III volstrekte bevoegdheid Ter zitting werd ambtshalve de exceptie van volstrekte onbevoegdheid opgeworpen. Partijen hebben hierover standpunt kunnen innemen. Art.
zegt dat ter zake dwangmaatregelen nopens het verblijf van de kinderen (de wet spreekt verkeerdelijk van "huisvesting") of het recht op persoonlijk contact de bevoegde rechter degene is die de niet nageleefde beslissing heeft gewezen. Als de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt, wordt deze laatste bevoegd. In hoc casu, in deze zaak is er sedert het eindarrest van deze kamer van 28 november 2005 een andere beslissing tussengekomen nopens het verblijf van K.. Moeder is inmiddels verhuisd naar A.. Zij heeft de Jeugdrechtbank van Brussel geadieerd. Zij vorderde daar onder andere de uitsluitende uitoefening van het ouderlijke gezag en een wijziging van de verblijfregeling bij vader. Vader vorderde bij tegeneis het hoofdverblijf van het kind. Op 17 juli 2008 velde de Jeugdrechtbank van Brussel eindvonnis. De tegeneis werd als ongegrond afgewezen. De hoofdeis eveneens op een gewijzigde modaliteit van de uitoefening van het ouderlijke gezag na. Geen van de partijen voert aan dat tegen dit eindvonnis hoger beroep werd ingesteld. Het is duidelijk dat sedert het tussenarrest en het eindarrest van deze kamer de zaak bij een andere rechter aanhangig werd gemaakt. Er is in die nieuwe zaak een uitspraak die (nog) niet is aangevochten. Die nieuwe uitspraak, dat vonnis van 17 juli 2008 heeft gezag van gewijsde sedert de dag van de uitspraak (art. 24 Ger.W.). Het vonnis van 17 juli 2008 is een uitspraak ten gronde. Deze vaststelling brengt met zich mee dat de jeugdkamer in het hof van beroep van Gent niet meer bevoegd is om dwangmaatregelen uit te spreken want niet meer de rechtsmacht is die het laatst uitspraak deed in het geschil ten gronde dat wil zeggen nopens de verblijfregeling van K. bij vader. Art. 643 Ger.W. bepaalt dat de rechter in hoger beroep die zich onbevoegd verklaart de zaak dient te verwijzen naar de bevoegde rechter zetelend in hoger beroep. Dat zou ten deze de Jeugdkamer van het Hof van Beroep te Brussel moeten zijn. Die Jeugdkamer is echter niet de rechter die de niet nageleefde beslissing heeft genomen. Verwijzen naar de Jeugdkamer van het Hof van Beroep van Brussel zou met andere woorden in tegenstrijd zijn met het bepaalde in art.
De vraag rijst aan welke bevoegdheidsregel de voorkeur moet worden gegeven. Beiden zijn van openbare orde (art. 9 Ger.W.). De voorkeur dient gegeven te worden aan de bevoegdheidsregel van art.
a) Een eerste argument daartoe ligt vervat in het adagium, in de rechtsregel dat de bijzondere regel voorrang moet krijgen boven de algemene: lex specialis derogat legi generali. De bijzondere regel is hier vanzelfsprekend deze van art.
Dat is de regel die het specifiek heeft over dwangmaatregelen betreffende het verblijf van de kinderen. Ter zake dwangmaatregelen is het overigens ook logischer dat de zaak verwezen wordt naar de rechter die uitspraak deed over de verblijfregeling. Die rechter heeft immers reeds kennis genomen van de feitelijke omstandigheden die tot zijn uitspraak hebben geleid. Hij heeft de argumentatie van partijen ten gronde reeds aanhoord. Hij heeft de stukken reeds ingezien. Hij heeft in voorkomend geval het kind reeds gehoord. Die voorkennis is nuttig want zal hem helpen om "bij voorrang boven alle andere zaken" (zie de tekst van art.
b) Er is nog een ander argument om de zaak door te verwijzen naar de Jeugdrechtbank van Brussel in plaats van naar het Hof van Beroep van Brussel. Hoe dan ook moet na een einduitspraak ten gronde door de jeugdkamer in het hof van beroep de vraag tot het bekomen van dwangmaatregelen gericht worden tot de jeugdrechtbank in eerste aanleg. Om volgende redenen: - Na het eindarrest is de bevoegdheid van de jeugdkamer in het hof van beroep uitgeput. Dat geldt in protectionele zaken zowel als in civiele zaken. Uit niets blijkt dat de wetgever van dit principe is willen afwijken voor de dwangmaatregelen. - Er moet rekening gehouden worden met de dubbele aanleg. Dwangmaatregelen laten uitspreken door de jeugdkamer in het hof van beroep zou tot een discriminatie kunnen leiden. Bij toepassing van art. 387bis B.W. kunnen die dwangmaatregelen ook voor de jeugdrechtbank gevraagd worden met de mogelijkheid van een dubbele aanleg. Diezelfde dwangmaatregelen rechtstreeks aan de jeugdkamer in het hof van beroep vragen zou het verlies van een aanleg met zich brengen. - Er is ook ten gronde geen blijvende saisine voor de jeugdkamer in het hof van beroep. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VIJFTIENDE KAMER, zitting houdende in jeugdzaken van NEGEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig: Stefaan Oplinus, Kamervoorzitter, Jeugdrechter in hoger beroep Inge T'Hooft, Substituut-procureur-generaal; Jenny Dammekens, Griffier. J. Dammekens S. Oplinus Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.