id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090210.6 Rolnummer: 2008/AR/571 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-03-30 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 19:09 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (fiscaal recht - algemene beginselen) Vrije woorden: Om de vrijstelling te kunnen genieten van het kadastraal inkomen overeenkomstig artikel 12 WIB92 volstaat het dat aan de voorwaarden dat het onroerend goed zonder winstoogmerk bestemd wordt voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of voor de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen voldaan wordt door ofwel de belastingplichtige, ofwel de bewoner. Het is niet vereist dat door zowel de belastingplichtige als de bewoner aan die voorwaarden wordt voldaan. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer terechtzitting van 10-02-2009 BELASTINGEN Nr. 2008/AR/571 in de zaak van: N. M., , en zijn echtgenote, N.I., beiden wonende te appellanten, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. SOETAERT Bie, advocaat te 9000 GENT, Rozemarijnstraat 94 tegen: HET VLAAMS GEWEST, Belastingdienst voor Vlaanderen, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Vlaamse Minister voor Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VANDEVIVER Filiep, advocaat te 9000 GENT, Zieklien 14-16 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
- Procedure Bij verzoekschrift van 28 februari 2008 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 19 december 2007 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werden de twee oorspronkelijke zaken (gekend onder rolnummers 04/3049/A en 05/1900/A) samengevoegd en werden de vorderingen ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen met verwijzing van de appellanten in de gerechtskosten. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de bestreden aanslagen in de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2003 (kohierartikel 2.031.501.026/53) en voor het aanslagjaar 2004 (kohierartikel 2.041.522.397/63) nietig verklaart, minstens ontheft. De appellanten vorderen dat het Hof de geïntimeerde zou veroordelen tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen, vermeerderd met de wettelijke interest, voorzien in artikel 418 WIB
- De appellanten vragen bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellanten zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
- Feitelijke gegevens De appellanten zijn eigenaars van een woning te , gelegen aan de Zij verhuren dat huis sinds 1 september 2002 aan de VZW Graffiti Jeugddienst tegen een maandelijkse huurprijs van 700 euro, jaarlijks aan te passen aan de index van de consumptieprijzen. In de huurovereenkomst staat onder artikel 2 (o.a.) het volgende: De huurder verklaart hierbij dat deze huurovereenkomst in aanmerking komt voor vrijstelling van Kadastraal lnkomen en Onroerende Voorheffing (V.& A., Kamer, 1997-
- nr. 127, p. 17.585) zoals blijkt uit zijn statuten, ten voordele van de verhuurder en door hem aan te vragen. De huurder is een landelijke erkende jeugdwerkorganisatie die opvoedkundige activiteiten ontplooit die buiten het kader van de schoolse vorming vallen en dit voor kinderen en jongeren van minder dan 25 jaar. Nadat de geïntimeerde aan de appellanten voor de aanslagjaren 2003 en 2004 een aanslagbiljet in de onroerende voorheffing verstuurde, hebben zij telkens tijdig een bezwaarschrift ingediend. Zij vroegen vrijstelling van de onroerende voorheffing en van het kadastraal inkomen in het kader van verhuur aan een landelijke erkende jeugdvereniging. De beide bezwaarschriften werden door de bevoegde directeur telkens als ongegrond afgewezen met als reden dat zowel de appellanten als hun huurder met winstoogmerk zouden tewerkgaan. Met verzoekschriften van 25 augustus 2004 en 17 mei 2005 stelden de appellanten hun vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 19 december 2007 geoordeeld zoals hoger vermeld. Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.
- Grieven en argumenten van de partijen 3.
- Standpunt van de appellanten De appellanten stellen dat overeenkomstig artikel 12 §1 WIB92 niet moet nagegaan worden of zij het betreffende huis met winstoogmerk verhuren. De vraag of de voorwaarden uit dat wetsartikel vervuld zijn, zou alleen moeten nagegaan worden in hoofde van de huurder, nl. de VZW Graffiti Jeugddienst. De voorwaarden zouden moeten verenigd zijn in dezelfde persoon. Zij beroepen zich in het bijzonder op de Omzendbrief FB/VLABEL/2007, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 september
- De appellanten stellen dat hun huurder geen winstoogmerk heeft. Ze ontkennen dat er sprake is van winst. De bedragen die de geïntimeerde als 'winst' benoemt, zouden niets anders zijn dan reserves enerzijds en het sociaal passief anderzijds. Aan de hand van de voorgelegde rapporten zou blijken dat de VZW Graffiti Jeugddienst geheel volgens de richtlijnen van de overheid werkt; dat zou de bevestiging inhouden dat de huurder zonder winstoogmerk werkt. Op basis van de statuten van hun huurder en de brochure waaruit haar activiteiten blijken, roepen de appellanten in dat de activiteit van deze valt onder 'onderwijs op landelijk niveau' en dit met een systematisch karakter. Ten slotte voeren de appellanten aan dat het verhuurde huis door de VZW Graffiti Jeugddienst gebruikt wordt als landelijk secretariaat en de administratie; het gebouw zou onontbeerlijk zijn voor het verwezenlijken van de didactische administratie en dienst doen voor het begeleiden van pedagogische activiteiten voor jongeren en de locatie zijn waar onthaal en vorming voor begeleiders en vrijwilligers plaatsvinden, de verschillende werkgroepen samenkomen en de vormingen worden gehouden van de medewerkers met betrekking tot vorming en workshops. In het gebouw zou zich ook een uitgebreide bibliotheek bevinden die voor het publiek steeds toegankelijk is. 3.
- Standpunt van de geïntimeerde Volgens de geïntimeerde blijkt uit de voorbereidende werken van de Wet van 21 mei 1996 houdende vrijstelling van kadastraal inkomen voor het openbaar uitoefenen van de vrijzinnige morele dienstverlening dat de wetgever wel degelijk gewild heeft om de vrijstelling van het kadastraal inkomen en van de onroerende voorheffing (art. 253, jo. art. 12 §1 WIB92) alleen toe te kennen wanneer de voorwaarden voor die vrijstelling zowel in hoofde van de belastingplichtige en (tegelijk) de bewoner vervuld zijn. De geïntimeerde voert aan dat de omzendbrief geen formele bron van wet is en dat de hoven en rechtbanken, gelet op de gebonden bevoegdheid van de geïntimeerde, verplicht zijn om de wet toe te passen zoals hij bestaat. De geïntimeerde stelt dat het ontvangen van huur in wezen impliceert dat de appellanten een opbrengst behalen van het huis en dus winst beogen. Op basis van de voorbereidende werken, voert hij aan dat er geen sprake mag zijn van verhuring; het goed zou onproductief moeten zijn. De appellanten zouden, noch in eerste aanleg, noch in graad van hoger beroep, betwist hebben dat zij verhuren met winst. Wat de VZW Graffiti Jeugddienst betreft, stelt de geïntimeerde dat uit de balansen en resultatenrekeningen van die vereniging blijkt dat zij elk van de betrokken jaren aanzienlijke winst gerealiseerd hebben. Er zou daarom niet kunnen aangenomen worden dat de ontvangsten van de vereniging voor het grootste deel uit subsidies bestaan en alle gebruikt worden voor haar doel en werking. Voor het boekjaar 2002 zouden helemaal geen reserves en geen sociaal passief zijn aangelegd. De activiteiten van de VZW Graffiti Jeugddienst zouden bovendien niet beantwoorden aan de vereiste van systematisch onderwijs omdat dit niet uit haar statuten zou blijken enerzijds en omdat zij niet volgens het concept leermeester-leerling zou tewerkgaan. Met betrekking tot de bestemming van het huis tot didactische doeleinden, gedraagt de geïntimeerde zich naar de wijsheid van het Hof, wat zij als een betwisting van het standpunt van de appellanten beschouwt.
- Beoordeling De betwisting tussen de partijen heeft uitsluitend betrekking op de interpretatie van artikel 12 §1 WIB
- Die wetsbepaling luidt als volgt. Vrijgesteld is het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen. Deze tekst is duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. In dat geval is er in principe geen reden om de voorbereidende parlementaire werken te raadplegen. Uit de voorbereidende werken moet evenwel worden afgeleid dat de aanvankelijke overwegingen die betrekking hebben op de vereiste dat het goed 'onproductief' moet zijn en dat er geen huurprijs noch huurvoordeel mocht voor bekomen worden door de belastingplichtige, geen stand gehouden hebben. De wet van 21 mei 1996 'houdende vrijstelling van kadastraal inkomen voor het openbaar uitoefenen van de vrijzinnige morele dienstverlening' is er immers gekomen op basis van het wetsvoorstel van senator Erdman (Gedr.St. Senaat, nr. 1-20/1 (1995-1996)), maar in de bespreking tijdens de senaatscommissie voor de financiën en voor de economische aangelegenheden is finaal geoordeeld om twee amenderingen te doen op basis van het wetvoorstel van senator Weyts (Gedr. St. Senaat, nr. 1-137/1
(19951996)). Het was in het wetsvoorstel dat uitdrukkelijk voorgesteld werd om te waarborgen dat het goed ten kostelozen titel in gebruik wordt genomen zonder betaling van een huur of huurlasten en dit door de terminologie van artikel 15 WIB92 over te nemen: er werd voorgesteld om in artikel 12 de woorden die geen inkomsten opbrengen en in te voegen waardoor het eerste zinsdeel ervan zou luiden: Vrijgesteld is het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die geen inkomsten opbrengen en die een belastingplichtige (...). Tevens voorzag het wetsvoorstel Weyts om na de woorden 'een belastingplichtige' de woorden of een bewoner op te nemen, maar voor die wijziging is in de toelichting nergens een verantwoording te lezen. In het verslag van de genoemde senaatscommissie (Gedr.St. Senaat, nr. 1-20/3 (1995-1996)) van 20 december 1995 is op pagina 12 inderdaad te lezen dat 'de positieve kanten' van het voorstel Weyts moesten opgenomen worden in de wet. Er staat letterlijk: In de eerste plaats poogt dit voorstel een antwoord te geven op de vraag of het inderdaad zo is dat een goed niets opbrengt. Het bepaalt uitdrukkelijk dat het goed geen inkomsten mag opbrengen. Dat betekent dat er niet alleen geen huurprijs voor dat goed is overeengekomen, maar dat men ook de aan de eigendom verbonden kosten niet kan aanrekenen. Uit dat oogpunt betekent de tekst een stap vooruit. Die aanpassing werd door de commissie unaniem aangenomen. Verder werd ook de toevoeging van de woorden en de bewoner unaniem aangenomen. Uit de bespreking moet worden afgeleid dat men daar een benadrukking zag van de vereiste dat er geen winstoogmerk mag zijn bij de bestemming die men aan het onroerend goed geeft. De tekst zoals hij door de senaatscommissie werd aangenomen, luidde dus anders dan de huidige wettekst. Na de goedkeuring van het verslag is immers door senator Delcroix nog een amendement ingediend waarin hij voorstelde om de woorden die geen inkomsten opbrengen en weg te laten (Gedr. St. Senaat, nr. 1-20/6 (1995-1966)) van 5 maart 1996. Zijn argument was dat het niet de bedoeling kon zijn om een bijkomende voorwaarde 'dat de belastingplichtige geen inkomsten uit het goed mag verwerven' op te nemen naast de vereiste dat er geen winstoogmerk mag bestaan. De overwegingen van de senaatscommissie dat het onroerend goed 'onproductief' moest zijn (begrip dat in artikel 15 WI B92 voorkomt in het kader van de 'vermindering' van het kadastraal inkomen) en dat 'geen huurprijs noch huurvoordeel in de zin van artikel 7 mag worden gevraagd', waren volgens senator Delcroix onterecht. Hij besluit: Door te verwijzen naar artikel 7 en 15 W.I.B. 92 verengt men op inadequate wijze de aparte en specifieke opzet en economie van artikel 12 §1, zoals die sedert de Cassatiearresten van 1981 en later ondubbelzinnig werd gevestigd en door de administratie werd aanvaard: "zonder winstoogmerk" betekent niet dat de belastingplichtige er geen voordeel mee doet, of m.a.w. dat de inkomsten ervan worden aangewend voor de instandhouding van de bestemming tot een vrijstelbaar doel. Dat amendement werd in de zitting van de Senaat op 7 maart 1996 in eerste lezing aangenomen (Handelingen van de Senaat, 1-29 van 7.3.1996) en op 14 maart 1996 in tweede lezing en dus definitief aangenomen (Handelingen van de Senaat, 1-30 van 14 maart 1996). De kamer van Volksvertegenwoordigers heeft het overgezonden ontwerp van de Senaat ongeamendeerd aangenomen. Uit deze voorbereidende werken moet dus worden afgeleid dat er geen parlementaire meerderheid bestond om aan te nemen dat voor de toepassing vereist was dat het onroerend goed onproductief is en niet verhuurd wordt. Ook staat vast dat het toevoegen van de woorden of de bewoner niet tot doel had om in de wet op te nemen dat de belastingplichtige (eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter enz.) het onroerend goed niet zou mogen verhuren of er huurlasten voor zou mogen ontvangen of dat het goed in het algemeen onproductief zou moeten zijn. Zoals vermeld, werd die toevoeging in het wetvoorstel Weyts niet toegelicht. Er valt ook moeilijk te begrijpen hoe door de toevoeging van die woorden dat doel hoegenaamd zou kunnen beoogd zijn nu die woorden niet meteen verband houden met de productiviteit of de opbrengst van een onroerend goed. Deze vaststellingen doen besluiten dat de toevoeging van de woorden of de bewoner geen andere bedoeling had dan de wet aan te passen aan een bestaand gebruik waarin de vraag of het onroerend goed voldoet aan de voorwaarden
(1)dat er geen winstoogmerk is en
(2)dat er een in de wet opgesomde bestemming aan wordt gegeven, aanwezig moet zijn door de gebruiker van het onroerend goed. Waar er geen betwisting over bestaat dat deze voorwaarden tegelijk moeten vervuld zijn in hoofde van dezelfde (rechts)persoon, is het overigens duidelijk dat er nooit sprake zou kunnen zijn van een vrijstelling onder artikel 12 §1 WIB92 bij een gebruik door een vereniging die zowel m.b.t. het winstoogmerk als de bestemming aan de wet voldoet, maar niet zelf de belastingplichtige (eigenaar, erfpachter, enz.) is, zelfs wanneer het goed gratis ter beschikking zou gesteld worden door de belastingplichtige indien - wat vaak zal voorkomen - deze geen enkel uitstaans heeft met de werking van de vereniging. Van die belastingplichtige zal nochtans niet kunnen aangetoond worden dat hij (zelf) het onroerend goed bestemt voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of voor de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen. Bovendien is niet elke terbeschikkingstelling van een onroerend goed tegen betaling te beschouwen als winstbejag. Artikel 12 §1 WIB92 moet dus gelezen worden volgens zijn normale bewoordingen: het volstaat dat of de belastingplichtige (hier de appellanten) of de bewoner (hier de VZW Graffiti Jeugddienst) voldoen aan de vereisten dat er geen winstoogmerk mag zijn en dat het onroerend goed bestemd wordt voor (hier) onderwijs. De eerste rechter heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de vraag of aan de voorwaarden van artikel 12 §1 WIB92 voldaan was, moest worden nagegaan in hoofde van de appellanten. Blijft nog de vraag of de VZW Graffiti Jeugddienst het huis dat de appellanten aan haar verhuren zonder winstoogmerk bestemt voor onderwijs. Wat het winstoogmerk betreft, stelt het Hof vast dat de boekhouding die ze voert weliswaar de termen 'overgedragen winst' en 'overgedragen verlies' hanteert, en dat er in de betrokken jaren feitelijk belangrijke bedragen als 'overgedragen winst' worden geboekt. Toch kan daaruit niet worden afgeleid dat er sprake is van winstoogmerk. Het staat immers vast dat de VZW Graffiti Jeugddienst de "winst" telkens overdraagt. Ze laat ook terecht gelden dat ze een deel jaarlijks aan een 'wettelijke reserve' (art. 62 decreet op het Vlaams Jeugdbeleid van 29 maart 2002) moet toewijzen en ook een deel als sociaal passief moet boeken. Vermits ook het overige deel van die 'winst' niet wordt uitgekeerd en voor het overige blijkt dat de VZW alleen kosten maakt in het kader van de uitoefening van haar statuten en opdracht (wat door de subsidiërende overheid uitdrukkelijk wordt erkend) en de leden van de vereniging (waaronder het personeel) slechts normale lonen en kostenvergoedingen ontvangen, is er geen sprake van winstoogmerk. De gelden die de VZW Graffiti op het einde van het jaar overdraagt hebben immers het karakter van 'reserves'. Zelfs als het bedrag van de reserves aanzienlijk oploopt, sluit niets uit dat zij het - al is het op termijn - aanwendt voor haar maatschappelijk doel en dus zonder winstoogmerk (bijv. om op termijn zelfs een eigen onroerend goed te kunnen aankopen). Wat de bestemming aangaat, tonen de appellanten afdoende aan dat de VZW Graffiti Jeugddienst werkzaam is in het brede segment van het onderwijs. Om van onderwijs te kunnen sprake zijn in de zin van artikel 12 §1 WIB92 moet het gaan om een didactische activiteit die door de onderwijzende persoon ten behoeve van de onderwezene wordt uitgeoefend (Cass. 11 oktober 1966, Pas., 1967, I, 195, noot W. G.). Het onderwijs is ook niet beperkt tot het onderwijs in vrije en officiële scholen. Elk systematisch onderwijs van filosofische en morele doctrine komt hiervoor in aanmerking (Cass. 13 september 1966, Arr. Cass., 1967, 61). De VZW Graffiti Jeugddienst heeft een overeenkomst met de Vlaamse Gemeenschap gesloten waarin zij zich engageert om (onder andere)
(1)de communicatieve competentie van kinderen en jongeren te verhogen;
(2)de deskundige ondersteuning van jongeren en jeugd(werk)organisaties in de uitwerking van hun ideeën te verbeteren;
(3)informatie en expertise omtrent (alternatieve) communicatievormen voor kinderen, jongeren, onderzoekers en beleidsfactoren ter beschikking te stellen. Zij moet dat doen door 'modules' te realiseren. De Vlaamse gemeenschap bevestigt in zijn brief van 3 augustus 2004 dat de VZW Graffiti Jeugddienst aan haar verplichtingen voldaan heeft om erkend te zijn (en te blijven): dat ze de module 'activiteiten voor de jeugd' voldoende aantal keren gerealiseerd heeft en dat de activiteiten pedagogische doelstellingen hadden en verliepen via een interactief proces onder deskundige begeleiding; daardoor werd voldaan aan artikel 44 §1 van het decreet op het Vlaams Jeugdbeleid van 29 maart
- Het staat dus vast dat de VZW op systematische wijze pedagogische projecten verzorgt voor kinderen en jongeren met betrekking tot (alternatieve) communicatievormen waarbij de deskundigen van de VZW de opleiding geven aan de kinderen en jongeren. Daarmee is voldaan aan de vereiste van onderwijs, met inbegrip van de 'leermeester-leerling-vereiste. Verder blijkt dat de VZW Graffiti Jeugddienst haar activiteiten laat doorgaan in en vanuit het gebouw van de appellanten en dat daar ook alle administratie, coördinatie en correspondentie plaatsvindt. Het gebouw wordt dus daadwerkelijk rechtstreeks en onrechtstreeks gebruikt voor het onderwijsproject; zonder aan de woning deze bestemming te geven, zou de VZW Graffiti Jeugddienst haar projecten niet kunnen realiseren (vgl. Cass. 10 januari 1968, Pas., I, 596). Het besluit is dan ook dat de appellanten terecht aanspraak maken op een vrijstelling in de zin van artikel 12 §1 WIB92 zodat de bestreden aanslagen moeten worden vernietigd.
- De gerechtskosten De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen. Voor de vaststelling - wat het hoger beroep betreft - van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, hebben de partijen verklaard akkoord te gaan met de toepassing van de basisbedragen. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 250,01 tot 750,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 200,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar het de vorderingen ontvankelijk verklaarde en de oorspronkelijke zaken samenvoegde; doet opnieuw recht en verklaart de vorderingen gegrond; vernietigt de volgende aanslagen die in de onroerende voorheffing werden gevestigd op naam van de appellanten: * aanslagjaar 2003: kohierartikel 2.031.501.026/53 en * aanslagjaar 2004: kohierartikel 2.041.522.397/63; beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriuminterest voorzien in artikel 418 WIB
- veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellanten: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 123,95 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 200,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 123,95 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op TIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div