← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090130.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090130.8 Rolnummer: 2007/AR/1012 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-04 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-02 19:04 Fiche Het hof beoordeelt de toepassing van een boete wegens het te laat van borg door de aannemer. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Algemeen (overheidsopdrachten) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Algemene uitvoeringsbepalingen overheidsopdrachten - Aanneming van werken (overheidsopdracht) - Algemeen Vrije woorden: Overheidsopdrachten - Aanneming openbare werken - Borgstelling - Onverschuldigde betaling - Interest. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 30-01-2009 na cassatie 2007/AR/1012 in de zaak van: De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging, met kabinet te 1140 EVERE, - Kwartier Koningin Elisabeth - Eversestraat 1, eiseres na cassatie, oorspronkelijk geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN DEN WOUWER Anita, advocaat te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg 30 tegen: MOURIK N.V., met maatschappelijke zetel te 2030 ANTWERPEN, Groenendaallaan 399, ingeschreven met KBO-nummer 0413.951.260, verweerster na cassatie, oorspronkelijk appellante, hebbende als raadsman mr. ELIAERTS Luc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 54 - 57 velt het Hof het volgend arrest: Het hof heeft de partijen gehoord in openbare zitting bij monde van hun respectieve raadslieden in het Nederlands; zowel de neergelegde conclusies als de regelmatig overgelegde stukken werden ingezien. De voortzetting van het geding na cassatie bij het hof van beroep te Gent gebeurde regelmatig doordat de BELGISCHE STAAT daartoe op 30 maart 2007 dagvaarding liet betekenen aan de nv MOURIK nadat het hof van cassatie bij arrest van 8 september 2006 (C.05.0289.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060908.5.) het arrest van 29 november 2004 van de aanvullende kamer 20S van het hof van beroep te Brussel vernietigde, behalve in zoverre dit het hoger beroep (van de nv MOURIK) ontvankelijk verklaarde. Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 11 september 2000 van de 22e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat de eis van de nv MOURIK ontvankelijk verklaarde en als ongegrond afwees met de verwijzing van de nv MOURIK in al de nader bepaalde kosten van de eerste aanleg. 1.

  1. De feitelijke antecedenten en de kern van de betwisting tussen partijen komt op het volgende neer: Bij brief van 29 januari 1998 kende de BELGISCHE STAAT aan de nv MOURIK de opdracht toe om bepaalde petroleuminstallaties van het Belgische leger aan te passen aan de normen van Vlarem II (meer bepaald ging het om het op norm brengen van Pol tanks volgens Vlarem II met besteknummer 97/65/S/503/1). In deze brief werd de nv MOURIK tezelfdertijd uitgenodigd om een borgtocht van 5 % van de oorspronkelijke aannemingsom te stellen, hetzij een som van 1.488.000 BEF, thans euro 36.886,56, en binnen een termijn van 30 kalenderdagen het bewijs van de borgtocht te leveren. Aangezien de nv MOURIK pas op 17 april 1998 voldeed aan beide verplichtingen, liet de BELGISCHE STAAT in een brief van 17 april 1998 aan de nv MOURIK weten dat zij, in toepassing van artikel 6, §2, van de bij koninklijk besluit van 26 september 1996 vastgelegde Algemene Aannemingsvoorwaarden (afgekort AAV), een boete verschuldigd was van 0,07 % per kalenderdag vertraging in het voorleggen van de borgtocht, te berekenen op de oorspronkelijke aannemingssom, met een maximum van 2 %, wat neerkwam op een boete van 594.814 BEF, thans euro 14.745,
  2. Dit bedrag werd door de BELGISCHE STAAT ingehouden bij de betaling van de eerste factuur. Nv MOURIK betwistte de rechtmatigheid van deze inhouding en hield staande dat de verschuldigde boete niet berekend moest worden op het bedrag van de oorspronkelijke aannemingsom maar op het bedrag van de verschuldigde borgtocht, zodat hoogstens een boete van 48.955 BEF ( euro 1.213,56 ) was verschuldigd. 1.2.
  3. Met de oorspronkelijke dagvaarding, die de nv MOURIK op 28 januari 1999 liet betekenen aan de BELGISCHE STAAT, vorderde zij dat de rechtbank van eerste aanleg te Brussel: - voor recht zegt dat de BELGISCHE STAAT niet gerechtigd was om een boete van 594.814 BEF, thans euro 14.745,05 op te leggen in het kader van de opdracht 97/65/S/503/1 - de BELGISCHE STAAT ertoe veroordeelt het bedrag van 594.814 BEF, thans euro 14.745,05 te betalen op haar factuur VFAU91163 van 14 oktober 1998 betrekkelijk de in het kader van de gegunde opdracht uitgevoerde werken, te vermeerderen met de verwijlrente vanaf 14 oktober 1998 en met de gerechtelijke rente vanaf dagvaarding en met de gedingkosten met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding. In conclusies vorderde de nv MOURIK in de eerste aanleg in ondergeschikte orde dat de rechtbank: - de boete wegens de vertraging in het voorleggen van het bewijs van de borgtocht, bepaalt of vermindert op het bedrag van 48.955 BEF, thans euro 1.213,56; - dienvolgens de BELGISCHE STAAT veroordeelt om aan haar te betalen het bedrag van (594.814 BEF, thans euro 14.745,05 - 48.955 BEF, thans euro 1.213,56) = 545.859 BEF, thans euro 13.531,49, vermeerderd met de verwijlrente vanaf 14 oktober 1998, met de gerechtelijke rente en met de aan haar zijde nader begrote gedingkosten. 1.2.
  4. De BELGISCHE STAAT vorderde dat de rechtbank: - de vordering van de nv MOURIK afwijst als ontvankelijk maar ongegrond; - de nv MOURIK verwijst in de aan haar zijde begrote gedingkosten. 1.2.
  5. De eerste rechter heeft beslist in het door hoger beroep bestreden vonnis van 11 september 2000 zoals in de aanvang van onderhavig arrest reeds vermeld. 1.3.
  6. Het arrest van 29 november 2004 van de aanvullende kamer 20S van het hof van beroep te Brussel is ingegaan op hetgeen de nv MOURIK in subsidiaire orde vorderde in de eerste aanleg (cf. supra 2e lid van punt 1.2.1.). 1.3.
  7. Het onder punt 1.3.1.vermelde arrest van het hof van beroep te Brussel is vernietigd, zoals in de aanvang van onderhavig arrest reeds werd vermeld, bij arrest van 8 september 2006 (C.05.0289.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060908.5.) van het hof van cassatie, behalve waar het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard. Het hof van cassatie oordeelde als volgt: "
  8. Het middel verwijt de appelrechters schending van het artikel 6, §2, eerste lid, van de Algemene Aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken gevoegd als bijlage bij het K.B. van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken (B.S., 18 oktober 1996). Het middel verwijt de appelrechters het in dit artikel bepaalde boetetarief van 0,07 pct. per kalenderdag vertraging voor het overleggen van het bewijs van borgstelling te berekenen op het bedrag van de borgtocht en niet op de oorspronkelijke aannemingssom.
  9. Krachtens artikel 5, §3, van die algemene aannemingsvoorwaarden, moet de aannemer binnen dertig kalenderdagen volgend op de dag van de gunning van de opdracht, het bewijs leveren dat hij of een derde de borgtocht heeft gesteld.
  10. Krachtens het te dezen toepasselijk artikel 6, § 1, van die algemene aannemingsvoorwaarden kan de aanbestedende overheid hetzij zonder meer de opdracht verbreken, hetzij de andere maatregelen van ambtswege toepassen, wanneer de aannemer, binnen dertig kalenderdagen, niet het bewijs overlegt dat de borgtocht werd gesteld. Wanneer de aanbestedende overheid geen gebruik maakt van het in artikel 6, § 1, vermeld recht, geeft, op grond van artikel 6, §2, eerste lid, van de algemene aannemingsvoorwaarden, zoals te dezen van toepassing, het laattijdig overleggen van het bewijs van borgstelling van rechtswege en zonder ingebrekestelling aanleiding tot het toepassen per kalenderdag vertraging van een straf van 0,07 pct., met een maximum van 2 pct. van de oorspronkelijke aannemingssom. Krachtens artikel 6, §2, tweede lid, van de algemene aannemingsvoorwaarden houdt de aanbestedende overheid de borgtocht van ambtswege af van de op de beschouwde opdracht verschuldigde bedragen, wanneer de aannemer na per aangetekende brief in gebreke te zijn gesteld, verzuimt het bewijs over te leggen dat de borgtocht werd gesteld. In dat geval wordt de straf forfaitair op 2 pct. van het bedrag van de opdracht vastgesteld.
  11. Uit die wetsbepalingen, in samenhang gelezen, volgt dat, indien de aannemer niet binnen dertig kalenderdagen volgend op de dag van de gunning het bewijs van het stellen van de borgtocht overlegt, de aanbestedende overheid van rechtswege en zonder ingebrekestelling een straf toepast van 0,07 pct. die wordt berekend op de oorspronkelijke aannemingssom per kalenderdag vertraging, met een maximum van 2 pct. van de oorspronkelijke aannemingssom.
  12. Het arrest dat oordeelt dat de eiser de boete van 0,07 pct. per kalenderdag vertraging in het stellen van de borgtocht maar mocht berekenen op het bedrag van de te vestigen borgtocht en niet op de aannemingssom, schendt artikel 6, §2, eerste lid, van de algemene aannemingsvoorwaarden.
  13. Het middel is gegrond. Overige grieven
  14. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve In zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent..." 1.4.
  15. Met de, na het hiervoor aangehaalde cassatiearrest, te haren verzoeke betekende dagvaarding van 30 maart 2007 vordert de BELGISCHE STAAT dat het hof alhier: - haar vordering ontvankelijk en gegrond verklaart en dienvolgens zegt voor recht dat de door haar aangerekende boete juist is gebeurd; - de oorspronkelijke vordering van de nv MOURIK ontvankelijk maar ongegrond verklaart; - de nv MOURIK veroordeelt om aan haar de som terug te betalen van euro 20.738,45, te vermeerderen met de intrest aan 7 % vanaf 6 april 2005; - de nv MOURIK tevens veroordeelt tot de gerechtelijke rente en tot de gedingkosten. In deze dagvaarding heeft de BELGISCHE STAAT uiteengezet dat zij naar aanleiding van het arrest van het hof van beroep te Brussel reeds was overgegaan tot het betalen van een bedrag van euro 20.738,45, bedrag dat zij thans terugvordert, meer de vervallen intrest aan 7 % vanaf de datum van betaling zijnde 6 april 2005 tot op de dag van de algehele terugbetaling. In syntheseconclusie neergelegd ter griffie van dit hof op 11 januari 2008 vordert de BELGISCHE STAAT, in toevoeging aan het door haar bij voormelde dagvaarding reeds gevorderde, dat het hof: - tevens zegt voor recht dat de punten waarover het hof van beroep te Brussel reeds uitspraak heeft gedaan en die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van het ingestelde cassatieberoep, in zoverre deze opnieuw door de nv MOURIK ter discussie worden gesteld, onontvankelijk, ontoelaatbaar, minstens ongegrond zijn. 1.4.
  16. Met haar synthese- beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van dit hof op 21 februari 2008 vordert de nv MOURIK dat het hof: - haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaart; - dienvolgens het bestreden vonnis van 11 september 2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel teniet doet en opnieuw recht doende; - de BELGISCHE STAAT veroordeelt om aan haar (nv MOURIK) te betalen de sommen, meer aankleven, zoals door haar (nv MOURIK) respectievelijk in hoofdorde en in subsidiaire orde gevorderd in de eerste aanleg; - in uiterst subsidiaire orde een prejudiciële vraag stelt aan het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) als volgt: "Schendt art. 6 § 2 algemene aannemingsvoorwaarden van het K. B. van 26 september 1996 het gelijkheids- en nietdiscriminatiebeginsel van de artt. 10 en 11 G. W. in de interpretatie dat het een verschil van behandeling toelaat tussen een private aanneming en een overheidsopdracht voor wat betreft het strafbeding ingevolge wanprestatie, m.n. het laattijdig overleggen van bewijs van borgstelling door de begunstigde van de overheidsopdracht, doordat deze boete ingevolge art. 6 § 2 algemene aannemingsvoorwaarden kennelijk meer kan belopen dan de potentiële schade ingevolge de betrokken wanprestatie." 2.
  17. Het cassatiearrest van 8 september 2006 heeft het arrest van 29 november 2004 van de aanvullende kamer 20S van het hof van beroep te Brussel vernietigd, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaarde. De partijen worden dienvolgens, behoudens de reeds vaststaande ontvankelijkheid van het hoger beroep, teruggeplaatst in de toestand waarin zij zich bevonden voordat uitspraak werd gedaan over de grond van het hoger beroep en zij kunnen daartoe verder de nodige middelen aanvoeren, ook deze die reeds aangevoerd werden voor het hof te Brussel. 2.1.
  18. Ingevolge het besliste in het arrest van 8 september 2006 van het hof van cassatie staat vast dat met betrekking tot de hiervoor geschetste problematiek, ressorterend onder art 6§2 van de AAV (zoals dat artikel, geldend ten tijde van de borgstelling in kwestie, dient te worden toegepast), de van rechtswege en zonder ingebrekestelling toe te passen boete wegens het niet tijdig borgstellen door de aannemer van openbare werken, met name de boete van 0,07 % per dag, met een maximum van 2 %, dient te worden berekend op het bedrag van de oorspronkelijke aannemingssom en niet op het bedrag van de te leveren borgstelling zelf. De nv MOURIK kan derhalve niet ernstig verder aanvoeren dat de boete te dezen slechts euro 1.213,56, voorheen 48.955 BEF, zou bedragen, zoals zij nog steeds doet. 2.1.
  19. In antwoord op de overige door de nv MOURIK nog steeds aangevoerde middelen is het hof van oordeel dat: - wat betreft de vordering in hoofdorde de eerste rechter oordeelkundig heeft geoordeeld dat ter zake het KB van 26 september 1996 toepassing vindt. Het wordt immers niet betwist dat de borgtocht laattijdig werd gesteld; - met betrekking tot de argumentatie van nv MOURIK -dat haar administratieve vergetelheid onredelijk zwaar door de BELGISCHE STAAT wordt gesanctioneerd, en dat artikel 6 § 2 van het KB van 26 september 1996 in strijd zou zijn met de artikelen 6 BW en 1231 BW, terwijl de rechter krachtens artikel 159 van de grondwet, de onwettigheid van artikel 6 § 2 van het KB van 26 september 1996 moet vaststellen en dus weigeren dat artikel toe te passen- de eerste rechter terecht heeft overwogen dat ook de openbare aanbestedingen evenzeer de openbare orde raken, nu zij essentieel zijn voor de goede werking van het staatsapparaat, waardoor het bijzonder juridisch statuut van deze aanbestedingen verantwoord is, en dus ook dat dit statuut op belangrijke punten afwijkt van het gemeen recht; - de nv MOURIK ten onrechte het onderscheid tussen openbare en private aannemingen betwist hoewel zij ervaring met openbare aanbestedingen heeft en zeer goed de draagwijdte van haar verplichtingen kent; - het KB van 26 september 1996 de juridische verhouding tussen de partijen regelt en het te dezen om het opleggen van een strafsanctie en niet om een schadevergoeding gaat, derhalve de vraag naar de verhouding met de potentiële schade zich niet stelt, en de rechter ter zake géén matigingsbevoegdheid heeft; - wat betreft de vordering in ondergeschikte orde van de nv MOURIK -om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) omtrent het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in verband met het verschil van behandeling tussen een private aanneming en een overheidsopdracht, meer bepaald waar de toepassing van artikel 6 § 2 van het KB van 26 september 1996 inzake overheidsopdrachten de toe te passen boete meer kan belopen dan de potentiële schade ingevolge de betrokken wanprestatie- er aangenomen dient te worden dat naar luid van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof), het hof de opgeworpen prejudiciële vraag niet aan het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) moet stellen, wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1, klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het hof meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen. Bij de beoordeling van de afwezigheid van een klaarblijkelijke schending moet het hof derhalve noodzakelijk een onderzoek op het eerste gezicht van de beweerde schending doen. Te dezen is het hof van oordeel dat een onderscheid kan gemaakt worden tussen de uit de wet voortvloeiende verbintenissen van inschrijvers op een openbare aanbesteding en de wettelijke verbintenissen van contractanten in gemeenrechtelijke overeenkomsten die niet door de regels en doelstellingen van het openbaar belang beheerst zijn, en dat zulks klaarblijkelijk geen schending inhoudt van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel van artikelen 10 en 11 van de Grondwet zodat er dienvolgens geen aanleiding is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Aan het voormelde kan nog worden toegevoegd wat volgt: - Inzake overheidsopdrachten voor aannemingen van openbare werken, zoals te dezen, kiest de overheid niet vrij haar aannemer zoals men dat inzake private aannemingswerken wél kan doen. - De overheid is ter zake gebonden aan de essentiële principes van de gelijke mededinging. De deelnemende aannemers dienen op voet van gelijkheid te worden behandeld en dienen derhalve ook gelijk te worden behandeld wat betreft de mogelijke boetes. Alle deelnemende aannemers dienen te weten wat de boete zal zijn wanneer de verplichte borgstelling door hen niet tijdig zal worden gedaan. - Wanneer de overheid eenzijdig en zonder dat het genot daarvan op gelijke wijze aan alle deelnemende aannemers is/kan worden gegarandeerd het doen van de borgstelling steeds opnieuw zou kunnen uitstellen en/of de erop toepasselijke boete ingeval van laattijdige borgstelling zomaar zou kunnen verminderen, komt zulks in strijd voor met de principes van gelijke mededinging die de overheidsopdrachten voor aanneming van openbare werken beheersen en op grond ondermeer waarvan het ter zake toepasselijke art. 6§2 AAV, dat inderdaad het openbaar belang, met repercussies op de overheidsfinanciën, betreft, als van openbare orde moet worden beschouwd. Ook de rechter kan in zijn beoordeling van de geschillen niet tot vermindering van deze wettelijke boete beslissen en aldus de ongelijkheid tussen de inschrijvers in de hand werken. - Het gaat hier in wezen om een administratieve sanctie die op vaste en gelijke wijze, op voorhand gekend, moet worden toegepast op de mededingers en waarop de principes van de goede trouw in de zin zoals te dezen gehanteerd door de nv MOURIK evenals de principes van art. 1231 B.W. betrekkelijk schade- en/of strafbedingen van het gemeen privaatrecht te dezen niet voor mogelijke toepassing vatbaar blijken nu zij het gelijke mededingingsrecht en de op voorhand gegarandeerde gelijke toepassing op alle mededingers in de weg staan. Anders oordelen en afwijkingen wegens goede trouw of op grond van art. 1231 B.W. toestaan zou er uiteindelijk kunnen toe leiden dat op sommige aannemers van openbare werken de boete in kwestie onverkort wordt toegepast en op andere aannemers deze boete sterk wordt afgeslankt, wat in deze materie van overheidsopdrachten voor openbare werken niet aanvaardbaar is. - De nv MOURIK negeert compleet het verschil tussen openbare en private aanbestedingen en poogt op die wijze een wettelijk referentiekader te introduceren dat te dezen inzake de openbare aanbestedingen niet van toepassing kan zijn. - Er is derhalve ook geen reden tot het stellen van de door de nv MOURIK gesuggereerde prejudiciële vraag aan het grondwettelijk hof want de openbare aanbesteding verdraagt niet dat er de gemeenrechtelijke eenzijdige matiging op wordt toegepast. - De boete in kwestie is daarenboven zonder twijfel redelijk, evenredig want wettelijk geplafonneerd op 2 % van het bedrag van de oorspronkelijke aannemingsom. - De boete in kwestie dringt zich, volgens de bewoordingen van art. 6§2 AAV, op de wijze waarop dit is gelibelleerd en dient te worden toegepast, te dezen van rechtswege en zonder ingebrekestelling op en laat geen ruimte voor een verplichte voorafgaande hoorplicht. - Voor de goede orde wordt erop gewezen dat het gebruik van de terminologie ‘van ambtswege' in art. 6§1 AAV geenszins wil zeggen dat deze boete zou gelijkstaan met een ambtshalve maatregel (zoals deze (beperkend) worden opgesomd in art. 20§6 AAV) en waarvoor voorafgaandelijk zou dienen in gebreke gesteld te worden. Het is en blijft naar haar aard een boete die het bestuur evenwel, indien aan de voorwaarden is voldaan, van ambtswege dient toe te passen en die zich alsdan opdringt van rechtswege en zonder voorafgaande ingebrekestelling. - De verwijzing van de nv MOURIK naar art. 7 AAV is niet ter zake. Art. 7 heeft het over ‘vertraging wegens laattijdige uitvoering of gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de opdracht, ontbinding of verbreking ervan..'. waaruit duidelijk blijkt dat dit artikel betrekking heeft op en in verband staat met de uitvoering van de gegunde werken zelf en het hier niet gaat om de verplichting tot borgstelling waarover in art. 6§§1 en 2 AAV wordt gehandeld. De BELGISCHE STAAT heeft een correcte toepassing gemaakt van de boete wegens het te laat stellen van borg door de aannemer nv MOURIK en de eerste rechter heeft terecht het correct handelen van de BELGISCHE STAAT in het bestreden vonnis aangenomen. Ten onrechte wil de nv MOURIK thans nog steeds opwerpen dat de BELGISCHE STAAT het bedrag van de boete niet mocht inhouden op haar factuur voor de uitgevoerde werken, zoals is gebeurd. Waar art 6§2 AAV het van ambtswege afhouden van de borg op de voor de beschouwde opdracht verschuldigde bedragen voorziet mag aangenomen worden dat dit eveneens geldt voor het aankleven van de borg onder vorm van de van rechtswege en zonder ingebrekestelling geldende boete wegens het laattijdig borgstellen. Minstens zou de rechter tot gerechtelijke schuldvergelijking tussen het door het bestuur voor de werken aan de aannemer verschuldigde en het door de aannemer aan het bestuur verschuldigde wegens de boete voor de laattijdige borgstelling dienen over te gaan, wat dan tot hetzelfde resultaat zou leiden. 2.
  20. In deze instantie en voor dit hof zijn alle gevolgen aan de orde van de vernietiging door het hof van cassatie van het arrest van 29 november 2004 van de aanvullende kamer 20S van het hof van beroep te Brussel. Wanneer de BELGISCHE STAAT door overlegging van het rekeninguittreksel desbetreffend aantoont dat zij naar aanleiding van het van het voornoemde arrest van het hof van beroep te Brussel reeds was overgegaan tot het betalen van een bedrag van minstens euro 20.738,45, en de nv MOURIK de ontvangst van dit bedrag eigenlijk niet betwist, kan de BELGISCHE STAAT alhier met succes voorhouden dat zij deze betaling, gezien de vernietiging achteraf door het arrest van het hof van cassatie, eigenlijk onverschuldigd deed aan de nv MOURIK, die desbetreffend niet haar schuldenaar was en zij kan deze som terugvorderden van de nv MOURIK. Het gaat desbetreffend duidelijk niet om een nieuwe en ontoelaatbare vordering voor het eerst in instantie van hoger beroep ingesteld, maar om een nog te regelen gevolg van de vernietiging van het arrest van 29 november 2004 van de aanvullende kamer 20S van het hof van beroep te Brussel, dat alhier ter beslechting kan worden voorgelegd en waarvan deze kamer van dit hof, gezien de samenhang met het aan haar oordeel overgelegde hoger beroep, bevoegd is om erover te oordelen. Aangezien de nv MOURIK evenwel niet te kwader trouw kan geacht worden bij de ontvangst van de som is zij slechts tot het betalen van intrest aan het wettelijk tarief gehouden vanaf de eerste ingebrekestelling tot terugbetaling, waarvan zij in syntheseconclusies op 21 februari 2008 ter griffie van dit hof neergelegd voorhoudt op p. 11 dat dit op 30 maart 2007 was (cf. art. 1378 B.W. a contrario). 2.
  21. Als bezwijkende partij staat de nv MOURIK in voor alle kosten, die door de eerste rechter aan de zijde van de BELGISCHE STAAT wat betreft de eerste aanleg correct werden begroot aan het tarief van toepassing op het ogenblik van zijn eindbeslissing; de door de eerste rechter gehanteerde en bevestigde tarieven worden thans in het dictum enkel omgezet in euro (toentertijd werden zij uitgedrukt in de alsdan nog in voege zijnde BEF). Er is verder slechts één instantie van hoger beroep, zelfs al werd zij te dezen onderbroken door het arrest van het hof van cassatie en geschiedde zij nadien voor een ander hof van beroep dan initieel het geval was. Sinds 1 januari 2008 zijn de wet van 21 april 2007 en het uitvoering- KB van 26 oktober 2007 van kracht en wordt de rechtsplegingvergoeding, als forfaitaire tegemoetkoming voor de kosten en erelonen verbonden aan de bijstand van de raadsman, begroot aan het basistarief ter zake, geen redenen voorhanden zijnde om daarvan af te wijken. Namens de BELGISCHE STAAT wordt de aanspraak op een rechtsplegingvergoeding van euro 2.000,00 voor de procedure in cassatie (zijnde het basistarief na het in voege treden van de wet van 21 april 2007 en van het uitvoering - KB van 26 oktober 2007), daar waar het cassatiearrest reeds van voordien, meer bepaald van 8 september 2006 dateert en de cassatieprocedure in essentie schriftelijk geschiedt en geen bodemprocedure uitmaakt, niet verantwoord. Er is geen aanleiding om deze gevorderde rechtsplegingvergoeding voor de procedure in cassatie toe te staan. Om deze redenen, het hof, recht doende op tegenspraak en met toepassing van art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Wijst het hoger beroep af als ongegrond en bevestigt om voormelde redenen het bestreden vonnis van 11 september 2000 van de eerste rechter. Verklaart de tussenvordering van de BELGISCHE STAAT ontvankelijk en gegrond als volgt en veroordeelt de nv MOURIK tot terugbetaling aan de BELGISCHE STAAT van de onverschuldigd ontvangen som van euro 20.738,45, te vermeerderen met de rente aan de wettelijke intrestvoet vanaf 30 maart 2007 tot de integrale terugbetaling. Verwijst de nv MOURIK in alle kosten van alle instanties, aan haar zijde geen verdere begroting behoevend en aan de zijde van de BELGISCHE STAAT, uitgaande van dezes begroting en met inachtneming van de principes uiteengezet onder 2.3., door het hof begroot op: - rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 319,78 - expeditie arrest hof van cassatie: euro 43,47 - betekening cassatiearrest met dagvaarding na verwijzing: euro 377,94 - rechtsplegingvergoeding hoger beroep (basistarief): euro 2.000,-. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op dertig januari tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060908.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.