id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090206.13 Rolnummer: 2006/AR/3184 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 19:07 Fiche Het hof bepaalt de definitieve onteigeningsvergoeding. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Algemeen (onteigening) Vrije woorden: Onteigening - Omvang vergoeding. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 06-02-2009 onteigening na tussenarrest 28.11.2008 2006/AR/3184 in de zaak van: Het VLAAMSE GEWEST vertegenwoordigd door de Vlaamse Executieve, ten verzoeke van de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, met kabinet te 1000 Brugge, Koning Albert II-laan, 20, bus 1, handelend door tussenkomst van de Voorzitter van het Comité tot Aankoop van onroerende goederen te Kortrijk, met kantoor te 8500 KORTRIJK, Engelse Wandeling 2 F3, alwaar woonstkeuze wordt gedaan, appellant van het vonnis van 26 oktober 2006, gewezen door de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, hebbende als raadsman mr. MICHOLT Ralf, advocaat te 8000 BRUGGE, Maria Van Bourgondielaan 7B tegen:
- D. M., thans overleden te op , voor wie het geding hervatten als rechtsopvolgers: 1.
- S. E., wonende te 1.
- S. T., wonende te 1.
- S. D., wonende te 1.
- S. F., wonende te 1.
- S. L., wonende te
- S. E., wonende te geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. GITS Arnold, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4A velt het Hof het volgend arrest: De partijen werden opnieuw gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de stukken werden ingezien. Na het tussenarrest van 28 november 2008 hebben E., T., D., F. en L. S. op regelmatige wijze het geding hervat als rechtsopvolgers van wijlen M. D., overleden te op . Het Vlaamse Gewest heeft tijdig en in rechtsgeldige vorm hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 26 oktober 2006, gewezen door de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Tevens werd op regelmatige wijze incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen exceptie zijn deze hogere beroepen ontvankelijk te verklaren.
- De betwisting betreft het bedrag van de vergoeding die aan de geïntimeerden toekomt voor de onteigening van de inneming 184 van het onteigeningsplan Z A 71/50 A/0111 (dat het onteigeningsplan Z A /71/0211 wijzigde) en meer bepaald (blijkens de opmeting opgemaakt door landmeter S. Kemp / Izegem - zie verslag deskundige L. Bockstaele) beboste grond genomen uit het perceel gelegen te er ten kadaster bekend sectie nr. . Volgens het bestreden vonnis en het verzoekschrift tot hoger beroep betreft het onteigend goed evenwel: Gemeente : grond te nemen in het perceel sectie nr. , voorkomend onder inneming nr. 184 van het plan ZA 71/0211 tot beloop van , alsook onder de inneming van het plan "bijkomende inneming" opgemaakt door Ir. W. Bostoen van het Wegenfonds op 10.11.1976 (volgens het bestreden vonnis) en op 10.11.1979 1979 (verkeerdelijk gesteld in de beroepsakte) tot beloop van , beide innemingen zijnde een wijziging van de inneming 184 van het plan ZA 71/50 A/0111, goedgekeurd bij K.B. van 04.10.1972" Bij K.B. van 4 oktober 1972 werd de onteigening gedecreteerd voor de aanleg van de A17, autoweg Zeebrugge-Brugge-Kortrijk- Doornik. Blijkens het ontwerp-gewestplan Roeselare- Tielt, vastgesteld bij M.B. van 27 augustus 1976 (B.S. 23.09.1976), is de bedoelde inneming langs de te tot op een diepte van 40m gelegen in een bouwzone en het deel dieper dan 40m is ingekleurd als landbouwgrond. De onteigening gebeurde op grond van de wet van 26 juli
- 3.
- Bij bevelschrift van de vrederechter van het kanton Roeselare van 7 februari 1978 werd Lucien Bockstaele, landbouwkundig ingenieur te St. Kruis Brugge, aangesteld als deskundige om een plaatsbeschrijving en een schattingsverslag op te maken. Bij vonnis van 28 februari 1978 heeft de vrederechter de provisionele onteigeningsvergoeding bepaald op 707.200 BEF, thans 17.531,03 euro. De deskundige bepaalde de waarde van de grond als lager gelegen bouwgrond op 19,83 euro (voorheen 800 BEF)/m², hetzij in het totaal (x 790,99m²) op 632.792 BEF, thans 15.686,50 euro. Hij raamde verder de waardevermindering van het niet onteigende deel van de eigendom van de geïntimeerden op 285.000 BEF, thans 7.064,97 euro. 3.
- De vrederechter heeft in zijn vonnis van 14 maart 1980 de onteigeningsvergoeding als volgt bepaald: de grondwaarde 250 BEF, thans 6,20 euro/m² x 790,99m² = 197.748 BEF, thans 4.902,04 euro; waardevermindering overblijvend deel: 642.150 BEF, thans 15.918,48 euro; wederbeleggingsvergoeding 21,5 %: 180.578 BEF, thans 4.476,41 euro; wachtintresten: 16.798 BEF, thans 416,41 euro; zijnde in totaal 1.037.274 BEF, thans 25.713,35 euro. Daarboven werd er nog een vergoeding voor de gebruiker van 9.500 BEF, thans 235,50 euro, toegekend. 3.
- Bij dagvaarding van 17 juli 1980 vorderden de onteigenden de herziening van de voorlopige vergoeding. In het bestreden vonnis van 26 oktober 2006 heeft de eerste rechter de onteigeningsvergoeding bepaald op: grondwaarde: 800 BEF, thans 19,83 euro/m² x 790,99 m² = 15.685,33 euro; waardevermindering overblijvend deel: 200 BEF, thans 4,96 euro/m² x 1427m²)= 7.077,92 euro; waardevermindering villa: 150.000 BEF, thans 3.718,40 euro; wederbeleggingsvergoeding 21,5 %: 5.693,55 euro; wachtintresten: 8 % gedurende 3 maanden: 529,63 euro; zijnde in totaal 32.704,83 euro. De gebruikersvergoeding bleef bepaald op 235,50 euro. 4.
- Het hoger beroep - zoals heromschreven in de conclusie van het Vlaamse Gewest van 9 januari 2008 - strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te laten doen en de onteigeningsvergoeding te doen bepalen op: - grondwaarde: 5.292,32 euro; - minderwaarde overblijvende grond: 3.537,44 euro; - wederbeleggingsvergoeding 22%: 1.942,55 euro; ----------------- 10.772,31 euro. Hij vordert verder de terugbetaling van hetgeen hij te veel heeft betaald onverminderd de wettelijke intresten, te berekenen overeenkomstig de wet van 6 april
- 4.
- De onteigenden vorderen op incidenteel beroep dat de onteigeningsvergoeding wordt bepaald op: - de grondwaarde (24,79 euro/m²): 19.608,13 euro - minderwaarde restant (18,59 euro/m²): 26.530,80 euro - waardevermindering villa: 6.197,34 euro - wederbeleggingsvergoeding (24%): 12.560,00 euro - gebruikersvergoeding: 235,50 euro bedragen te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 27 januari 1977 en met alle gedingkosten en te verminderen met de bedragen welke de appellant reeds gestort heeft als provisionele en voorlopige vergoeding.
- De onteigenden hebben recht op een billijke en voorafgaande vergoeding, die overeenstemt met de actuele of venale waarde - dit is de normale waarde op de vastgoedmarkt - van het goed op het ogenblik van het eigendomoverdragend vonnis, hetzij te dezen op 28 februari
- De vergoeding moet juist zijn, volledig en aan de werkelijkheid beantwoordend. Daarbij moet rekening gehouden worden met alle bestanddelen van de geleden schade. De vergoeding mag evenwel geen verrijking betekenen. De vergoeding beoogt het herstellen van de berokkende schade en moet de onteigenden de mogelijkheid bieden zich een gelijkwaardig goed aan te schaffen. De venale waarde is de essentie van de onteigeningsvergoeding. Deze wordt best bepaald aan de hand van vergelijkingspunten, die waar nodig, aangepast worden. De waarde van de inneming wordt immers beïnvloed door diverse factoren, zoals de ligging, de gebruiksmogelijkheden, de natuurlijke toekomstperspectieven, doch waarbij abstractie moet worden gemaakt van het doel van de onteigening. Er is te dezen geen betwisting (meer) betreffende de oppervlakte van de inneming (790,99 m²).
- De partijen blijven twisten omtrent de vraag of de onteigening al dan niet geschiedde ter uitvoering van het gewestplan en of er al dan niet rekening moet worden gehouden met het toenmalige artikel 31 van de "Stedenbouwwet" van 29.03.1962 dat voorziet dat er bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening mag worden gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van het streek-, gewest-, of gemeentelijk plan van aanleg. Er was te dezen geen gewestplan, alleen een ontwerp-gewestplan. Volgens de "nota der leidingsfeiten" d.d. 9 maart 1978 is de inneming volgens het ontwerp-gewestplan van 27 augustus 1976 tot op een diepte van 40 meter gelegen in de bouwzone, gelegen langs de en de achtergrond, dieper dan 40 meter, gelegen in agrarisch gebied (nota der leidingsfeiten p. 3). Het hof merkt alhier evenwel op dat dit ontwerp-gewestplan niet wordt overgelegd, doch anderzijds dat er mag aangenomen worden dat de nota der leidingsfeiten waarheidsgetrouw is. Ontwerp-gewestplannen hebben dezelfde bindende en verordenende kracht als gewestplannen (art. 2 § 2 W. 29.03.1962). Deze tekst is duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. De overwegingen van de geïntimeerden, die hiermede niet zijn te verzoenen, worden dan ook als ongegrond afgewezen. Het hof stelt verder vast dat het onteigeningsbesluit dagtekent van 4 oktober 1972, dit is ca. 4 jaar vooraleer het ontwerp- gewestplan tot stand kwam, nl. op 27 augustus 1976 (wat als dusdanig niet wordt betwist). De onteigening werd derhalve geruime tijd beslist vóór de uitvaardiging van het ontwerp- gewestplan. De onteigening staat dientengevolge volledig los van het ontwerp-gewestplan. De thans doorgevoerde onteigening is derhalve niet het rechtstreeks gevolg van het ontwerp- gewestplan, noch de feitelijke uitvoering ervan. De omstandigheid dat de geplande autoweg A 17 naderhand op dit ontwerp-plan werd aangeduid (wat evenmin wordt betwist en blijkt uit de wederzijds genomen conclusies) vermag niet te doen besluiten dat deze autoweg deel uitmaakt van het plan. Niets staat eraan in de weg dat op het ontwerp-gewestplan in overdruk de reservatie- en erfdienstbaarheidszone wordt aangeduid conform art. 3 KB 28.12.1972 en dat binnen die reservatie-en erfdienstbaarheidszone conform art. 4 van het inrichtingsbesluit de aan te leggen autoweg wordt aangeduid in stippellijn. In tegenstelling tot hetgeen de onteigenden voorhouden is het ontwerp-gewestplan derhalve geenszins nietig. Wanneer de onteigening vreemd is aan de verwezenlijking van een plan, moet de rechter rekening houden met de meerwaarden en de minderwaarden die het gevolg zijn van het plan. Te dezen dient bij het vaststellen van de onteigeningsvergoedingen dan ook rekening te worden gehouden met de kwalificatie der goederen zoals in het ontwerp-gewestplan aangegeven, nl. te dezen deels als bouwgrond en deels als landbouwgrond. Er kan geen enkele reden gevonden worden om aan de grond die onteigend wordt voor de aanleg van de autoweg een hogere waarde toe te kennen dan deze die hij heeft in het patrimonium van de onteigenden. Het is die grond die overgaat van het patrimonium van de onteigende naar dit van de onteigenaar. Hiermede is voldaan aan de vereiste van een billijke schadevergoeding, zoals bepaald door de Grondwet (art. 11 G.W., thans art. 16 der Gecoördineerde Grondwet).
- De inneming vormt een onderdeel van een groter geheel dat op zichzelf een aansluiting vormt met een bebouwd perceel, eveneens toebehorend aan de onteigenden. Op dit perceel waren er hoogstammige populieren aangeplant. De eigendom is gelegen langs een goed uitgeruste verkeersweg juist buiten het centrum van . De eigendom paalt met 30 meter aan de en heeft een diepte van ca. 75 meter. Uit die eigendom werd een onregelmatige vijfhoek met een straatbreedte van ca. 23 meter onteigend. De deskundige heeft voldoende vergelijkingspunten aangereikt en besproken, waarvan er slechts een gedeelte betrekking hebben op landbouwgrond. Waar de appellant de waarde van de onderhavige inneming vergelijkt met de waarde van de innemingen 182 en 183 - waartoe hij tot staving het arrest d.d.1.10.2004 gekend onder het rolnummer 2002/AR/1430 van het hof overlegt - kan hij daar niet helemaal in gevolgd worden en meer bepaald om de hiernavolgende redenen: deze innemingen in de zaak 2002/AR/1430 waren kennelijk volledig ingekleurd als landbouwgrond en waren ook in gebruik als landbouwgrond (weiland); deze innemingen waren veel groter in oppervlakte (4.806 m²) en maakten deel uit van de landbouwexploitatie van de onteigenden; op deze innemingen kon/mocht er niet worden gebouwd. De grond onteigend ten last van de geïntimeerden is grotendeels ingekleurd als bouwgrond en maakte deel uit van een groter perceel, dat op zijn beurt paalt aan hun eigendom met opstaande villa. Het geheel paalde aan agrarische gronden. Mochten de geïntimeerden de gelegenheid gehad hebben te bouwen op hun eigendom, zou het gedeelte van de inneming grond, gelegen in agrarisch gebied in ieder geval kunnen ingericht worden als tuin. De inneming had een zekere (niet te onderschatten) toekomstwaarde, nu er volgens de gerechtsdeskundige een woning kon worden opgericht, gelijkwaardig aan de eigendom op het oostelijk aanpalend perceel van de echtgenoten E. S.-D. (d.v. p. 9). Rekening houdend met alle voorliggende gegevens, inzonderheid de zeer gunstige ligging en de bijzonder goede hoedanigheid van de grond gelegen aan de straatzijde, is het hof van oordeel dat de waarde van de inneming op datum van het declaratief vonnis kan worden bepaald op: - deel bouwgrond over een diepte van 40m, hetzij 640m² te rekenen conform het advies van de gerechtsdeskundige op 800 BEF, thans 19,83 euro/m², hetzij 12.692,15 euro; - deel landbouwgrond, hetzij 150,99m² conform de waardebepaling van de vrederechter op 250 BEF, thans 6,20 euro/m², hetzij 936,14 euro.
- Minderwaarde van het restant. De minderwaarde als dusdanig wordt niet betwist, wel de omvang ervan. Rekening houdende met de omstandigheid dat er van het overblijvende perceel ingevolge de onteigening een zeer onregelmatig gevormd perceel overblijft dat bovendien nog slechts over een lengte van amper 8 meter paalt aan de om breder naar achter uit te lopen, is het hof van oordeel dat de minderwaarde door de eerste rechter op billijke wijze werd bepaald op 4,96 euro/m² of 7.077,92 euro. Alhier moet worden opgemerkt dat er geen rekening kan gehouden worden met de schade (waardevermindering) die uitsluitend is te wijten aan de werken die na de onteigening werden uitgevoerd.
- Minderwaarde villa. De villa werd niet gebouwd op het perceel waarvan een gedeelte werd onteigend. Het betreft het ernaast gelegen grondperceel. Met een verslag van Immo Consulting d.d. 2 juli 2002 kan er geen rekening worden gehouden. De waarde van de eigendom anno 2002 is niet representatief voor de waarde van dezelfde eigendom ten tijde van het eigendomoverdragend vonnis. Het kwestieuze perceel met de villa werd niet onteigend. De waardevermindering ervan wordt niet bewezen en al zou er een waardevermindering zijn, dan nog is die niet veroorzaakt door de onteigening van een naburig perceel grond, doch uitsluitend door de bouw van de autosnelweg in de onmiddellijke omgeving ervan. In het kader van de onteigeningsprocedure kunnen (zoals hiervoor reeds werd beslist) de eigenaars geen aanspraken laten gelden uit hoofde van de bestemming die de onteigenaar aan de onteigende goederen geeft.
- De definitieve onteigeningsvergoeding wordt dientengevolge bepaald op: - waarde voorgrond: 12.692,15 euro - waarde achtergrond: 936,14 euro - minderwaarde restant: 7.077,92 euro ----------------- 20.706,21 euro - vergoeding voor de bomen: 235,50 euro - wederbeleggingsvergoeding 22 % op 20.706,21 euro: 4.555,37 euro -------------------- totaal: 25.497,08 euro
- Wachtintresten - vergoeding voor de opstallen (bomen): Ten tijde van de onteigening was het voor de onteigenden mogelijk de onteigeningsvergoedingen onmiddellijk weder te beleggen en er de burgerlijke vruchten (intresten) van te genieten. De inneming was niet verhuurd, noch verpacht en genereerde geen inkomsten. De enige verhoopte opbrengst kon slechts voortkomen van het kappen van de bomen, hetgeen afzonderlijk wordt vergoed conform het advies van de deskundige (235,50 euro, zoals hiervoor reeds in rekening gebracht). In deze omstandigheden kunnen er geen wachtintresten worden toegekend.
- De eerste rechter oordeelde dat de vergoedende intrest verschuldigd is vanaf de datum van inbezitstelling (27.01.1977), die te dezen ingevolge onderling akkoord de datum van het declaratief vonnis voorafging. Tegen dit onderdeel van het bestreden vonnis werd er door de appellant geen hoger beroep ingesteld, werden er geen middelen aangewend, werd er geen strijdig standpunt ingenomen.
- Er werd volgens de appellant geconsigneerd: - op 7 april 1978: 727.200 BEF, thans 18.026,82 euro - op 6 juni 1980: 319.574 BEF, thans 7.922,03 euro zijnde in totaal 25.948,85 euro Er werden kennelijk nog andere bedragen geconsigneerd (al dan niet ten titel van intresten), zodat er thans niet kan worden overgegaan tot het opstellen van een correcte afrekening. Het zal de partijen behoren een correcte afrekening te maken overeenkomstig de hierna vermelde principes.
- De kosten: Gelet op het gelijk en ongelijk van iedere partij en de aard van het geschil komt het passend voor ieder van de partijen te verwijzen in de aan zijn zijde gevallen kosten van het hoger beroep. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, alle meeromvattende en/of andersluidende conclusies en/of grieven verwerpend als niet dienstig en/of ongegrond. In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni
- Geeft akte aan E. S., T. S., D. S., F. S. en L. S. van hun hervatting van het geding. Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis waar het de vordering en de tegenvordering in herziening ontvankelijk verklaarde en waar het uitspraak deed over de gedingkosten. Doet het bestreden vonnis voor het overige teniet en opnieuw wijzend: - bepaalt de definitieve onteigeningsvergoeding op 25.497,08 euro; - zegt voor recht dat op dit bedrag de vergoedende intrest verschuldigd is vanaf 27 januari 1977 tot op de datum van de consignatie in de Deposito- en Consignatiekas; - zegt dat de partijen de correcte afrekening onderling zullen opstellen rekening houdende met de bedragen reeds door het Vlaamse Gewest gestort in de Deposito- en Consignatiekas ten gunste van M. D. - E. S. en/of hun erfopvolgers; - verstaat dat op de terug te betalen bedragen de wettelijke intrest verschuldigd is te berekenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 6 april
- Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. Verwijst ieder van de partijen in de aan zijn / hun zijde gevallen gedingkosten van deze instantie. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op zes februari tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div