← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090203.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090203.7 Rolnummer: 2005/AR/646 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-03-30 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 19:05 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (fiscaal recht - algemene beginselen) Vrije woorden: Om aan de belastingplichtige een behandeling te garanderen die in overeenstemming is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod, moet de bezwaartermijn vorzien in artikel 371 WIB92 berkend worden door hem te laten ingaan op de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet door de belastingadministratie aan de belastingplichtige werd verstuurd met dien verstande dat de belastingplichtige zonodig de kans krijgt om te bewijzen dat het aanslagbiljet nog later door hem werd ontvangen. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer terechtzitting van 03-02-2009 BELASTINGEN Nr.2005/AR/646 - in de zaak van: S A.R L . TECHNIQUES NOUVELLES ET RENSON, vennootschap naar Frans recht, met maatschappelijke zetel te 59200 TOURCOING (FRANKRIJK), rue de Maçon 2, in faling verklaard bij vonnis dd. 2.8.2007 van de Rechtbank van Koophandel te ROUBAIX-TOURCOING, thans vertegenwoordigd door haar curator mr. LOEUILLE, advocaat te 59200 TOURCOING, rue de Tournai 5, die het geding in die hoedanigheid verder zet en woonst kiest ten kantore van zijn raadsman mr. SOUVEREYNS Jan, te 1090 BRUSSEL, Burgemeester E. Demunterlaan 5, appellant q.q., ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. SOUVEREYNS Jan, advocaat te 1090 BRUSSEL, Burgemeester E. Demunterlaan 5 tegen: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, in de persoon van de Gewestelijke Directeur Brussel II Vennootschappen, Inspectie Brussel Buitenland II, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 10, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. DE MEU Anneleen loco mr. DECORDIER Carmenta, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Harlekijnstraat 9 spreekt het Hof het volgend arrest uit :

  1. Procedure Bij verzoekschrift van 11 maart 2005 heeft de oorspronkelijke appellante - hierna genoemd "de SARL TNR" - hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 20 januari 2005 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan: Zegt dat de bestreden beslissing van 25.6.2001 van de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijke Directeur der directe belastingen te Brussel II Vennootschappen nietig is, Verklaart de vordering m.b.t. aanslagjaar 1997 onontvankelijk, Verklaart de vordering m.b.t. aanslagjaar 1998 ontvankelijk doch ongegrond, Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding (... ). Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het opnieuw recht doet door de bestreden aanslagen te vernietigen en de SARL TNR ervan te ontheffen met veroordeling van de geïntimeerde tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen, vermeerderd met de wettelijke interest, voorzien in artikel 418 WIB
  2. De appellant q.q. vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde vordert dat het Hof het principaal hoger beroep als ongegrond zou afwijzen. De geïntimeerde stelt daarnaast incidenteel hoger beroep in en vordert dat het Hof zou zeggen voor recht dat de bestreden directeursbeslissing van 25 juni 2001 niet nietig is; hij vordert verder dat het Hof zou zeggen voor recht dat de vordering met betrekking tot het aanslagjaar 1998 onontvankelijk is en dat het Hof voor het overige het bestreden vonnis zou bevestigen. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de oorspronkelijke appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies,
  3. Feitelijke gegevens De SARL TNR is een Franse dochteronderneming van de Belgische NV Rano uit Oudenaarde. De maatschappelijke zetel is gesitueerd in Tourcoing (F). De SARL TNR was actief in de bouwsector dit zowel in Frankrijk als in België. Voor de werkzaamheden in België werkte zij steeds in onderaanneming van de NV Rano. Een bestuurder van de NV Rano, de heer M., was tevens de zaakvoerder van de SARL TNR en de NV Rano was kennelijk de vertegenwoordiger van de SARL TNR voor de BTW in België. De geïntimeerde stuurde aan de SARL TNR op het adres van de NV Rano voor de aanslagjaren 1997 en 1998 een aangifte in de belasting van niet-inwoners. De SARL TNR diende deze aangifte in maar vermeldde dat zij geen belastbare inkomsten had. Daarop volgden achtereenvolgens een vraag om inlichtingen en drie berichten van wijziging van de aangifte. Finaal werd aan de SARL TNR met een bericht van wijziging van de aangifte van 21 september 1999 meegedeeld dat, bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens, voor de aanslagjaren 1997 en 1998 zou worden overgegaan tot het vestigen van de belasting van de niet-inwoners op basis van een forfaitaire berekening van de belastbare grondslag in de zin van artikel 342 WIB92 en 182 KBWIB92 en wel voor de volgende bedragen: · aanslagjaar 1997: 4.834.110 frank (119.834,46 euro) en · aanslagjaar 1998: 5.670.025 frank (140.556,25 euro). De SARL TNR liet - zoals zij ook gedaan had als reactie op de vorige berichten van wijziging - op 19 oktober 1999 weten dat zij het niet eens was met de inzichten van de taxatiedienst. Op 23 november 1999 deelde de taxatiedienst mee dat hij bij het standpunt in het bericht van wijziging van de aangifte van 21 september 1999 bleef en op basis van de daarin meegedeelde omzet de aanslagen zou vestigen. Daarop werden de volgende aanslagen in de belasting van de niet-inwoners gevestigd op naam van de SARL TNR: • aanslagjaar 1997: kohierartikel 894.403.112, uitvoerbaar verklaard op 6 december 1999 en ter kennis gebracht met een aanslagbiljet dat als verzendingsdatum 10 december 1999 vermeldt; • aanslagjaar 1998: kohierartikel 894.405.623, uitvoerbaar verklaard op 13 december 1999 en ter kennis gebracht met een aanslagbiljet dat als verzendingsdatum 17 december 1999 vermeldt. De beide aanslagbiljetten werden verstuurd naar het adres van de NV Rano te Oudenaarde. Op 9 juni 2000 heeft de SARL TNR met een aangetekende zending een bezwaarschrift tegen de aanslag voor het aanslagjaar 1997 verstuurd. Op 17 juli 2000 heeft de geïntimeerde gemeld dat ze dat bezwaarschrift op 13 juni 2000 ontvangen heeft. Op 15 juni 2000 heeft de SARL TNR met een aangetekende zending een bezwaarschrift tegen de aanslag voor het aanslagjaar 1998 verstuurd. Op 17 juli 2000 heeft de geïntimeerde gemeld dat ze dat bezwaarschrift op 16 juni 2000 ontvangen heeft. Op het bezwaarschrift zelf dat in het dossier van de geïntimeerde steekt, staan evenwel twee datumstempels, namelijk deze van 16 juni 2000 en deze van 30 juni
  4. Op 12 februari 2001 richt de geïntimeerde zich tot de SARL TNR, deze keer op het adres van de maatschappelijke zetel in Tourcoing, Frankrijk. Hij deelt mee dat hij zinnens is de beide bezwaarschriften als laattijdig af te wijzen. Er volgt geen reactie op deze brief. Ook op de herinneringsbrief van 16 maart 2001 volgt geen reactie. In zijn directeursbeslissing van 25 juni 2001 wees de geïntimeerde het bezwaar voor de beide aanslagjaren af als onontvankelijk wegens laattijdigheid. Met een verzoekschrift van 24 september 2001 stelde de SARL TNR haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 20 januari 2005 geoordeeld zoals hoger weergegeven. Het is tegen dat vonnis dat het principaal en het incidenteel hoger beroep gericht zijn. Op 2 augustus 2007 werd de SARL TNR door de Rechtbank van Koophandel van Roubaix-Tourcoing failliet verklaard; Me. Loeuille uit Tourcoing werd als curator aangesteld; hij heeft verklaard het geding verder te zetten.
  5. Grieven en argumenten van de partijen 3.
  6. Standpunt van de appellant q.q. De appellant q.q. voert ten eerste aan dat de eerste rechter ten onrechte geoordeeld heeft dat het bezwaar tegen de aanslag voor het aanslagjaar 1997 laattijdig was waardoor de vordering onontvankelijk zou zijn. Voor het aanslagjaar 1998 zou de eerste rechter terecht geoordeeld hebben dat het bezwaar tijdig was. Volgens de appellant q.q. moet ten eerste vastgesteld worden dat de aanslagbiljetten onregelmatig zijn verstuurd doordat ze niet naar het adres van de maatschappelijke zetel (in Frankrijk) werden verstuurd. Op die grond zou geen berekening van de bezwaartermijn kunnen gemaakt worden op basis van de datum van verzending die op het aanslagbiljet staat. Ten tweede zou volgens de appellant q.q. moeten rekening gehouden worden met de datum waarop de SARL TNR haar bezwaarschriften verstuurde en moet erop kunnen vertrouwd worden dat de bezwaarschriften door De Post daags daarna zijn besteld zodat op die manier de bezwaartermijn zeker gerespecteerd werd. Ten derde stelt de appellant q.q. dat, zelfs wanneer de datum van ontvangst door de gewestelijke directie zou gelden, dan nog zou moeten rekening gehouden worden met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, in het bijzonder het arrest van 19 december 2007 in de zaak nr. 162/
  7. Om die redenen zou niet moeten vertrokken worden van de verzending van het aanslagbiljet maar van de ontvangst ervan en dit door in redelijkheid aan te nemen dat het aanslagbiljet pas drie werkdagen na de verzending door de administratie in ontvangst wordt genomen door de belastingplichtige. Op die manier zou de bezwaartermijn evenmin verstreken zijn geweest. Wat het aanslagjaar 1998 aangaat, betwist de appellant q.q. dat het bezwaarschrift pas op 30 juni 2000 zou zijn ontvangen. Hij laat gelden dat de SARL TNR het bezwaarschrift op 15 juni 2000 aangetekend verstuurde en dat de geïntimeerde zelf in zijn ontvangstbewijs bevestigde het bezwaarschrift op 16 juni 2000 te hebben ontvangen. De datum van 30 juni 2000 zou betrekking hebben op een andere brief van de NV Rano die op 26 juni 2000 werd verstuurd. Daarnaast voert de appellant q.q. aan dat de eerste rechter weliswaar terecht vastgesteld heeft dat de directeursbeslissing van 25 juni 2001 nietig is. Dat is volgens de appellant q.q. het geval omdat de beslissing om de bezwaarschriften af te wijzen gebaseerd is op een verkeerde berekening van de bezwaartermijnen, zodat er een schending is van de motiveringsplicht. De eerste rechter had daaruit volgens de appellant q.q. moeten besluiten dat er geen directeursbeslissing was waardoor deze geen termijn kon doen lopen. Ten gronde beroept de appellant q.q. zich op de rechtspraak van het Hof van Justitie, van het Benelux-gerechtshof en van het Grondwettelijk Hof om te stellen dat de forfaitaire berekening van de belastbare grondslag van de bestreden aanslagen - dit met toepassing van de (toenmalige) artikelen 342 WIB92 en 182 KBWIB92 - in strijd is met het recht op vrije vestiging (art. 43 EG-verdrag) en het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod (art. 10 en 11 GW). Voor zover het Hof tot de onontvankelijkheid van de bezwaarschriften zou besluiten, voert de appellant q.q. subsidiair aan dat er een ambtshalve ontheffing overeenkomstig artikel 376 §1 WIB92 zou moeten verleend worden op grond van de genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof; deze rechtspraak zou een 'nieuw feit' zijn. 3.
  8. Standpunt van de geïntimeerde De geïntimeerde voert aan dat de aanslagbiljetten terecht naar het adres van de NV Rano in Oudenaarde werden verstuurd omdat daar de vaste inrichting in België van de SARL TNR zou gevestigd zijn. Hij wijst er ook op dat alle voorafgaande briefwisseling naar dat adres werd verstuurd en door de SARL TNR werd beantwoord zonder over het adres een opmerking te maken. De geïntimeerde stelt verder dat niet de datum van het versturen van het bezwaarschrift van belang is maar wel de datum waarop het bij de gewestelijke directie is ingediend. Op die manier zou de eerste rechter terecht vastgesteld hebben dat het bezwaarschrift voor het aanslagjaar 1997 een dag te laat werd ingediend. Met betrekking tot het aanslagjaar 1998 voert de geïntimeerde aan dat zijn ontvangstbericht van 17 juli 2000 per vergissing melding maakt van de ontvangst op 16 juni
  9. De werkelijke datum van ontvangst zou 30 juni 2000 zijn; dat zou blijken uit de door De Post en door de administratie aangebrachte datumstempels op de omslag van de aangetekende zending. De geïntimeerde stelt dat het hoe dan ook aan de appellant q.q. toekomt om het bewijs in dat verband te leveren maar dat ze nalaat gebruik te maken van de mogelijkheid om de datum van effectieve aanbieding van haar aangetekende zending te laten vaststellen door De Post. Op basis van die principes zijn volgens de geïntimeerde de beide bezwaarschriften laattijdig. Subsidiair laat de geïntimeerde gelden dat de SARL TNR wel degelijk een vaste inrichting in België had, namelijk de zetel van de leiding, namelijk op het adres van de NV Rano waar de heer M., de enige gerant van de SARL TNR, de leiding van de SARL TNR zou hebben waargenomen en de briefwisseling zou hebben opgemaakt, ondertekend en verstuurd, zelfs al bevond zich daar geen vaste bedrijfsinrichting van de SARL TNR. Dat zou een toepassing zijn van het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag. De SARL TNR zou dat zelfs niet betwist hebben voor het aanslagjaar
  10. Met betrekking tot de bepaling van de belastbare grondslag, stelt de geïntimeerde - gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak R. T. - dat hij niet langer de forfaitaire berekening op basis van de (toenmalige) artikelen 342 WI B92 en 182 KBWIB92 verdedigt. De geïntimeerde ontkent nog dat het recht om inzage in het dossier te nemen en de beginselen van behoorlijk bestuur zouden geschonden zijn. Minstens zou het overbodig geweest zijn om de SARL TNR inzage te verlenen nadat zij naliet om op twee brieven aangaande het bezwaar te reageren. In elk geval zou volgens de geïntimeerde de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, van het Benelux-gerechtshof en van het Grondwettelijk Hof geen aanleiding kunnen zijn voor een ambtshalve ontheffing omdat die uitspraken dateren van
  11. Beoordeling 4.
  12. Het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerde - nietigheid van directeursbeslissing De eerste rechter heeft beslist dat de bestreden directeursbeslissing nietig was wegens een schending van artikel 374 WIB92, meer bepaald omdat werd nagelaten de SARL TNR uit te nodigen tot inzage van het dossier en haar te horen, hoewel daartoe verzocht was in de bezwaarschriften. Ten onrechte stelt de geïntimeerde dat het ingaan op het verzoek tot inzage van het dossier en om gehoord te worden door hem zou mogen afhankelijk gesteld worden van zijn oordeel dat het bezwaar tijdig en ontvankelijk is. Dat standpunt volgen zou met zich brengen dat een voorwaarde wordt toegevoegd aan de wet. Hetzelfde geldt voor de stelling van de geïntimeerde dat aan de SARL TNR geen mogelijkheid meer moest geboden worden haar inzage- en hoorrecht te laten gelden om reden dat zij niet had geantwoord op aangetekende zendingen van 12 februari 2001 en 16 maart 2001 waarin haar was meegedeeld dat de bezwaarschriften volgens de gewestelijke directeur onontvankelijk waren wegens laattijdigheid. Deze nietigheid van de directeursbeslissing belet verder niet dat de rechter die gevat is om over de aanslagen uitspraak te doen, de argumenten waarover de gewestelijke directeur moest oordelen, ontmoet. Dat is ook wat de eerste rechter - terecht - gedaan heeft. 4.
  13. Adres van versturing van de aanslagbiljetten De appellant q.q. kan niet gevolgd worden in zijn stelling dat de aanslagbiljetten alleen geldig konden verstuurd worden naar het adres van de SARL TNR in Frankrijk. Er kan immers niet redelijk betwist worden dat de heer M. vanuit de zetel van de NV Rano de SARL TNR leidde zodat daar een vaste inrichting in België van die vennootschap bestond. Dat wordt bevestigd door de vaststelling dat de aangiften en de voorafgaande briefwisseling naar dat adres in Oudenaarde werden verstuurd zonder dat daartegen ooit een opmerking werd geformuleerd en die documenten zelfs beantwoord werden door de SARL TNR. De aanslagbiljetten die verstuurd werden naar het adres van die vaste inrichting werden dus geldig verstuurd. 4.
  14. Datum van verzending van het bezwaarschrift of datum van ontvangst door de gewestelijke directie Artikel 371 WIB92 in de versie die op de bestreden aanslagen toepasselijk is, luidt als volgt: De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval ingediend uiterlijk op 30 april van het jaar na dat waarin de belasting is gevestigd, zonder dat de termijn evenwel minder dan zes maanden mag bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier. Gelet op de bewoordingen van dit artikel is de datum die in aanmerking moet worden genomen om na te gaan of een bezwaarschrift tegen een aanslag in de belasting van niet-inwoners tijdig is ingediend, de datum waarop dat bezwaarschrift bij de gewestelijke directie is binnengekomen (en dus letterlijk `ingediend'). De datum waarop de belastingplichtige of zijn mandataris het bezwaarschrift heeft verzonden (aan De Post heeft overhandigd) is niet relevant. 4.
  15. Invloed van het arrest van 162/2007 van 19 december 2007 van het Grondwettelijk Hof Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest 162/2007 van 19 december 2007 als volgt uitspraak gedaan: Artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat de beroepstermijn begint te lopen op de datum van verzending die voorkomt op het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat. Het Grondwettelijk Hof kwam tot dit oordeel op basis van onder andere de volgende overwegingen: B.
  16. Zoals het Hof reeds in de arresten nrs. 170/2003, 166/2005, 34/2006, 43/2006, 85/2007 en 123/2007 heeft geoordeeld, is het redelijk verantwoord dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelwijze van de partijen. De keuze van de datum van verzending van het aanslagbiljet als aanvangspunt van de beroepstermijn beperkt evenwel het recht van verdediging van de geadresseerden op onevenredige wijze, doordat die termijnen beginnen te lopen op een ogenblik dat zij nog geen kennis kunnen hebben van de inhoud van het aanslagbiljet. B.
  17. De doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden zou evengoed kunnen worden bereikt indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek). Het Hof sluit zich aan bij deze zienswijze. Tegen die achtergrond moet, om aan de appellant q.q. een behandeling te garanderen die in overeenstemming is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod, bij de berekening van de bezwaartermijnen gerekend worden door die termijnen te laten ingaan op de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet door de geïntimeerde aan de SARL TNR werd verstuurd waarbij de appellant q.q. de kans krijgt om te bewijzen dat het aanslagbiljet nog later door de SARL TNR werd ontvangen. 4.
  18. Concrete berekening van de bezwaartermijnen 4.5.
  19. Aanslagjaar 1997 Het aanslagbiljet werd door de geïntimeerde aan De Post overgemaakt voor verzending op vrijdag 10 december
  20. De minimumtermijn van zes maanden uit artikel 371 WIB92 (zie hoger onder randnummer 4.3.) is toepasselijk. Die termijn gaat in de derde werkdag volgend op 10 december 1999, zijnde woensdag 15 december
  21. De laatste dag van de termijn van zes maanden viel in juni 2000 op de dag voor de 15de, zijnde woensdag 14 juni
  22. Er bestaat geen betwisting over dat het bezwaarschrift tegen de bestreden aanslag voor het aanslagjaar 1997 bij de gewestelijke directie was ingediend op 13 juni
  23. Het bezwaar werd dus tijdig ingediend. Het principaal hoger beroep van de appellant q.q. is op dit punt dus gegrond. 4.5.
  24. Aanslagjaar 1998 Het aanslagbiljet werd door de geïntimeerde aan De Post overgemaakt voor verzending op vrijdag 17 december
  25. De minimumtermijn van zes maanden uit artikel 371 WIB92 (zie hoger onder randnummer 4.3) is toepasselijk. Die termijn gaat in de derde werkdag volgend op 17 december 1999, zijnde woensdag 22 december
  26. De laatste dag van de termijn van zes maanden viel in juni 2000 op de dag voor de 22ste, zijnde woensdag 21 juni
  27. Ten onrechte beroept de geïntimeerde zich op de datumstempel van 30 juni 2000 die op zijn exemplaar van het bezwaarschrift staat. Ten eerste staat ook de datumstempel van 16 juni 2000 op datzelfde document, terwijl het onwaarschijnlijk is dat iemand op een document dat pas op 30 juni 2000 zou zijn toegekomen, de datumstempel van een vroegere datum zou geplaatst hebben; zo'n datumstempel wordt immers bij het begin van elke werkdag aangepast. Bovendien en vooral correspondeert de datum van 16 juni 2000 volledig met de datum vermeld op het bezwaarschrift, namelijk 15 juni 2000 en legt de appellant q.q. zelfs het origineel "afgiftebewijs van een aangetekende zending" voor dat exact hetzelfde adres vermeldt als het adres op het bezwaarschrift en waarop door De Post de datumstempel van 15 juni 2000 werd gezet. Verder heeft de geïntimeerde zelf in zijn brief van 17 juli 2000 aan de SARL TNR laten weten dat hij het bezwaarschrift van 15 juni 2000 (m.b.t. het aanslagjaar 1998) op 16 juni 2000 ontvangen heeft. Het staat dus vast dat het bezwaarschrift door de SARL TNR op 16 juni 2000 werd ingediend. Zoals de eerste rechter terecht oordeelde, was dat bezwaar tijdig. 4.
  28. De grond van de zaak: de belastingaanslagen De geïntimeerde voert ten gronde niet langer betwisting. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 22 maart 2007 in de zaak C-383/05 (R. T. tegen België), moet inderdaad worden aangenomen dat de aanslagen die gevestigd zijn op belastbare grondslagen op basis van het toenmalige artikel 182 van het KBWIB92 tot uitvoering van artikel 432 §2 WIB92, nietig zijn omdat die wetsbepalingen minimummaatstaven van heffing voorzien voor niet-inwoners terwijl dergelijke minimummaatstaven voor inwoners niet bestaan. Die wetsbepalingen doen een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit ontstaan die niet kan worden gerechtvaardigd op basis van de uitzonderingen voorzien in artikel 46 EG-verdrag en zijn daarom in strijd met artikel 43 EG-verdrag dat beperkingen op de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verbiedt. De beide bestreden aanslagen moeten dan ook vernietigd worden.
  29. De gerechtskosten De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen. Voor de vaststelling - wat het hoger beroep betreft - van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. De appellant q.q. vordert wel een maximale rechtsplegingsvergoeding maar hij laat na aan te duiden om welke reden. Het Hof ziet niet in dat de verdediging die de appellant q.q. heeft moeten voeren uitzonderlijke inspanningen zou gevergd hebben waardoor de redelijkerwijze te verwachten vergoeding aan zijn advocaat hoger zou zijn dan het basisbedrag dat volgens de waarde van de zaak bepaald wordt. Er is ook geen sprake van een toestand met een onredelijk karakter. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 5.000,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; neemt er akte van dat de appellant q.q. het geding van de oorspronkelijke appellante verder zet; verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk; wijst het incidenteel hoger beroep af als ongegrond; verklaart het principaal hoger beroep gegrond; vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar het uitspraak deed over de vordering tot nietigverklaring van de bestreden directeursbeslissing; doet opnieuw recht en verklaart de vorderingen ontvankelijk en als volgt gegrond: vernietigt de bestreden aanslagen, namelijk de volgende aanslagen die op naam van de SARL TNR gevestigd werden in de belasting van de nietinwoners: • aanslagjaar 1997: kohierartikel 894.403.112, uitvoerbaar verklaard op 6 december 1999; • aanslagjaar 1998: kohierartikel 894.405.623, uitvoerbaar verklaard op 13 december 1999; beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten voorzien in artikel 418 WIB
  30. veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellant q.q.: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 349,53 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 5.000,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 349,53 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 5.000,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op DRIE FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.