← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090211.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090211.11 Rolnummer: 2007/AR/2078 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-26 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 19:09 Fiche - Bewarend beslag op een vermogensbestanddeel heeft de beschikkingsonbevoegdheid tot gevolg voor de debiteur met betrekking tot dit goed. Beschikkingshandelingen in weerwil van dit beslag zijn niet tegenwerpbaar aan de beslagleggende schuldeiser. Deze niet-tegenwerpbaarheid heeft slechts relatieve werking en strekt enkel ter bescherming van de beslagleggende schuldeiser. - Indien het pand op de handelszaak ook de schuldvorderingen omvat, vallen deze vorderingen onder het beslag. Wanneer de pandgever nog vorderingen int, doet hij dat als sekwester en dient hij de geïnde bedragen af te dragen aan de pandverzilveraar. Als de pandhouder betalingen aan de pandgever of andere beschikkingsdaden in verband met schuldvorderingen wil verhinderen, dient hij derdenbeslag te leggen bij de debiteur van de vordering. Op grond van artikel 2075 B.W. volstaat ook de kennisgeving van het beslag met een aangetekende brief. - Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg. Dit betekend dat de partijen niet meer kunnen terugkomen op hun vroegere, betwiste, rechtsverhouding. - De exceptie van dading kan evenwel slechts worden ingeroepen wanneer de vordering, die na de dading wordt ingesteld, betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, dezelfde oorzaak en dezelfde partijen als waarop de dading betrekking heeft. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Bewarend beslag - Pandbeslag BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Dading Vrije woorden: - pand handelzaak - beslag - vorderingen - dading - rechtsgevolgen Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 11 februari 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2078 van: nv FORTIS BANK, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, met ondernemingsnr.: 0403.199.702, appellante tegen de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, op tegenspraak gewezen dd. 5-10-2004 en dd. 19-9-2006 door de tweede kamer, oorspronkelijk eiseres in hoofdvordering en eiseres in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring, hebbende als raadslieden mr. BEELE Stefaan en mr. BEELE Benoit, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 26 A tegen :

  1. V. A., (in de appelakte geschreven: V. W. A.), zonder gekend beroep, wonende te ........................, eerste geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder op hoofdvordering en eiser in tussenvordering, hebbende als raadsman mr. VAN VLIERBERGHE Patrick, advocaat te 8500 Kortrijk, President Rooseveltplein 16
  2. nv K.B.C. BANK, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2, met ondernemingsnr.: 0462.920.226, tweede geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster in gedwongen tussenkomst en vrijwaring en verweerster op tussenvordering, hebbende als raadsman mr. D'HALLUIN André, advocaat te 8500 Kortrijk, Schippersstraat 1/43 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 22 augustus 2007, stelde de nv Fortis Bank (hierna "Fortis" genoemd) hoger beroep in tegen de vonnissen die op 5 oktober 2004 en op 19 september 2006 op tegenspraak tussen partijen werden gewezen door de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Antecedenten I.
  3. De nv Finatex (hierna "Finatex" genoemd) genoot een krediet bij nv Kredietbank (hierna "Kredietbank" genoemd), dat 23.030.000 BEF bedroeg op 30 augustus 1994 en dat was gewaarborgd door inschrijvingen op haar handelszaak. Bij brief van 10 oktober 1995 stond de nv Generale Bank (hierna "Generale Bank" genoemd) een krediet van 1.000.000 BEF toe aan Finatex en aan haar "afgevaardigde bestuurder" A. V. (hierna "V." genoemd) die als hoofdelijke en ondeelbare kredietnemers optraden en cotitularissen waren van de rekening-courant nr. 285-0413840-67 waarin de verrichtingen in verband met dit krediet geboekt werden.
  4. Bij deurwaardersexploot van 4 mei 1998 betekende Kredietbank opzegging van haar krediet met aanmaning aan Finatex om te betalen en legde zij beslag op de handelszaak van Finatex. Met een brief van dezelfde dag liet Kredietbank aan Generale Bank weten dat haar pand op de handelszaak ook de openstaande vorderingen betrof, zodat het beslag ook sloeg op de rekeningen van Finatex bij Generale Bank. Kredietbank verzocht Generale Bank om de gelden niet meer vrij te geven aan Finatex of haar vertegenwoordiger maar ze over te schrijven op haar rekening. Zij vroeg daarvan bevestiging. Bij aangetekende brieven gericht aan Finatex en aan V. stelde Generale Bank, eveneens op 4 mei 1998, een einde aan de kredietlijn en sloot zij de rekening nr. 285-0413840-67 af.
  5. Uit interne nota's van Generale Bank blijkt onder meer dat de schuld van Finatex aan Generale Bank volledig was vereffend en dat aan Finatex toegestaan werd de rekening nr. 285-0413840-67 aan te houden als zichtrekening. In een brief van 12 mei 1998 aan de raadsman van Finatex liet Kredietbank weten dat zij ermee instemde dat Finatex zelf haar voorraad verkocht, mits naleving van een aantal voorwaarden. In dezelfde brief vroeg Kredietbank uitleg over het feit dat de openstaande vorderingen sterk gedaald waren sedert 13 maart
  6. In het antwoord van haar raadsman bevestigde Finatex onder meer dat alle betalingen zouden uitgevoerd worden op de rekening bij Kredietbank. Verder wees hij erop dat Finatex "sedert de aanvang van de onderhandelingen" haar schuld reeds met ongeveer 4.000.000 BEF had verminderd en dat hij aan Generale Bank gevraagd had om het positief saldo, dat bij haar op de rekening van Finatex stond, op de rekening bij Kredietbank te storten. Eveneens op 12 mei 1998 richtte Kredietbank een brief aan Generale Bank waarin zij herhaalde dat, ingevolge het beslag op de handelszaak, de openstaande vorderingen onder het beslag vielen. Zij stelde dat de betalingen die binnenkwamen op de rekening van Finatex bij Generale Bank niet langer konden aangewend worden om de eventuele debetstand af te bouwen. Zij vroeg Generale Bank te bevestigen dat zij deze bedragen zou overboeken naar de rekening van Finatex bij Kredietbank. Generale Bank antwoordde op 13 mei 1998 dat de door Kredietbank gedane kennisgeving van het beslag op het handelsfonds haar niet ontsloegen van haar verplichting om de wettelijke formaliteiten na te leven en verwees naar de inhoud van een brief van 7 mei 1998, die niet voorligt.
  7. Op 3 juli 1998 werd Finatex in staat van faillissement verklaard. Kredietbank deed aangifte van schuldvordering in het faillissement voor een bedrag van 31.674.431 BEF eisbare vorderingen en 110.518 BEF eventuele vorderingen. In een brief van 20 november 1998 aan Generale Bank stelden de curatoren dat, door het beslag op de handelszaak, op 4 mei 1998 samenloop ontstaan was tussen de schuldeisers. Zij verweten Generale Bank vanaf 5 mei 1998 onrechtmatige compensatie te hebben toegepast met de binnenkomende gelden van klanten, die hun schuld ten aanzien van Finatex kweten op de rekening bij Generale Bank. Volgens de curatoren hadden klanten tussen 5 mei 1998 en 30 juni 1998 in totaal 1.312.503 BEF betaald op de rekening bij Generale Bank. Zij stelden dat Generale Bank daarvan reeds 576.197 BEF betaald had en vroegen haar het saldo van 736.306 BEF, vermeerderd met de gelden die zij ontvangen had tussen 1 juli 1998 en 14 juli 1998, te betalen. De curatoren herhaalden hun verzoek tot betaling in een brief van 18 mei 1999 aan Generale Bank.
  8. Op 3 december 1999 sloten de nv KBC Bank (rechtsopvolger van Kredietbank, hierna "KBC" genoemd) en de echtgenoten A. V. - R. V. O. een "overeenkomst met kwijting." In deze overeenkomst verklaarde KBC "bij deze onvoorwaardelijke en onherroepelijk geen enkele vordering meer te hebben op partijen V.-V. O. uit welke hoofde, rechtstreeks of onrechtstreeks via derden of aan partijen V.-V. O. verbonden vennootschappen, andere dan de contractuele vordering uit hoofde van de lening door KC toegestaan aan partijen V.-V. O. in hoofdsom ten bedrage van drie miljoen Belgische frank (3.000.
  9. Bfr.) dd. 3.12.1999 (...) (letterlijk citaat). Verder bepaalde deze overeenkomst: "KBC doet onvoorwaardelijk en onherroepelijk afstand van alle mogelijke vorderingen en of acties tegen partij(en) V. en of V. O. uit hoofde van elke operatie welke betrekking heeft op de aan partijen V.-V. O. verbonden vennootschap nv. FINATEX, thans failliet verklaard. Partijen stellen dat mits betaling aan partij KBC van het bedrag van drie miljoen frank (3.000.
  10. Bfr.) waarvoor bovengemeld contract van lening, partij KBC volledige genoegdoening bekwam en elke vordering derhalve uitgedoofd is". Ten slotte werd bedongen dat, indien Kredietbank de overeenkomst zou schenden, zij zich ertoe verbond elk bedrag, door V.-V. O. betaald in het kader van de lening van 3.000.000 BEF, terug te betalen, bij wijze van forfaitaire schadevergoeding.
  11. In een brief van 2 april 2001 aan Fortis (rechtsopvolger van Generale Bank) verklaarde KBC de door Fortis na het beslag op het handelsfonds gedane compensatie van de bedragen, die binnengekomen waren op de rekening van Finatex bij Fortis, met de eisbare vordering van de laatstgenoemde, te betwisten. Zij drong aan op betaling door Fortis aan de curatoren van het saldo van het gecompenseerde bedrag tot beloop van 736.306 BEF. Fortis verklaarde zich in een brief van 29 juni 2001 aan KBC akkoord om het door haar gecompenseerde bedrag aan KBC terug te storten. Zij was evenwel niet bereid daarop intresten te betalen. Op 12 juli 2001 liet KBC aan Fortis weten dat zij haar aanspraken op de intresten liet vallen. Bovendien deelde zij het rekeningnummer mee waarop Fortis de som van 736.306 BEF mocht betalen. Op 16 augustus 2001 meldde Fortis aan V. dat zij verplicht was om de som van 736.306 BEF te betalen aan KBC waardoor opnieuw een schuld ontstond. Zij verzocht V., in zijn hoedanigheid van solidaire en ondeelbare medekredietnemer van Finatex, dit bedrag op haar rekening over te schrijven. In een brief d.d. 22 augustus 2001 van zijn raadsman vroeg V. aan Fortis om de betaling aan KBC nog een paar dagen uit te stellen, in afwachting van een mogelijke regeling ingevolge de dading tussen hem en KBC. Bovendien vroeg hij om mededeling van een overzicht met alle verrichtingen op de rekening 285-0413840-67 tussen 4 mei 1998 en 30 juni
  12. Bij brief d.d. 23 augustus 2001 van zijn raadsman liet V. dan weten niet te kunnen ingaan op het betalingsverzoek van Fortis. In een brief die zijn raadsman dezelfde dag richtte aan KBC verwees V. op de dading die op 3 december 1999 was tot stand gekomen. Hij stelde dat, wanneer Fortis hem zou aanspreken als gevolg van een actie van KBC, hij zich het recht voorbehield om KBC in vrijwaring te roepen. In een brief van 14 november 2001 volhardde Fortis in haar standpunt. Zij stelde dat, wanneer V. de mening toegedaan was dat KBC als pandhoudend schuldeiser op de handelszaak aanspraak maakte op gelden die haar in die hoedanigheid niet toekwamen, hij zich tot KBC diende te richten. Op 19 november 2001 vroeg V. aan Fortis het bewijs van betaling aan KBC voor te leggen, evenals een detail van alle verrichtingen op de rekening van Finatex tussen 4 mei 1998 en 30 juni
  13. Hij liet weten in elk geval niet tot enige betaling te zullen overgaan vooraleer KBC standpunt had ingenomen. KBC bevestigde op 19 februari 2002 aan de raadsman van V. dat Fortis in de zomer van 2001 het ten onrechte gecompenseerde bedrag had terugbetaald. Zij ontkende dat de aanspraak van Fortis tegenover V. een vordering betrof die KBC onrechtstreeks en in weerwil van de overeenkomst van 3 december 1999 formuleerde. KBC argumenteerde dat, voor zover de banktegoeden die aanwezig waren op het ogenblik van het faillissement van Finatex, afkomstig waren van de realisatie van voorraden, deze tegoeden volledig aan de pandhoudend schuldeiser toekwamen, aangezien het onderpand pas gekristalliseerd wordt op het ogenblik van de uitwinning en op dat ogenblik de voorraden reeds gerealiseerd waren en omgezet in vorderingen. Op 15 mei 2002 liet Fortis aan V. weten dat zij inmiddels in het bezit was van de duplicaten over de periode van 4 mei 1998 tot 30 juni
  14. Zij vroeg V. de opzoekingskosten daarvoor tot beloop van 173,53 EUR te betalen. Op 23 augustus 2002 stelde Fortis V. in gebreke om 18.252,55 EUR te betalen. In een brief d.d. 25 september 2002 van zijn raadsman aan Fortis sprak V. tegen dat de rekening van Finatex na de opzegging van het krediet op zijn vraag was aangehouden. Hij weigerde een vergoeding te betalen voor de voorlegging van de verrichtingen uit de periode van 4 mei 1998 tot 30 juni
  15. II.
  16. Bij dagvaarding van 18 december 2002 vorderde Fortis de veroordeling van V. tot betaling van 18.252,55 EUR meer de conventionele rente aan de basisrentevoet van de bank, vermeerderd met 0,50%, en een driemaandelijkse provisie van 0,25%, vanaf 2 mei 2002 tot de datum van betaling, evenals tot de kosten van het geding.
  17. V. besloot tot de ongegrondheid van de vordering. Hij stelde dat Fortis geen belang meer had om wat dan ook te vorderen. Volgens hem had Fortis foutief gehandeld door de sommen die op haar rekening werden gestort na het beslag op de handelszaak niet door te storten aan KBC. Bovendien stelde V. dat de bankiersaansprakelijkheid van Fortis in het gedrang kwam omdat zij na de opzegging van het krediet nog verder debetverrichtingen heeft geboekt in de rekening van Finatex. Bovendien wierp hij op dat KBC de wet omzeild had door niet de aanstelling van een pandverzilveraar te hebben gevraagd en aldus te ontsnappen aan de beperking van haar pand tot de helft van de voorraden. Hij verweet Fortis daarover geen standpunt te hebben ingenomen.
  18. In conclusies ontkende Fortis onrechtmatig te hebben gehandeld. Zij stelde dat V. had ingestemd met het feit dat na de inbeslagname van de handelszaak nog verdere betalingen werden verricht. Ook de vrijwillige realisatie van het handelsfonds was volgens Fortis geschied in samenspraak tussen KBC en V. en beoogde een maximalisatie van de opbrengst. Fortis stelde dat haar bereidheid om mee te werken aan de continuïteit van de onderneming van Finatex thans niet als een fout kon beschouwd worden. Zij benadrukte dat KBC gerechtigd was op de sommen die op de rekening van Finatex betaald werden aan Fortis vanaf de inbeslagname van de handelszaak.
  19. Bij dagvaarding van 3 oktober 2003 vorderde Fortis de tussenkomst van KBC in het geding en de gemeenverklaring aan KBC van het vonnis. In conclusies volhardde zij in haar vordering ten aanzien van V. en vorderde zij in ondergeschikte orde de veroordeling van KBC tot betaling aan haar van de gevorderde bedragen.
  20. In conclusies, neergelegd na de tussenkomst van KBC in het geding, verklaarde V. een "wedereis" in te stellen tegen KBC, die ertoe strekte haar ten provisionele titel te veroordelen tot betaling van 74.368,05 EUR, meer de intresten. Bovendien vorderde hij de veroordeling van KBC om een intrestenafrekening voor te leggen met betrekking tot de 3.000.000 BEF die hij (terug)betaald had.
  21. KBC besloot tot de ongegrondheid van zowel de vordering van Fortis als van de tussenvordering van V.. Zij argumenteerde dat de door Fortis betaalde som van 18.252,55 EUR wel degelijk verschuldigd was, gelet op het gelegde beslag op de handelszaak. Verder benadrukte zij dat de realisatie van de voorraden gebeurde op uitdrukkelijk verzoek van Finatex en V.. KBC stelde dat de voorraden omgezet waren in vorderingen vooraleer er sprake was van uitwinning, zodat de opbrengst daarvan volledig aan haar toekwam. Verder betoogde KBC dat zij door betaling te vragen aan Fortis van sommen die de laatstgenoemde haar reeds sedert het beslag op de handelszaak verschuldigd was, de dading met V.-V. O. niet had geschonden. Zij wees erop dat de vordering van Fortis ten aanzien van V. haar oorsprong vond in de contractuele vordering tussen deze partijen waaraan zij vreemd was.
  22. In het bestreden vonnis van 5 oktober 2004 overwoog de eerste rechter dat: - ook de schuldvorderingen in het pand op het handelsfonds begrepen waren; - het onderpand van het voorrecht pas gekristalliseerd wordt op het ogenblik van de uitwinning; dit gebeurde op het ogenblik van het beslag op 4 mei 1998: het beslagexploot somt de voorraden op en verwijst naar de uitstaande schuldvorderingen; - er een akkoord was tussen KBC en Finatex over de minnelijke realisering van het pand met het oog op een zo groot mogelijke opbrengst; - de pandgever na het beslag nog slechts een sekwester is van de handelszaak in het belang van de pandhouder en dat dit ook geldt voor de schuldvorderingen; - er geen verschil is met het geval waarin de handelszaak verkocht wordt na toestemming van de voorzitter van de rechtbank van koophandel; - de voorraden integraal mochten verkocht worden, doch slechts 50% daarvan toekwam aan de pandhoudende schuldeiser en de andere 50% aan de andere schuldeisers; - het onderpand van KBC concreet bestond uit de op 4 mei 1998 uitstaande schuldvorderingen ten aanzien van derden en 50% van de voorraden; - het niet duidelijk was of de rollen meubileringstoffen ter waarde van ongeveer 25 tot 30 miljoen BEF, zoals vermeld in het beslagexploot, grondstoffen of voorraden waren; De eerste rechter heropende ambtshalve de debatten teneinde de partijen toe te laten: - een gedetailleerde lijst voor te leggen van alle "kredietverrichtingen" op de rekening van Fortis in de periode van 4 mei 1998 tot 3 juli 1998, ten einde na te gaan of de kredietverrichtingen het gevolg waren van betalingen van schuldvorderingen op derden die dateren van vóór 4 mei 1998 en waarvan blijkens de correspondentie een lijst voorgelegd werd aan KBC, of van verkopen van stocks die slechts voor 50% toekwamen aan KBC; - te detailleren welke persoonlijke verbintenissen van de echtgenoten V.-V. O. aan de grondslag lagen van de overeenkomst met kwijting van 3 december 1999; - standpunt in te nemen met betrekking tot het lot van de opbrengst van de overige 50% van de voorraden die niet toekomen aan de pandhouder op de handelszaak.
  23. In conclusies na dit tussenvonnis legde Fortis de verrichtingen op de rekening van Finatex in de periode van 4 mei 1998 tot 3 juli 1998 voor. Zij stelde dat het niet mogelijk was alle crediteringen op deze rekening te analyseren en dat dit nog moeilijker was voor de kosten. Fortis volhardde in hoofdorde in haar vordering tegen V., subsidiair in deze tegen KBC. Zij stelde onder meer dat de betalingen, die Finatex aan KBC verrichtte, niet het gevolg waren van het beslag op de handelszaak, maar dat het vrijwillige betalingen waren naar aanleiding van de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten in samenspraak met de pandhouder en dat deze betalingen definitief verworven waren voor de pandhouder. Ook KBC volhardde. Zij gaf een overzicht van de persoonlijke verbintenissen die ten grondslag lagen aan de "overeenkomst met kwijting." Zij wees erop dat noch de curator, noch andere schuldeisers, de vrijwillige verkoop van de voorraden voor het faillissement en de storting van de verkoopopbrengsten betwist hadden en ontkende alle uit de verkoop van die voorraden afkomstige opbrengsten ontvangen te hebben. V. rekende aan de hand van de boekhouding uit dat in de litigieuze periode voor 2.269.831 BEF creditbewegingen plaatsvonden op de rekening van Finatex bij Fortis en dat daarvan 362.704 BEF betrekking hadden op opbrengsten van stockverkopen door Finatex na 4 mei
  24. Zij stelde dat aldus 1.553.618 BEF toekwam aan KBC, namelijk 1.907.127 BEF + 181.352 BEF (de helft van 362.704 BEF), onder aftrek van het debetsaldo van 534.861 BEF van de rekening van Finatex bij Fortis. V. argumenteerde dat, indien Fortis zich gehouden had aan de regels inzake beslag op handelsfonds en geen debetverrichtingen meer had uitgevoerd op de afgesloten rekening, de vordering van KBC volledig zou aangezuiverd zijn "in het kader van de normale gevolgtrekking van het beslag pand handelszaak."
  25. In het vonnis van 19 september 2006 verklaarde de eerste rechter de vordering van Fortis ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelde V. tot betaling van 13.258,85 EUR, te vermeerderen met de conventionele rente aan de basisrentevoet van de bank verhoogd met 0,50%, vanaf 18 december
  26. Bovendien werd V. tot de gerechtskosten aan de zijde van Fortis veroordeeld en Fortis tot de gerechtskosten aan de zijde van KBC. Deze uitspraak steunde op de volgende overwegingen: - op de rekening van Fortis werd na 4 mei 1998 voor 362.704 BEF als opbrengst van de verkoop van voorraden gestort; de helft daarvan komt aan de curator toe en niet aan KBC; - V. is enkel gehouden tot het debetsaldo van 534.861 BEF dat openstond op het ogenblik van de opzegging van het krediet; Fortis mocht geen debetverrichtingen meer toelaten op deze rekening; evenmin was Fortis, gelet op het gelegde beslag op de handelszaak, nog gerechtigd op de betalingen die op de rekening werden gestort; - indien zij correct gehandeld had zou Fortis alle na 4 mei 1998 ontvangen bedragen doorgestort hebben aan de curatele om ze te verdelen aan de rechthebbende schuldeisers, waaronder KBC; - aan V. wordt voorbehoud verleend voor het terugvorderen van een bedrag waarop Fortis desgevallend gerechtigd zou geweest zijn ingevolge de verdeling van de helft van de voorraden ad 181.352 BEF aan de andere schuldeisers dan de pandhoudende; - op het bedrag dat V. aan Fortis verschuldigd is, wordt rente toegekend vanaf de datum waarop het bedrag volgens Fortis werd doorgestort; de driemaandelijkse provisie van 0,25% wordt niet toegekend aangezien het krediet werd opgezegd; - de vordering zoals in ondergeschikte orde gesteld door Fortis ten aanzien van KBC kan niet worden toegekend, gelet op het feit dat het uiteindelijk bedrag van het debetsaldo (en de verhoging in vergelijking met de debetstand op 4 mei 1998) op de rekening van Fortis te wijten is aan het feit dat debetverrichtingen werden toegelaten op deze rekening waar nog enkel kon gecrediteerd worden. III.
  27. Het hoger beroep van Fortis strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk teniet doet en, opnieuw wijzende, "te bevestigen dat de vordering van NV Fortis Bank ontvankelijk is. Te bevestigen dat A. V. veroordeeld wordt tot het betalen aan NV Fortis Bank van een bedrag van EUR 13.258,85, te vermeerderen met de conventionele rente a rato van de basisrentevoet van de bank vermeerderd met 0,5% vanaf 2 mei
  28. A. V. verder te veroordelen tot het betalen aan NV Fortis Bank van een bedrag van EUR 4.993,70, te vermeerderen met de conventionele rente a rato van de basisrentevoet van de bank vermeerderd met 0,5% vanaf 2 mei 2002.In subsidiaire orde, NV KBC Bank te veroordelen tot het betalen aan NV Fortis Bank van een bedrag van 18.252,55 EUR, te vermeerderen met de conventionele rente a rato van de basisrentevoet van de bank vermeerderd met 0,5% vanaf 2 mei 2002.Dienvolgens de initiële vorderingen van geïntimeerden af te wijzen als ongegrond. Eerste geïntimeerde of, in subsidiaire orde, de NV KBC Bank te veroordelen tot het betalen aan de NV Fortis Bank van de kosten van het geding, weze, zoals begroot voor de Eerste Rechter 1.605,33 EUR, te vermeerderen met de verdere gerechtskosten, aan de zijde van mijn verzoekster heden begroot op" 14,25 EUR expeditie eindvonnis eerste aanleg, 186,00 EUR rolrecht hoger beroep en 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. In uitvoerig gemotiveerde conclusies herneemt Fortis grotendeels de argumenten die zij heeft ontwikkeld voor de eerste rechter. Zij voegt daar onder meer de volgende middelen aan toe: - de grondslag van de ontvangen bedragen, die naderhand werden doorgestort, is in de verhouding tussen de pandhouder (KBC) en de derde (Fortis) niet relevant; deze vraag zou enkel van belang kunnen zijn tussen schuldeisers die in nuttige rang komen, wat in casu niet het geval is; - de afrekening die V. maakt is niet correct; er moet abstractie gemaakt worden van deviezenverkopen, die geen ontvangsten of uitgaven zijn. Dit heeft tot gevolg dat het totaal bedrag aan debiteringen 1.360.941 BEF bedroeg en dat aan crediteringen 1.581.029 BEF; - ofwel is de betaling van Fortis aan KBC een vrijwillige betaling en dan is de vordering van Fortis tegen V. gegrond, ofwel is dit niet het geval en dan is de subsidiaire vordering van Fortis tegen KBC gegrond; - Fortis heeft KBC rechtsgeldig betaald in het kader van het beslag op het handelsfonds en Finatex of haar curator hebben daartegen niet geprotesteerd; - ook de betalingen die in opdracht van Finatex en V. gebeurden aan andere schuldeisers, zijn geldig; de beschikkingsonbevoegdheid van Finatex ingevolge het bewarend beslag op de handelszaak, gold immers slechts ten aanzien van KBC; - de terugbetaling aan KBC gebeurde op 2 mei 2002, zodat Fortis vanaf dan recht heeft op rente.
  29. V. vordert in hoger beroep dat de vordering van Fortis wordt afgewezen als ongegrond en dat zij veroordeeld wordt tot de kosten, aan zijn zijde begroot op 2.000,00 EUR rechtsplegings-vergoeding. Bovendien vordert V. dat het hof KBC veroordeelt tot betaling van een provisioneel bedrag van 74.368,05 EUR, tot het voorleggen van een afrekening van de ontvangen intresten op straffe van een dwangsom van 250,00 EUR per dag binnen 24 uur na betekening van het arrest en om hem akte te verlenen van zijn voorbehoud om zijn vordering uit te breiden na voorlegging van de intrestafrekening. Ten slotte vordert hij dat KBC eveneens verwezen wordt in de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Vanwolleghem, die grotendeels herneemt hetgeen hij uiteengezet heeft voor de eerste rechter, roept in hoger beroep bovendien onder meer de volgende middelen en argumenten in: - indien Fortis elk bedrag dat zij ontving na 4 mei 1998 zou geprovisioneerd hebben voor KBC, dan kon de vordering niet meer bedragen dan de debetstand op die datum, namelijk 534.861 BEF; - dat zij vier jaar na de opzegging van de kredieten een bedrag diende te betalen aan KBC, heeft Fortis volledig aan zichzelf te wijten; zij kan deze som niet terugvorderen van V.; - het was KBC die besliste om Finatex te liquideren zonder aanstelling van pandverzilveraar; zij beoogde geen continuïteit aangezien zij Finatex verbood nog aankopen te verrichten en toont niet aan dat het V. was die namens Finatex de voorraden wilde verkopen; - de eerste rechter heeft zich niet uitgesproken over de vordering van V. tegen KBC, die van Fortis betaling geëist heeft, wetende dat dit tot een vordering van Fortis ten aanzien van V. zou leiden; door dit te doen heeft KBC de overeenkomst van 3 december 1999 geschonden.
  30. KBC vordert dat de hoger beroepen van Fortis en V., in zover zij tegen haar gericht zijn, afgewezen worden als ongegrond. Bovendien vraagt zij het hof haar voorbehoud te verlenen om later een passende afrekening te vorderen lastens Fortis. Subsidiair vordert zij "minstens en meteen op wedereis de heer A. V." de nietigverklaring te horen uitspreken van artikel 2 en 3 van de dading d.d. 3 december 1999 wegens misleiding en bedrog en haar voorbehoud te verlenen om lastens V. schadevergoeding te eisen wegens precontractuele fout bij het afsluiten van de dading en V. daaromtrent reeds te veroordelen tot 1,00 EUR provisioneel. Ten slotte vraagt KBC dat Fortis en V. hoofdelijk en ondeelbaar, minstens V. afzonderlijk, veroordeeld worden tot de rechtsplegingsvergoeding begroot op 5.000,00 EUR. Ook KBC herhaalt de argumenten die zij reeds voor de eerste rechter heeft geformuleerd. Zij voegt daar bovendien onder meer het volgende aan toe: - aangezien de verkopen van de voorraden en de koopwaar gebeurden vooraleer een pandverzilveraar was aangesteld en vooraleer het faillissement was uitgesproken, slaat het pand op het geheel van de vorderingen, voor het bedrag waarop ze op datum van het faillissement werden aangetroffen; - de eerste rechter heeft aan V. ten onrechte voorbehoud verleend om het bedrag terug te vorderen waarop Fortis gerechtigd zou geweest zijn ingevolge de verdeling van de helft van de voorraden ad 181.352 BEF aan andere schuldeisers dan de pandhoudende; de eerste rechter ging er ten onrechte van uit dat KBC dit bedrag teveel ontvangen heeft omdat het de helft uitmaakt van de opbrengsten van de stockverkoop na pandbeslag die op de Fortis-rekening gecrediteerd werden en die niet behoren tot het onderpand van KBC; - door betaling van Fortis na te streven heeft KBC geen vordering geformuleerd die uitgesloten is door de overeenkomst van 3 december 1999; - V. handelde bedrieglijk door, in strijd met de afspraken, sommen die afkomstig waren uit de verkoop van voorraden en geïnde vorderingen, te laten betalen op de rekening bij Fortis; indien zou geoordeeld worden dat KBC de overeenkomst van 3 december 1999 geschonden heeft, moet zij nietig verklaard worden omdat V. KBC bedrogen heeft over de omvang van de bedragen waarvoor de rekeningen van Fortis gecrediteerd werden; - als KBC de som van 3.000.000 BEF zou dienen terug te betalen, heeft dit tot gevolg dat de schulden aan haar nog niet vereffend zijn. Beoordeling I. Er ligt geen exploot van betekening van de bestreden vonnissen voor en de partijen houden evenmin voor dat ze betekend werd. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Zowel het hoger beroep van Fortis als dat van V. zijn ontvankelijk. Bovendien wordt de ontvankelijkheid van de door KBC voor het eerst in hoger beroep en in subsidiaire orde tegen V. gestelde vordering niet betwist. II.
  31. De kredieten die de rechtsvoorganger van KBC had toegestaan aan Finatex waren gewaarborgd door inpandgevingen van de handelszaak van Finatex tot beloop van in totaal 20.000.000 BEF in hoofdsom, vermeerderd met 500.000 BEF voor kosten van invordering en andere kosten. De pandakten bepaalden dat de inschrijving onder meer ook de kasvoorraden en banktegoeden bevatte, evenals de schuldvorderingen.
  32. Het pand op de handelszaak vormt een uitzondering op het principe dat het pand steeds buitenbezitstelling veronderstelt. Het gebrek aan buitenbezitstelling heeft tot gevolg dat de tegeldemaking van het pand moet voorafgegaan worden door een beslag. Artikel 11.1 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, bepaalt dat de pandhoudend schuldeiser, tegelijk met de in morastelling, betekend aan de ontlener en zonder toelating van de rechter, tot zekerheid van de verschuldigde bedragen al de elementen welke de in pand gegeven handelszaak vormen, doet in beslag nemen. Het betreft een beslag sui generis op al de bestanddelen van de handelszaak die niet onderworpen is aan de specifieke voorschriften voor het leggen van bewarend beslag en waarvan de beoordeling van de rechtsgeldigheid voorbehouden is aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel (artikel 11.4 van de wet van 25 oktober 1919). Het te gelde maken van de in pand gegeven handelszaak gebeurt overeenkomstig de artikelen 4 tot 10 van de wet op het handelspand.
  33. Bij deurwaardersexploot van 4 mei 1998 liet Kredietbank beslag leggen op de handelszaak van Finatex. Deze handeling, die voorafgaat aan de tegeldemaking van het pand, wordt met een bewarend beslag gelijkgesteld (BOUCKAERT, F., A.P.R., De handelszaak, nr. 171, p. 76). Het bewarend beslag op een vermogensbestanddeel heeft de beschikkingsonbevoegdheid tot gevolg voor de debiteur met betrekking tot dit goed. Iedere beschikkingshandeling verricht in weerwil van dit beslag is aan de beslagleggende schuldeiser niet tegenwerpelijk. Deze niet-tegenwerpelijkheid heeft evenwel slechts relatieve werking en strekt enkel ter bescherming van de beslagleggende schuldeiser (DIRIX, E., Samenloop, in: Voorrechten en Hypotheken, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2007, art. 7 Hyp.W., nr. 6, p. 8).
  34. Indien het pand ook de schuldvorderingen omvat, vallen deze vorderingen onder het beslag. Wanneer de pandgever nog bedragen int, doet hij dat als sekwester en dient hij deze af te dragen aan de pandverzilveraar. Indien de pandhouder betalingen aan de pandgever of andere beschikkingshandelingen ter zake van de schuldvorderingen wil verhinderen, dan dient hij in beginsel derdenbeslag te leggen bij de debiteur van de schuldvordering. Op grond van artikel 2075 B.W. volstaat evenwel ook de kennisgeving van het beslag met een aangetekende brief (vgl. DIRIX, E. en BROECKX, K., A.P.R. Beslag, nr. 588, p. 350-351). Kredietbank heeft dezelfde dag, waarop zij het beslag op de handelszaak liet betekenen, daarvan met aangetekende brief kennis gegeven aan Generale Bank en erop gewezen dat haar pand op de handelszaak ook de openstaande vorderingen betrof, zodat het beslag ook sloeg op de rekeningen van Finatex bij Generale Bank. Zij vroeg bovendien Generale Bank om geen gelden meer vrij te geven aan Finatex, maar ze over te schrijven op haar rekening.
  35. Er bestaat geen verplichting voor de beslaglegger om de uitwinning verder te zetten. Kredietbank heeft het bewarend beslag niet voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel en niet de aanstelling gevorderd van een pandverzilveraar. Dit beslag werd bijgevolg niet omgezet in een uitvoerend beslag (BOUCKAERT, F., a.w., nr. 172, p. 76). Uit de hoger aangehaalde briefwisseling die op 12 mei 1998 gevoerd werd tussen Kredietbank en de raadsman van Finatex blijkt dat er een akkoord tot stand kwam tussen Kredietbank en Finatex, vertegenwoordigd door haar afgevaardigd bestuurder V., om de aanwezige voorraden minnelijk te realiseren. Tegelijk blijkt dat Finatex, vertegenwoordigd door haar afgevaardigd bestuurder, met Generale Bank, die haar kredieten ten aanzien van Finatex had opgezegd, overeenkwam om, in tegenstelling tot wat zij in de opzeggingsbrief had aangekondigd, de rekening nr. 285-0413840-67 niet af te sluiten, maar ze verder als zichtrekening te laten gebruiken door Finatex. Veeleer dan tot uitwinning over te gaan, hebben zowel Kredietbank als Generale Bank ervoor gekozen om in akkoord van Finatex en haar afgevaardigd bestuurder een vermindering of zelfs volledige terugbetaling van de schuld na te streven door een realisatie van activa van de vennootschap buiten elke dwanguitvoering om. V. beweert ten onrechte dat hij daarmee niet instemde en dat dit werd opgelegd door de betrokken banken. In de brief die zijn raadsman op 12 mei 1998 richtte aan Kredietbank werd uitdrukkelijk bevestigd dat het voorstel van dezelfde dag in verregaande mate overeenkwam met hetgeen besproken was. Hij bevestigde zijn akkoord met de voorgestelde werkwijze met de enkele toevoeging van een paar randbemerkingen. Evenmin kan V. ernstig voorhouden dat hij niet instemde met het verder gebruik van de rekening bij Generale Bank, waarop na het beslag op de handelszaak nog voor aanzienlijke bedragen aan credit- en debetverrichtingen gebeurden. Van deze creditverrichtingen maakte hij melding in zijn brief van 12 mei 1998 aan Kredietbank, om te illustreren welke belangrijke inspanningen reeds waren geleverd om de schulden terug te betalen. De debetverrichtingen waren enkel mogelijk mits daartoe opdracht gegeven werd door Finatex, waarvan V. de afgevaardigde bestuurder was. Hij toont niet aan dat andere bestuurders daartoe de bevoegdheid hadden én het initiatief namen. III.
  36. Ongeacht het antwoord op de vraag wat de rechtsgevolgen waren - onder meer voor wat de opbrengsten van de voorraden betrof - van de toestand, waarbij, ingevolge akkoorden tussen respectievelijk Generale Bank en Kredietbank enerzijds en Finatex bij monde van haar afgevaardigd bestuurder anderzijds, de uitwinning van de handelszaak niet werd voortgezet en de rekening van Finatex bij Generale Bank bleef bestaan als zichtrekening, stelt het hof vast dat alle partijen in dit geding het er minstens over eens zijn dat Generale Bank ertoe gehouden was de sommen, die zij ontving na het beslag op de handelszaak en tot op het ogenblik van het faillissement van Finatex, ingevolge betalingen door klanten van Finatex van schuldvorderingen, over te maken aan KBC. Zoals blijkt uit haar brief van 13 mei 1998, waarin zij bovendien verwijst naar een - niet voorliggende - brief van 7 mei 1998, stemde Generale Bank er aanvankelijk niet zonder meer mee in dat de sommen die op de rekening van Finatex bij haar toekwamen na 4 mei 1998, voor KBC bestemd waren. Uiteindelijk is evenwel tussen Fortis en KBC overeengekomen dat Fortis, boven de som van 576.197 BEF, die reeds op 14 juli 1998 - via de curator - was betaald, nog een saldo van 736.306 BEF moest vereffenen. Fortis verklaarde zich, in antwoord op het verzoek d.d. 2 april 2001 van KBC, daartoe principieel bereid in haar brief van 29 juni 2001, onder voorbehoud van nazicht van het bedrag en op voorwaarde dat KBC daarop geen rente aanrekende. Zowel over het bedrag als over de afstand van KBC om rente aan te rekenen, kwam er een volledig akkoord tot stand en Fortis betaalde uiteindelijk dit bedrag aan KBC. Ook V. bevestigt uitdrukkelijk dat Generale Bank gehouden was de sommen die op de rekening van Finatex overgeschreven werden na het beslag op de handelszaak te betalen aan de pandhoudend schuldeiser. Hij stelt: "Immers vanaf datum beslag had appellante alle creditverrichtingen (voor niet minder dan 64.
  37. euro !) dienen te provisioneren voor KBC" (p. 6 van de conclusie in hoger beroep voor V.). Verder overweegt V. (op p.7 van dezelfde conclusie): "Afgaande op de bewegingen van de rekening FORTIS moest KBC dus gekregen hebben vanwege appellante: - vorderingen op derden: 1.907.
  38. bef. - stockverkopen die plaatshadden nà 4.5.98 maar voor datum faillissement en waarvan KBC uit hoofde van haar statuut recht had op 50% van de opbrengst nl.: 181.
  39. bef. Hetzij in totaal: 2.088.
  40. bef."
  41. Uit het detail van de rekeninguittreksels en het overzicht dat Fortis voorlegt blijkt dat er op de rekening van Finatex bij Fortis tussen 4 mei 1998 en 2 juli 1998 voor 1.360.941 BEF debetverrichtingen werden geboekt en voor 1.581.029 BEF creditverrichtingen. Het bedrag van 2.088.479 BEF dat V. vermeldt betreft alle creditverrichtingen in de betreffende periode. De afrekening van Fortis brengt daarvan de verrichtingen in mindering die geen betrekking hebben op betalingen of ontvangsten van derden. Het betreft voornamelijk deviezentransacties, die niet in elk geval niet toekomen aan de pandhoudend schuldeiser. Wat het bedrag betreft dat geïnd werd uit de verkoop van voorraden gerealiseerd na het beslag op de handelszaak, bewijst Fortis niet dat het door V. ter zake vooropgestelde cijfer onjuist zou zijn. Wanneer men het standpunt van V. volgt dat KBC recht had op alle op de rekening van Finatex bij Fortis gestorte sommen die betrekking hadden op vorderingen die reeds bestonden op het ogenblik van het beslag op de handelszaak en op de helft van de sommen die voortkwamen van voorraden, gerealiseerd na het beslag, dan had KBC aanspraak kunnen maken op (1.581.029 - 181.352 =) 1.399.677 BEF. In werkelijkheid vroeg zij betaling van slechts (576.197 + 736.306 =) 1.312.503 BEF.
  42. Volgens de eigen berekening van V. - na correctie van de afrekening voor wat de sommen betreft die geen betalingen van klanten zijn en na aftrek van de helft van de sommen die geïnd werden uit voorraden verkocht na 4 mei 1998 - was Fortis aldus aan KBC een hoger bedrag verschuldigd dan zij heeft betaald. De betwisting over de vraag of KBC de wet heeft omzeild door geen pandverzilveraar te laten aanstellen en of zij bovendien al dan niet aanspraak kon maken op de andere helft van de opbrengst van de voorraad, is dan ook zonder verder praktisch belang voor de beoordeling van de vordering van Fortis ten aanzien van V.. Generale Bank betaalde 576.197 BEF via de curator op 14 juli
  43. Dit laatste bedrag was klaarblijkelijk het creditsaldo van de rekening op het ogenblik dat ze - na het faillissement - werd afgesloten. Het feit dat Generale Bank het saldo van 736.306 BEF niet onmiddellijk of korte tijd na het faillissement aan Kredietbank betaald heeft, belet niet dat het verschuldigd is gebleven. Het blijkt niet dat Kredietbank, thans KBC, daarvan ten aanzien van Generale Bank, thans Fortis, afstand heeft gedaan. De betaling van dit saldo had tot gevolg dat de rekening van Finatex, waarvan V. cotitularis was, voor een zelfde bedrag in debet stond. V. is gehouden dit debetsaldo aan te zuiveren ten aanzien van Fortis. Tussen deze partijen maakt het geen enkel verschil uit dat Fortis deze som pas in 2002 aan KBC heeft doorgestort. Aangezien Fortis bedongen heeft dat zij daarop geen intresten hoefde te betalen, is het bedrag dat V. vanaf 2002 aan Fortis diende te betalen nominaal hetzelfde als hetgeen hij reeds verschuldigd zou geweest zijn in 1998 indien Fortis tijdig aan haar betalingsverplichtingen tegenover KBC zou hebben voldaan. Hij lijdt daardoor geen nadeel. De situatie is integendeel voordeliger voor hem, rekening houdende met de inflatie.
  44. Ten onrechte houdt V. voor dat hij niet kan gehouden zijn tot het aanzuiveren van de debetstand op de rekening van Finatex en hemzelf bij Fortis, die ontstaan is door de volledige uitvoering van de betaling door Fortis aan KBC - waarvan hij nochtans zelf voorhoudt dat zij diende te gebeuren. Hij argumenteert dat hij hoogstens zou kunnen gehouden zijn tot een bedrag, gelijk aan de debetstand van de rekening van Finatex op 4 mei 1998 en stelt dat de debetstand die na de betaling door Fortis aan KBC ontstaan is, het gevolg is van het feit dat Generale Bank, ondanks de beëindiging van het krediet op 4 mei 1998, nog verdere debetverrichtingen heeft toegestaan. Hij houdt voor dat zij daardoor foutief gehandeld heeft en dat haar bankiersaansprakelijkheid daardoor in het gedrang komt. Volgens interne nota's van Generale Bank die Fortis voorlegt werd door V. gevraagd om, na de opzegging van het krediet, de rekening te behouden. Dit wordt bevestigd door het feit dat daarop na 4 mei 1998 nog zowel credit- als debetverrichtingen werden uitgevoerd. Wanneer nog betalingen werden uitgevoerd door het debiteren van deze rekening, waarvan Finatex en V. cotitularissen waren, dan gebeurde dit noodzakelijkerwijze in zijn opdracht, ofwel in persoonlijke naam, ofwel als afgevaardigde bestuurder van Finatex. Dat er, nadat Fortis de aan KBC toekomende sommen had betaald, een debetstand was op de rekening, is het gevolg van deze debetverrichtingen, waarvan trouwens mag aangenomen worden dat zij betrekking hadden op betalingen aan schuldeisers van Finatex. V. toont niet aan op welke wijze het verder gebruik door hem van deze rekening een foutieve handeling zou zijn van Fortis en haar bankieraansprakelijkheid in het gedrang zou brengen.
  45. Gelet op wat voorafgaat is V. betaling verschuldigd aan Fortis van het volledige gevorderde saldo in hoofdsom, namelijk 736.306 BEF of 18.252,55 EUR. In de mate dat het door Fortis aan KBC betaalde bedrag lager is dan het bedrag waarop de laatstgenoemde volgens de eigen afrekening van V. aanspraak kon maken, kan aan V. geen voorbehoud verleend worden voor het terugvorderen van een bedrag waarop Fortis desgevallend gerechtigd zou geweest zijn ingevolge de verdeling van de helft van de voorraden ad 181.352 BEF aan de andere schuldeisers dan de pandhoudende - zoals de eerste rechter terloops heeft gedaan in de overwegingen van het vonnis van 19 september
  46. Over het precieze tijdstip waarop Fortis de som van 736.306 BEF aan KBC betaalde, ligt geen stuk voor. Volgens KBC gebeurde dit in de zomer van 2001, terwijl Fortis stelt dat de betaling dateert van 2 mei
  47. Er wordt in elk geval niet voorgehouden dat het na deze laatste datum gebeurde. Fortis verzocht reeds op 16 augustus 2001 V. om dit bedrag te betalen. De aanvangsdatum van de intrest dient aldus op 2 mei 2002 gebracht te worden, zoals door Fortis wordt gevorderd. IV. Gelet op de gegrondheid van de vordering van Fortis ten aanzien van V. is de in ondergeschikte orde ingestelde vordering van Fortis tegen KBC zonder voorwerp en dient zij niet verder onderzocht te worden. V.
  48. V. werpt op dat KBC door van Fortis betaling te vorderen van de door laatstgenoemde na het beslag op de handelszaak van Finatex gecompenseerde sommen, de bepalingen heeft geschonden van de dading die hij heeft gesloten met KBC. In de "overeenkomst met kwijting" van 3 december 1999 heeft KBC erkend geen vordering meer te hebben "op partijen V.-V. O. uit welke hoofde, rechtstreeks of onrechtstreeks via derden of aan partijen V.-V. O. verbonden vennootschappen, andere dan de contractuele vordering uit hoofde van de lening" van 3.000.000 BEF die zij aan V.-V. O. heeft toegestaan. Bovendien heeft KBC onvoorwaardelijk en onherroepelijk afstand gedaan van alle mogelijke vorderingen en/of acties tegen V. en/of V. O. uit hoofde van elke operatie welke betrekking heeft op de aan partijen V.-V. O. verbonden vennootschap Finatex.
  49. De dading is een overeenkomst waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen (artikel 2044 B.W.). Vereist is dat beide partijen toegevingen doen, zonder dat de ene partij de gegrondheid van de aanspraken van de andere partij erkent (CASS. 19 juni 1989, Arr. Cass., 1988-89, 1254; CASS., 31 maart 1993, R.W., 1994-95, 1052). Het wordt door KBC en V. niet betwist dat de overeenkomst die zij sloten op 3 december 1999 een dading is. Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg (art. 2052 B.W.). Dit betekent dat de partijen op hun vroegere, betwiste, rechtsverhouding niet meer kunnen terugkomen. Indien een partij dit toch doet, dan kan de andere partij zich beroepen op de "exceptio litis per transactionem finitae" of exceptie van dading (CASS. 9 september 1994, Arr. Cass., 1994, 727). De gevolgen van de extinctieve werking van de dading blijven evenwel beperkt tot hun voorwerp (art. 2048 B.W.). Dadingen regelen slechts de geschillen die daarin zijn begrepen, hetzij partijen hun bedoeling in bijzondere of in algemene bewoordingen hebben uitgedrukt, hetzij die bedoeling als een noodzakelijk gevolg wordt afgeleid uit hetgeen is uitgedrukt (art. 2049 B.W.). De exceptie van dading kan derhalve slechts ingeroepen worden wanneer de vordering, die na de dading wordt ingesteld, betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, dezelfde oorzaak en dezelfde partijen als waarop de dading betrekking heeft (TILLEMAN, B., CLAEYS, I., COUDRON, Ch., LOONTJENS, K., A.P.R., Dading, nr. 883, p. 428).
  50. Door aan Fortis betaling te vragen van het overeengekomen bedrag aan vorderingen dat Fortis indertijd gecompenseerd had, heeft KBC geen vordering en/of actie ingesteld tegen V. en/of V. O. "uit hoofde van elke operatie welke betrekking heeft op de aan partijen V.-V. O. verbonden vennootschap Finatex." Door om betaling van dit bedrag te verzoeken bij Fortis, oefende KBC geen vordering uit ten aanzien van V., noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks. Zij vroeg niet, via een derde, namelijk Fortis, betaling van V. of van diens echtgenote. KBC hoefde overigens niet te verwachten dat haar betalingsverzoek aan Fortis zou leiden tot een vordering voor hetzelfde bedrag van Fortis ten aanzien van V.. Wanneer Fortis betaling vorderde van eenzelfde bedrag als het aan KBC betaalde, vond deze schuld haar oorzaak in debetverrichtingen die in de rekening van Finatex bij Fortis waren geboekt ingevolge opdrachten die V. als afgevaardigde bestuurder van Finatex of in eigen naam aan Fortis had gegeven. KBC vroeg niet, onrechtstreeks via Fortis, betaling van een som die haar verschuldigd was door V. en/of V. O.. Zij vroeg betaling aan Fortis van een som die haar verschuldigd was door Fortis. De bepalingen van de dading van 3 december 1999 werden daardoor niet geschonden. Bijgevolg is de vordering van V., die ertoe strekt KBC ten provisionele titel te horen veroordelen tot betaling van 74.368,05 EUR, meer de intresten die hij betaalde en om aan KBC te bevelen een intrestenafrekening voor te leggen, ongegrond. VI. De vordering van KBC om "minstens en meteen op wedereis de heer A. V." de nietigverklaring te horen uitspreken van artikel 2 en 3 van de dading d.d. 3 december 1999 wegens misleiding en bedrog en haar voorbehoud te verlenen om lastens V. schade-vergoeding te eisen wegens precontractuele fout bij het afsluiten van de dading en V. daaromtrent reeds te veroordelen tot 1,00 EUR provisioneel, werd ingesteld in ondergeschikte orde, namelijk voor het geval dat het hof zou oordelen dat KBC de bepalingen van deze dading had geschonden. Aangezien dit niet het geval is, is deze subsidiaire vordering zonder voorwerp en dient ze niet verder onderzocht te worden. VII. Ten slotte vordert KBC, voor het eerst in hoger beroep, dat haar voorbehoud verleend wordt om later een passende afrekening te vorderen lastens Fortis. Het hof kan aan dit verzoek geen gunstig gevolg verlenen. Na diverse briefwisseling tussen partijen, waarvan de eerste zich situeerde onmiddellijk na het beslag op de handelszaak in mei 1998, verklaarde KBC zich uiteindelijk in haar brief van 16 augustus 2001 akkoord met een "tussen onze banken bereikte minnelijke regeling", die inhield dat Fortis 736.306 BEF zou betalen. Waar Generale Bank er aanvankelijk niet zonder meer mee instemde dat de sommen die op de rekening van Finatex bij haar werden gestort vanaf 4 mei 1998 aan KBC toekwamen, verklaarde zij zich uiteindelijk akkoord om, boven de reeds op 14 juli 1998 via de curator gestorte som, nog 736.306 BEF te betalen. KBC van haar kant deed afstand van de intresten op dit bedrag. Bovendien was het KBC bekend dat de som van 736.306 BEF niet het saldo betrof van alle bedragen die op de rekening van Finatex bij Fortis gestort waren na 4 mei
  51. In haar brief van 2 april 2001 aan Fortis vermeldde zij expliciet dat de som van 1.312.503 BEF, waarop nog 736.306 BEF verschuldigd bleef, de betalingen betrof die binnen gekomen zijn tussen 4 mei 1998 en 30 juni
  52. Zij was er aldus van op de hoogte dat dit bedrag geen rekening hield met latere betalingen. Verder toont KBC niet aan dat Fortis haar misleid of bedrogen heeft over de omvang van de ontvangen betalingen. V. komt weliswaar tot een hoger totaal aan creditverrichtingen, maar er is gebleken dat daarin ook de verrichtingen inbegrepen waren die geen betrekking hadden op betalingen van derden aan Finatex. Gelet op de - als definitief te beschouwen - minnelijke regeling die in 2001 tussen Fortis en KBC tot stand gekomen is omtrent het door eerstgenoemde nog te betalen bedrag, is er in de gegeven omstandigheden geen reden om aan KBC voorbehoud te verlenen om vooralsnog een "passende afrekening te vorderen" van Fortis. VIII. De eerste rechter heeft oordeelkundig uitspraak gedaan over de gerechtskosten in eerste aanleg. Gelet op de gegrondheid van het hoger beroep van Fortis ten aanzien van V. en de ongegrondheid van het hoger beroep van V. ten aanzien van Fortis zijn de gerechtskosten in hoger beroep aan de zijde van Fortis ten laste van V.. Fortis begroot deze kosten op het rolrecht in hoger beroep en op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding of 2.000,00 EUR. Bovendien vermeldt zij in haar begroting ook de kosten van de expeditie van het bestreden vonnis. Deze kosten dienen niet afzonderlijk begroot te worden. De kosten van tenuitvoerlegging komen ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. (artikel 1024 Ger.W.). Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep van V. en van zijn vordering ten aanzien van KBC zijn de gerechtskosten in hoger beroep aan de zijde van KBC ten laste van V.. Rekening gehouden met de waarde van zijn vordering ten aanzien van KBC bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van KBC 2.500,00 EUR. Op het verzoek van KBC om de rechtsplegingsvergoeding te verhogen tot 5.000,00 EUR kan niet worden ingegaan. De wettelijke voorwaarden daartoe zijn niet vervuld. De vordering van V. tegen KBC, die ongegrond is maar daarom nog niet "lichtzinnig" ingesteld, geeft in elk in elk geval geen aanleiding tot een kennelijk onredelijke situatie, die een verhoogde rechtsplegings-vergoeding kan verantwoorden. Verder hebben alle partijen weliswaar uitvoerig geconcludeerd, doch de zaak is niet in die mate complex dat daarvoor een verhoogde rechtsplegingsvergoeding dient toegekend te worden. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv Fortis Bank ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald en het hoger beroep van A.V. ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt de bestreden vonnissen in hun beschikkingen, zij het deels op andere gronden en met dien verstande dat het bedrag in hoofdsom van de veroordeling van A. V. ten aanzien van nv Fortis Bank gebracht wordt op 18.252,55 EUR en de daarop verschuldigde rente loopt vanaf 2 mei 2002 en dat er geen reden is om het door de eerste rechter aan A. V. verleende voorbehoud te handhaven; Verklaart de vordering die nv KBC Bank voor het eerst heeft ingesteld in hoger beroep ontvankelijk, doch zonder voorwerp en zegt dat er geen reden is om haar voorbehoud te verlenen voor het "vorderen" van een "passende afrekening." Veroordeelt A. V. tot de gerechtskosten in hoger beroep, aan zijn zijde niet te begroten aangezien zij te zijnen laste zijn, aan de zijde van nv Fortis Bank begroot op 186,00 EUR rolrecht hoger beroep en 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van nv KBC Bank begroot op 2.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 11-2-
  53. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.