkomstig art. 1793 B.W. op afdoende wijze het vereiste bewijs te leveren van een schriftelijke toestemming en van een prijsovereenkomst met de eigenaars, in de hoger besproken zin. Zij doet dit niet. Deze verrekening is aldus niet aannemelijk. De in die zin aangevoerde grief en middelen falen dan ook. 4.
- M.b.t. de te verrekenen minderprijs voor "voegwerken" t.b.v. 3.346,00 EUR: Uit de brief d.d. 23 december 2002 (dossier/M., stuk 17) blijkt het akkoord vanwege b.v.b.a. TRAVIBOUW dat dit werk door derden wordt uitgevoerd en dat zij ook de meerprijs t.b.v. 1.598,35 EUR ten haren laste zou nemen (naast de initiële aannemingsom t.b.v. 1.747,65 EUR). Dit betekent, zoals terecht berekend door de gerechtsdeskundige (p. 19) dat voor de voegwerken uit de originele aanneming in totaal een som van 3.346,00 EUR excl. BTW dient te worden gelicht. De b.v.b.a. TRAVIBOUW heeft zich uitdrukkelijk akkoord verklaard met de afrekening van de gerechtsdeskundige. De thans gedane bewering dat enkel de som van 1.747,65 EUR (zonder BTW) of 1.934,00 EUR (BTW inbegrepen) in aanmerking zou komen, mist dan ook elke grondslag. Het in die zin aangevoerde middel faalt evenzeer.
- Gelet op het voorgaande is de door de eerste rechter gedane afrekening tussen partijen voor het aan b.v.b.a. TRAVIBOUW openstaand saldo van 2.495,22 EUR, met de toekenning van de hoofdeis en de afwijzing van een deel van de tegeneis in die zin te bevestigen.
- Hoewel b.v.b.a. TRAVIBOUW niet alleen door de eerste rechter werd uitgenodigd doch, gelet op het verder gedingverloop, inmiddels ook daadwerkelijk in de mogelijkheid werd gesteld om standpunt in te nemen betreffende de door J.M. EN N.L. bij tegeneis gevorderde afgifte van de plannen betreffende de door haar aangelegde riolering van de woning, onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per dag vertraging, heeft zij dit niet gedaan. Evenmin blijkt dat b.v.b.a. TRAVIBOUW de bedoelde plannen inmiddels reeds zou hebben afgeleverd aan J. . en N. L.. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep behoort het in de gegeven omstandigheden dit onderdeel van de tegenvordering te beslechten. De gevorderde afgifte is, bij ontstentenis van enig andersluidend gegeven, aannemelijk. Gelet op de blijkbare weigering komt het passend voor de afgifte te bevelen onder de verbeurte van een afdoende dwangsom, zoals hierna te bepalen. Nergens blijkt dat hier sprake zou zijn van kwade trouw in hoofde van b.v.b.a. TRAVIBOUW, zoals J. M. en N.L. beweren. Het is redelijkerwijze veeleer aannemelijk dat het hier eerder een niet moedwillige vergetelheid betreft. Er is geen gegronde reden om deze dwangsom te verhogen tot 50,00 EUR per dag vertraging, zoals incidenteel gevorderd. Een dwangsom van 25,00 EUR per dag vertraging, met een maximum van 2.500,00 EUR komt, gelet op de aard van deze aangelegenheid, passend voor als voldoende stimulans om het onderhavige bevel na te komen.
- M.b.t. de gedingkosten: 7.
- De door de eerste rechter bepaalde gedingkosten worden op zich niet betwist. 7.
- Gelet op het ongelijk vanwege b.v.b.a. TRAVIBOUW m.b.t. het door haar ingestelde hoger beroep en m.b.t. het thans eveneens beoordeelde resterende onderdeel van de tegeneis, komt het passend voor haar te verwijzen in het geheel van de beroepskosten. 7.
- Het betreft (althans juridisch) geen bijzonder complexe zaak, doch een betwisting over normale bedragen. Evenmin blijkt enig kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Er is derhalve geen gegronde reden om af te wijken van het wettelijk bepaalde basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, hier zijnde, gelet op de waarde van het geschil, de som van 900,00 EUR. Alle anders luidende conclusies worden verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk; Wijst het hoger beroep af als ongegrond; Verklaart het incidenteel beroep als volgt gegrond; Bevestigt aldus het tussenvonnis d.d. 4 januari 2008, mits het navolgende; Oordeelt in toepassing van art. 1068, 1ste lid Ger.W. zelf over het in het tussenvonnis d.d. 4 januari 2008 aangehouden resterende gedeelte van de oorspronkelijke tegenvordering; Verklaart het resterende gedeelte van de tegenvordering vanwege J. M. en N.L.S ontvankelijk en als volgt gegrond; Veroordeelt b.v.b.a. TRAVIBOUW tot de afgifte aan J.M. en N. L. van de plannen van de door haar aangelegde riolering van de woning ........................., onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per dag vertraging vanaf 45 dagen na de betekening van het onderhavige bevel en met een maximum van 2.500,00 EUR; Verwijst b.v.b.a. TRAVIBOUW in de kosten van het hoger beroep in hoofde van J. M. en N. L. op heden nuttig te bepalen op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 900,00 EUR; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, NEGENDE ter KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 30 januari
- Aanwezig: Luc Thabert, Raadsheer wn. Voorzitter Kurt Goossens, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div