← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090202.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090202.4 Rolnummer: 2006/AR/286 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 19:04 Fiche Kosten van juridische bijstand vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 - Kosten begroot op grond van de artt. 1149-1151 BW als element van de contractuele schadevergoeding. Gedingkosten hoger beroep - Toepassing wet 21 april

  1. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - JURIDISCHE BIJSTAND - Algemeen (juridische bijstand) Vrije woorden: Kosten juridische bijstand - Vergoeding. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 02-02 2009 Nr. 2006/AR/286 ---------------------- NA TUSSENARREST in de zaak van : B.V.B.A. NAUSIKAA, met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare, Mariastraat 16 en met ondernemingsnummer 0444 872 088, appellante van het vonnis van 6 september 2005 gewezen door de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Brugge, hebbende als raadsman mr. Antoine Van Eeckhout, advocaat met kantoor te 8800 Roeselare, Henri Horriestraat 44-46, tegen N.V. L. MAENE, met maatschappelijke zetel te 8200 Brugge, Lieven Bauwensstraat 45, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nr. 42.483 en met ondernemingsnummer 0416 062 692, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Caroline D'Hooghe, advocaat met kantoor te 8200 Brugge, Torhoutsesteenweg 477, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep
  2. Op 25 juni 2007 verleende het Hof een tussenarrest waarbij het, naast de beoordeling van zowel het principaal als incidenteel hoger beroep, de zaak overeenkomstig artikel 1068 Ger.W. naar zich trok voor de verdere afhandeling en definitieve begroting van de aan N.V. L. MAENE toegekende en provisioneel op 1,00 EUR begrote vergoeding voor de kosten van juridische bijstand en de zaak voor verdere afhandeling naar de rol verzond. Het Hof hield tevens de beslissing omtrent de gedingkosten van het hoger beroep aan. Partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten. Geen van hen legde na tussenarrest nog stukken voor. Voorwerp van de betwisting na het tussenarrest van 25 juni 2007
  3. N.V. L. MAENE is van oordeel dat het uitblijven van een minnelijke regeling met betrekking tot de vergoeding van de kosten en erelonen van haar raadsman, een gerechtelijke beslissing hieromtrent noodzakelijk maakt. Zij begroot de staat van onkosten en erelonen van haar raadsman op een bedrag van 4.857,20 EUR en vordert de veroordeling van B.V.B.A. NAUSIKAA tot betaling van dit bedrag meer de vergoedende intresten vanaf 06.02.2006, de gerechtelijke intresten en de kosten van de beide instanties, deze laatste gezamenlijk begroot op een bedrag van 2.661,53 EUR. Louter ondergeschikt - enkel voor zover het Hof mocht van oordeel zijn dat de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat dient te worden toegepast - vordert N.V. L. MAENE de toekenning van de maximum rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 EUR gelet op de complexiteit van de zaak. N.V. L. MAENE is tenslotte van oordeel dat er geen sprake kan zijn van compensatie van de rechtsplegingsvergoedingen.
  4. B.V.B.A. NAUSIKAA verwijst naar de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en vordert in hoofdorde dat de rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen nu beide partijen in het tussenarrest van 25 juni 2007 omtrent een geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld. Ondergeschikt wijst B.V.B.A. NAUSIKAA erop dat : - de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de in het gelijk gestelde partij, - door de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding de kosten en erelonen van een advocaat op geen andere wijze kunnen worden verhaald op de in het ongelijk gestelde partij, - de kosten en erelonen van een advocaat geen onderdeel meer kunnen uitmaken van een gevorderde schadevergoeding - de vordering van N.V. L. MAENE dient te worden herleid tot een bedrag van hoogstens 400,00 EUR. Beoordeling
  5. De overblijvende betwistingen na het tussenarrest van 25 juni 2007 De overblijvende betwistingen na het tussenarrest van 25 juni 2007 betreffen : - de verdere afhandeling en begroting van de aan NV L. MAENE toegekende en provisioneel op 1,00 EUR begrote vergoeding voor de kosten van juridische bijstand, - de beslissing omtrent de gedingkosten van het hoger beroep.
  6. De toepasselijke rechtsregels 5.
  7. De vergoeding voor de kosten van juridische bijstand Voor wat de kosten van juridische bijstand betreft verwijst N.V. L. MAENE vruchteloos naar de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Artikel 13 van de voormelde wet bepaalt : "De artikelen 2 tot 12 zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden." Voormelde wet van 21 april 2007 (B.S. 31 mei 2007) en het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007 (B.S. 9 november 2007) zijn in werking getreden op 1 januari
  8. Met het tussenarrest van 25 juni 2007 - dit is vòòr de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 en vòòr de totstandkoming van het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007 - oordeelde het Hof onder randnummer 5.
  9. dat door de eerste rechter terecht een vergoeding voor de kosten van juridische bijstand werd toegekend en deze op 1,00 EUR provisioneel begrootte. Met dit tussenarrest bevestigde het Hof het bestreden vonnis op dit punt en trok het de zaak naar zich voor de verdere afhandeling en definitieve begroting van de toegekende 1,00 EUR provisie. Het beginsel van de vergoeding van de kosten van juridische bijstand werd aldus vastgelegd en wel op grond de artikelen 1149 - 1151 B.W., als element van de contractuele schadevergoeding. Het Hof heeft hiermee over dit geschilpunt zijn rechtsmacht volledig uitgeoefend. Enkel de begroting van de principiëel toegekende vergoeding werd voorlopig opengelaten. In navolging van de cassatiearresten van 28 februari 2002, 2 september 2004 en 16 november 2006 is dit oordeel gebaseerd op het foutcriterium in de materieelrechtelijke verhouding tussen partijen. De vergoeding voor de kosten en erelonen van advocaten is een onderdeel van de schadevergoeding voor de fout die de in het ongelijk gestelde partij heeft begaan in de verhouding tussen de partijen, die de inzet vormt van het rechtsgeding. Artikel 19, lid 1 Ger.W. (mutatis mutandis van toepassing op de procedure in hoger beroep) bepaalt dat een vonnis een eindvonnis is in zover daarmee de rechtsmacht van de rechter is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Het nieuwe artikel 1022 Ger.W. en artikel 13 van de wet van 21 april 2007 kunnen niet beschouwd worden als een rechtsmiddel in de zin van artikel 19, lid 1 Ger.W., zodat het Hof nu de begroting van de provisioneel voor 1,00 EUR toegekende vergoeding voor juridische bijstand niet kan gronden op de bepalingen van de wet van 21 april
  10. (Gent, 8 september 2008, NJW, 2008,697) 5.
  11. De gedingkosten van het hoger beroep Anders ligt het voor wat de gedingkosten van het hoger beroep betreft. In het tussenarrest van 25 juni 2007 heeft het Hof de beslissing omtrent de gedingkosten van het hoger beroep aangehouden en aldus zijn rechtsmacht hieromtrent nog niet uitgeoefend. Vermits het punt van de gedingkosten van het hoger beroep niet vòòr 1 januari 2008 werd beslecht, dient het Hof voor de beoordeling en de begroting van de gedingkosten van het hoger beroep thans toepassing te maken van de voormelde wet van 21 april 2007 en het uitvoeringbesluit van 26 oktober
  12. Dit houdt meteen in dat voor de gedingkosten van het hoger beroep enkel de door de wet en het uitvoeringsbesluit voorziene forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij in aanmerking kan worden genomen. Overeenkomstig het nieuwe artikel 1022 in fina Ger.W. kan immers geen partij boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij. Geen enkele procespartij kan met andere woorden worden veroordeeld tot een bijkomende vergoeding, indien zou blijken dat de winnende partij hogere kosten en erelonen aan haar advocaat heeft betaald dan de rechtsplegingsvergoeding waarop zij aanspraak kan maken. De mogelijkheid om de kosten om te slaan, zoals voorzien in artikel 1017 Ger.W., blijft ook na de wet van 21 april en het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007 behouden.
  13. De concrete toepassing van voormelde rechtsregels 6.
  14. De vergoeding voor de kosten van juridische bijstand N.V. L. MAENE vordert de toekenning van een bedrag van 4.857,20 EUR meer intresten, en steunt zich daarbij op de staat van onkosten en ereloon van haar raadsman die als volgt wordt begroot : "Ereloon : - uurloon aan 100,00 EUR/uur - 34,50 uur - 21 blz. besluiten 1°A, 11 blz. in beroep - 4 vacaties voor behandeling - 2 vacaties expertise - 5 besprekingen - 89 brieven 3.450,00 EUR Kosten : - dossier 70,00 EUR - verplaatsingen (exp.-beroep) 91,00 EUR - briefwisseling 890,00 EUR - typewerk akten-besluiten 320,00 EUR - faxgebruik 21,60 EUR - telefoon 6,20 EUR - kopies 8,40 EUR 4.857,20 EUR" Uit voormelde staat blijkt vooreerst dat deze zowel betrekking heeft op de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep. Wat hiervoor onder randnummer 5 werd uiteengezet verhindert het in aanmerking nemen van deze staat van onkosten en erelonen in de mate dat deze ook betrekking heeft op de kosten van het hoger beroep. Zoals hiervoor onder randnummer 5.
  15. in verband met de kosten van het hoger beroep werd uiteengezet, kan N.V. L. MAENE - onder voorbehoud van een mogelijk omslaan van de gedingkosten in toepassing van artikel 1017 Ger.W. - enkel aanspraak maken op de wettelijk voorziene forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat. De daadwerkelijke kosten - zelfs indien deze hoger zijn - komen niet relevant voor. Voor de definitieve begroting van de provisioneel op 1,00 EUR toegekende vergoeding inzake juridische bijstand kunnen dan ook enkel de kosten en erelonen in aanmerking worden genomen die betrekking hebben op de in eerste aanleg gevoerde procedure. Rekening houdend met de voormelde kosten- en ereloonstaat die geen duidelijke uitsplitsing tussen de in eerste aanleg en in hoger beroep geleverde prestaties bevat, de afwezigheid van stukken die toelaten de precieze aard en omvang van alle in rekening gebrachte prestaties te duiden, de louter cijfermatige betwisting waarbij B.V.B.A. NAUSIKAA voorhoudt dat hoogstens een bedrag van 400,00 EUR kan worden toegekend, begroot het Hof de aan N.V. L. MAENE toekomende vergoeding voor de kosten van juridische bijstand op een bedrag van 1.000,00 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 06 februari 2006 tot de dag van de volledige betaling. 6.
  16. De gedingkosten van het hoger beroep In haar besluiten na tussenarrest vordert N.V.L MAENE de veroordeling van B.V.B.A. NAUSIKAA tot de gedingkosten, als volgt begroot : - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 342,09 EUR - kostenvergoeding : 57,02 EUR - aanvullende rechtsplegingsvergoeding : 57,02 EUR - expertisekosten : 1.681,41 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 476,97 EUR - aanvullende rechtsplegingsvergoeding : 57,02 EUR totaal : 2.661,53 EUR 6.2.
  17. Het Hof stelt terzake vooreerst vast dat met het tussenarrest van 25 juni 2007 : - het bestreden vonnis werd bevestigd op een aanpassing van de toegekende intresten na, - enkel nog de begroting van de principiëel toegekende vergoeding voor de kosten van juridische bijstand voorlopig werd opengelaten, alsook de beslissing omtrent de kosten van het hoger beroep werd aangehouden. In de gegeven omstandigheden kan het Hof thans niet terugkomen op de beslissing van de eerste rechter met betrekking tot de gedingkosten van de procedure a quo. Voor wat de thans door N.V. L. MAENE nog gevorderde expertisekosten betreft stelt het Hof overigens vast dat de eerste rechter B.V.B.A. NAUSIKAA reeds in deze expertisekosten verwees en het tussenarrest ook deze beslissing van de eerste rechter bevestigde (zie randnummer 5.
  18. tussenarrest) 6.2.
  19. Gelet op de zeer beperkte gegrondheid van het principaal hoger beroep en de ongegrondheid van het incidenteel hoger beroep, slaat het Hof de gedingkosten van het hoger beroep tussen partijen om en verwijst het elk van hen in de eigen kosten van het hoger beroep. In de gegeven omstandigheden komt een nadere cijfermatige vaststelling van deze kosten niet relevant voor zodat het Hof daartoe dan ook niet overgaat en ook de door partijen terzake gevorderde bedragen niet verder ontmoet. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Het tussenarrest van 25 juni 2007 verder uitwerkend, Veroordeelt B.V.B.A. NAUSIKAA om aan de N.V. L. MAENE te betalen, de som van 1.000,00 EUR in hoofdsom, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 06 februari 2006 tot de dag van de volledige betaling, Slaat de gedingkosten van het hoger beroep tussen partijen om en verwijst elk van hen in de eigen kosten van het hoger beroep, Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op twee februari tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.