← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090205.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 05 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090205.7 Rolnummer: 2006/RK/301 Rechtsgebied: Overige - Familierecht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 19:07 Fiche Een hoofdberoep bij conclusies tegen een gerechtelijke uitspraak waartegen het initieel principaal hoger beroep niet is gericht, vormt geen rechtsmiddel tegen een beslissing waarbij men door de eerste rechter geheel of gedeeltelijk in het ongelijk werd gesteld. De eerste rechter is enkel diegene die de bestreden beschikking heeft gewezen waartegen het initieel hoger beroep is gericht. Dergelijk beroep is ontoelaatbaar. Het hof, in hoger beroep in een procedure ex 1280 Ger. W. is niet bevoegd om uitspraak te doen over een vordering, ingesteld na de ontbinding van het huwelijk en die ertoe strekt voor een periode na die ontbinding een voorlopige maatregel met betrekking tot de gemeenschappelijke kinderen te verkrijgen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Dringende en voorlopige maatregelen STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Incidenteel beroep Vrije woorden: Hoger beroep - incidenteel beroep - toelaatbaarheid Dringende en voorlopige maatregelen ex art. 1280 Ger.W. - huwelijk reeds ontbonden - temporele bevoegdheid kort gedingrechter Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 05 februari 2009 ________ Na tussenarrest d.d. 22 maart 2007 , d.d. 28 juni 2007 2006/RK/301 - In de zaak van: D.L., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. MISSAULT Francis, advocaat te 8000 BRUGGE, Koningin Elisabethlaan 34 tegen : R. R., wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DEMEULENAERE Bernadette, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5 velt het hof het volgend arrest: Het tussenarrest op 28 juni 2007 gewezen door dit hof en deze kamer, anders samengesteld, werd ingezien. Ter beoordeling is nog steeds het hoger beroep ingesteld tegen de beschikking verleend op 10 augustus 2006 in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, statuerend over de ingevolge gewijzigde omstandigheden gevorderde voorlopige maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De appellante vroeg in haar laatste beroepsconclusies dat het hof het incidenteel beroep ontoelaatbaar zou verklaren en de geïntimeerde zou verwijzen in de kosten, aan haar zijde begroot op de rechtsplegingvergoeding van 1.200,00 EUR. De geïntimeerde vorderde in zijn laatste beroepsconclusies dat het hof zijn incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en dienvolgens zou zeggen voor recht dat hij aan de appellante geen onderhoudsgelden voor welk kind dan ook dient te betalen, in hoofdorde met ingang van 16 oktober 2004, in ondergeschikte orde met ingang van 31 mei 2007 en in uiterst ondergeschikte orde met ingang van 28 juni 2007, en de appellante tevens zou veroordelen tot alle kosten van het geding, zoals aan zijn zijde nader begroot. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 27 november 2008 bij monde van hun raadslieden; de dossiers van de rechtspleging en de neergelegde stukken werden ingezien. De partijen hebben op voornoemde terechtzitting de zaak integraal hernomen voor de huidige samenstelling van het hof. Advocaat-generaal Dominique Debrauwere werd ter zelfde terechtzitting gehoord in zijn mondeling advies, waarop de appellante afzag van haar recht op repliek en de geïntimeerde in zijn repliek werd gehoord. De zaak werd in beraad genomen. BEOORDELING

  1. Thans dient enkel nog uitspraak te worden gedaan over de toelaatbaarheid/gegrondheid van het door de geïntimeerde bij beroepsconclusies, ter griffie neergelegd op 31 mei 2007, ingestelde incidenteel beroep met betrekking tot de door hem te betalen onderhoudsbijdragen voor L. en E.. Waar de geïntimeerde vóór het tussenarrest van 28 juni 2007 niet (expliciet) de retroactieve afschaffing van de onderhoudsbijdragen voor L. en E. vroeg, doet hij dit thans wel. In het tussenarrest van het hof van 28 juni 2007 werd de vraag gesteld naar de toelaatbaarheid van het incidenteel beroep op dit punt aangezien de vraag tot afschaffing van de onderhoudsbijdragen voor de beide kinderen nimmer werd gesteld voor de eerste rechter die slechts geadieerd werd om ingevolge gewijzigde omstandigheden te beslissen over de schoolkeuze en de verblijfsregeling. De geïntimeerde vraagt thans dat het hof zijn incidenteel beroep zou beschouwen als een hoofdberoep tegen de niet bestreden beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 20 april 2005, waarin geoordeeld werd omtrent de door de appellante gevorderde onderhoudsbijdragen voor de kinderen. Overeenkomstig artikel 1056, 4° Ger.W. kan hoger beroep worden ingesteld bij conclusie ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is. Zulks impliceert onder meer dat indien het incidenteel beroep onontvankelijk zou dienen te worden verklaard, er toch moet nagegaan worden of het beroep niet ontvankelijk kan zijn als hoofdberoep. De geïntimeerde kan evenwel geen hoger beroep instellen tegen een niet door het principaal hoger beroep van de appellante bestreden gerechtelijke beslissing. Naast de algemene toelaatbaarheidsvereisten van art. 17 en 18 Ger.W. die slechts gelden voor een rechtsvordering zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, vormen het belang en de hoedanigheid vereist voor de toelaatbaarheid van het hoger beroep specifieke en autonome voorwaarden. Vereist is dat de geïntimeerde partij in eerste aanleg is geweest en hij door de beslissing van de eerste rechter geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Een hoofdberoep bij conclusies tegen een gerechtelijke uitspraak waartegen het initieel principaal hoger beroep niet is gericht, vormt geen rechtsmiddel tegen een beslissing waarbij men door de eerste rechter geheel of gedeeltelijk in het ongelijk werd gesteld. Het betreft immers niet de eerste rechter aangezien deze enkel diegene is die de bestreden beschikking heeft gewezen waartegen het initieel hoger beroep is gericht. Het incidenteel beroep van de geïntimeerde, door hem thans hoger beroep genoemd, is dan ook ontoelaatbaar voor zover de retroactieve afschaffing van de onderhoudsbijdragen sedert 16 oktober 2004 wordt beoogd. Wat betreft de gevraagde afschaffing van de onderhoudsbijdragen sedert de ontbinding van het huwelijk van partijen is het zo dat de voorzitter van de rechtbank rechtsprekend in kort geding op grond van art. 1280 Ger.W. of in graad van hoger beroep, het hof van beroep, niet bevoegd is om uitspraak te doen over een vordering ingesteld na de ontbinding van het huwelijk en die ertoe strekt voor een periode na die ontbinding een voorlopige maatregel met betrekking tot de gemeenschappelijke kinderen te verkrijgen. Nu niet wordt betwist dat het huwelijk van partijen ontbonden is sedert 27 oktober 2006, is het hof, in hoger beroep in een procedure ex 1280 Ger. W., niet meer bevoegd om kennis te nemen van elke nieuwe vordering, hetzij op principaal hoger beroep, hetzij op incidenteel beroep die in deze instantie gesteld wordt door partijen voor een periode na ontbinding van het huwelijk; nieuwe vordering die hetzij het bekomen, de wijziging of de afschaffing van onderhoudsbijdragen voor L. en E. tot voorwerp heeft.
  2. Gelet op de hoedanigheid van de partijen, de gedeeltelijke gegrondheid van het hoger beroep en de ontoelaatbaarheid van het incidenteel beroep komt het in huidig familiaal geschil wenselijk voor om de kosten van het hoger beroep bij gelijke helften ten laste te leggen van iedere partij, met dien verstande dat de respectieve rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd. De kosten van tenuitvoerlegging komen overeenkomstig art. 1024 Ger.W. ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het incidenteel hoger beroep voor zover het de retroactieve afschaffing van de onderhoudsbijdragen voor L. en E. beoogt (door de geïntimeerde thans hoger beroep genoemd) ontoelaatbaar. Verklaart, voor zover het incidenteel beroep de afschaffing van de voornoemde onderhoudsbijdragen sedert de ontbinding van het huwelijk tot voorwerp heeft, dat het hof overeenkomstig art. 1280 Ger.W. niet bevoegd is om daarover te beslissen. Verwijst beide partijen elk in de helft van de kosten van het hoger beroep, niet te begroten bij gebrek aan opgave, en compenseert de wederzijds gevorderde rechtsplegingsver-goedingen. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 5 februari 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Kurt Goossens K. Vandenberghe N. De Turck A. Deene Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.