id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090211.10 Rolnummer: 2004/AR/1859 Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 19:09 Fiche - Het ontbreken van de vermeldingen die op de factuur dienen voor te komen op grond van het Wetboek van vennootschappen heeft niet tot gevolg dat een vordering toe betaling van deze factuur onontvankelijk is. - De fiscale onregelmatigheid van de factuur belet niet dat betaling wordt gevorderd van de sommen, waarvoor de factuur werd uitgeschreven. - Ten aanzien van een niet-handelaar kan, bij gebrek aan een begin van bewijs door geschrift de overeenkomst niet bewezen worden aan de hand van schriftelijke verklaringen van derden, ook al zouden ze onder eed bevestigd worden, vermits het bewijs door getuigen en vermoedens in dat geval niet is toegelaten. - De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat is slechts van toepassing op zaken die hangend zijn op het moment dat de wet in werking treedt, namelijk 1 januari
- Een zaak is hangend tot een eindbeslissing wordt geveld in de betrokken aanleg. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Algemeen (belasting over de toegevoegde waarde) HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FACTUUR - BESTELBON - Vermeldingen Vrije woorden: - Factuur - verplichte vermeldingen - sanctie - BTW-reglementering - gevolgen - vordering tot betaling - Bewijs ten aanzien van niet-handelaar - begin van bewijs door geschrift - getuigen en vermoedens - Rechtsplegingsvergoeding - toepassing in de tijd van de wet van 21 april
- Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 11 februari 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2004/AR/1859 van: nv IMMO BELGIUM, met zetel te 8420 De Haan, Stationstraat 33, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nr. 57.980, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, op tegenspraak gewezen door de vijfde kamer dd. 10-5-2004, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadslieden mr. SOETE Gerard en mr. AMPE Geert, beiden advocaat te 8400 Oostende, Kerkstraat 8 bus 1 tegen :
- S. A.
- D. M., samenwonende te..................., geïntimeerden, oorspronkelijk verweerders, hebbende als raadslieden mr. DEMEESTERE Georges en mr. DEMEESTERE Guy, beiden advocaat te 8300 Knokke-Heist, Natiënlaan 75b velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 15 juli 2004, stelde de nv Immo Belgium (hierna "Immo Belgium" genoemd) hoger beroep in tegen het vonnis dat op 10 mei 2004 op tegenspraak tussen partijen werd gewezen door de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Antecedenten I.
- Bij dagvaarding van 7 juni 1988 voor de rechtbank van koophandel te Brugge vorderde Immo Belgium, die handel drijft onder de benaming Immo Ostendia, dat A. S. en M. D. (hierna samen "S.-D." genoemd) solidair, in solidum, de ene bij gebreke van de andere, veroordeeld werden tot betaling van 131.625 BEF, meer de verwijlintresten sedert 31 december 1983 tot de dagvaarding, vanaf dan de gerechtelijke rente en de kosten van het geding. Immo Belgium zette uiteen dat zij had bemiddeld bij de verkoop van het onroerend goed van S.-D. te De Haan, Bremstraat 15 en dat zij recht had op betaling van het commissieloon, zoals gefactureerd op 31 december
- S.-D. besloten tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering. Zij ontkenden een opdracht tot bemiddeling te hebben gegeven aan Immo Belgium. Zij verklaarden wel contact te hebben gehad met de pvba Immo Ostendia, doch stelden dat de verkoop met de door haar aangebrachte kandidaat-koper M. B. niet is doorgegaan. Verder wierpen zij op dat de factuur nietig was, omdat zij geen melding maakte van de maatschappelijke benaming van Immo Belgium.
- Immo Belgium volhardde in haar vordering. Zij argumenteerde dat zij had bemiddeld bij de verkoop van het onroerend goed van S.-D. aan M. D., nadat de verkoop aan B. door tussenkomst van de pvba Immo Ostendia niet was doorgegaan. Zij legde een verklaring voor van notaris Q. en van M. D., die bevestigden dat F. v. W., gedelegeerd bestuurder van Immo Belgium, aanwezig was bij de ondertekening van de verkoopovereenkomst.
- In een tussenvonnis van 2 september 1991 stelde de rechtbank van koophandel vast dat S. en De. op het ogenblik van het eventueel stellen van de rechtshandeling wellicht geen handelaars waren. Aangezien de materiële bevoegdheid de openbare orde raakt, heropende de rechtbank ambtshalve de debatten.
- De zaak werd ambtshalve weggelaten bij toepassing van artikel 730§2 van het gerechtelijk wetboek. In 2001 werd zij, op verzoek van Immo Belgium, opnieuw ingeschreven op de algemene rol. Nadat de partijen hun standpunt over de materiële bevoegdheid hadden meegedeeld, verwees de rechtbank van koophandel te Brugge bij vonnis van 31 december 2002 de zaak naar de arrondissementsrechtbank te Brugge, die de zaak bij vonnis van 14 februari 2003 voor verdere kennisneming verwees naar de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.
- In het bestreden vonnis van 10 mei 2004 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de vordering van Immo Belgium ontvankelijk, doch ongegrond en veroordeelde haar tot de gedingkosten. De eerste rechter overwoog dat de litigieuze verbintenis burgerlijk van aard was, zodat de bewijsregels van het burgerlijk recht daarop van toepassing waren. Hij stelde dat Immo Belgium, bij ontstentenis van een begin van bewijs door geschrift, niet toegelaten kon worden tot het getuigenbewijs. Hij wees erop dat, zelfs indien zou vaststaan dat Immo Belgium effectief bemiddeld heeft bij de verkoop van het onroerend goed, daarmee nog niet bewezen was dat S.-D. zich ertoe verbonden hadden om het gevorderde commissieloon te betalen. De eerste rechter voegde er nog aan toe dat de partij, vermeld in de voorlopige verkoopovereenkomst van 14 september 1983 (met B.) een ander rechtssubject was dan Immo Belgium, vermits zij een ander inschrijvingsnummer had in het handelsregister. II.
- Het hoger beroep van Immo Belgium strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw recht sprekend, S.-D. solidair, in solidum, de ene bij gebreke van de andere, veroordeelt tot betaling aan haar van 3.262,90 EUR, meer de verwijlintresten vanaf 31 december 1983 en de gerechtelijke intresten tot de datum van de algehele betaling. Bovendien vordert zij dat S.-D. veroordeeld worden tot de gedingkosten. Immo Belgium werpt op dat de overeenkomst tussen haar en S.-D. bewezen wordt door de uitvoering ervan. Zij herhaalt dat de koper van het onroerend goed, M. D., bevestigd heeft dat de ondertekening van de verkoopovereenkomst gebeurde in de aanwezigheid van haar gedelegeerd-bestuurder. Immo Belgium stelt dat S.-D. op het ogenblik van het verlijden van de verkoopakte niet betwistten dat zij haar commissieloon verschuldigd waren, doch dat zij dit evenwel niet konden betalen, omdat de volledige opbrengst van de verkoop moest aangewend worden voor de terugbetaling van de hypothecaire schuldeiser. Verder wijst zij erop dat S.-D. niet geprotesteerd hebben na ontvangst van de factuur en van een aangetekende ingebrekestelling. Zij verklaart dat zij pas in 1988 tot dagvaarding is overgegaan omwille van de slechte financiële toestand van S.-D.. Immo Belgium stelt dat de overwegingen van S.-D. in verband met de pvba Immo Ostendia naast de kwestie zijn en verwijt hen verwarring te zaaien. Volgens haar is er een overeenkomst geweest tussen S.-D. en de pvba Immo Ostendia, die niet tot de totstandkoming van een overeenkomst leidde, en daarna een overeenkomst met Immo Belgium, handel drijvend onder de benaming Immo Ostendia, die wel tot een verkoop leidde. Zij stelt dat F. v. W., als gedelegeerd-bestuurder van Immo Belgium, op uitdrukkelijk verzoek van S.-D. aanwezig was bij de ondertekening van de notariële verkoopakte. Voorts betoogt Immo Belgium dat S.-D. ten onrechte voorhouden dat geen schriftelijk bewijs voorligt van een overeenkomst tussen partijen. Zij verwijst meer bepaald naar de geschreven verklaringen van de koper en van de notaris. Volgens haar getuigt het van kwade trouw in hoofde van S.-D. om, ondanks deze bewijsstukken, te betwisten dat zij bemiddeld heeft voor het tot stand komen van de verkoop. Zij besluit dat zij effectief prestaties geleverd heeft, dat zij daarvoor moet vergoed worden en dat het aangerekende commissieloon van 5% op de verkoopprijs de gebruikelijke vergoeding is die aan makelaars wordt toegekend bij dergelijke bemiddelingsopdrachten.
- S.-D. vragen dat het hoger beroep wordt afgewezen als onontvankelijk, minstens ongegrond en dat Immo Belgium veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen. Zij herhalen dat Immo Ostendia, vertegenwoordigd door Frank van Wijk, bemiddeld heeft voor de totstandkoming van een koop, doch dat de koop met de door haar aangebrachte kandidaat-koper B. uiteindelijk niet is doorgegaan. Zij bevestigen het onroerend goed uiteindelijk verkocht te hebben aan de heer D. en betwisten een overeenkomst te hebben gesloten met Immo Belgium. Zij stellen vast dat Immo Belgium de overeenkomst niet bewijst met een geschrift, noch met een begin van bewijs door geschrift en dat zij dit bijgevolg niet kunnen doen met getuigen en vermoedens, noch aan de hand van een factuur. Zij betogen dat deze factuur overigens nietig is, "omdat ze niet uitgaat van appellante, doch echter van IMMO BELGIUM, partij waar concluante nooit mee heeft gecontracteerd. " Verder treden S.-D. de eerste rechter bij waar hij stelde dat zelfs indien Immo Belgium bemiddeld zou hebben, daarmee niet bewezen is dat zij zich ertoe verbonden een commissie te betalen. Zij betwisten dat Immo Belgium optrad onder de benaming Immo Ostendia. Zij stellen dat de overeenkomst niet bewezen wordt door de uitvoering, daar de factuur niet overeenkomt met de contractpersoon waarmee zij een overeenkomst hebben gesloten. Ten slotte houden S.-D. voor dat zij wel degelijk de factuur geprotesteerd hebben, zij het telefonisch, en dat Immo Belgium zich hoe dan ook niet op het gebrek aan factuurprotest kan beroepen, aangezien zij geen handelaars waren ten tijde van de litigieuze handelingen. Beoordeling I.
- Er ligt geen exploot van betekening van het bestreden vonnis voor en de partijen houden evenmin voor dat het betekend werd. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. S.-D. vragen zonder verdere motivering dat het hoger beroep als onontvankelijk wordt afgewezen. Immo Belgium is procesbekwaam en beschikt over het vereiste belang en over hoedanigheid om hoger beroep in te stellen tegen het bestreden vonnis dat haar vordering tegen S.-D. afwees. Bovendien stelt het hof geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid vast.
- Ook de vordering van Immo Belgium is ontvankelijk. De betwisting over het bestaan van een overeenkomst tussen partijen belet niet dat zij over belang en hoedanigheid beschikt om de vordering in te stellen. Het belang is immers elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 131, p. 83). Immo Belgium mag bij het instellen van haar vordering tegen S.-D. materieel voordeel verwachten. Of zij daadwerkelijk aanspraak kan maken op de gevorderde commissie, betreft niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering. De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte treedt. In zover Immo Belgium voorhoudt ten aanzien van S.-D. titularis te zijn van de subjectieve rechten, waarvan zij de naleving in rechte vordert, heeft zij hoedanigheid om haar vordering in te stellen, ook al wordt betwist of zij deze rechten kan uitoefenen. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, betreft immers niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering (vgl. CASS. 2 april 2004, Eur. Vervoerr. 2004, 417; CASS., 28 september 2007, www.cass.be). II.
- Op 14 september 1983 ondertekenden M. B. als koper en A. S., die zich sterk maakte voor zijn echtgenote, als verkoper een "voorlopige verkoopsovereenkomst" in verband met de villa aan de Bremstraat 15 te De Haan voor 2.500.000 BEF. Deze overeenkomst was gesteld op een voorgedrukt formulier van "Immo Ostendia p.v.b.a." met zetel te 8400 Oostende, Koningstraat 2, ingeschreven in het handelsregister te Oostende onder nummer 33.
- Op 31 december 1983 richtte Immo Ostendia, met zetel te 8420 De Haan, Stationsstraat 33, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nummer 57.980 , een factuur van 131.625 BEF of 3.262,90 EUR aan S.-D.. Deze factuur betrof een commissie van 5% op de verkoopprijs van 2.250.000 BEF van dezelfde villa. Immo Belgium legt een bewijs van aangetekende zending d.d. 25 maart 1985 aan S.-D. voor. Volgens haar betrof deze zending een ingebrekestelling om de voormelde factuur te betalen. Met een brief van 8 mei 1986, ondertekend door F. v. W., herinnerde Immo Ostendia er S.-D. aan dat deze factuur nog steeds niet betaald was. III.
- Uit de door Immo Belgium overgelegde afschriften uit het handelsregister te Brugge blijkt dat zij op 17 juni 1983 onder het handelsregisternummer 57.980 werd ingeschreven, dat zij haar maatschappelijke zetel had op hetzelfde adres als de pvba Immo Ostendia, dat zij haar handelswerkzaamheid uitoefende aan de Stationsstraat 33 te De Haan en dat zij als benaming of uithangbord had "Immo Ostendia IV". Op 16 mei 1986 bracht zij haar maatschap-pelijke zetel over naar het adres van haar handelsactiviteit te De Haan. De vordering van Immo Belgium strekt ertoe betaling te bekomen van een factuur van 31 december
- Deze factuur van "Immo Ostendia, Stationsstraat 33, 8420 De Haan", ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nummer 57.980, betreft een commissie voor de bemiddeling met het oog op de verkoop van het onroerend goed van S.-D. aan de Bremstraat 15 te De Haan. De identiteitsgegevens die vermeld zijn op deze factuur, wijzen erop dat zij werd uitgeschreven door Immo Belgium.
- Volgens de op het ogenblik van het uitreiken van deze factuur geldende vennootschappenwet diende zij de naam en de rechtsvorm van Immo Belgium te vermelden (artikelen 81,1° en 2° van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935). Bovendien bepaalde artikel 2,2° van het KB nr.1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde dat de factuur de naam en het adres van de belastingplichtige moest vermelden. De schending van de aangehaalde bepaling uit de vennootschappen-wet heeft niet de nietigheid van de factuur tot gevolg en maakt een vordering tot betaling van deze factuur niet onontvankelijk. De niet-naleving van de btw-reglementering kan aanleiding geven tot de sancties die in het btw-wetboek zijn bepaald (de artikelen 70 e.v. van het btw-wetboek van 3 juli 1969), maar deze fiscale onregelmatigheid belet niet betaling te vorderen van de sommen, waarvoor de factuur werd uitgeschreven.
- S.-D. ontkennen dat zij aan Immo Belgium opdracht hebben gegeven om te bemiddelen met het oog op de verkoop van hun onroerend goed en betwisten bijgevolg enige vergoeding verschuldigd te zijn. Op Immo Belgium rust de bewijslast van het bestaan van een overeenkomst. S.-D. waren ten tijde van de litigieuze handelingen geen handelaar en de verkoop van hun onroerend goed maakte in hun hoofde geen daad van koophandel uit. Immo Belgium kan bijgevolg het bestaan van de overeenkomst niet bewijzen aan de hand van de aanvaarde factuur. Zij moet het bewijs tegen S.-D. leveren volgens de regels van het burgerlijk bewijsrecht.
- Aangezien de zaak de som of waarde van 3.000 BEF te boven ging, diende een notariële of onderhandse akte te worden opgesteld (artikel 1341 B.W. in de versie die van toepassing was op het ogenblik van de vermeende totstandkoming van de overeenkomst). Vermits de overeenkomst die Immo Belgium beweert gesloten te hebben met S.-D. een wederkerige overeenkomst was, diende de onderhandse akte te voldoen aan de voorschriften van artikel 1325 van het burgerlijk wetboek. Er ligt noch een notariële, noch een onderhandse akte voor. Het bewijs van de overeenkomst kan ook geleverd worden door een begin van bewijs door geschrift, aangevuld met getuigen of vermoedens (art. 1347 B.W.). Een begin van bewijs door geschrift is elke geschreven akte, die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt. Het enige geschrift, uitgaande van S.-D., is de "voorlopige verkoopovereenkomst" van 14 september 1983 die door A. S. ondertekend is. Dit geschrift betreft de verkoop aan M. B., die uiteindelijk niet is doorgegaan en die bemiddeld werd door de pvba Immo Ostendia te Oostende, ingeschreven in het handelsregister te Oostende onder nummer 33.
- Dit geschrift maakt niet waarschijnlijk dat S.-D. een makelaarsovereenkomst gesloten heeft met een andere vennootschap, met name Immo Belgium, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nummer 57.980, met het oog op de bemiddeling bij de verkoop van hetzelfde onroerend goed aan M. D..
- Immo Belgium legt een verklaring d.d. 13 december 1988 voor, ondertekend door M. D., waarin deze verklaart het voormeld onroerend goed te hebben aangekocht "door bemiddeling van Immo Ostendia, Stationsstraat 33, 8420 De Haan". Hij stelt dat alle bezoeken die hij aan het eigendom bracht vooraleer de verkoopovereenkomst te ondertekenen, gebeurden in het gezelschap van F. v. W., "verantwoordelijke dienst verkoop van het agentschap IMMO Ostendia te De Haan". Verder verklaart hij dat alle onderhandelingen in verband met prijs en modaliteiten gevoerd werden door de heer v. W., die ook aanwezig was op het ogenblik van de ondertekening van de verkoopovereenkomst bij de notaris. Ten slotte stelt M. D. dat hij zijn verklaring onder eed voor de rechtbank wil bevestigen. In een verklaring d.d. 19 januari 1989 zette notaris M. Q. te Oostende uiteen dat de volledige koopprijs bij de verkoop van het onroerend goed van S.-D. aan de hypothecaire schuldeiser toekwam, zodat het commissieloon in het voordeel van de maatschappij "IMMO OSTENDIA" niet werd betaald en ook niet kon worden betaald.
- Gelet op het ontbreken van een begin van bewijs door geschrift, kan Immo Belgium de overeenkomst niet bewijzen aan de hand van deze verklaringen, ook al zouden ze onder eed worden bevestigd, vermits het bewijs door getuigen en vermoedens in dat geval niet is toegelaten.
- Evenmin kan Immo Belgium bijgetreden worden, waar zij stelt dat het bewijs van de overeenkomst wordt geleverd door haar uitvoering. Uit geen enkel gegeven van de zaak blijkt dat S.-D. een overeenkomst met Immo Belgium geheel of gedeeltelijk zouden hebben uitgevoerd. Dat F. v. W. volgens de verklaringen van de M. D. en van notaris Q. aanwezig was op de ondertekening van de notariële verkoopakte en dat hij volgens D. bovendien met hem bezoeken zou gebracht hebben en over de aankoop van het onroerend goed zou onderhandeld hebben, bewijst daarom nog niet dat S.-D. daartoe aan hem, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van Immo Belgium, opdracht zouden gegeven hebben.
- Ten overvloede merkt het hof nog op dat Immo Belgium ten onrechte S.-D. ervan beschuldigt te kwader trouw te zijn door verwarring te zaaien. Wanneer er sprake is van verwarring, dan is dit enkel aan Immo Belgium zelf te wijten, die facturen uitschrijft waarin zij haar vennootschapsnaam niet vermeldt, maar wel haar handelsbenaming, die identiek is aan de vennootschapsnaam van een andere vastgoedmakelaar.
- Het hoger beroep van Immo Belgium is ongegrond en de gerechtskosten in hoger beroep, aan de zijde van S.-D. begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, zijn te haren laste. Ten onrechte rekenen S.-D. ook met betrekking tot de procedure in eerste aanleg een rechtsplegingsvergoeding aan volgens de wet van 21 april 2007 "betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat" en het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat". Overeenkomstig artikel 13 van de wet van 21 april 2007 is deze wet slechts van toepassing op zaken, die hangende zijn op het moment dat de wet in werking treedt, dit wil zeggen op 1 januari
- Een zaak is hangend tot een eindbeslissing wordt geveld in de betrokken aanleg (zie LINDEMANS, J.-D., "De toepasselijkheid van de Wet verhaalbaarheid Erelonen op "hangende" geschillen", R.W., 2007-08, p. 1387). Het eindvonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 10 mei 2004, dus vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april
- Aldus gelden voor deze aanleg de rechtsplegingsvergoedingen overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1970 "tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek". De eerste rechter heeft deze rechtsplegingsvergoeding oordeelkundig begroot. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv Immo Belgium ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Veroordeelt de nv Immo Belgium tot de gerechtskosten in hoger beroep, aan haar zijde niet te begroten aangezien zij te haren laste zijn en aan de zijde van A. S. en M. D. begroot op 650,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 11-2-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div