id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090204.8 Rolnummer: 2007/AR/2115 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-13 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 19:06 Fiche Uit het accessoir karakter van de borgtocht kan niet worden afgeleid dat de juiste omvang van de hoofdschuld reeds moet gekend zijn op het ogenblik van het aangaan ervan, noch zelfs dat de gewaarborgde verbintenis op dat ogenblik reeds moet bestaan. De borgstelling voor alle bedragen die de schuldenaar aan de schuldeiser verschuldigd is of zal zijn, is geoorloofd op voorwaarde dat de schulden op het ogenblik van de zekerheidsstelling een bepaald of bepaalbaar karakter hebben. Er wordt aan deze voorwaarde voldaan als de overeenkomst de objectieve gegevens bevat die toelaten de verbintenis van de borg te bepalen wanneer hij door de schuldeiser wordt aangesproken. De aangehaalde omschrijving moet toelaten de verbintenissen van de borg te bepalen op het ogenblik dat zij door de schuldeiser worden aangesproken. Wanneer de inhoud van de akte helder is, dit wil zeggen dat de gebruikte bewoordingen slechts voor één uitleg vatbaar zijn, mag de rechter van deze uitleg niet afwijken. Heldere bewoordingen sluiten verdere interpretatie uit . Het feit dat de hoofdsom van de borgstellingen overeenstemde met de sommen waarvoor de schuldeiser dezelfde dag kredieten toestond aan de borg en de vaststelling dat, in latere documenten geen melding gemaakt werd van de borgtocht, zijn extrinsieke omstandigheden, waaruit de rechter niet kan besluiten dat de overeenkomst anders luidt, dan uit de akte blijkt UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht Vrije woorden: Borgtocht - borgstelling van alle sommen - bepaald of bepaalbaar karakter van de schulden - uitlegging van overeenkomsten - artikel 1163 Burgerlijk Wetboek. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 04 februari 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2115 van: A. ...... K........ geboren te, en wonende te appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, door de dertiende kamer gewezen dd. 7-3-2007, - TER TERECHTZITTING NIET VERSCHIJNEND - oorspronkelijk verweerder, tegen : nv EUROPABANK, met zetel te 9000 Gent, Burgstraat 170, met ondernemingsnr. 0400.028.394, geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. VAN DEN DAELEN Michel, advocaat te 9000 Gent, Wiedauwkaai 23 H velt het hof het volgend arrest. Het hof heeft kennis genomen van de middelen en conclusies van de partijen. De nv Europabank (hierna "de geïntimeerde" genoemd) werd gehoord in openbare terechtzitting en de door haar neergelegde stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 27 augustus 2007, stelde K. A. (hierna "de appellant" genoemd) hoger beroep in tegen het vonnis dat op 7 maart 2007 werd gewezen door de dertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent tussen de geïntimeerde als eiseres en G. A. en de appellant als verweerders. Antecedenten I.
- Bij brief van 27 februari 2003 stond Europabank een krediet van 7.500,00 EUR toe aan G. A. Dit krediet was realiseerbaar in rekening-courant en bruikbaar als kaskrediet. De kredietbrief vermeldde dat de appellant zich solidair borg zou stellen ten belope van 7.500,00 EUR, tot waarborg en zekerheid van alle verbintenissen van G. A. Bij akte van borgstelling van dezelfde dag stelde de appellant zich hoofdelijk en ondeelbaar borg jegens de geïntimeerde voor alle sommen die G. A. haar verschuldigd was of haar in de toekomst verschuldigd zou zijn tot beloop van 7.500,00 EUR, verhoogd - vanaf de dag dat een vordering tot betaling gericht werd aan de borgsteller - met de kosten en intresten berekend aan het conventioneel tarief van toepassing tussen de hoofdschuldenaar en de geïntimeerde. Op 25 juli 2003 verhoogde de geïntimeerde het krediet in voordeel van G. A. tot 15.000,00 EUR. Er werd bedongen dat de appellant, tot waarborg en zekerheid van alle verbintenissen van G. A. tegenover de geïntimeerde, zich bijkomend solidair borg zou stellen tot beloop van 7.500,00 EUR. Dit gebeurde bij akte van borgstelling van dezelfde dag. Zowel de kredietopening als de kredietverhoging maakten melding van het rekeningnummer 671-6306039-
- Op 19 augustus 2004 stond de geïntimeerde een lening op afbetaling toe van 11.000,00 EUR aan G. A. Deze lening diende terugbetaald te worden in 36 maandsommen van 361,90 EUR. Op 25 februari 2005 stond de geïntimeerde een annuïteitslening toe van 19.000,00 EUR, terugbetaalbaar binnen een termijn van vijf jaar door maandsommen van 417,14 EUR. Op 28 februari 2005 ondertekende G. A. een verklaring tot "heropening" van de rekening nr. 671-6306039-
- Ten slotte stond de geïntimeerde op 7 maart 2006 een lening op afbetaling van 24.600,00 EUR toe aan G. A. Deze lening was terugbetaalbaar in 84 maandsommen van 425,57 EUR vanaf 8 april
- Op 9 mei 2006 stelde de geïntimeerde G. A. in gebreke om de achterstallige maandtermijnen voor een totale som van 851,14 EUR te betalen.
- Bij aangetekende brief van 15 juni 2006, gericht aan G. A., stelde de geïntimeerde vast dat zijn zichtrekening nr. 671-6306039-43 een debetsaldo vertoonde. Zij verklaarde "deze overeenkomst" op te zeggen en stelde G. A. in gebreke om 131,40 EUR te betalen, vermeerderd met een provisie voor vervallen intresten van 25,00 EUR.
- Bij twee afzonderlijke aangetekende brieven van 28 juni 2006 stelde de geïntimeerde de appellant op grond van zijn borgstelling in gebreke tot betaling van respectievelijk het debetsaldo van de voormelde zichtrekening tot beloop van 156,40 EUR en het bedrag van de schulden en verbintenissen van G. A. tot beloop van 25.000,00 EUR. II.
- Bij dagvaarding van 30 augustus 2006 vorderde de geïntimeerde dat voor recht gezegd werd dat de met G. A. gesloten overeenkomsten ontbonden zijn te zijnen nadele. Verder vorderde zij de solidaire veroordeling van G. A. en de appellant tot betaling van: - 133,05 EUR, meer de verwijlintresten aan 0,972% per maand en het commissieloon aan 0,125% per maand, vanaf 1 juli 2006 tot de dag der algehele betaling uit hoofde van de zichtrekening - 14.866,95 EUR, meer de herleide verwijlintresten aan 10% per jaar, vanaf 9 mei 2006 wat G. A. betreft en vanaf 28 juni 2006 wat de appellant betreft, tot de dag der volledige betaling uit hoofde van de lening op afbetaling. Bovendien vorderde de geïntimeerde de veroordeling van G. A. tot betaling van 28.030,51 EUR, meer de herleide verwijlintresten aan 10% per jaar, vanaf 9 mei 2006 tot de dag der volledige betaling uit hoofde van de lening op afbetaling. Ten slotte vorderde zij de solidaire veroordeling van G. A. en de appellant tot de gedingkosten en de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis.
- De appellant besloot tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering, in zover zij tegen hem gericht was. Hij betoogde dat de leningsovereenkomst van 7 maart 2006 alle vorige overeenkomsten had vervangen. Volgens hem kwam door het afsluiten daarvan een einde aan de overige contracten en meteen ook aan de borgstelling. Hij wees erop dat in de opsomming van de waarborgen bij de leningsovereenkomst van 7 maart 2006 geen melding werd gemaakt van de borgstelling. Ondergeschikt argumenteerde de appellant dat de uitspraak van een eventueel veroordelend vonnis in toepassing van artikel 24bis van de faillissementswet diende te worden opgeschort tot na de afsluiting van het faillissement van G. A., die in staat van faillissement was verklaard door de rechtbank van koophandel te Mechelen.
- De geïntimeerde repliceerde dat de lening op afbetaling een herfinanciering inhield van de lening op afbetaling van 19 augustus 2004 en van de annuïteitslening van 25 februari 2005, doch niet van de kredietopening, die reeds op 28 februari 2005 was omgevormd tot een zichtrekening. Verder wees zij erop dat de appellant een borgstelling had aangegaan voor alle sommen. Tenslotte stelde zij dat de appellant niet aantoonde dat G. A. in staat van faillissement was verklaard.
- De eerste rechter verklaarde de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond in de hierna vermelde mate. Hij veroordeelde G. A. - die verstek liet gaan - en de appellant hoofdelijk tot betaling aan de geïntimeerde van: - 133,05 EUR, te vermeerderen met de conventionele verwijlrente herleid tot de wettelijke rente van 7% per jaar vanaf 1 juli 2006 - vanaf de dagvaarding als gerechtelijk moratoire rente - tot de dag der algehele betaling uit hoofde van de zichtrekening; - 14.866,95 EUR, te vermeerderen met de conventionele verwijlrente herleid tot de wettelijke rente van 7% per jaar vanaf 9 mei 2006 wat G. A. betreft en vanaf 28 juni 2006 wat de appellant betreft - vanaf de dagvaarding als gerechtelijke moratoire rente - tot de dag van de algehele betaling uit hoofde van de lening op afbetaling. Bovendien veroordeelde hij G. A. tot betaling van 14.445,61 EUR, te vermeerderen met de conventionele verwijlrente herleid tot de wettelijke rente van 7% per jaar vanaf 9 mei 2006 - vanaf de dagvaarding als gerechtelijk moratoire rente - tot de dag van de algehele betaling uit hoofde van de lening op afbetaling. Hij veroordeelde G. A. en de appellant tot betaling van de kosten van het geding en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. III.
- Het hoger beroep van de appellant strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtsprekend, de vordering van de geïntimeerde ten aanzien van hem ongegrond verklaart. Hij vraagt dat het hof dienvolgens voor recht zegt dat de hoofdelijke borgstellingen van 27 februari 2003 en 25 juli 2003 in zijn hoofde niet van toepassing zijn op het saldo van de zichtrekening en de lening op afbetaling van "7 maart 2007" (bedoeld wordt "7 maart 2006"), toegestaan aan G. A., en dat hij niet kan aangesproken worden voor deze schulden. Ten slotte vraagt hij dat de geïntimeerde veroordeeld wordt tot de gedingkosten. De appellant stelt dat de eerste rechter ten onrechte geoordeeld heeft dat "de zichtrekening d.d. 28.02.2005 en de lening op afbetaling d.d. 07.03.2006" schuldvorderingen betreffen die, "gelet op de gegevens van de zaak, werkelijk deze zijn die partijen hadden willen waarborgen door de borgstellingen" van 27 februari 2003 en 25 juli
- Hij zet uiteen dat hij zich borg stelde naar aanleiding van de kredietovereenkomsten van 27 februari 2003 en 25 juli 2003, die aangezuiverd werden, waarna G. A. op 25 februari 2005 een zichtrekening opende. Verwijzend naar artikel 1163 van het burgerlijk wetboek argumenteert de appellant dat de partijen, gelet op de feitelijke band met de kredieten van 27 februari 2003 en 25 juli 2003 - ook wat de bedragen betreft - duidelijk de bedoeling hadden enkel deze kredieten te waarborgen door de borgstellingen. Zij wijst erop dat deze kredieten zijn aangezuiverd en dat de zichtrekening en de lening op afbetaling geen verlengingen zijn van de oorspronkelijk toegestane kredietlijn, maar nieuwe schulden, ontstaan na het einde van de oorspronkelijke schuld. Minstens was het volgens de appellant de bedoeling van de partijen om de nieuwe lening van maart 2006 buiten de draagwijdte van de borgstelling te houden, aangezien hij niet meer actief was in de zaak van G. A., waarvoor deze lening bestemd was, en de persoonlijke borgstelling niet meer vermeld staat onder de waarborgen bij deze lening. Volgens hem was de herfinanciering van de lening van 25 februari 2005 alleen maar nodig om hem vrij te stellen van zijn verbintenissen.
- De geïntimeerde besluit tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep. Zij vraagt dat de appellant veroordeeld wordt tot de kosten. Zij zet vooreerst uiteen dat het vonnis van de eerste rechter een verschrijving bevatte, waar het G. A. uit hoofde van de lening op afbetaling bijkomend veroordeelde tot slechts 14.445,61 EUR, terwijl dit 24.455,71 EUR moest zijn. Zij stelt dat de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 17 oktober 2007 daaromtrent een verbeterend vonnis heeft uitgesproken. Met betrekking tot het hoger beroep van de appellant argumenteert de geïntimeerde dat er geen noodzaak is tot uitlegging van de overeenkomst in de zin van artikel 1163 B.W. indien zij, zoals in het voorliggend geval, duidelijk is. Zij benadrukt dat de borgstelling niet beperkt was tot de kredieten van 27 februari 2003 en 25 juli 2003, maar dat het een borgstelling betrof voor alle sommen die G. A. aan de geïntimeerde verschuldigd was of in de toekomst zou zijn - beperkt tot 15.000,00 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met intresten en kosten - en dit ongeacht of in de contracten met G. A. melding gemaakt werd van de betreffende borgstellingen. Beoordeling I.
- Er ligt geen exploot van betekening van het bestreden vonnis voor. Het hoger beroep, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk.
- Er werd akte genomen van de conclusietermijnen die de partijen onderling zijn afgesproken op 11 oktober
- Deze conclusie-termijnen werden bekrachtigd en de rechtsdag werd bepaald overeenkomstig artikel 747 § 2, vierde lid, van het gerechtelijk wetboek bij beschikking van 17 oktober
- Van deze beschikking werd op regelmatige wijze kennis gegeven aan de partijen en hun raadslieden op 23 oktober
- Op de rechtsdag is de appellant niet verschenen. Een arrest op tegenspraak kan worden verleend, zoals de geïntimeerde vordert. II.
- De vordering van de geïntimeerde ten aanzien van de appellant strekt tot uitvoering van de verbintenissen die de appellant heeft aangegaan in de akten van borgstelling van 27 februari 2003 en 25 juli
- In de akte van borgstelling van 27 februari 2003 is onder meer bepaald: "De ondergetekende, hierna genoemd de borgsteller, De heer A. K. ........................ verklaart bij deze zich hoofdelijk en ondeelbaar borg te stellen jegens europabank naamloze vennootschap, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te Gent, Burgstraat 170, die deze verbintenis aanvaardt, voor alle sommen welke De heer A. G. ................ hierna genoemd "de hoofdschuldenaar(s)", haar verschuldigd is (zijn) en of haar in de toekomst zou (zouden) verschuldigd zijn uit hoofde en op welke wijze ook, ondermeer als zijnde die welke ontstaan uit bankverrichtingen met de hoofdschuldenaar(s) of voor zijn rekening afgesloten, onder meer - en bij wijze van voorbeeld - voor voorschotten op rekening, leningen, kredietopeningen, doch slechts tot beloop van de som van 7.500,00 EUR zevenduizend vijfhonderd euro. Te rekenen vanaf de dag van de vordering tot betaling aan de borgsteller gericht, zal de voormelde som worden verhoogd met de kosten en interesten, welke berekend worden aan het conventioneel tarief, dat van toepassing is tussen de hoofdschuldenaar(s) en de europabank NV. Er wordt uitdrukkelijk overeengekomen dat de rente van rechtswege verschuldigd is vanaf de vervaldag, en zonder ingebrekestelling, deze ingebrekestelling gebeurt desgevallend van rechtswege door het verstrijken van de termijn" (letterlijke weergave, onderlijning door het hof). Dezelfde tekst komt ook voor in de akte van borgstelling van 25 juli
- De appellant heeft zich aldus hoofdelijk en ondeelbaar borg gesteld tot beloop van 15.000,00 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de kosten en de intresten, berekend aan het conventioneel tarief dat van toepassing is tussen G. A. en de geïntimeerde. Deze borgstelling geldt tot zekerheid van alle sommen die G. A. aan de geïntimeerde verschuldigd was of in de toekomst verschuldigd zou worden. Zij is aldus niet beperkt tot de kredieten of leningen die aan G. A. werden toegestaan op het ogenblik dat de borgtocht werd verleend, maar kan ook ingeroepen worden voor latere verbintenissen van G. A. tegenover Europabank, ontstaan uit bankverrichtingen, zoals bijvoorbeeld voorschotten op rekening-courant, leningen of kredietopeningen.
- De verbintenis van de borg is naar haar aard een accessoire verbintenis (artikel 2011 B.W.; CASS., 16 december 1994, Arr. Cass. 1994, 1121). Uit het accessoir karakter van de borgtocht kan evenwel niet worden afgeleid dat de juiste omvang van de hoofdschuld reeds moet gekend zijn op het ogenblik van het aangaan ervan, noch zelfs dat de gewaarborgde verbintenis op dat ogenblik reeds moet bestaan (vgl.: CASS., 27 oktober 2000, Arr. Cass., 2000, 1667). De borgstelling voor alle bedragen die de schuldenaar aan de schuldeiser verschuldigd is of zal zijn, is geoorloofd op voorwaarde dat de schulden op het ogenblik van de zekerheidsstelling een bepaald of bepaalbaar karakter hebben. Er wordt aan deze voorwaarde voldaan als de overeenkomst de objectieve gegevens bevat die toelaten de verbintenis van de borg te bepalen wanneer hij door de schuldeiser wordt aangesproken. De aangehaalde omschrijving laat toe de verbintenissen van de borg te bepalen op het ogenblik dat zij door de schuldeiser worden aangesproken en voldoet aldus aan het bepaalbaarheidsvereiste (vgl., DIRIX, E., Overzicht van Rechtspraak, Zekerheden, T.P.R., 2004, nr. 199, p. 1291). Aangezien de borgtocht bovendien niet strijdig is met enige (andere) wettelijke bepaling, heeft de appellant zich rechtsgeldig als borg verbonden tot waarborg van alle verbintenissen van G. A. ten aanzien van de geïntimeerde, doch beperkt tot 15.000,00 EUR, vermeerderd met de nalatigheidsintresten en kosten verschuldigd door G. A. ten aanzien van de geïntimeerde, vanaf de dag van de aan de appellant gerichte vordering tot betaling.
- De verbintenissen van G. A., waarvoor de geïntimeerde de appellant aanspreekt op grond van zijn borgtocht, betreffen het debetsaldo van een zichtrekening en de schuld uit hoofde van een lening op afbetaling. Het gaat om sommen die G. A. verschuldigd is aan de geïntimeerde ingevolge bankverrichtingen tussen G. A. en de geïntimeerde. Zij zijn dan ook, beperkt tot 15.000,00 EUR, vermeerderd met de voormelde kosten en intresten, gewaarborgd door de borgtocht die appellant heeft verleend.
- De duidelijke tekst van de akten borgstelling spreekt tegen dat de door de appellant verleende borgtocht enkel de kredieten, toegestaan op 27 februari 2003 en 25 juli 2003, waarborgde. De appellant kan zich niet beroepen op artikel 1163 B.W., waarin bepaald wordt dat een overeenkomst alleen de zaken omvat, waaromtrent het blijkt dat partijen bedoelden te contracteren, hoe algemeen ook de bewoordingen zijn waarin zij gesteld is. Deze bepaling houdt een regel van interpretatie in. Wanneer de inhoud van de akte helder is, dit wil zeggen dat de gebruikte bewoordingen slechts voor één uitleg vatbaar zijn, mag de rechter van deze uitleg niet afwijken. Heldere bewoordingen sluiten verdere interpretatie uit (vlg. DEKKERS, E. en VERBEKE, A., Handboek Burgerlijk Recht, Deel III, Verbintenissen, 2007, nr. 117, p. 65). De tekst van de akten van borgstelling, die door de appellant ondertekend werden, met boven zijn handtekening de door hem handgeschreven vermelding "gelezen en goedgekeurd en goed voor hoofdelijk borgstelling ten belope van de som van zeven duizend en vijfhonderd euro uro in hoofdsom vermeerd met interesten en alle andere kosten betreffende deze som" (letterlijk citaat), is duidelijk en behoeft geen verdere interpretatie. Het feit dat de hoofdsom van de borgstellingen overeenstemde met de sommen waarvoor de geïntimeerde dezelfde dag kredieten toestond aan G. A. en de vaststelling dat, noch in het document waarbij de zichtrekening heropend werd, noch in de lening op afbetaling van 7 maart 2006 melding gemaakt werd van de door de appellant verleende borgtocht, zijn extrinsieke omstandigheden, waaruit de rechter niet kan besluiten dat de overeenkomst anders luidt, dan uit de akte blijkt (vgl.: CASS. 24 maart 1988, Arr. Cass. 1987-88, nr. 466; CASS. 10 januari 1994, Arr.Cass., 1994, nr. 10). Dat de borgtocht niet enkel verleend werd voor de kredieten die op 27 februari 2003 en 25 juli 2003 werden toegekend, blijkt trouwens ten overvloede uit het feit dat er ook in latere overeenkomsten, zoals in de lening op afbetaling van 19 augustus 2004 en in de annuïteitslening van 25 februari 2005 naar verwezen werd. Uit de omstandigheid dat dit niet het geval was in de verklaring d.d. 28 februari 2005 tot "heropening" van de rekening nr. 671-6306039-43 en in de lening op afbetaling van 7 maart 2006, kan niet afgeleid worden dat de geïntimeerde afstand deed zich te beroepen op deze borgtochten voor alle sommen. Evenmin kan de appellant een argument putten voor zijn stelling uit het feit dat hij vanaf een bepaald ogenblik niet meer werkzaam was in de zaak van G. A. De verbintenissen uit de borgtocht en de duur ervan zijn niet gekoppeld aan de beroepsactiviteiten van de appellant. Uit niets blijkt overigens dat de borgtocht door de appellant haar oorzaak vond in activiteiten die hij uitoefende in de zaak van G. A. Het feit dat hij zich tot een bepaald bedrag borg stelde voor de schulden van zijn broer kan even goed verklaard worden door de verwantschap die tussen hen bestond. De bewering van de appellant dat de lening van 7 maart 2006 werd afgesloten ter vervanging van deze van 25 februari 2005, omdat de partijen de bedoeling hadden de daaruit voortvloeiende verbintenissen niet te laten waarborgen door de borgtochten, vindt geen enkele steun in de gegevens van het dossier. Zij wordt integendeel tegengesproken door de tekst van de akten van borgstelling, van 27 februari 2003 en 25 juli 2003, waarin werd bedongen: "Onderhavige borgstelling zal geldig blijven voor het hierboven vermeld bedrag, welke wijzigingen europabank NV en de hoofdschuldenaar(s) ook mochten aanbrengen aan de bedragen of aan de modaliteiten van de door de hoofdschuldenaar(s) verschuldigde sommen, zonder dat er enige betwisting kan ontstaan en zonder dat europabank NV de borgsteller ervan in kennis moet stellen".
- Het hoger beroep van de appellant is bijgevolg ongegrond en de gerechtskosten in hoger beroep zijn te zijnen laste. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van K. A. ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in zover het bestreden wordt; Veroordeelt K. A. tot de gerechtskosten in hoger beroep, aan zijn zijde niet te begroten aangezien zij te zijnen laste blijven en aan de zijde van de nv Europabank begroot op 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 4-2-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div