id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090206.12 Rolnummer: 2005/AR/605 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 19:07 Fiche Het hof volgt de berekeningen van de deskundige voor een planschadevergoeding, en kent een schadevergoeding toe wegens tergend en roekeloos verweer (wegens uitvoerige conclusies die ingaan tegen tussenarresten). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen Vrije woorden: Planschade - Omvang vergoeding - Schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweer. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 06-02-2009 planschade na tussenarresten d.d.11.11.1991 d.d. 28.02.1997 d.d. 03.10.1997 na ambtshalve weglating oud nr. 36.440 2005/AR/605 in de zaak van:
- D'H. J., thans overleden en voor wie het geding heeft hervat als rechtsopvolgster: M. J.
- M. J., wonende te appellante van het vonnis gewezen door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk d.d. 21.06.1988, hebbende als raadsman mr. D'HOOGHE Paul, advocaat te 8800 RUMBEKE, Hoogstraat 15 tegen: Het VLAAMSE GEWEST, Vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de voorzitter van deze regering namens wie optreedt Dhr. VAN MECHELEN Dirk, Vlaams Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, aangewezen door deze regering om ondermeer de bevoegdheden in zake... de ruimtelijke ordening ... uit te oefenen en wier kabinet gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Phoenixgebouw, Koning Albert II-laan 19, 11de verdiep, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BOSSUYT Jan, advocaat te 8310 ASSEBROEK, Bossuytlaan 35 velt het Hof het volgend arrest: Het hof, anders samengesteld, voor wie de debatten en de conclusies werden hernomen, heeft de partijen opnieuw gehoord in openbare terechtzitting bij monde van hun respectieve raadslieden; de neergelegde conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.
- Bij tussenarrest van 3 oktober 1997 heeft het hof Paul Hautekiet, landmeter te Harelbeke, aangesteld als deskundige met de opdracht om overeenkomstig artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw en het Uitvoeringsbesluit van 24 oktober 1978 de vergoeding voor de planschade te bepalen ingevolge het feit dat het perceel bouwgrond aan de te , gekend op het kadaster onder sectie nr. ingevolge het gewestplan parkgebied werd. De geïntimeerde werd veroordeeld om aan de appellante(n) een provisionele planschadevergoeding te betalen van 100.000 BEF, thans 2.478,94 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 18 juli 1985 en met de gerechtelijke intresten vanaf 13 januari
- Wat betreft de procedurele antecedenten, de door de partijen ingenomen standpunten en de door hen ontwikkelde middelen, verwijst het hof naar de uiteenzettingen ontwikkeld in het bestreden vonnis d.d. 21 juni 1988, in het tussenarrest van 11 oktober 1991 en in het tussenarrest van 3 oktober 1997, die hier kortheidshalve voor hernomen worden beschouwd. De door het hof aangestelde deskundige heeft zijn verslag ter griffie van het hof neergelegd op 17 september
- De gerechtsdeskundige adviseert het hof de schadevergoeding ten gunste van de appellante te bepalen als volgt: "De waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding voor de inwerkingtreding van het plan wordt geschat op 1.530-fr/m² (thans 37,93 euro/m²). De waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op planschadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan wordt geschat op 120,-fr/m² (thans 2,97 euro/m²). De oppervlakte van het goed bedraagt volgens het kadaster 19a18ca. De oppervlakte van het terrein bedraagt, overeenkomstig de opmeting van Walter Vervaeke d.d. 29 oktober 1969, 18a68ca 45/
- Het is evident dat de oppervlakte, zoals opgegeven op het metingsplan van landmeter Vervaeke primeert boven de oppervlakte opgegeven door het kadaster. De totale minwaarde op 18.07.1985 bedraagt aldus: (1530,-fr/m² min 120,-fr/m²) maal 1868,45m²= 2.634.515,-fr (thans 65.307,92 euro). De verweerders hadden duidelijk de bedoeling een perceel bouwgrond te kopen en gingen de aankoop niet verrichten indien de grond een andere bestemming had. De kosten van de aankoop evenals de kosten van onderhoud gingen zij dan ook niet gehad hebben. Rekening houdend met de inflatie en het gederfde rendement over een periode van 24 jaar wordt de vergoeding voor gemaakte kosten geschat op 500.000,-fr (thans 12.394,68 euro). Overwegende dat de waardevermindering zonder vergoeding van 20 % gedoogd dient te worden, en rekening houdend met de hiervoor aangehaalde uiteenzetting bedraagt de vergoeding voor de planschade geleden door dhr en Mevr D'H. J. en Mevr. M. J.: - hoofdsom: 2.634.515,-fr 65.307,92 euro - kosten: 500.000,-fr 12.394,68 euro ------------------------------------------------------- 3.134.515,-fr 77.702,60 euro Waardevermindering 20% - 626.903,-fr 15.540,52 euro ------------------------------------------------------ Vergoeding voor planschade 2.507.612,-fr 62.162,08 euro 2.
- J. M. heeft op regelmatige wijze het geding hervat als rechtsopvolger van J. D'H., overleden te op . 2.
- J. M. vordert - in eigen naam en in haar hoedanigheid van rechtsopvolger van wijlen haar echtgenoot J. D'H. - in haar besluiten, neergelegd ter griffie van het hof op 29 oktober 2008, dat de planschadevergoeding wordt bepaald op 2.791.616 BEF, thans 69.202,35 euro. Zij vordert aldus dat de geïntimeerde wordt veroordeeld om haar te betalen het bedrag van 69.202,35 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 18.06.1985 tot de dag der algehele betaling. Verder vordert zij dat de geïntimeerde wordt veroordeeld om haar een schadevergoeding te betalen van 1.500,00 euro wegens tergend en roekeloos verweer, bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Tenslotte vordert zij dat de geïntimeerde wordt verwezen in de nader bepaalde gedingkosten en dat de rechtsplegingvergoeding wordt bepaald op 5.000,00 euro. 2.
- Het Vlaamse gewest concludeert tot de ongegrondheid van de vordering en tot de verwijzing van de appellante in de nader bepaalde gedingkosten. In ondergeschikte orde vordert hij dat de planschadevergoeding hoogstens kan worden bepaald op 12.350,10 euro, onder aftrek van de provisie van 2.478,94 euro en te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf 13 januari
- In meer ondergeschikte orde vordert hij dat er een (nieuwe) deskundige wordt benoemd om de planschade te berekenen overeenkomstig artikel 35 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna genoemd Gec. Decr.) (voorheen artikel 37 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw - hierna genoemd stedenbouwwet). In de meest ondergeschikte orde vordert het Vlaamse Gewest dat het gerechtigd zou worden verklaard om bij toepassing van artikel 35, 7° lid Gec. Decr. (voorheen artikel 37, 7° lid 7 stedenbouwwet) door herstel in natura te voldoen aan enige verplichting tot schadevergoeding.
- Het hof dient niet in te gaan op de middelen die de geïntimeerde nog zeer uitvoerig ontwikkelt, doch strijdig zijn met hetgeen reeds werd beslist in de tussenarresten van 11 oktober 1991 en van 3 oktober
- Aldus werd reeds in het arrest van 11 oktober 1991 definitief beslist dat de vordering van de appellante niet verjaard (noch vervallen) is, dat de kwestieuze grond bouwgrond is en dat de appellante terecht aanspraak maakt op planschadevergoeding. Alle (zeer uitvoerig ontwikkelde) middelen en overwegingen die de geïntimeerde thans (opnieuw) aanvoert zijn totaal nodeloos. Het hof is immers gebonden door het gezag van gewijsde van de tussenarresten. Het debat blijft dan ook beperkt tot de omvang van de planschadevergoeding.
- De opdracht aan de gerechtsdeskundige gegeven in het tussenarrest van 3 oktober 1997 is duidelijk en niet voor enige interpretatie vatbaar. Deze opdracht luidt letterlijk: "Overeenkomstig artikel 37 van de wet op de Ruimtelijke Ordening en Stedebouw en het Uitvoeringsbesluit van 24 oktober 1978 de vergoeding voor planschade te bepalen ingevolge het feit dat het perceel bouwgrond aan de , gekend op het kadaster onder Sectie nr. (), ingevolge het Gewestplan parkgebied werd". Artikel 37, 2° lid van de stedenbouwwet (nadien artikel 35,2° Gec. Decr.) bepaalt: "De waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en de kosten, vóór de inwerkingtreding van het plan en anderdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Enkel de waardevermindering voortvloeiend uit dat plan kan in aanmerking komen voor schadevergoeding. Artikel 37,5° lid van de stedenbouwwet (nadien artikel 35,5° lid Gec. Decr.) bepaalt: "De waardevermindering van het goed volgend uit het bouw- of verkavelingsverbod, moet evenwel zonder vergoeding gedoogd worden ten belope van twintig ten honderd van die waarde" Alhier dient toch te worden opgemerkt dat de geïntimeerde nooit enige opmerking heeft geformuleerd op het voorverslag van de deskundige. Volkomen ten onrechte stelt de geïntimeerde dat de gerechtsdeskundige foutieve berekeningen zou hebben gemaakt. Het volstaat daartoe te verwijzen naar het deskundigenverslag. Aldus vertrok de gerechtsdeskundige van de aankoopprijs van het onroerend goed (op datum van 25.05.1961) en voegde hij terecht daar de kostprijs aan toe die door de oorspronkelijke appellanten werden betaald voor de aanleg van de waterleidingen, riolering en bestrating, verlichting en voetpad (D.V. p. 4 en 8). Het is immers door de uitvoering van deze infrastructuurwerken dat het onroerend goed volwaardige bouwgrond werd. Ten onrechte stelt de geïntimeerde dat er (conform artikel 37, 6° lid stedenbouwwet, zijnde nadien artikel 35,6° lid Gec. Decr.) rekening zou moeten gehouden worden met de onteigeningsvergoeding betaald voor twee kleine stukken bouwgrond. Deze vergoedingen hebben helemaal niets te zien met de huidige vordering voor planschade voor een totaal ander stuk bouwgrond. Het weze herhaald dat het hof reeds definitief besliste dat de appellante terecht aanspraak kan maken op planschadevergoeding. Een klein deel van de kwestieuze grond werd onteigend. De vrederechter heeft de waarde ervan in zijn vonnis van 12 maart 1968 bepaald. De ontvangen vergoeding werd bekomen in ruil voor de onteigende grond, hetgeen als dusdanig geen voordeel in de zin van art. 37,6° lid van de stedenbouwwet (nadien art. 35,6° lid Gec. Decr.) oplevert voor de appellante(n). Het standpunt van de geïntimeerde is overigens helemaal niet te aanvaarden, nu de planschade is tot stand gekomen ingevolge het Gewestplan van 4 november 1977, dit is lang nadat de onteigeningsvergoeding met betrekking tot een klein stukje bouwgrond werd bepaald. Van enig voordeel op de datum van het ontstaan van het recht op schadevergoeding is dientengevolge helemaal geen sprake meer. De geïntimeerde kan dit dus helemaal niet meer in rekening brengen. Na het bepalen van de aankoopwaarde van de eigendom (zo in zijn geheel als per m²) is de gerechtsdeskundige overgegaan tot de actualisatie ervan tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding. De deskundige heeft dit gedaan met kennis van zaken. Hij hanteerde daartoe alle mogelijke beschikbare gegevens zoals de An-Hyp uitgave van de "Waarde der onroerende goederen" en hij hield rekening met een voldoende aantal vergelijkingspunten (D.V. p. 4 - 6). Ook voor het bepalen van de waarde van het onroerend goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan ging de gerechtsdeskundige op professionele wijze tewerk. Hij hield rekening met de waarde van de grond als parkgebied en met de nodige vergelijkingspunten. De bewering dat de gerechtsdeskundige geen rekening zou gehouden hebben met een vermindering van 20% is totaal ten onrechte. Het verweer van de geïntimeerde is allesbehalve ernstig. Het volstaat te verwijzen naar de eindberekeningen van de deskundige zoals hiervoor in extenso overgenomen. Er is geen reden om van de berekeningen van de gerechtsdeskundige af te wijken. De vergoedende intrest is (conform hetgeen reeds werd beslist in het tussenarrest van 13 januari 1997) verschuldigd vanaf 18 juli
- Op het bedrag van de planschadevergoeding dient thans in mindering te worden gebracht de provisie toegekend in het tussenarrest van 3 oktober 1997, zodat er aan de appellante nog toekomt boven het bedrag van de reeds ingewilligde provisie van 2.478,94 euro: 62.162,08 euro - 2.478,94 euro = 59.683,14 euro.
- Schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweer. Een geding kan niet alleen tergend zijn wanneer een partij de bedoeling heeft een andere partij schade te berokkenen, maar ook wanneer zij haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat. In de tussenarresten van het hof d.d. 11 oktober 1991 en 3 oktober 1997 werd reeds duidelijk beslist dat de appellante aanspraak kan maken op vergoeding voor de geleden planschade. De door de geïntimeerde aangevoerde middelen werden in deze arresten zeer duidelijk weerlegd. Deze arresten lieten geen enkele twijfel in verband met de rechtsbeginselen die ter zake van toepassing zijn en hebben geantwoord op alle door de geïntimeerde aangevoerde middelen. Wanneer de geïntimeerde - na deze zeer duidelijke tussenarresten waartegen geen cassatievoorziening werd ingesteld - in een 60-tal pagina's tellende conclusies poogt de reeds genomen beslissingen opnieuw op de helling te zetten, is het hof van oordeel dat de geïntimeerde met een schuldige lichtzinnigheid heeft gehandeld als gevolg van een overduidelijke beoordelingsfout betreffende de slaagkansen van de door hem aangevoerde middelen ontwikkeld na de nochtans zeer duidelijke tussenarresten (waartegen zoals nogmaals ten overvloede gesteld geen voorziening in cassatie werd ingesteld). Dergelijke fout zou in dezelfde omstandigheden niet gemaakt zijn door een normaal redelijke en voorzichtige rechtsonderhorige. Als overheid diende de geïntimeerde er zich zeer goed bewust van te zijn dat de reeds genomen beslissingen gezag van gewijsde hebben en door het hof niet meer kunnen hervormd worden. Deze fout van de geïntimeerde heeft de appellante genoodzaakt zich andermaal te verdedigen tegen de (in strijd met de reeds gewezen tussenarresten) ingenomen standpunten van de geïntimeerde. Deze schade wordt naar billijkheid begroot op 1.500,00 euro.
- De rechtsplegingvergoeding. Onder toepassing van artikel 1017, lid 1 Ger.W. wordt de geïntimeerde als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van de beide instanties, deze aan zijn zijde niet nuttig te begroten zijnde en aan de zijde van de appellante te begroten zoals hieronder nader aangegeven. De rechtsplegingvergoeding moet wordt vereffend volgens de wetgeving en overeenkomstig de tarieven die gelden op het ogenblik van de einduitspraak waarop ze betrekking heeft. Wat de vereffening van de rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg betreft, moet bijgevolg toepassing worden gemaakt van de tarieven van kracht ten tijde van het bestreden vonnis (21 juni 1988) zijnde aldus 237,98 euro. De rechtsplegingvergoeding gevallen in hoger beroep, moet daarentegen worden vereffend volgens de thans geldende tarieven en wordt overeenkomstig artikel 2 van het K.B. van 2 oktober 2007 (tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de voormelde wetsartikelen) begroot op 3.000,00 euro. Er zijn geen redenen voorhanden om af te wijken van dit basistarief. De appellante kan geen aanspraak (meer) maken op enige uitgavenvergoeding en/of aanvullende rechtsplegingvergoeding in hoger beroep. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak. Alle meeromvattende en/of andersluidende conclusies en/of grieven verwerpend als niet dienstig en/of ongegrond. In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni
- De tussenarresten van 11 oktober 1991 en 3 oktober 1997 verder uitwerkend. Geeft akte aan de appellante van haar gedinghervatting. Verklaart de vordering van de appellante als volgt gegrond. Bepaalt de planschadevergoeding toekomende aan de appellante op 62.162,08 euro. Veroordeelt (rekening houdende met de provisie toegekend in het tussenarrest van 3 oktober 1997) het Vlaamse Gewest om aan J. M. te betalen het bedrag van 59.683,14 euro te vermeerderen met de vergoedende intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 18 juli 1985 en met de gerechtelijke intresten vanaf 13 januari
- Veroordeelt verder het Vlaamse Gewest om aan J. M. te betalen een schadevergoeding van 1.500,00 euro wegens tergend en roekeloos verweer, bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf heden. Veroordeelt het Vlaamse Gewest tot de kosten van beide instanties gevallen aan de zijde van de appellante M. en vereffent deze kosten op: dagvaarding en rol: 97,27 euro, rechtsplegingvergoeding eerste aanleg : 237,98 euro, rolrecht hoger beroep: 84,66 euro, rechtsplegingvergoeding hoger beroep: 3.000,00 euro, kosten deskundigenonderzoek: 1.002,18 euro. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op zes februari tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.