← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090203.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090203.6 Rolnummer: 1997/AR/2471 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-03-30 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 19:06 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (fiscaal recht - algemene beginselen) Vrije woorden: Een forfaitaire regeling voor de grondslagen van aanslag inzake BTW moet als een geheel worden toegepast. Wanneer geen afwijkende bijzondere forfaitaire regeling met de bedrijfsgroeperingen werd vastgelegd, kan de belastingplichtige, die vooraf geen individueel forfait bedong met de administratie, geen afwijking bekomen van die forfaitaire regeling ook al beschikt hij over bewijs-krachtige gegevens die aantonen dat hij voor een specifiek gedeelte van zijn omzet een beduidend lagere winstmarge toepaste dan in de sector gebruikelijk is. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5be kamer terechtzitting van 03-02-2009 BELASTINGEN Nr.1997/AR/2471 in de zaak van: DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. NOSEDA Frédéric loco mr. VAN DER PERRE Joseph, advocaat te 8460 OUDENBURG, Westkerksestraat 9 tegen: V.C., geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN DEN ABEELE Bettina loco mr. TAVERNIER Paul, advocaat te 8000 BRUGGE, Hamiltonpark 20 spreekt het Hof het volgend arrest uit:

  1. De procedure voor het Hof Bij verzoekschrift van 21 oktober 1997 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vijfde kamer, op 28 december 1993 werd uitgesproken. De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 6 januari 2009, waarna het debat werd gesloten. Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend. Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
  2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure De echtgenoot van de geïntimeerde was destijds zelfstandig bakker. Hij had zowel voor de directe belastingen als voor de BTW ervoor gekozen om aan de forfaitaire regeling onderworpen te worden. De administratie van de appellant heeft op 23 februari 1987 aan de geïntimeerde een correctieopgave verstuurd die het resultaat was van een BTW-controle over de boekjaren 1984, 1985 en
  3. De geïntimeerde antwoordde dat ze slechts gedeeltelijk akkoord was. Er bleef uiteindelijk één punt van betwisting over namelijk over de wijze waarop de omzet voor het boekjaar 1985 moest worden berekend. Volgens de geïntimeerde was er voor het gedeelte van de gemaakte en verkochte chocolade reden om af te wijken van de forfaitaire coëfficiënt van 3,59; gelet op de lagere winstmarge die haar echtgenoot zou hebben toegepast op chocolade zou een coëfficiënt moeten toegepast worden van 2,
  4. Dat werd ook ten aanzien van de directe belastingen bepleit. De appellant oordeelde evenwel dat er geen reden was om van het forfait af te wijken. Omdat het niet tot een akkoord kwam, heeft de geïntimeerde op 6 november 1987 een proces-verbaal opgemaakt. Daarin werden de volgende bedragen verschuldigd verklaard: - 144.574 frank (3.583,90 euro) BTW; - 14.000 frank (347,05 euro) verminderde proportionele geldboete, met melding dat het bedrag tot 21.000 frank (520,58 euro) zou vermeerderd worden ingeval een dwangbevel zou moeten worden betekend; - de wettelijke interest op het tot 144.000 frank (3.569,67 euro) afgerond bedrag van de BTW te rekenen vanaf 21 januari
  5. De geïntimeerde bleef haar niet-akkoord herhalen maar de gewestelijke directeur liet weten dat ze de inzichten uit het proces-verbaal bijtrad. Bij gebrek aan betaling werd op 30 mei 1989 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 6 november 1987, met dien verstande dat de verminderde proportionele geldboete nu op 21.000 frank (520,58 euro) bepaald werd, en vermeerderd met de moratoire interest op de geldboete en met de vervolgingskosten. Het dwangbevel werd op 15 juni 1989 aan de geïntimeerde betekend. Met een dagvaarding van 11 juli 1989 tekende de geïntimeerde verzet aan tegen dat dwangbevel en stelde zij haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. De geïntimeerde vorderde dat de rechtbank het dwangbevel ongegrond zou verklaren voor de bedragen boven het bedrag van 57.716 frank (1.430,74 euro) en de appellant zou veroordelen tot terugbetaling van het teveel betaalde met verwijzing van de appellant in de kosten van het geding. In het vonnis van 28 december 1993 heeft de vijfde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge de vordering van de geïntimeerde als volgt gegrond verklaard: Verklaart de gevorderde B. T.W. ongegrond in zoverre ze een bedrag van 92.455 frank in hoofdsom te boven gaat, en veroordeelt verweerster desgevallend tot de teruggave van alle sommen, zo in hoofdsom, boete, intresten en kosten, welke ten onrechte gekweten zouden zijn, meer de wettelijke en de gerechtelijke intresten. Veroordeelt beide partijen elk tot de helft der kosten van het geding, en met wederzijdse compensatie der rechtsplegingsvergoedingen, en begroot de overige kosten op 2.246 frank (dagvaarding verzet). Wijst het meergevorderde af als ongegrond. Verkaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling. Zegt echter voor recht dat er geen redenen voorhanden zijn om het vermogen tot kantonnement uit te sluiten. Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
  6. De grieven,.vorderingen en standpunten van de partijen 3.
  7. Stelling van de appellant Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als ongegrond afwijst. De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De appellant voert daartoe aan dat de omzet van de echtgenoot van de geïntimeerde voor het jaar 1985 in zijn geheel, dus ook voor het gedeelte dat bestond uit de productie en verkoop van chocolade, aan de coëfficiënt die in de forfaitaire regeling inzake BTW voor bakkers, brood- en banketbakkers voor het jaar 1985 voorzien is, moet worden onderworpen. Hij benadrukt dat de echtgenoot van de geïntimeerde vrijwillig gekozen heeft om zich aan dat forfait te onderwerpen. De appellant verduidelijkt dat het om het algemeen forfait gaat, terwijl daarnaast nog bijzondere forfaits en individuele forfaits kunnen worden bepaald. Bijzondere forfaits zouden opgenomen worden in de regelingen van de algemene forfaits van de betreffende beroepsgroepering en zouden uitsluitend gemaakt worden voor kleinhandelaars die binnen hun beroepsgroep in een speciale situatie zijn waardoor ze een opmerkelijk hogere winstmarge toepassen. Individuele forfaits zouden op verzoek van bepaalde belastingplichtigen worden opgemaakt om tegemoet te komen aan de gevolgen van uitzonderlijke exploitatievoorwaarden; daardoor zouden die belastingplichtigen steeds uitgesloten zijn van het algemeen forfait. De appellant laat gelden dat er geen betwisting over bestaat dat de echtgenoot van de geïntimeerde niet onderworpen was aan een individueel forfait. Verder stelt de appellant dat de geïntimeerde in wezen een speciale situatie inroept waardoor haar echtgenoot zich zou onderscheiden hebben van de gemiddelde bakker, wat neerkomt op een toepassing van een bijzonder forfait. Volgens de appellant is er in het algemeen forfait evenwel geen bijzonder forfait voorzien voor de rubriek waaronder de chocolade valt en kan daardoor geen rekening gehouden worden met de vaststelling dat de feitelijke winstmarge van de echtgenoot van de geïntimeerde op chocolade afweek van de coëfficiënt die in het algemene forfait is voorgeschreven. Dat zou eens te meer het geval zijn omdat het om een lagere en niet om een hogere winstmarge ging. De geïntimeerde zou bovendien geen bewijs leveren van "uitzonderlijke exploitatievoorwaarden". In zoverre de geïntimeerde laat gelden dat haar stelling wel aanvaard werd door de gewestelijke directeur van de directe belastingen, laat de appellant gelden dat het forfait van de BTW en het forfait van de directe belastingen niet volledig gelijk zijn en dat het daarom mogelijk is om als belastingplichtige voor de BTW het forfait te vragen en voor de directe belastingen niet. 3.
  8. Stelling van de geïntimeerde De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. Bovendien vraagt zij de veroordeling van de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde voert aan dat de appellant niet ontkent dat haar echtgenoot voor chocolade een lagere winstmarge toepaste dan de coëfficiënt in het algemeen forfait. Volgens de geïntimeerde kan een bijzonder forfait worden toegestaan voor belastingplichtigen die hun beroepswerkzaamheid uitoefenen in bijzondere omstandigheden, onder andere om reden dat zij een andere winstmarge toepassen. Er zou geen enkele rechtsgrond zijn om uit te sluiten dat zo'n bijzonder forfait wordt gehanteerd voor de belastingplichtigen die een lagere winstmarge toepassen. Volgens de geïntimeerde baseert de appellant zich voor zijn stelling dat alleen voor hogere winstmarges een bijzonder forfait mogelijk is, op zijn eigen BTW-handleiding en deze zou aan de geïntimeerde niet tegenstelbaar zijn. De geïntimeerde verwijst naar artikel 3 van KB nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de BTW en stelt dat daarin niet voorzien is dat alleen voor hogere winstmarges bijzondere forfaitaire grondslagen kunnen bepaald worden. Verder laat de geïntimeerde gelden dat zij duidelijk aan de hand van positieve en controleerbare gegevens heeft aangetoond dat er reden is om af te wijken van het algemene forfait. Lagere winstmarges zouden bovendien wel als "uitzonderlijke exploitatievoorwaarden" moeten worden beschouwd. De geïntimeerde laat ook opmerken dat haar echtgenoot zowel voor de directe belastingen als de BTW aan de forfaitaire regeling onderworpen was en dat de wijze van vaststelling van de winstmarges in die beide forfaits dezelfde was. Van de administratie van de directe belastingen zou zij principieel gelijk gekregen hebben.
  9. Beoordeling De echtgenoot van de geïntimeerde heeft vrijwillig gekozen om zich voor de BTW te onderwerpen aan de forfaitaire regeling inzake BTW voor bakkers, brood- en banketbakkers. Dat forfait is het resultaat van onderhandelingen en dus een akkoord tussen de BTW-administratie en de representatieve vertegenwoordigers van de bedrijfssector van de bakkers, brood- en banketbakkers. De wijze waarop in een dergelijk forfait tot berekening gekomen wordt (op basis van parameters en coëfficiënten) is essentieel gebaseerd op gemiddelden. Het geheel vormt bovendien een evenwicht, wat typisch is voor onderhandelde akkoorden. Tegen die achtergrond heeft de belastingplichtige die kiest voor de onderwerping aan het forfait geen andere keuze dan het in zijn geheel te aanvaarden. In wezen komt de argumentatie van de geïntimeerde er op neer dat de wijze waarop haar echtgenoot zijn zaak exploiteerde (ernstig) afweek van de gemiddelde bakker, brood- en banketbakker; dat wordt in wezen niet betwist. Niettemin heeft de echtgenoot van de geïntimeerde zelf het juridisch kader gekozen waarin het bepalen van de belasting moet gebeuren:, hij had voor het forfait gekozen zodat het door de appellant moet worden toegepast zoals het bestaat. Er bestaat geen betwisting over dat de productie en verkoop van chocolade valt onder de gewone regeling van het forfait en in het bijzonder valt onder produkten van de fijnbakkerij, de banketbakkerij en de bijkomende bereidingen waarop volgens randnummer 14 van het forfait 1985 de forfaitaire regeling toepasselijk is, in het bijzonder deze vermeld in rubriek d: allerlei bereidingen zoals pralines, marsepein,karamel, consumptie-ijs, enz. De coëfficiënt voor het bepalen van de winstmarge werd in dat forfait 1985 in het algemeen bepaald op 3,
  10. Het forfait bevat nergens een uitdrukkelijke afwijking voor de rubriek 'allerlei bereidingen', laat staan specifiek voor chocolade. Evenmin is voorzien in de mogelijkheid om individueel af te wijken op basis van bewijskrachtige documenten die een andere (begrijp: lagere) winstmarge zouden aantonen. Overigens behoren de bedrijven die gebruik maken van bewijskrachtige documenten, in het bijzonder een bewijskrachtige boekhouding, normaal gezien niet tot de doelgroep van de forfaits; de forfaits zijn immers instrumenten die vooral bestaan om tegemoet te komen aan het probleem dat het bijhouden van een voldoende controleerbare boekhouding in de praktijk vaak onmogelijk is of een uitzonderlijke last en kost zou meebrengen. De enkele vaststelling dat de geïntimeerde kan aantonen dat de productie en verkoop van chocolade door haar echtgenoot gebeurde met een winstmarge die aanzienlijk lager lag dan de winstmarge van het forfait, terwijl het aandeel van die chocoladeomzet in het totaal van de omzet hoger was dan gemiddeld bij de bakkers, laat dus nog niet toe om af te wijken van het forfait. De geïntimeerde beroept zich op artikel 3 van het KB nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de BTW. Dat artikel luidt als volgt: De administratie kan, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, per bedrijfssector bijzondere forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen ten aanzien van belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in gelijkaardige bijzondere omstandigheden, onder meer wegens de aard of de hoedanigheid van de door hen geleverde goederen of de aard van de door hen verrichte diensten, of wegens hun wijze van bevoorrading of de door hen toegepaste winstmarges. Die bepaling voorziet inderdaad in de mogelijkheid om een bijzonder forfait te voorzien voor belastingplichtigen die in bijzondere omstandigheden werken met name omdat ze andere winstmarges toepassen. Die bepaling beperkt die mogelijkheid inderdaad niet tot de gevallen waarin de toegepaste winstmarges hoger zijn dan de andere belastingplichtigen. Nochtans gaat de geïntimeerde er aan voorbij dat er geen dergelijk bijzonder forfait gemaakt werd. Zoals het geciteerde wetsartikel uitdrukkelijk vermeldt, is een bijzonder forfait een forfait dat na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen wordt vastgelegd en slaat het niet op individuele gevallen maar op situaties van verschillende belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in gelijkaardige omstandigheden, maar die ten opzichte van de gewone, gemiddelde belastingplichtige uit de betreffende bedrijfssector toch in 'bijzondere' omstandigheden werken. Bij gebrek aan een dergelijke 'bijzondere forfaitaire grondslag van aanslag', kan de geïntimeerde er zich niet op beroepen. Zoals de appellant nog laat gelden, was het ook denkbaar geweest dat de echtgenoot van de geïntimeerde met de BTW-administratie - vooraf - een 'individueel forfait' afgesproken had, maar dat is niet gebeurd en overigens beroept de geïntimeerde zich daar niet op. De eventuele vaststelling dat de geïntimeerde vanwege de administratie van de directe belastingen wel zou bekomen hebben dat mocht afgeweken worden van het forfait, kan geen afbreuk doen aan de bovenstaande conclusie dat voor de BTW het forfait als geheel moet gehandhaafd blijven. Deze conclusie is immers niets anders dan het gevolg van de toepassing van de wet. Toezeggingen of dadingen bekomen ten aanzien van de directe belastingen, kunnen de toepassing van de dwingende bepalingen van de BTW-wetgeving niet verhinderen. Het dwangbevel van 30 mei 1989 werd dus terecht gevestigd. Het verzet en de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde zijn dus ongegrond. Het hoger beroep moet worden ingewilligd.
  11. De gerechtskosten De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de procedure dragen. Voor de vaststelling - wat het hoger beroep betreft - van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan reden tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. (wat impliceert dat de interest slechts tot aan het instellen van de gerechtelijke vordering gerekend wordt) zich in de schijf van 2.500,01 tot 5.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 650,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis; doet opnieuw recht en verklaart het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel van 30 mei 1989 ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellant: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 282,60 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 650,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde: • dagvaarding in verzet: 55,67 EUR • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 282,60 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 650,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op DRIE FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: D.Vandeputte, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend, M. Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.