id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090202.7 Rolnummer: 2007/AR/3112 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-04-16 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 19:05 Fiche Hoger beroep niet ontvankelijk, want strijdig met art. 24 van de wet van 15/06/1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken. - Bepaalde passages in de beroepsakte niet in de taal van de rechtspleging - Uitdrukkingen of gezegden waarvan mag worden aangenomen dat ze ingeburgerd zijn, moeten niet vertaald worden, (langere) citaten als argumenten moeten vertaald worden. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemeen (taalgebruik in gerechtzaken) Vrije woorden: Taalwet Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 02-02 2009 Nr. 2007/AR/3112 ------------------------ HOGER BEROEP ONONTVANKELIJK in de zaak van : R.R., , wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. Christoph D'Haese, advocaat met kantoor te 9300 Aalst, Graanmarkt 10, tegen
- N.V. PROTECT, met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Jetsesteenweg 221 en met ondernemingsnummer 0440.719.894, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Kristof Uytterhoeven, advocaat met kantoor te 2600 Berchem, Karmelietenstraat 10,
- Mr. M. G., advocaat met kantoor te , optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de B.V.B.A. RAADGEVEND INGENIEURSBURO IR E.G. LAUREYS BUREAU D'INGENIEUR CONSEIL, (afgekort RIBEL), met maatschappelijke zetel te 9300 Aalst, Bauwensplaats 1 bus 10, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde van 29 maart 2006, geïntimeerde q.q., in persoon verschijnende, velt het Hof volgend arrest : De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten. * Gezien het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 31 december 2007 tegen het vonnis d.d. 3 oktober 2007 gewezen door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, zevende kamer. Gezien het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie, bij monde van substituut-procureur-generaal Willem De Pauw, neergelegd op 22 december 2008 en aan de partijen ter kennis gebracht op 24 december 2008, waarop geen repliek meer is gevolgd. ANTECEDENTEN I. A. Met dagvaarding van 28 september 2006 vordert de NV Protect dat - de datum van staking van betaling in het faillissement van de BVBA Ribel zou worden vervroegd met zes maanden vóór de faillissementsdatum van 29 maart 2006, dus op 29 september 2005; - de heer R.R. o.m. op grond van art. 1382 B.W. zou worden veroordeeld tot betaling van 18.697,34 EUR, meer de intresten vanaf 30 maart
- Met betrekking tot de aanspraken die de NV Protect vordert ten opzichte van dhr.R.R., houdt de NV Protect voor wat volgt. De NV Protect is de verzekeraar beroepsaansprakelijkheid van de BVBA Ribel. De BVBA Ribel was als studiebureau betrokken bij de ruwbouw, wegenis, stabiliteit en de speciale technieken van twee werven te Kontich en te Nijvel. De bouwheer, de CV Redevco, vorderde in rechte voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen een schadevergoeding ten laste van de BVBA Ribel van in hoofdorde 1.624.328,08 EUR en in ondergeschikte orde een provisie van 1.000.000,00 EUR en de aanstelling van een deskundige. Tussen de NV Protect, de BVBA Ribel en de CV Redevco is op datum van 24 maart 2006 een dading tot stand gekomen waarbij de BVBA Ribel en de NV Protect erkenden dat er aan de CV Redevco een schadevergoeding verschuldigd was wegens tekortkomingen in de stabiliteitsstudie en andere aangelegenheden m.b.t. de beide werven te Kontich en te Nijvel. Een bedrag van 650.000,00 EUR werd overeengekomen als schadevergoeding ten voordele van de CV Redevco, te definitieven titel en tot slot van alle rekeningen. Dit bedrag zou worden betaald door de NV Protect uiterlijk 14 april
- In de dading werd ook vastgelegd dat de BVBA Ribel de vrijstelling van 18.697,34 EUR zou betalen aan de NV Protect binnen de 8 dagen na de ondertekening van de dadingovereenkomst. De BVBA Ribel is evenwel in staat van faillissement verklaard op 29 maart
- De NV Protect heeft aangifte gedaan in het passief van het faillissement voor het voormeld onbetaald gebleven vrijstellingsbedrag van 18.697,34 EUR. De zaakvoerder, dhr.R.R., kende de toestand van staking van betaling op 24 maart 2006, zijnde slechts vijf dagen voor de datum van de faillietverklaring. Dienomtrent poneert de NV Protect in de inleidende dagvaarding: " Dat gedaagden op het ogenblik van het sluiten van de dading zeer goed wisten dat de door gedaagden te betalen franchise ten bedrage van 18.697,34 EUR in het faillissement zou vallen en aldus bewust het faillissement bewust hebben uitgesteld, en verzoekster in de waan hebben gelaten van een schijn van vermogen op datum van de ondertekening van de dadingovereenkomst ". B. De eerste rechter stelt vast dat in het vonnis van faillietverklaring zélf d.d. 29 maart 2006 de datum van staking van betaling reeds is teruggebracht met twee maanden, nl. naar de datum van 29 januari
- Hij stelt vast dat de NV Protect geen enkel element naar voor brengt waaruit volgt dat de staking van betaling zich vroeger zou situeren en dat de NV Protect overigens in het motiverend gedeelte van haar besluiten nog enkel meer vordert dat de datum van staking van betaling zou behouden blijven op 29 januari
- Nopens de aanspraken ten laste van dhr.R.V., de appellant, overweegt de eerste rechter wat volgt: "
- De fout van de heer R. staat voldoende vast. Hij wist bij het ondertekenen van de dadingovereenkomst op 24 maart 2006 dat de BVBA Ribel de vrijstelling niet kon en zou betalen en heeft dit verzwegen aan zijn medecontractanten. Er moet worden aangenomen dat de NV Protect het bedrag van de vrijstelling niet uit eigen middelen zou hebben voorgeschoten indien zij kennis had van de staat van faillissement van de BVBA Ribel. De vordering van de NV Protect tegen de heer R. is gegrond. " De eerste rechter besluit dat de vordering van de NV Protect tot terugstelling van de datum van staking van betaling ongegrond is respectievelijk de vordering tot veroordeling van R.R. ontvankelijk en gegrond. R.R. wordt veroordeeld tot betaling van 18.697,34 EUR, meer de vergoedende en gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 30 maart 2006 tot de dag van betaling alsmede tot alle gerechtskosten. II. A. Zonder dit in het dispositief van zijn beroepsakte c.q. zijn besluiten te hernemen, vordert de appellant, dhr. R.R., de "hervorming" van het bestreden vonnis en de afwijzing van de vordering tot terugstelling van de datum van staking van betaling als ongegrond. Op een algemene wijze vraagt de appellant dat het vonnis a quo teniet zou worden gedaan en dat voor recht zou worden gezegd dat de initiële vordering "onontvankelijk en ongegrond is". Met betrekking tot de aanspraken die tegen hem worden geformuleerd en werden toegekend door de eerste rechter, werpt de appellant op dat - hij alles en tijdig gedaan heeft om aangifte te doen van het faillissement; - een eventuele niet-tijdige aangifte niet automatisch leidt tot zijn verantwoordelijkheid; hierbij verwijst hij naar een arrest van het Hof van Cassatie d.d. 22 december 1988 (R.P.S., 1989, nr. 6515, 180); - de NV Protect ingevolge art. 87 § 2 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst in de dading had kunnen doen bepalen dat de franchise rechtstreeks door de BVBA Ribel moest worden betaald aan de CV Redevco; - er geen fout, geen schade noch causaal verband is. B. De NV Protect vraagt de afwijzing van het hoger beroep als onontvankelijk, ontoelaatbaar, minstens als ongegrond. Zij werpt in eerste orde de ontoelaatbaarheid van de beroepsakte op wegens strijdigheid met de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verder stelt zij vast dat het faillissementsvonnis zelf de datum van staking van betaling reeds had teruggebracht tot 29 januari 2006 en dat het faillissementsvonnis kracht van gewijsde heeft. Nader ten gronde stelt zij vast dat de appellant de BVBA Ribel heeft voortgezet op een kennelijk onredelijke wijze. De appellant heeft in zijn aangifte van het faillissement van de BVBA Ribel zélf verklaard dat er sprake is van staking van betaling op 29 januari
- Hij had alsdan de boeken moeten neerleggen en niet nog twee maanden mogen wachten, wat strijdig is met art. 9 van de faillissementswet. Dit is een fout in de zin van art. 1382 B.W. Hij heeft 5 dagen voor het faillissement nog de dading afgesloten in de volle wetenschap dat de vennootschap haar in de dading ten opzichte van de NV Protect opgenomen verplichtingen, niet zou nakomen. C. De curator vraagt de afwijzing van het hoger beroep wat betreft de verplaatsing van de datum van staking van betaling, als ontvankelijk doch ongegrond. Hij poneert dat er geen enkel element is waaruit zou volgen dat de stakingsdatum van 29 januari 2006 zoals weerhouden in het faillissementsvonnis zou moeten worden aangepast. D. Het Openbaar Ministerie adviseert m.b.t. de in achtneming van de taalwetgeving, dat de exceptie als ongegrond zou worden afgewezen. De drie Franstalige citaten die niet zijn vertaald in het Nederlands, vormen geen grief op zich, noch een middel ter ondersteuning ervan, doch enkel een herhaling van wat de appellant reeds in het Nederlands had uiteengezet. De vordering tot verplaatsing van het tijdstip van staking van betaling is naar het advies van het Openbaar Ministerie als onontvankelijk af te wijzen. Hierbij wijst het Openbaar Ministerie onder meer naar het feit dat de eerste rechter niet gevat was tot wijziging van het faillissementsvonnis van 29 maart 2008 waarbij de stakingsdatum reeds was verplaatst. Ondergeschikt wijst het Openbaar Ministerie erop dat er niet eens sprake was van een tijdige bestrijding van het faillissementsvonnis in kwestie. BEOORDELING A. De akte van hoger beroep, zoals omschreven in art. 1057 Ger.W., moet gesteld worden in de taal van de bestreden beslissing, overeenkomstig art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Een akte van de rechtspleging moet worden geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte, in die taal zijn gesteld. Overeenkomstig art. 1057, 7° Ger.W. moet de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermelden, zodat de akte van hoger beroep de uiteenzetting van de grieven in de akte van hoger beroep in de taal van de rechtspleging moet vermelden. De appellant oordeelt zelf hoe gedetailleerd zij haar grieven in de akte van hoger beroep uiteenzet. Indien de akte van hoger beroep eveneens argumenten ter ondersteuning van de grieven bevat, behoren zij tot de grieven die in het debat worden gebracht; van die argumenten moeten de geïntimeerden kennis kunnen nemen in de taal van de rechtspleging, in casu in het Nederlands. Cf. Cass., 18 oktober 2004, R.W., 2005-2006, 547-548, met noot van Jean Laenens B. De appellant citeert op het vierde blad van haar beroepsakte drie citaten in de Franse taal, genomen uit een handboek. Zij zijn dusdanig opgenomen dat zij als argumenten overkomen tot ondersteuning van de grieven; zij worden op geen enkele wijze vertaald. De appellant onderstreept een drietal maal onderdelen van de geciteerde passages en vermeldt erbij dat het "eigen markering" betreft. Hiermee blijkt de appellant het belang van de citaten als argumenten te accentueren. De Franstalige citaten zijn geen uitdrukkingen of gezegden, waarvan in alle redelijkheid mag worden aangenomen dat zij ingeburgerd zijn in het gewone taalgebruik of in de sector waarin de betwistingen zich afspelen. Binnen het kader van uitdrukkingen en gezegden moet er soepel worden geoordeeld. De citaten die de appellant opneemt in de beroepsakte zijn evenwel geen uitdrukkingen of gezegden. Dat de kwestieuze citaten in grote mate een herneming uitmaken van wat elders in de beroepsakte is uiteengezet, nl. dat de terugplaatsing van de datum van staking van betaling geen automatisme mag zijn, kan juist zijn, doch is, binnen het kader van de stringente taalwetgeving niet aan de orde. De geïntimeerden moeten, binnen het kader van de toepasselijke taalwetgeving, van alle argumenten kennis kunnen nemen in de taal van de rechtspleging, of zij de andere taal die is gebruikt, kennen of niet kennen. De beroepsakte is bijgevolg als strijdig te aanzien met art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en bijgevolg nietig met toepassing van art. 40 van dezelfde wet. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de beroepsakte nietig wegens strijdigheid met de Wet van 15 juni 1935 en het hoger beroep bijgevolg onontvankelijk. Veroordeelt de heer R.R. tot de gerechtskosten verbonden aan onderhavige beroepsprocedure, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan zijn zijde daar zij te zijnen laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van de NV Protect op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van Meester M. G. q.q. op nihil. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op twee februari tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div