← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090209.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 09 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090209.6 Rolnummer: 2007/AR/1914 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-03-24 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 19:08 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Faillissement - vordering tot aanzuivering rekening-courant - compensatie met andere schuldvorderingen - artikel 14 Wet Financiële Zekerheden - Toepassingsvoorwaarde: bestaan van de schuldvordering op het ogenblik waarop de insolventieprocedure plaatsvindt. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 09-02 2009 Nr. 2007/AR/1914 ------------------------ in de zaak van : B.V.B.A. MAXI-MODE MIE, met vennootschapszetel te 8790 Waregem, Caseelstraat 10 en met ondernemingsnummer 0453.785.596, appellante, hebbende als raadsman mr. Dirk Pauwels, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Tolstraat 53, tegen

  1. Mr. E.D.,
  2. Mr. J.B., beiden optredende in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de B.V.B.A. EMACO ENGINEERING, met vennootschapszetel te 8790 Waregem, Caseelstraat 10 en met ondernemingsnummer 0872.578.841, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk van 6 september 2006, geïntimeerden q.q., ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.B., voornoemd, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep
  3. BVBA MAXI-MODE MIE heeft op 25 juli 2007 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep aangetekend tegen het door de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk op 23 mei 2007 op tegenspraak gewezen vonnis in de zaak AR 3594/
  4. Geïntimeerden qualitate qua hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, alsook de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg
  5. De relevante feiten zette de eerste rechter als volgt uiteen : "De BVBA Emaco Engineering werd opgericht door P. M. en zijn echtgenote M. M. op 15 maart
  6. Die BVBA had dezelfde handelsactiviteit als de NV Emaco, ook met vennootschapszetel te Waregem, Casteelstraat
  7. Kort na de oprichting van de BVBA Emaco Engineering werd de NV Emaco op 30 maart 2005 ontbonden en in vereffening gesteld. De NV Emaco werd vervolgens op 9 november 2005 failliet verklaard. De BVBA Emaco Engineering had haar zetel in het bedrijfspand gelegen te Waregem, Casteelstraat
  8. Zij huurde dat pand vanaf 1 april 2005 van de [BVBA MAXI-MODE MIE] tegen een maandelijkse huurprijs van 3.800,00 EUR. Tussen de [BVBA MAXI-MODE MIE] en de BVBA Emaco Engineering bestond een rekening-courant verhouding. Bij vonnis van deze rechtbank en deze kamer werd de BVBA Emaco Engineering failliet verklaard op 6 september
  9. De huidige [geïntimeerden q.q.] werden daarbij als curatoren aangesteld. De rekening-courant van de [BVBA MAXI-MODE MIE] bij de BVBA Emaco Engineering vertoonde op datum van faillissement een debetstand van 135.317,20 EUR. ... Op 19 september 2006 hebben de curatoren in toepassing van art. 46 Faill.W. de huurovereenkomst met betrekking tot het fabriekspand waar de zetel van de gefailleerde vennootschap gevestigd was, beëindigd. Dezelfde dag hebben de [BVBA MAXI-MODE MIE] en de curatoren een overeenkomst van kosteloze bezetting ter bede gesloten, waardoor de curatoren gedurende drie maanden kosteloos gebruik konden maken van het bedrijfspand van [BVBA MAXI-MODE MIE]. Op 10 november 2006 hebben de curatoren het bedrijfspand vrijgegeven aan de [BVBA MAXI-MODE MIE]. Bij aangetekend schrijven van 31 oktober 2006 hebben de curatoren de [BVBA MAXI-MODE MIE] in gebreke gesteld om het saldo van haar rekening-courant aan te zuiveren. De raadsman van [BVBA MAXI-MODE MIE] betwistte de inhoud van die ingebrekestelling, zodat de curatoren zich verplicht zagen over te gaan tot dagvaarding." Het Hof verwijst partijen naar deze feitelijke uiteenzetting die geen verdere aanvulling behoeft.
  10. De oorspronkelijke vordering van geïntimeerden qualitate qua strekte ertoe de BVBA MAXI-MODE MIE te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 135.317,20 EUR te vermeerderen met : - de wettelijke verwijlrente vanaf 31 oktober 2006 tot de dag van de dagvaarding en van dan af te vermeerderen met de gerechtelijke rente tot de dag van de betaling, en dit telkens aan de wettelijke rentevoet, - de kosten van het geding, deze van het bewarend onroerend beslag inbegrepen. BVBA MAXI-MODE MIE die de debetstand in rekening-courant ten bedrage van 135.317,20 EUR niet betwistte, hield voor dat deze diende te worden gecorrigeerd met : - huurgelden voor het gebruik van het handelsfonds van de NV Emaco, - onbetaald gebleven huurgelden voor de huur van haar bedrijfsgebouwen door de BVBA Emaco Engineering aan de Casteelstraat 10 te Waregem, voor een periode van 9 maanden voorafgaand aan de faillissementsdatum, hetzij 9 x 3.800,00 EUR of 34.200,00 EUR, - een wederverhuringsvergoeding, vastgesteld op 6 maanden huur, hetzij 22.800,00 EUR.
  11. Bij het thans bestreden vonnis stelde de eerste rechter voorafgaandelijk vast dat : - het niet betwist werd dat tussen partijen een rekening-courant verhouding bestond, door de wet van 15 december 2004 betreffende de financiële zekerheden en houdende diverse bepalingen inzake zakelijke zekerheidsovereenkomsten een ‘nettingovereenkomst' genoemd. - in toepassing van artikel 14 van voormelde wet er algemene compensatie van alle wederzijdse schulden en schuldvorderingen wordt toegepast, ongeacht de tussengekomen insolventieprocedure, evenwel op voorwaarde dat de schuld en de schuldvordering waarop de schuldvergelijking wordt toegepast, bestaan op het ogenblik waarop de insolventieprocedure plaatsvindt. De eerste rechter verwierp de aanspraak van de BVBA MAXI-MODE MIE op een vergoeding/huur voor het handelsfonds van de NV Emaco, en verklaarde de aanspraak op onbetaalde huurgelden en een wederverhurings-vergoeding gegrond voor respectievelijk 34.200,00 EUR en 11.400,00 EUR. De eerste rechter besloot dan ook dat de debetstand in rekening-courant van 135.317,20 EUR nog diende gecompenseerd te worden met voormelde bedragen, zodat de BVBA MAXI-MODE MIE nog een saldo van 89.717,20 EUR in hoofdsom verschuldigd bleef, tot welk bedrag - vermeerderd met de intresten en de gedingkosten - hij de BVBA MAXI-MODE MIE dan ook veroordeelde. Grieven/voorwerp van het hoger beroep
  12. In haar beroepsakte en conclusie, die inhoudelijk een nagenoeg letterlijke herneming zijn van de voor de eerste rechter ontwikkelde argumentatie, vordert BVBA MAXIE-MODE MIE in hoofdorde de afwijzing van de vordering van geïntimeerden qualitate qua. Ondergeschikt vordert zij dat voor recht wordt vastgesteld dat de vordering dient te worden verminderd met de niet betaalde huurgelden en de wederverhuringsvergoeding, samen 57.000,00 EUR, zodat nog een saldo van 78.317,20 EUR verschuldigd blijft, waarvoor zij gemak van betaling vordert a rato van 10.000,00 EUR per maand.
  13. Geïntimeerden qualitate qua die van oordeel zijn dat de eerste rechter de aanspraak op een vergoeding/huur voor het handelsfonds van de NV Emaco terecht heeft verworpen, berusten in het vonnis voor wat de compensatie voor de vervallen huurgelden ten bedrage van 34.200,00 EUR betreft. Zij tekenen incidenteel hoger beroep aan met betrekking tot de door de eerste rechter voor een bedrag van 11.400,00 EUR toegekende en met debetstand in rekening-courant gecompenseerde wederverhuringsvergoeding. Zij zijn vooreerst van oordeel dat in toepassing van artikel 14 van de Wet Financiële Zekerheden van 15 december 2004 geen compensatie met betrekking tot de wederverhuringsvergoeding kan worden toegepast. Verder argumenteren zij dat de BVBA MAXI-MODE MIE hoe dan ook geen aanspraak op enige wederverhuringsvergoeding kan laten gelden, nu laatstgenoemde hiervan afstand zou hebben gedaan, minstens zich aan rechtsmisbruik bezondigt door een beroep te doen op artikel 12.3 van de algemene huurvoorwaarden van het handelshuurovereenkomst en de herleiding van de wederverhuringsvergoeding tot een bedrag van 2.000,00 EUR zich dan ook opdringt. Geïntimeerden qualitate qua vorderen dan ook de gedeeltelijke hervorming van het bestreden vonnis en de veroordeling van de BVBA MAXI-MODE MIE tot betaling van een bedrag van 101.117.20 EUR, meer intresten en gedingkosten. Zij verzetten zich tenslotte tegen de door BVBA MAXI-MODE MIE gevorderde betalingsfaciliteit. Beoordeling
  14. Op volgende relevante overwegingen wees de eerste rechter de aanspraak op een vergoeding / huur voor het handelsfonds van de NV Emaco van de hand : "Terecht betwisten de curatoren het bestaan van een vordering van de [BVBA MAXI-MODE MIE] ten opzichte van de BVBA Emaco Engineering op grond van een vergoeding / huur voor het handelsfonds van de NV Emaco. De [BVBA MAXI-MODE MIE] zet uiteen dat zij voor de kredieten van de NV Emaco, toegestaan door de NV KBC Bank, een zakelijke zekerheid heeft gesteld en zij de kredieten heeft terugbetaald, waardoor ook het pand op het handelsfonds van de NV Emaco onbelast raakte. Volgens de [BVBA MAXI-MODE MIE] kon de BVBA Emaco Engineering het handelsfonds vervolgens gebruiken en heeft de BVBA Emaco Engineering indirect voordeel genoten van de betaling door [BVBA MAXI-MODE MIE] uitgevoerd, minstens moeten er door de BVBA Emaco Engineering huurgelden betaald worden voor het gebruik van het handelsfonds van de NV Emaco. Naar het oordeel van de rechtbank komt het [BVBA MAXI-MODE MIE] toe de terugbetaling van de aanzuivering van het krediet of een vergoeding te vorderen van de NV Emaco. Die vordering kan evenwel niet ten laste van de BVBA Emaco Engineering gesteld worden. Voor het eventueel gebruik van het handelsfonds is vervolgens de NV Emaco gerechtigd een vergoeding van de BVBA Emaco Engineering te vorderen. Niet de [BVBA MAXI-MODE MIE] » Het Hof verwijst partijen naar voormelde overwegingen die het juist bevindt en bijtreedt. De door BVBA MAXI-MODE MIE ontwikkelde argumentatie, die niets meer inhoudt dan een nagenoeg letterlijke herneming van de voor de eerste rechter neergelegde conclusies, is niet van die aard om aan voormelde overwegingen enige afbreuk te doen. Met geïntimeerden qualitate qua stelt het Hof aanvullend alleen nog vast dat de BVBA MAXI-MODE MIE - die geen enkel stavingstuk voorlegt - haar feitelijke uiteenzetting van een bij de NV Credimmo aangegane lening die zou zijn aangewend tot terugbetaling van de door de NV KBC Bank aan de NV Emaco toegekende kredieten waarvoor het handelsfonds van laatstgenoemde in pand zou zijn gegeven, niet eens bewijst. Ook van een beweerde bijpassing door de BVBA Emaco Engineering voor een bedrag van 135.314,20 EUR ligt geen enkel bewijs voor. Nu BVBA MAXI-MODE MIE haar beweringen niet aantoont komt haar aanspraak op een vergoeding / huur voor het handelsfonds van de NV Emaco niet gegrond voor en dringt de bevestiging van het bestreden vonnis zich ook om deze reden op.
  15. Het Hof stelt verder vast dat geïntimeerden qualitate qua in hun beroepsconclusies bevestigen dat zij berusten in de beoordeling van de eerste rechter waarbij deze de door BVBA MAXI-MODE MIE gevorderde compensatie van de debetstand in rekening-courant met de vervallen huurgeleden voor 9 maanden, hetzij 34.200,00 EUR, toekende. Het Hof begrijpt dan ook niet waarom BVBA MAXI-MODE MIE in haar beroepsconclusie blijft voorhouden dat geïntimeerden qualitate qua niet de volle 9 maanden huur zouden aanvaarden. Gelet op de voormelde berusting, die de volle 9 maanden huur betreft, komt voormelde argumentatie van BVBA MAXI-MODE MIE niet langer relevant voor zodat het Hof daarop dan ook niet verder ingaat.
  16. Los van de vraag naar de rechtmatigheid en de omvang van de wederverhuringsvergoeding waarop de BVBA MAXI-MODE MIE aanspraak maakt, stelt zich vooreerst de vraag of deze schuldvordering voor compensatie met de debetstand in rekening-courant in aanmerking komt. Met betrekking tot hun op dit punt ingesteld incidenteel hoger beroep beroepen geïntimeerden qualitate qua zich op artikel 14 van de Wet Financiële Zekerheden van 15 december 2004 die bepaalt dat de schuld en de schuldvordering waarop de schuldvergelijking moet worden toegepast, moeten bestaan op het ogenblik waarop de insolventieprocedure plaatsvindt. Zij poneren dat, vermits zij op 19.09.2006 - hetzij nà het faillissementsvonnis van 6 september 2006 - een einde hebben gesteld aan de huurovereenkomst, een eventuele aanspraak op het bekomen van een wederverhuringsvergoeding is ontstaan nà de opening van de insolventieprocedure en in toepassing van voormeld artikel 14 van de Wet Financiële Zekerheden dan ook niet voor compensatie in aanmerking komt. Het Hof treedt deze argumentatie niet bij. Terzake stelde de eerste rechter reeds het volgende vast : "Overeenkomstig artikel 46 §1, tweede lid in fine Faill.W. wordt de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst waartoe de curatoren na de faillissementsdatum hebben beslist, opgenomen in de boedel. Die schade wordt geacht geen boedelschuld te zijn en derhalve geacht reeds te bestaan op het ogenblik dat de insolventieprocedure plaatsvindt." Het Hof verwijst partijen naar deze overwegingen die het bijtreedt en waaraan het aanvullend nog het volgende toevoegt. Een schuldvordering bestaat, zodra de oorzaak van de vordering ontstaat, dit is het rechtsfeit, de rechtshandeling of de toestand die aan de vordering ten grondslag ligt. Telkens als de rechtsverhouding waaruit de vordering voortvloeit, bestaat, bestaat de vordering ook reeds, minstens in de kiem. (E. DIRIX, ‘Beslag op een ‘toekomstige vordering'', R.W., 1989-
  17. p. 1348; O. VAN GERVEN, ‘Overdracht en inpandgeving van bestaande en toekomstige schuldvorderingen', R.W., 2004-05, p.
  18. A. VERBEKE, ‘De inpandgeving van schuldvorderingen', in E. DIRIX, I. PEETERS, G. VAN HAEGENBORGH en A. VERBEKE, Overdracht en inpandgeving van schuldvorderingen, Antwerpen, Kluwer, 1995, 89.) De datum van opeisbaarheid van de te compenseren schuldvordering - in casu nà faillissement - speelt geen rol nu overeenkomstig artikel 14 Wet Financiële Zekerheden enkel het bestaan van de schuldvordering op het ogenblik waarop de insolventieprocedure plaatsvindt relevant voorkomt. Waar de handelshuurovereenkomst tussen NV Emaco Egineering en de BVBA MAXI-MODE MIE reeds vòòr faillissement werd afgesloten en de aanspraak op een overigens conventioneel vastgelegde wederverhurings-vergoeding reeds in de kiem voorhanden was, moet worden vastgesteld dat deze schuldvordering wel degelijk bestond op het ogenblik dat de insolventieprocedure werd geopend en het door geïntimeerden qualitate qua ingeroepen artikel 14 van de Wet Financiële Zekerheden de compensatie van deze schuldvordering met de debetstand in rekening-courant niet in de weg staat. Het Hof bevestigt dan ook het bestreden vonnis dat de compensatie van de wederverhuringsvergoeding met de debetstand in rekening-courant aanvaardde. Naar het oordeel van het Hof oordeelde de eerste rechter eveneens terecht dat de kosteloze overeenkomst van een bezetting ter bede die BVBA MAXI-MODE MIE op 19.09.2006 met geïntimeerden qualitate qua afsloot, geen afstand inhoudt van haar recht en/of aanspraak op de in de handelshuur-overeenkomst bedongen wederverhuringsvergoeding. Het afsluiten van een in de tijd beperkte kosteloze overeenkomst van een bezetting ter bede is naar het oordeel van het Hof ook niet onverenigbaar met de aanspraak op de conventioneel voorziene wederverhuringsvergoeding, welke aanspraak evenmin strijdt met artikel 1134 B.W.. Ook stelde de eerste rechter reeds vast dat de wederverhuringsvergoeding bedoeld is om : - de leegstand van het verhuurde pand te ondervangen gedurende de tijd dat de verhuurder op zoek dient te gaan naar een nieuwe huurder en hij huurinkomsten derft, - de kosten van het opnieuw verhuren te ondervangen. De argumentatie van geïntimeerden qualitate qua waarmee zij geen rekening houden met een derving van huurinkomsten en de wederverhurings-vergoeding beperken tot de aan het herverhuren verbonden kosten, laat niet toe om de aanspraak van BVBA MAXI-MODE MIE als een rechtsmisbruik te bestempelen. Er is dan ook geen aanleiding om de wederverhuringsvergoeding - die door de eerste rechter overeenkomstig artikel 12.3 van de algemene huurvoorwaarden terecht op drie maanden huur of 11.400,00 EUR werd vastgesteld - tot een bedrag van 2.000,00 EUR te herleiden. Rekening houdend met voormelde bepaling van de algemene huurvoorwaarden kan de BVBA MAXI-MODE MIE geen aanspraak maken op een wederverhuringsvergoeding van zes maanden.
  19. Gelet op wat voorafgaat komt zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond voor. Ook in hoger beroep zijn er geen redenen om de door BVBA MAXI-MODE MIE gevorderde betalingsfaciliteit toe te staan, nu zij nog steeds beweert maar niet bewijst ongelukkig en te goeder trouw te zijn. Met de eerste rechter is ook het Hof van oordeel dat aan de BVBA MAXI-MODE MIE, die sedert de oorspronkelijke dagvaarding van 10 november 2006 reeds een belangrijk betalingsuitstel heeft genoten, geen verdere betalingsfaciliteiten kunnen worden toegekend. Het Hof bevestigt dan ook het bestreden vonnis.
  20. Overeenkomstig de artikelen 1042,1017 en 1022 Ger.W. verwijst het Hof de BVBA MAXI-MODE MIE in de kosten van het hoger beroep. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond, Bevestigt het bestreden vonnis, Veroordeelt de BVBA MAXI-MODE MIE tot betaling van de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden qualitate qua begroot op nul euro. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op negen februari tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.