id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090204.9 Rolnummer: 2007/AR/2357 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 167 - laatst gezien 2026-07-02 19:05 Fiche - Naar Belgisch recht bestaat er geen algemeen rechtsbeginsel, waarbij het subjectief recht vervalt of niet meer kan worden ingeroepen wanneer de titularis ervan een met zijn recht objectief onverenigbare houding heeft aangenomen door het wettig vertrouwen van zijn debiteur te misleiden. Door het niet onmiddellijk uitoefenen of verder uitoefenen van een recht of door een houding aan te nemen als zou hij ze niet uitoefenen of verder uitoefenen, verliest de schuldeiser zijn recht niet, tenzij er sprake is van afstand van recht, verjaring, rechtsmisbruik of indien de wet uitzonderingen bepaalt. - Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer een recht wordt uitgeoefend op een wijze, die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon te buiten gaat. - De loutere omstandigheid dat de een schuldeiser pas in 2006 zijn factuur van 10 september 1998 heeft ingevorderd, maakt als zodanig geen rechtsmisbruik uit. - De houding van een partij, die erin bestaat dat zij gedurende vele jaren nalatig geweest is om haar factuur in te vorderen, zonder dat daarvoor enige plausibele verklaring was, om dan over de volledige periode een rente te vorderen, die de gangbare rente, toegekend voor geldbeleggingen in dezelfde periode ruim overtreft, strookt kennelijk niet met de verplichting de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren en maakt wel rechtsmisbruik uit. De omstandigheid dat de geïntimeerde ondertussen het niet-betwiste bedrag had kunnen betalen, doet daaraan geen afbreuk. - De sanctie van dit rechtsmisbruik bij de uitoefening van de contractuele rechten bestaat in het opleggen van de normale uitoefening ervan of in het herstel van de schade ten gevolge van dat misbruik. Deze normale uitoefening bestaat erin dat de schuldeiser geen rente kan vorderen gedurende de periode dat hij stilgezeten heeft. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FACTUUR - BESTELBON - Algemeen (factuur - bestelbon) Vrije woorden: - Rechtsverwerking - geen algemeen rechtsbeginsel - Misbruik van recht - invordering facturen - aanrekenen nalatigheidsintresten - sanctie Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 4-2-2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2357 van: nv MEDIATRADER (voorheen genaamd: bvba EXPO STAND), met zetel te 9940 Evergem, Velodroomstraat 18, met ondernemingsnr.: 0457.997.970 appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, op tegenspraak gewezen door de tweede kamer dd. 18-6-2007, oorspronkelijk eisende partij, hebbende als raadsman mr. VAN OVERBERGHE Jo, advocaat te 9800 Deinze, Guide Gezellelaan 109; tegen : nv WIM ROBBERECHTS EN CO, met zetel te 1831 Machelen (Diegem), Woluwelaan 141 A, met ondernemingsnr.: 0425.666.583, geïntimeerde, oorspronkelijk verwerende partij, hebbende als raadsman mr. VAN VARENBERGH Myriam, advocaat te 1000 Brussel, Verenigingsstraat 28; velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 september 2007, stelde de nv Mediatrader, voorheen bvba Expo Stand (hierna "de appellante" genoemd), hoger beroep in tegen het vonnis dat op 18 juni 2007 op tegenspraak tussen partijen gewezen werd door de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Gent. Antecedenten I.
- Bij dagvaarding 22 augustus 2006 vorderde de appellante de veroordeling van de nv Wim Robberechts en Co (hierna "de geïntimeerde" genoemd) tot betaling van 13.124,28 EUR (namelijk 6.749,08 EUR in hoofdsom, 674,91 EUR schadevergoeding en 5.700,29 EUR intresten), meer de conventionele intresten aan 10% op 7.423,99 EUR vanaf 16 augustus 2006 tot de dag der algehele betaling en de kosten van het geding. Zij vroeg dat het vonnis uitvoerbaar verklaard werd bij voorraad. De vordering had betrekking op een factuur d.d. 10 september 1998 voor het realiseren van een stand op een beurs in Amsterdam, in uitvoering van een offerte die door de geïntimeerde op 4 september 1998 was aanvaard.
- De geïntimeerde besloot tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van de vordering. Zij argumenteerde dat zij de factuur tijdig geprotesteerd had en dat de appellante, door gedurende zes jaar niets van zich te laten horen, het rechtmatig vertrouwen gewekt heeft dat zij afzag van de invordering van de factuur. Volgens de geïntimeerde was er sprake van rechtsverwerking. Zij betoogde dat appellante rechtsmisbruik pleegde door de factuur niettemin nog in te vorderen en aan de geïntimeerde een bewijslast op te leggen over feiten,waarvan zij eerder nooit het bewijs had gevraagd. In ondergeschikte orde wierp de geïntimeerde op dat de standaardstand die de appellante leverde niet in overeenstemming was met hetgeen in de offerte was vermeld. Volgens haar was de kostprijs van een standaardstand veel lager dan hetgeen de appellante haar gefactureerd had. Verder verwees zij naar klachten die zij in briefwisseling had geformuleerd over de wijze waarop de appellante de overeenkomst had uitgevoerd. Zij stelde dat uit haar correspondentie bleek dat zij zelf grotendeels de stand had opgebouwd. Zij besloot dat de appellante de overeenkomst niet volledig had uitgevoerd en dat hetgeen zij uitvoerde met aanzienlijke vertraging was gepresteerd. Zij stelde dat zij daardoor schade had geleden, onder meer doordat haar aangestelden meermaals vruchteloos hadden gewacht op de appellante. Zij verklaarde evenwel bereid te zijn de prestaties te betalen, die wel correct werden geleverd. Voorts betoogde de geïntimeerde dat, ingevolge de aanvaarding van het protest door de appellante, de factuur geen bewijskracht had en het aan de appellante toekwam te bewijzen dat zij de overeenkomst correct had uitgevoerd. Zij stelde dat de appellante dit bewijs niet leverde. Eveneens in ondergeschikte orde argumenteerde de geïntimeerde dat het rechtsmisbruik van de appellante diende gesanctioneerd te worden met een vermindering van de moratoire intresten. Bovendien wees zij erop dat geen overeenkomst tot stand gekomen was over de algemene voorwaarden van de appellante, zodat zij geen conventionele rente en schadevergoeding kon vorderen. Bij tegeneis vorderde de geïntimeerde de veroordeling van de appellante tot betaling van een schadevergoeding van 2.500,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding en tot een provisioneel bedrag van 1,00 EUR voor advocatenkosten. Tenslotte vorderde zij de veroordeling van de appellante tot de gedingkosten.
- De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hij veroordeelde de geïntimeerde tot betaling van 1.500,00 EUR, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van het vonnis tot de dag der algehele betaling. Het meer gevorderde van de hoofdeis wees hij af. De tegeneis verklaarde hij ontvankelijk, doch ongegrond en hij veroor-deelde elke partij tot haar eigen kosten. Hij stelde dat er geen redenen waren om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad. De eerste rechter overwoog dat rechtsverwerking in het Belgisch recht niet erkend wordt. Het feit dat de appellante tot zes jaar na haar laatste briefwisseling gewacht heeft vooraleer te dagvaarden betekende volgens hem niet dat zij rechtsmisbruik pleegde. Hij stelde dat haar houding wel gevolgen kon hebben ten aanzien van het bewijs van haar vordering en ten aanzien van de loop der moratoire intresten, gelet op de beperkende werking van de goede trouw. Hij achtte het factuurprotest van de geïntimeerde tijdig en het verzoek van de appellante om de originele omslag van de aangetekende brief te laten voorleggen gezien het tijdsverloop onredelijk. Hij stelde dat, gelet op de laattijdige reactie van de appellante op de aangetekende brief van de geïntimeerde, de appellante de bewijslast had van het verschuldigd zijn van de factuur en dat zij geacht werd de grieven die de geïntimeerde in haar aangetekende brief had geformuleerd, te hebben aanvaard. Verder overwoog de eerste rechter dat er geen reden was om de volledige hoofdvordering af te wijzen, aangezien de geïntimeerde in haar protestbrieven steeds heeft erkend dat zij enkel een herleiding wenste van de factuur. Bij gebrek aan meer precieze gegevens omtrent de waarde van de prestaties die de appellante correct heeft uitgevoerd, kon volgens hem naar billijkheid een bedrag van 1.500,00 EUR worden toegekend. Aangezien de appellante niet is ingegaan op de vraag van de geïntimeerde om een herleide factuur uit te schrijven en acht jaar gewacht heeft om haar vordering in te stellen, wees de eerste rechter de vordering tot het toekennen van een schadebeding of van moratoire intresten vanaf de vervaldag van de factuur af. Ten slotte stelde de eerste rechter dat de geïntimeerde niet aantoonde dat voldaan was aan de voorwaarden voor het toekennen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding en dat zij als in het ongelijk gesteld partij geen advocatenkosten kon vorderen. II.
- Het hoger beroep van de appellante strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtsprekend, zegt voor recht dat de geïntimeerde veroordeeld wordt tot betaling van 6.748,90 EUR, te verminderen met de gedeeltelijke betaling van 1.500,00 EUR, meer de conventionele nalatigheidsintresten aan 11,50% vanaf 10 november 1998 tot 22 augustus 2006 en de gerechtelijke intresten aan 11,50% vanaf 22 augustus 2006 tot de dag der algehele betaling. Zij vraagt dat het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerde, voor zover ontvankelijk, als ongegrond wordt afgewezen en dat de geïntimeerde veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen. Ten slotte vraagt zij dat het arrest uitvoerbaar verklaard wordt bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van het kantonnement. De appellante betoogt dat het protest van de geïntimeerde, dat haar pas voor het eerst bereikte ongeveer vier maanden na de factuur, laattijdig was. Zij ontkent de protestbrief van 15 september 1998 ontvangen te hebben, stelt vast dat de geïntimeerde geen onverdacht bewijs van de verzending daarvan voorlegt en vraagt de overlegging van de originele omslag. In de mate dat de geïntimeerde niet bewijst dat zij de brief van 15 september 1998 verstuurd heeft, kan volgens de appellante geen rekening gehouden worden met haar verweer dat de factuur geen bewijskracht heeft en dat de appellante haar protest zou hebben aanvaard. Verder betoogt de appellante dat, indien er al protest was tegen de factuur, het ongegrond was. Zij verwijt de eerste rechter dat hij zonder enige reden afgeweken is van de tussen partijen overeengekomen contractprijs. Zij benadrukt dat zij een stand heeft geleverd die conform is aan de door de geïntimeerde aanvaarde offerte en dat er geen gebreken waren bij de levering. Verder wijst de appellante erop: - dat haar beweerde moeilijke bereikbaarheid de geïntimeerde niet heeft belet de offerte te aanvaarden; - dat de offerte niet vermeldt dat de appellante zich zou verbonden hebben aluminiumbuizen op te halen; - dat de overeenkomst niet bepaalde dat de stand eerder moest afgewerkt zijn dan het tijdstip waarop de beurs opende en dat de stand zo goed als klaar was de avond vooraleer de beurs opende; - dat de stand door haar personeel werd opgebouwd en dat de geïntimeerde zichzelf tegenspreekt waar zij enerzijds beweert dat het materiaal van de appellante niet tijdig aanwezig was en zij anderzijds voorhoudt dat zij zelf de stand heeft opgebouwd; - dat, wanneer personeel van de geïntimeerde "tevergeefs" aanwezig was, dit niet aan de appellante te wijten was, nu zij de aanwezigheid van personeel van de geïntimeerde niet gevraagd had; - dat in de overeenkomst niet is bedongen dat de appellante zou instaan voor het vervoer van het eigen materiaal van de geïntimeerde. De appellante benadrukt dat de rechtsverwerking geen algemeen rechtsbeginsel is en dat uit niets blijkt dat zij afstand heeft gedaan van haar recht om betaling te vorderen van de factuur. Zij meent dat de intresten die zij thans berekent aan 11,5% per jaar, ter herleiding van de conventionele intresten, bepaald op 15%, volledig verschuldigd zijn aangezien de contractvoorwaarden van de aanvaarde factuur deel uitmaken van de overeenkomst. Zij stelt dat de geïntimeerde haar het tijdsverloop niet kan verwijten, aangezien zij de intresten kon vermijden door zelf het door haar niet betwiste bedrag te betalen. Ten slotte betoogt de appellante dat de geïntimeerde zich ten onrechte verzet tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad, aangezien zij het vonnis vrijwillig heeft uitgevoerd. In verband met het incidenteel hoger beroep stelt de appellante dat er geen sprake is van een tergend en roekeloos geding en/of hoger beroep en wijst zij de toekenning van vergoeding voor advocaten-kosten in het licht van de aangepaste wetgeving in verband met de rechtsplegingsvergoeding af.
- De geïntimeerde vraagt dat het hoger beroep van de appellante, voor zover dit ontvankelijk zou zijn, ongegrond wordt verklaard en dat het bestreden vonnis bevestigd wordt met betrekking tot de oorspronkelijke vordering van de appellante. Zij stelt incidenteel hoger beroep in dat ertoe strekt de appellante te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.500,00 EUR wegens tergend en roekeloos "geding/hoger beroep" en het aantasten van haar goede faam, evenals tot een provisioneel bedrag van 1,00 EUR voor advocatenkosten. Ten slotte vraagt zij dat de appellante veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen. Alhoewel zij de bevestiging vraagt van het bestreden vonnis, wat de oorspronkelijke vordering van de appellante betreft, herneemt de geïntimeerde in haar conclusies in hoger beroep het verweer dat zij in eerste aanleg geformuleerd heeft ten aanzien van deze vordering. Zij voegt er bovendien aan toe dat uit de kopie van de omslag die zij voorlegt, geenszins blijkt dat de zending reeds op 17 september 1998 werd teruggezonden aan de afzender, maar enkel dat op die dag een bericht in de bus gestoken werd van de geïntimeerde. Tevens bevestigt de geïntimeerde dat zij inmiddels 1.500,00 EUR betaald heeft onder alle voorbehoud, doch dat zij bereid is deze som te aanvaarden voor de door de appellante gedeeltelijk geleverde prestaties. Zij stelt vast dat de appellante enerzijds conventionele rente vordert aan 11,5%, waar dit voor de eerste rechter slechts 10% was, en anderzijds niet langer conventionele schadevergoeding vordert. De geïntimeerde betoogt verder dat haar niet verweten kan worden niet te goeder trouw te hebben gehandeld door gedurende jaren het door haar verschuldigde bedrag niet betaald te hebben. Zij wijst erop dat zij van meet af aan een aangepaste factuur heeft gevraagd, opdat zij tot betaling kon overgaan. Wat de uitvoerbaarheid bij voorraad betreft stelt de geïntimeerde vast dat de appellante haar vordering ter zake voor de eerste rechter niet motiveerde en dat zij dit evenmin doet in hoger beroep. Zij stelt dat de appellante te kwader trouw handelt door, ondanks het verzoek van de geïntimeerde om een aangepaste factuur op te stellen, haar initiële factuur na zes jaar stilzwijgen in te vorderen en zelfs hoger beroep aan te tekenen. Bovendien maakt de geïntimeerde aanspraak op de terugbetaling van haar advocaten-kosten, nu zij genoodzaakt is haar verdediging door een advocaat te laten opnemen tegen een tergende en roekeloze vordering. Beoordeling I.
- Er ligt geen exploot van betekening van het bestreden vonnis voor. Het hoger beroep van de appellante werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. De appellante beschikt over procesbekwaamheid en heeft het vereiste belang en de hoedanigheid om hoger beroep in te stellen tegen het bestreden vonnis in de mate dat het haar vordering afwees. Bovendien zijn er geen andere, ambtshalve op te werpen, gronden van niet-ontvankelijkheid. Het hoger beroep is bijgevolg ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerde.
- In zover de appellante thans rente op de hoofdsom aan 11,50 % per jaar vordert, terwijl dit voor de eerste rechter 10% per jaar was, breidt zij haar vordering uit. Ook deze eisuitbreiding is ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor de vordering van de geïntimeerde tot het bekomen van schadevergoeding, in de mate dat zij niet enkel steunt op tergend en roekeloos geding, maar ook op tergend en roekeloos hoger beroep. II.
- Bij faxbericht van 3 september 1998 maakte de appellante een offerte over aan de geïntimeerde voor de opbouw van een stand op de IBC Beurs die doorging in de RAI te Amsterdam van 11 tot 15 september
- Het betrof een stand met een oppervlakte van 30m2 en de prijs bedroeg 240.000 BEF, exclusief btw. De offerte bevatte de volgende specificaties: "Panelen wit modulair hoogte 2,5 m, Fries lopend op 1 meter van de gang, Plasmascherm te plaatsen tegen wand in vrije hoek stand, 5 dubbele Velcostrips voor ophanging cadapackkaders 70*100, aanmaken van 2 statieven volgens Uw tekening, wit, door u te behouden na de beurs, verlichting, tapijt, 1 hostess gedurende de ganse beurs, 1 tafel en 4 stoelen, brochurehouders, koelkast excl. drank, infodesk, 2 barkrukken, berging, wescamlogo in relief, zwart & rood, transport, opbouw, afbraak". Op 4 september 1998 stuurde de geïntimeerde deze offerte terug "voor akkoord maar zonder hostess".
- In een faxbericht van 10 september 1998 aan de appellante wees de geïntimeerde erop dat zij op 25 augustus 1998 gevraagd had om een stand te ontwerpen en dat zij op de diensten van de appellante een beroep had gedaan om van een belangrijke zorg verlost te zijn. Zij stelde vast dat zij het ontwerp pas ontvangen had op 3 september 1998 's avonds, na herhaald telefonisch aandringen. Verder betoogde de geïntimeerde: - dat zij uiteindelijk zelf het plasmascherm van Delton afhaalde; - dat de appellante op 9 september 1998 om 18.15 uur de aluminiumbuizen zou komen afhalen, doch dat er om 19 uur nog niemand gekomen was, terwijl de geïntimeerde evenmin een telefoontje ontvangen had; de geïntimeerde uiteindelijk op 10 september 1998 zelf moest bellen om te vernemen wanneer de buizen zouden opgehaald worden; - dat de geïntimeerde op 10 september 1998 om 15.30 uur gebeld had om te zeggen dat er niemand van de appellante in de RAI te bespeuren was en dat er na 18 uur niet meer kon ingebouwd worden; - dat de appellante om 16.40 uur had laten weten dat de geïntimeerde zich geen zorgen hoefde te maken, maar dat zij op 17.15 uur nog steeds niet opgedaagd was. Ten slotte drukte de geïntimeerde de hoop uit dat zij zich voor niets zorgen had gemaakt. In een faxbericht dat de geïntimeerde aan de appellante verzond in de voormiddag van 11 september 1998 (tussen 9 en 10 uur) stelde zij nog steeds met ongeduld te wachten op het meubilair van de stand. Zij wees er bovendien op dat op 10 september drie mensen gedurende vier uren tevergeefs op de standenbouwers hadden gewacht. Ten slotte stelde de geïntimeerde dat de persoon die zich uiteindelijk aanbood geen standenbouwer was, maar een koerier uit het Gentse die enkel het materiaal kwam brengen. De appellante antwoordde daarop dezelfde voormiddag: "Na telefonisch onderhoud deze morgen meldde Wim mij dat alles wat betreft de stand in orde was. Het meubilair wordt nog deze morgen door het verhuurbedrijf geleverd."
- Op 10 september 1998 factureerde de appellante 225.000 BEF (zijnde 240.000 BEF onder aftrek van 15.000 BEF voor de hostess) exclusief btw, of 272.250 BEF inclusief btw, aan de geïntimeerde.
- De geïntimeerde legt kopie voor van een brief d.d. 15 september 1998 evenals van een bewijs van aangetekende zending, dat volgens haar op deze brief betrekking heeft. Met dit schrijven protesteerde zij deze factuur omdat de dienstverlening van de appellante ondermaats was en niet in overeenstemming met de offerte van 3 september
- Naast de opmerkingen die zij reeds geformuleerd had in haar faxbericht van 10 september 1998, stelde zij bovendien dat de appellante gedurende de twee weken die voorafgingen aan de beurs zeer moeilijk bereikbaar was, dat de installatiewerken op 10 september 1998 om 18 uur beëindigd hadden dienen te zijn, doch dat de appellante om 19.30 uur nog steeds niet aanwezig was, dat de geïntimeerde uiteindelijk de stand zelf diende op te bouwen en dat de dienstverlening van de appellante zich beperkt had tot het transport naar Amsterdam, het boren van twee gaten in een van de panelen en het ophangen van een monitor. De geïntimeerde verklaarde in die omstandigheden niet akkoord te kunnen gaan met de factuur van de appellante. Zij liet weten een realistisch voorstel van facturatie te verwachten, gebaseerd op de werkelijk gepresteerde dienstverlening, waarbij zij uiteraard de geleverde standaardpanelen, de wescamlogo's en de gemaakte statieven zou betalen, evenals het ter plaatse ingehuurde meubilair. Volgens het bericht van aangetekende zending werd deze brief niet afgehaald.
- Bij faxbericht van 24 januari 1999, verzonden op 25 januari
- verzocht de appellante de geïntimeerde de factuur van 10 september 1998 te betalen. In haar antwoord van 26 januari 1999 verwees de geïntimeerde naar haar aangetekende brief van 15 september 1998, waarvan zij kopie bijvoegde. Zij verklaarde te volharden in de inhoud daarvan. Met een faxbericht van dezelfde dag reageerde de appellante daarop dat: - het akkoord van de geïntimeerde met de offerte bleek uit het feit dat haar mensen ze hadden goedgekeurd; - de koerier die op de vraag van de geïntimeerde een te laat aangemaakte set aluminiumbuizen diende af te halen, er niet in slaagde op het afgesproken uur bij de geïntimeerde langs te komen, doch dat dit de volgende ochtend geregeld werd; - de stand op 10 september 1998 volledig was afgewerkt, op het plaatsen van een monitor na, die door de zorgen van de appellante op een van de wanden was geplaatst; - het de appellante was die de stand opbouwde en dat deze stand reeds recht stond op het ogenblik dat het personeel van de geïntimeerde toekwam; - de verwachting van de geïntimeerde niet meer kan geweest zijn dan wat zij bestelde, namelijk een modulaire stand en het beschikbare budget niet toeliet een traditionele stand te bouwen. De appellante besloot dat de geleverde diensten voldeden aan de offerte en dreigde ermee tot dagvaarding te zullen overgaan indien de factuur niet binnen de week werd betaald.
- Op 7 september 2000 stelde de raadsman van de appellante de geïntimeerde in gebreke om de hoofdsom van de factuur te betalen, vermeerderd met de conventionele rente en schadevergoeding. In een brief d.d. 13 september 2000 van haar toenmalige raadsman herhaalde de geïntimeerde haar standpunt. Zij wees erop dat zij de factuur tijdig geprotesteerd had en dat dit protest aanvaard werd. Niettemin verklaarde zij zich nog steeds bereid om een aangepaste factuur te betalen mits ontvangst van een creditnota voor de ingevorderde factuur. Op 9 december 2000 volgde opnieuw een verzoek van de appellante om de factuur te betalen. III.
- De vordering van de appellante strekt ertoe betaling te bekomen van haar factuur van 10 september 1998 aan de geïntimeerde. Deze factuur werd uitgeschreven in uitvoering van de aannemings-overeenkomst die tot stand kwam ingevolge de aanvaarding door de geïntimeerde op 4 september 1998 van de offerte die de appellante haar op 3 september 1998 had overgemaakt om tegen een vaste prijs een stand te bouwen voor de IBC Beurs die plaats vond in de RAI-gebouwen te Amsterdam.
- De geïntimeerde beroept zich in hoofdorde op de rechtsverwerking om tot de afwijzing van de vordering van de appellante te besluiten. Zij verwijt de appellante gedurende zes jaar geen enkel initiatief te hebben genomen om haar vordering te innen. Naar Belgisch recht bestaat er geen algemeen rechtsbeginsel, waarbij het subjectief recht vervalt of niet meer kan worden ingeroepen wanneer de titularis ervan een met zijn recht objectief onverenigbare houding heeft aangenomen door het wettig vertrouwen van zijn debiteur te misleiden. Door het niet onmiddellijk uitoefenen of verder uitoefenen van een recht of door een houding aan te nemen als zou hij ze niet uitoefenen of verder uitoefenen, verliest de schuldeiser zijn recht niet, tenzij er sprake is van afstand van recht, verjaring, rechtsmisbruik of indien de wet uitzonderingen bepaalt (vgl. CASS. 17 oktober 2008, www.cass.be). Rechtsverwerking veronderstelt concrete gedragingen van een partij, die het oordeel rechtvaardigen dat vanwege die partij niet kan worden teruggekomen op het ingenomen standpunt (vgl.: CASS. 12 mei 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1062). De rechtsregels met betrekking tot de verkrijgende verjaring impliceren dat een partij de mogelijkheid heeft de vorderingsrechten waarover zij beschikt, niet onmiddellijk uit te oefenen. Het aannemen van een houding die tegenstrijdig is met het niet-uitgeoefende recht, kan op zich geen reden zijn om een wederpartij te ontslaan van de verplichting haar verbintenis uit te voeren. De eerste rechter dient evenwel bijgetreden te worden waar hij stelt dat deze houding wel gevolgen kan hebben ten aanzien van het bewijs en de loop der moratoire intresten. Het louter stilzwijgen gedurende een periode van bijna zes jaar, kan aldus niet tot gevolg hebben dat de appellante haar rechten verwerkt heeft. Er worden geen concrete gedragingen aangetoond, op grond waarvan de geïntimeerde er rechtmatig kon op vertrouwen dat de appellante geen betaling meer zou vorderen van de factuur. Zij heeft integendeel tot vier maal toe schriftelijk aangedrongen op betaling. Zij deed dit een eerste keer op 25 januari
- Zij bevestigde haar standpunt op 26 januari 1999 in repliek op het schrijven dat zij dezelfde dag van de geïntimeerde ontvangen had. Op 7 september 2000 stelde haar raadsman de geïntimeerde formeel in gebreke en op 9 december 2000 drong zij opnieuw aan op betaling.
- Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt dat de appellante geheel of gedeeltelijk afstand deed van haar aanspraken op betaling. Afstand van recht wordt niet vermoed. Zij kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend zijn. Opdat er sprake zou zijn van stilzwijgende afstand van recht, moet zij kunnen afgeleid worden uit een houding of gedraging, die voor geen andere interpretatie vatbaar is. Rekening houdend met de consequente houding die de appellante in de voormelde briefwisseling heeft aangenomen, kan uit haar stilzitten tussen 9 december 2000 en 22 augustus 2006 geen afstand van recht worden afgeleid.
- Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer een recht wordt uitgeoefend op een wijze, die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon te buiten gaat (vgl. CASS., 16 november 2007, JLMB, 2008, 498; CASS., 6 januari 2006, JLMB, 2006, 570; CASS. 8 februari 2001, R.W., 2001-2002, p. 778). De loutere omstandigheid dat de appellante pas in 2006 haar factuur van 10 september 1998 heeft ingevorderd, maakt als zodanig geen rechtsmisbruik uit. Het feit van gedurende bijna zes jaar geen enkel initiatief te nemen voor de invordering van een factuur getuigt ongetwijfeld van nalatigheid bij de opvolging door de appellante van haar debiteuren. Er zijn evenwel geen omstandigheden die doen besluiten dat het vooralsnog invorderen van deze facturen na deze lange periode van stilzitten kennelijk de grenzen van de normale uitoefening door de appellante van haar recht te buiten gaat.
- Ten overvloede stelt het hof vast dat de houding van de geïntimeerde, die steeds erkend heeft een bepaalde som verschuldigd te zijn, het bestreden vonnis vrijwillig heeft uitgevoerd en tegen haar veroordeling tot betaling van 1.500,00 EUR meer de gerechtelijke rente geen hoger beroep heeft aangetekend, in strijd is met haar verweer dat zij niets meer verschuldigd is wegens rechtsverwerking, afstand van recht of rechtsmisbruik. IV.
- De appellante kan niet bijgetreden worden waar zij stelt dat elke betwisting over het verschuldigd zijn van de gevorderde sommen uitgesloten is omdat de geïntimeerde de factuur niet tijdig heeft geprotesteerd. De geïntimeerde legt kopie voor van een protestbrief d.d. 15 september 1998, waarvan zij van meet af aan gesteld heeft dat zij hem verstuurd heeft met een aangetekende zending, die de appellante evenwel niet heeft afgehaald. Nadat zij op 25 januari 1999 een betalingsverzoek van de appellante ontvangen had, heeft de geïntimeerde op 26 januari 1999 een kopie van deze aangetekende brief aan de appellante overgemaakt. In haar reactie daarop heeft de appellante niet betwist dat de geïntimeerde de aangetekende brief van 15 september 1998 verstuurd had. Evenmin heeft zij voorgehouden dat het protest laattijdig was. Zij heeft er integendeel inhoudelijk op geantwoord. Toen de raadsman van de geïntimeerde op 7 september 2000 een ingebrekestelling stuurde aan de geïntimeerde, heeft de toenmalige raadsman van de laatst-genoemde in zijn antwoord van 13 september 2000 uitdrukkelijk verwezen naar de protestbrief, die aangetekend verzonden werd, maar door de appellante niet was afgehaald. Ook in haar ingebrekestelling van 9 december 2000 betwistte de appellante de verzending van de brief van 15 september 1998 niet. De appellante kan uit haar eigen nalatigheid om de aangetekende brief van de geïntimeerde, waarin de factuur werd geprotesteerd, af te halen bij de postdiensten niet afleiden dat de geïntimeerde de factuur aanvaard heeft bij gebrek aan tijdig protest... Dit geldt des te meer in de mate dat de appellante in de algemene voorwaarden, waarop zij zich ten aanzien van de geïntimeerde beroept, haar klanten verplicht hun protest tegen de factuur per aangetekend schrijven te verzenden (artikel 4 b van de algemene voorwaarden - stuk 13 van de appellante). Het is pas in de loop van de - bijna acht jaar later ingeleide - procedure dat de appellante voor het eerst betwistte dat de betreffende aangetekende brief verzonden was. In haar dagvaarding liet zij daar nog enige twijfel over bestaan: "De gedaagde zou deze hebben geprotesteerd maar de verzoekster ontving deze aangetekende zending niet" om dan in conclusies te stellen dat de geïntimeerde de factuur nooit geprotesteerd had en uiteindelijk dat zij faalde in haar bewijslast met betrekking tot de verzending van het aangetekend schrijven. In die omstandigheden kan zij de geïntimeerde niet verwijten dat zij thans het origineel van de aangetekende zending - waarover als zodanig gedurende bijna 8 jaar geen betwisting bestond - niet meer kan voorleggen. De kopie van de zending, die zij als stuk meedeelt, bevat de datumstempel "16.09.98", de meldingen "huis gesloten. Bericht in de bus gestoken op 17-9-98" (waaruit de appellante ten onrechte afleidt dat de zending reeds op die datum aan de afzender zou teruggestuurd zijn) en een klever "terug aan afzender", met daarop aangekruist "niet afgehaald". De klever bedekt grotendeels de gegevens van de geadresseerde. Van de naam is evenwel leesbaar "EX", van de straat "Dui" en van het postnummer "B-9". Ten tijde van de verzending van de aangetekende brief was de naam van de appellante "Expo Stand" en was haar zetel gevestigd aan de "Duifhuisstraat 52" te "B-9000" Gent. Aan de hand van de voorliggende kopie van aangetekende zending en rekening houdend met de reactie van de appellante op het schrijven d.d. 26 januari 1999 van de geïntimeerde, acht het hof het bewezen dat de geïntimeerde het protestschrijven van 15 september 1998 op 16 september 1998 aan de appellante heeft verzonden.
- De vaststelling dat de appellante de aangetekende zending niet heeft afgehaald, belet niet dat de geïntimeerde bewijst de factuur tijdig geprotesteerd te hebben. Uit het gebrek aan antwoord op de niet afgehaalde brief kan de geïntimeerde evenwel niet afleiden dat de appellante haar protest aanvaard heeft. Aangezien de aangetekende zending haar ongeopend werd teruggestuurd en zij niet aantoont dat de appellante er op een andere wijze kennis van had gekregen, kon de geïntimeerde er niet rechtmatig op vertrouwen dat de appellante instemde met de inhoud ervan. Nadat zij op 26 januari 1999 een kopie ontving van dit protestschrijven, heeft de appellante het onmiddellijk betwist.
- Door de aanvaarding van de offerte van de appellante op 4 september 1998 door de geïntimeerde is een overeenkomst tot stand gekomen waarbij de appellante zich ertoe verbond een stand te bouwen op de IBC-beurs te Amsterdam, die begon op 11 september 1998 en heeft de geïntimeerde zich ertoe verbonden om de daarvoor overeengekomen prijs te betalen.
- In de faxberichten die zij in de vooravond van 10 september 1998 en in de ochtend van 11 september 1998 richtte aan de appellante, uitte de geïntimeerde haar ongenoegen over het feit dat de stand nog niet opgebouwd, respectievelijk nog niet gebruiksklaar was. In de offerte was geen tijdstip bepaald waarop de stand afgewerkt diende te zijn. De geïntimeerde beweert dat hij moest opgebouwd zijn tegen 10 september 1998 te 18 uur, doch verduidelijkt niet waarop zij daarvoor steunt. De stelling van de appellante dat zij aan haar verbintenissen voldeed indien de opbouw en de levering van de materialen voltooid was op 11 september 1998 te 12 uur, kan niet bijgetreden worden. De uitvoering te goeder trouw door de appellante van de overeenkomst vereiste dat de geïntimeerde over de nodige tijd moest kunnen beschikken om haar eigen goederen en materialen in de stand te plaatsen, zodat hij volledig ingericht was tegen het tijdstip van opening van de beurs. Uit het faxbericht d.d. 10 september 1998 van de geïntimeerde, dat door de appellante niet tegengesproken werd, blijkt dat de appellante om 17.15 uur nog geen aanvang genomen had met het opbouwen van de stand. In het faxbericht dat de geïntimeerde op 11 september 1998 tussen 9 en 10 uur richtte aan de appellante, is er geen sprake meer van de opbouw van de stand, maar nog enkel van de levering van meubelen. In het antwoord dat de appellante korte tijd daarna heeft verzonden, verwijst zij naar een telefonisch onderhoud met W. R., dat "alles wat betreft de stand in orde was" en bevestigt zij dat het meubilair nog dezelfde voormiddag zou geleverd worden. De geïntimeerde heeft niet gereageerd op dit antwoord, noch onmiddellijk daarna, noch bij de aanvang of tijdens de beurs. Daaruit kan besloten worden dat zij vooralsnog op tijd over een gebruiksklare stand beschikte. Zij toont niet aan dat zij de stand niet heeft kunnen inrichten tegen het tijdstip waarop de beurs een aanvang nam. De appellante is pas op het allerlaatste nuttige ogenblik met de opbouw van de stand begonnen. Bovendien zijn er tussen de partijen blijkbaar geen duidelijke afspraken gemaakt over het tijdstip waarop de aangestelden van de geïntimeerde aan de inrichting van de stand konden beginnen. Dit belet evenwel niet dat de geïntimeerde de door de appellante uitgevoerde prestaties en leveringen dient te betalen. Wanneer de geïntimeerde voorhoudt dat zij schade heeft geleden door het feit dat haar aangestelden tevergeefs gewacht hebben, dient zij aan te tonen dat dit aan de appellante te wijten was, met name omdat zij de opbouw van de stand niet beëindigd had op het aangekondigde of afgesproken tijdstip. Er liggen daarover geen bewijzen voor. De geïntimeerde vordert trouwens geen schadevergoeding.
- Voor het eerst in haar brief van 15 september 1998 hield de geïntimeerde voor dat zij grotendeels de stand heeft opgebouwd. Deze bewering, die de appellante heeft tegengesproken van zodra zij er op 26 januari 1999 kennis van kreeg, is niet geloofwaardig. Zij vindt geen enkele steun in de eigen briefwisseling d.d. 10 en 11 september 1998 van de geïntimeerde. In het faxbericht van 10 september 1998 drukte de geïntimeerde weliswaar haar bezorgdheid uit over het feit dat de opbouw van de stand nog niet gebeurd was, maar zij kondigde niet aan dat zij dit zelf zou doen. Zij bevestigde integendeel een telefoongesprek met de appellante, die had laten weten dat zij zich geen zorgen hoefde te maken. Klaarblijkelijk werd de stand opgebouwd tussen 10 september 1998 om 17.15 uur en 11 september 1998 omstreeks 9 uur. Indien de geïntimeerde in de plaats van de appellante tot de opbouw was overgegaan, dan zou zij daarvan ongetwijfeld melding gemaakt hebben in haar faxbericht van 11 september
- Zij deed dit niet maar beperkte zich ertoe te klagen over het feit dat de meubelen nog niet geleverd waren. Bovendien spreekt de geïntimeerde in haar brief van 15 september 1998 zichzelf tegen. Enerzijds stelt zij dat de persoon, die zich op 10 september 1998 's avonds aanbood, slechts een koerier was die enkel een deel van het materiaal kwam brengen en dat zij zelf de opbouw deed. Anderzijds beweert zij in diezelfde brief dat de appellante diezelfde avond wel instond voor het boren van twee gaten in een van de panelen en het ophangen van een monitor. Dit laatste veronderstelt dat de stand reeds - minstens gedeeltelijk - was opgebouwd en bijgevolg dat niet enkel een "koerier" namens de appellante aanwezig was op de beurs.
- Eveneens voor het eerst in haar protestschrijven van 15 september 1998 - dat verzonden werd op 16 september 1998, dus na het einde van de beurs - heeft de geïntimeerde erover geklaagd dat haar "verwachting" iets anders was "dan een standaard stand, opgebouwd uit materiaal dat grotendeels op de beurs zelf was ingehuurd", en merkte zij op dat zij dit evengoed zelf had kunnen doen en voor veel minder geld. Zij blijft evenwel volledig in gebreke aan te tonen dat het materiaal dat door de appellante ter beschikking was gesteld, niet beantwoordde aan de beschrijving, die daarvan gegeven werd in de offerte van 3 september
- Zij legt geen enkel stuk voor waaruit blijkt dat zij daarover bij de levering of in de loop van de beurs opmerkingen, bezwaren of voorbehoud geformuleerd heeft, terwijl zij evenmin tegensprekelijk heeft laten vaststellen dat sommige of alle materialen niet conform waren aan hetgeen zij had besteld. De beschrijving van de goederen, zoals hoger aangehaald, liet overigens niet toe te veronderstellen dat de geïntimeerde andere dan standaard materialen mocht verwachten. Voor datgene wat niet tot de standaarduitrusting behoorde, namelijk "2 statieven" verwees de offerte naar een tekening van de geïntimeerde.
- Uit de voorliggende stukken en uit hetgeen voorafgaat besluit het hof dat de appellante haar verbintenissen uit de overeenkomst met de geïntimeerde is nagekomen, met uitzondering van het vervoer naar de RAI van het plasmascherm. De offerte maakte melding van dit plasmascherm. Bovendien was daarin bedongen dat het transport, de opbouw en de afbraak in de prijs begrepen waren. Reeds in haar faxbericht van 10 september 1998 wees de geïntimeerde erop dat de appellante dit scherm zou afhalen en dat zij dit uiteindelijk zelf heeft gedaan. De appellante heeft dit laatste niet tegengesproken.
- De geïntimeerde is ertoe gehouden de prijs die bedongen werd, te betalen, ook al blijkt dat deze prijs, zelfs in vergelijking met de tarieven die thans gangbaar zijn, hoog was. De overeenkomst met de appellante strekt haar immers tot wet. Enkel de prijs voor het vervoer van het plasmascherm naar de RAI kan de appellante niet ten laste leggen van de geïntimeerde. De overeenkomst werd gesloten tegen een globale prijs en noch de offerte, noch de factuur vermelden een detailprijs voor de diverse onderdelen van de opdracht. Er liggen geen objectieve elementen voor die toelaten de waarde van deze niet-uitgevoerde prestatie in verhouding tot de totaliteit van de offerte precies te bepalen. Anderzijds staat het vast dat het aandeel daarvan in het geheel van de te leveren prestaties in die mate beperkt is dat niet kan verantwoord worden daaromtrent een onderzoeksmaatregel te bevelen. Rekening gehouden daarmee en gelet op de prijs, aangerekend voor de volledige opdracht, begroot het hof de prijs voor het afhalen van het plasmascherm op 5.000 BEF, inclusief btw. Dit bedrag dient in mindering gebracht te worden van de contractprijs van 272.250 BEF, zodat de door de geïntimeerde verschuldigde som 267.250 BEF of 6.624,95 EUR bedroeg. De eerste rechter heeft de geïntimeerde veroordeeld tot betaling aan de appellante van 1.500,00 EUR, meer de gerechtelijke rente. De geïntimeerde heeft daartegen geen hoger beroep ingesteld. Zij wordt thans nog veroordeeld tot betaling van 5.124,95 EUR in hoofdsom, meer de rente zoals hierna wordt bepaald. V.
- De appellante vordert conventionele rente op grond van haar algemene voorwaarden, vermeld op de keerzijde van haar facturen. Zij toont evenwel niet aan dat daarover een overeenkomst tot stand gekomen is tussen de partijen. De offerte van 3 september 1998 bevat geen vermelding van noch verwijzing naar deze algemene voorwaarden. Het blijkt niet dat de geïntimeerde er eerder kennis van gekregen heeft dan op het ogenblik van de ontvangst van de factuur. De appellante kan geen vermoeden putten uit de aanvaarding van deze factuur, om daaruit te besluiten tot het bestaan van een akkoord over de toepasselijkheid van deze voorwaarden, aangezien de geïntimeerde deze factuur in haar geheel geprotesteerd heeft en in de plaats daarvan "een realistisch voorstel van facturatie" gevraagd heeft.
- Zoals hoger gesteld pleegde de appellante geen rechtsmisbruik door - na jaren te hebben stilgezeten - vooralsnog betaling te vorderen van haar prestaties. De houding van de appellante, die erin bestaat dat zij gedurende vele jaren nalatig geweest is om haar factuur in te vorderen, zonder dat daarvoor enige plausibele verklaring was, om dan over de volledige periode een rente te vorderen, die de gangbare rente, toegekend voor geldbeleggingen in dezelfde periode ruim overtreft, strookt kennelijk niet met de verplichting de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren en maakt wel rechtsmisbruik uit. De omstandigheid dat de geïntimeerde ondertussen het niet-betwiste bedrag had kunnen betalen, doet daaraan geen afbreuk. De sanctie van dit rechtsmisbruik bij de uitoefening van de contractuele rechten bestaat in het opleggen van de normale uitoefening ervan of in het herstel van de schade ten gevolge van dat misbruik (vgl. CASS. 8 februari 2001, R.W., 2001-02, p. 778). Deze normale uitoefening bestaat erin dat de appellante geen rente kan vorderen gedurende de periode dat zij stilgezeten heeft. De geïntimeerde is aldus slechts rente verschuldigd vanaf 25 januari 1999 (datum eerste ingebrekestelling) tot 9 december 2000 en de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding tot de betaling, telkens aan de wettelijke rentevoet. VI. De tegenvordering van de geïntimeerde tot het bekomen van een schadevergoeding van 2.500,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding/hoger beroep en wegens aantasting van haar faam, is ongegrond. De geïntimeerde toont niet aan dat de vordering van de appellante en haar hoger beroep - die beide gedeeltelijk gegrond zijn - voortvloeien uit kwaad opzet of hatelijkheid en aldus een tergend karakter vertonen, terwijl zij evenmin getuigen van een lichtzinnigheid waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden. De omstandigheid dat de appellante haar eis pas ingesteld heeft acht jaar na uitgifte van de factuur waarop ze betrekking heeft en dat de moratoire rente deels afgewezen wordt, verlenen aan de vordering en het hoger beroep daarom nog geen tergend of roekeloos karakter. Tenslotte blijft de geïntimeerde volledig in gebreke te bewijzen dat haar faam is aangetast door het instellen door de appellante van haar vordering en haar hoger beroep. VII.
- Gelet op de gedeeltelijke gegrondheid van de vordering van de appellante en van haar hoger beroep, en op de volledige ongegrondheid van de tegenvordering van de geïntimeerde, zijn alle gerechtskosten in beide aanleggen ten laste van de geïntimeerde.
- Op 1 januari 2008 is de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat in werking getreden (artikel 14 van deze wet). De artikelen 2 en 12 van deze wet zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden (artikel 13 van deze wet). Dit is het geval voor de huidige procedure in hoger beroep. Artikel 7 van deze wet heeft artikel 1022 Ger.W. vervangen en bepaalt onder meer: "De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (...). Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij". Op grond van deze bepalingen kan de geïntimeerde geen vergoeding vorderen van haar kosten voor bijstand van een raadsman voor het geding in hoger beroep. In zover dit onderdeel van haar vordering strekt tot vergoeding van de advocatenkosten gemaakt in eerste aanleg, kan zij evenmin worden toegekend. Op het ogenblik van de uitspraak van de eerste rechter was de wet van 21 april 2007 nog niet in werking getreden. Het Hof van Cassatie had geoordeeld dat de honoraria van de advocaat van de partij die schadevergoeding vordert wegens niet-uitvoering van een overeenkomst, schade konden uitmaken in de zin van artikel 1151 B.W., indien deze schade een noodzakelijk gevolg is van de fout (vgl.: CASS. 2 september 2004, R.W., 2004-2005, 535). Ook inzake buitencontractuele aansprakelijkheid konden de kosten van de advocaat op de schadeveroorzakende partijen verhaald worden als onderdeel van de door het slachtoffer geleden schade (vgl.: CASS., 16 november 2006, R.W., 2006-2007, 1128). Uit deze rechtspraak van het Hof van Cassatie kon evenwel niet besloten worden dat de verliezende partij in alle gevallen de kosten en het ereloon van de advocaat van de winnende partij diende te betalen. Aangezien de vordering van de appellante tegen de geïntimeerde gedeeltelijk gegrond is en de tegenvordering van de geïntimeerde ongegrond, voldeed de geïntimeerde in ieder geval niet aan de voorwaarden om zich, voor wat haar advocatenkosten in eerste aanleg betreft, te beroepen op de voormelde Cassatierechtspraak.
- De betwisting omtrent de beslissing van de eerste rechter aangaande de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis - dat blijkbaar vrijwillig werd uitgevoerd - is door de uitspraak van dit arrest in elk geval zonder voorwerp. Krachtens artikel 1397 Ger.W. schorsen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de uitvoerbaarheid daarvan. Tegen een tegensprekelijk arrest kan geen verzet, noch hoger beroep worden aangetekend, doch staat enkel nog een voorziening in Cassatie open, die evenwel geen opschortende werking heeft en de uitvoerbare kracht van de beslissing die in laatste instantie is gewezen niet beperkt. De partij die een arrest heeft verkregen dat voor het Hof van Cassatie wordt betwist, kan de tenuitvoerlegging van dat arrest voortzetten, zelfs na de indiening van de voorziening. Het is dan ook overbodig de voorlopige tenuitvoer-legging van een tegensprekelijk arrest te bevelen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv Mediatrader en het incidenteel hoger beroep van de nv Wim Robberechts en Co ontvankelijk, wijst dit laatste af als ongegrond en verklaart het eerste gegrond in de hierna vermelde mate; Bevestigt het vonnis van de eerste rechter - in zover het bestreden wordt - in zover het de tegenvordering van de nv Wim Robberechts en Co ontvankelijk, doch ongegrond verklaarde; Vernietigt het voor het overige - in zover het bestreden wordt - en, daaromtrent opnieuw recht sprekend, Veroordeelt de nv Wim Robberechts en Co tot betaling aan de nv Mediatrader van de som van 5.124,95 EUR (vijfduizend honderd vierentwintig euro en vijfennegentig cent) vermeerderd met de moratoire rente op 6.624,95 EUR vanaf 25 januari 1999 tot 9 december 2000 en de gerechtelijke rente op 5.124,95 EUR vanaf 22 augustus 2006 tot de datum der algehele betaling, telkens aan de wettelijke rentevoet (thans 5,5 % per jaar). Wijst het meer gevorderde en de eisuitbreiding, evenals de vordering van de nv Wim Robberechts en Co wegens tergend en roekeloos hoger beroep, af als ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt de nv Wim Robberechts en Co tot de gedingkosten in beide aanleggen, aan haar zijde niet te begroten aangezien zij te haren laste blijven en aan de zijde van de nv Mediatrader begroot op 239,11 EUR dagvaardingskosten en 364,40 EUR rechtsplegings-vergoeding in eerste aanleg, 186,00 EUR rolrecht hoger beroep en 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 12e kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 4-2-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div