id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090130.9 Rolnummer: 2007/AR/1040 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-06-04 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 19:04 Fiche De partijen worden bij tussenarrest uitgenodigd duidelijkheid te scheppen en stukken voor te leggen zoals plannen, bouwvergunning, bestek, volledige en correcte afrekening, foto's. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Algemeen Vrije woorden: Aanneming - Gebrekkige uitvoering. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 30-01-2009 tussenarrest heropening debatten 23.09.2011 12.00 uur 2007/AR/1040 in de zaak van: D. J., wonende te ingeschreven met KBO-nummer , appellant, hebbende als raadsman mr. BURSSENS Frank, advocaat te 9000 GENT, Burgstraat 38 A tegen:
- B. B., wonende te aangezegde partij, hebbende als raadsman mr. MOENS Walter, advocaat te 9000 GENT, Burggravenlaan 1
- V. V. N., wonende te ingeschreven met KBO-nummer geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. MOENS Walter, advocaat te 9000 GENT, Burggravenlaan 1 velt het Hof het volgend arrest: Het hof heeft de partijen gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands in hun middelen en conclusies en heeft de stukken ingezien.
- De appellant heeft tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op tegenspraak werd uitgesproken door de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Gent d.d. 29 januari
- Hierin werd de hoofdvordering niet ontvankelijk verklaard voor zover ze uitging van B. B.. De hoofdvordering van de geïntimeerde werd ontvankelijk en grotendeels gegrond verklaard in die zin dat de appellant werd veroordeeld om aan de geïntimeerde te betalen het bedrag van 3.874,42 euro, te vermeerderen met de BTW, alsmede het bedrag van 500,00 euro, bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de dag van de inleiding van de vordering tot de dag van de algehele betaling. De tegeneis van de appellant werd ontvankelijk verklaard, doch als ongegrond afgewezen. De appellant werd verwezen in de nader aan de zijde van de geïntimeerde bepaalde gedingkosten. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad ongeacht de aanwending van welk rechtsmiddel ook en zonder borgstelling.
- Met zijn hoger beroep beoogt de appellant de oorspronkelijke vordering te doen afwijzen als ontoelaatbaar, minstens als ongegrond en zijn oorspronkelijke tegenvordering gegrond te doen verklaren. Hij vordert aldus dat het bestreden vonnis wordt teniet gedaan en dat de geïntimeerde wordt veroordeeld om hem te betalen het bedrag van 959,33 EUR (BTW medecontractant art. 20 KB nr. 1), te vermeerderen met de gerechtelijke intresten tot de datum van de algehele betaling en met de nader aan zijn zijde bepaalde gedingkosten. De geïntimeerde concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. B.B. vordert op incidenteel beroep dat voor recht wordt gezegd dat de oorspronkelijke vordering ook wat hem betreft ontvankelijk en gegrond is. De geïntimeerde vordert op incidenteel beroep, samen met B.B., dat de appellant wordt veroordeeld om hen te betalen het bedrag van 6.997,00 euro, te vermeerderen met de BTW uit hoofde van herstellingswerken alsook het bedrag van 4.250,00 euro schadevergoeding wegens gebruiksderving, bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en alle gedingkosten. In ondergeschikte orde vordert zij, evenals de geïntimeerde B., verder te worden toegelaten door alle middelen van recht te bewijzen dat: - architect B. toezicht heeft uitgeoefend op de door de appellant uitgevoerde werken, dat er werfvergaderingen werden gehouden en dat de appellant werd gewezen op gebreken en tekortkomingen; - aan de appellant de mogelijkheid werd gegeven de vastgestelde gebreken zelf te herstellen, doch dat deze geweigerd heeft.
- De procedure. Hoewel B.B. in de beroepsakte werd vermeld als partij in eerste aanleg, heeft de appellant uitdrukkelijk te kennen gegeven geen hoger beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de eerste rechter waar deze de vordering van B.B. heeft afgewezen als niet ontvankelijk. Aldus werd er in deze instantie niets gevorderd van B.B.. Het is vaste cassatierechtspraak dat een partij in het geding in eerste aanleg, die niet in hoger beroep is gekomen, noch daarin werd gedagvaard en die noch vrijwillig, noch gedwongen is tussengekomen, geen partij is voor de rechter in hoger beroep, ook al is die partij verschenen en werd er door en tegen hem geconcludeerd. De hoedanigheid van partij in hoger beroep wordt evenmin verworven doordat de griffier een exemplaar van het verzoekschrift in hoger beroep ter kennis brengt aan iemand die in eerste aanleg procespartij was, maar waartegen het hoofdberoep niet is gericht. (P. Taelman en K. Piteus: Dynamiek en evolutie van het geding in hoger beroep, P.U.C. Delva 2002-2003, p. 357). Incidenteel beroep kan overeenkomstig artikel 1054 Ger.W. uitsluitende worden ingesteld door de gedaagde in hoger beroep, dit is door diegene tegen wie een ontvankelijk hoofdberoep werd ingesteld. Niet als "gedaagde in hoger beroep" te kwalificeren is de partij die via het hoofdberoep in het appelgeding wordt betrokken zonder dat evenwel iets van haar wordt gevorderd. Dientengevolge is het incidenteel beroep uitgaande van B.B. niet ontvankelijk. Het principaal beroep van J. D. en het incidenteel beroep van N. V. V. zijn ontvankelijk. Er worden door de partijen dienaangaande geen middelen van niet ontvankelijkheid aangevoerd en er zijn evenmin ambtshalve op te werpen middelen in die zin. 4.
- De eerste rechter heeft bondig doch correct en volledig de betwistingen, de onderscheiden vorderingen en de voor hem ingeroepen middelen uiteengezet. In de mate dat zij voor de beslechting ervan alhier van belang en relevant zijn wordt deze uiteenzetting - die door geen der partijen wordt betwist - door het hof tot de zijne gemaakt teneinde nutteloze herhaling te vermijden. In het kort kan alhier herhaald worden dat er in de woning van de geïntimeerde, waaraan door de appellant in de periode 2000 - 2001 overeenkomstig de plannen van architect B. een bijgebouw met terras werd opgericht, vochtproblemen zijn gerezen, die blijkens de in kort geding bij beschikking van 22 oktober 2004 aangestelde gerechtsdeskundige (arch. Inghelram/Gent) veroorzaakt werden door het niet correct uitvoeren van de waterkering. De eerste rechter heeft de conclusies van de gerechtsdeskundige desbetreffend overgenomen op de p. 4 en 5 van het bestreden vonnis. Het volstaat daarnaar te verwijzen. 4.
- De grieven van de partijen zijn grotendeels een herhaling van de argumenten die zij voor de eerste rechter hebben aangevoerd. 5.
- De appellant stelt ook in deze instantie dat de vordering van de geïntimeerde niet ontvankelijk is omdat zij werken heeft laten uitvoeren zonder het toezicht of controle daarop door een architect, hetgeen een inbreuk uitmaakt op de architectenwet van 20 februari
- Voormelde wet bepaalt onder artikel 4 dat de medewerking van een architect verplicht is voor het opmaken van de plannen en de controle op de uitvoering van de werken voor dewelke door de wetten, besluiten en reglementen, een voorafgaandelijke aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Deze wetgeving is van openbare orde en moet door de rechter desnoods ambtshalve worden opgeworpen. De omstandigheid (indien voorhanden) dat de geïntimeerde zou gebouwd hebben zonder de controle van een architect, heeft als gevolg dat de aannemingovereenkomst nietig zou dienen te worden verklaard. 5.
- Vooralsnog levert de geïntimeerde niet het bewijs dat de werken werden uitgevoerd onder de controle van een architect. Weliswaar ligt er een architectenovereenkomst voor met architect C. B. (), voor het "bouwen van een garage en veranda". Er worden evenwel geen werfverslagen overgelegd; er ligt kennelijk ook geen briefwisseling of enig ander gegeven voor waaruit kan blijken dat de architect toezicht heeft gehouden. Aan de hand van de overgelegde stukken blijkt enkel dat de architectenovereenkomst ondertekend is op de datum waarop ook de definitieve plannen werden opgesteld (1 april 2000) en dat die plannen gediend hebben tot het bekomen van de stedenbouwkundige vergunning. Er werd een ereloon van 25.000 BEF (thans 619,73 euro) overeengekomen terwijl de werken volgens de aannemingovereenkomst zouden worden uitgevoerd voor een prijs van 891.390 BEF (thans 22.096,98 euro). De aannemer heeft in het totaal slechs gefactureerd: 550.000 BEF (excl. BTW), thans 13.634,14 euro. De facturen werden gericht aan Mw. V. V. N., N. B.-e. te . De facturen van 14.12.2000 en van 26.02.2001 vermelden "BTW wordt voldaan door medecontractant volgens KB nr. 1, artikel 20". Deze facturen zijn helemaal niet gedetailleerd. Op 7 juli 2002 heeft de aannemer nog 500,00 euro + 105,00 euro BTW gefactureerd voor "pleisterwerken met de hulp van de eigenaar". Het komt passend voor dat de geïntimeerde het bewijs voorlegt van haar betalingen aan de architect, minstens dat zij aantoont wanneer het ereloon werd betaald. Zij wordt ook uitgenodigd het volledige stedenbouwkundige dossier (inhoudende de goedgekeurde plannen, aanvraag stedenbouwkundige vergunning en de vergunning) over te leggen. Zo er een bestek werd opgesteld, worden de partijen verzocht dit eveneens over te leggen.
- Uit de conclusies van de partijen en de ter zitting gevoerde debatten is gebleken dat er belangrijke wijzigingen aan het ontwerp zouden zijn aangebracht. Volgens de voorliggende plannen van de architect moest het bijgebouw dienstig zijn als garage. Uit de debatten is gebleken dat er in plaats daarvan een schoonheidssalon zou zijn ingericht. In het deskundig verslag van architect Inghelram is er sprake van "behandelingskamer" met badinstallatie (zie ook de brief uitgaande van de raadsman van geïntimeerde d.d. 10 februari 2005). Op de terechtzitting werd ambtshalve de vraag gesteld of er - rekening houdende met de werkelijk uitgevoerde werken - een nieuwe stedenbouwkundige vergunning diende te worden bekomen. Daarop kwam er geen eenduidig antwoord. Aan de hand van de thans overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt welke werken er daadwerkelijk werden uitgevoerd en waar er werd afgeweken van de goedgekeurde plannen. Alvorens verder te oordelen komt het passend over dat de partijen dienaangaande duidelijkheid scheppen en dat zij duidelijk beschrijven waar er werd afgeweken van de goedgekeurde plannen. De partijen worden verder uitgenodigd de plannen overeenkomstig hetgeen er effectief werd gebouwd over te leggen (as built). De partijen worden verder uitgenodigd de volledige en correcte afrekening van de werken over te leggen evenals de bewijzen van de betaling ervan. De geïntimeerde zal foto's overleggen van de gerealiseerde bouwwerken (zowel aan de buitenzijde als aan de binnenzijde van het gebouw). De partijen worden uitgenodigd standpunt in te nemen of er voor dergelijke afwijking van de bouwplannen er een nieuwe stedenbouwkundige vergunning diende te worden aangevraagd en nopens de gevolgen van het desgevallend bouwen in afwijking van de goedgekeurde stedenbouwkundige vergunning. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak. In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni
- Verklaart het hoger beroep van J. D. en het incidenteel beroep van N. V. V. ontvankelijk. Verklaart het incidenteel beroep van B.B. niet ontvankelijk. Alvorens verder te oordelen, heropent ambtshalve de debatten en nodigt de partijen uit te handelen zoals hiervoor uiteengezet in de randnummers 5 en 6 van het overwegend gedeelte van onderhavig arrest. Verstaat dat de partijen de hiervoor bedoelde stukken aan mekaar zullen uitwisselen uiterlijk tegen 30 mei
- Zegt dat de appellant conclusies zal neerleggen tegen uiterlijk 30 december 2009; Zegt dat de geïntimeerde conclusies zal neerleggen tegen uiterlijk 30 juni 2010; Zegt dat de appellant een antwoordconclusie kan neerleggen tegen uiterlijk 30 oktober 2010; Zegt dat de geïntimeerde een wederantwoordconclusie kan neerleggen tegen uiterlijk 30 januari
- Zegt dat de partijen een allesomvattende conclusie (art. 748bis Ger.W.) kunnen neerleggen tegen uiterlijk 30.06.2011 Stelt de zaak opnieuw vast voor een tegensprekelijk debat op de zitting van 23.09.2011 om 12.00 uur. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op dertig januari tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div