id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090212.15 Rolnummer: 2007/AR/1613 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-04-29 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-02 19:11 Fiche Waneer een O.C.M.W. bij wijze van financiële steun voorschotten op het bestaansminimum uitbetaalt in uitvoering van een beslissing van een beroepskamer, maar nadien geen beslissing valt over de vraag of de begunstigde van de steun al dan niet recht had op een bestaansminimum, is niet voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de steun op grond van onverschuldigde betaling. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: Voorschotten op bestaansminimum - geen definitieve uitspraak over recht op bestaansminimum - overschuldigde betaling (nee) Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 12 februari 2009 2007/AR/1613 in de zaak van: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) van de GEMEENTE VLETEREN, publiekrechtelijk rechtspersoon, met bestuurszetel te 8640 WOESTEN, Woestendorp 57, appellant, hebbende als raadsman mr. VANDAELE Ann, advocaat te 8900 IEPER, Maarschalk Frenchlaan 8 tegen: N. N., , wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. RUCKEBUSCH Nico, advocaat te 8970 POPERINGE, Westouterstraat 74 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 25.06.2007 heeft het OCMW van Vleteren hoger beroep aangetekend tegen een vonnis op 09.03.2007 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Ieper. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
- N. N. ontving tot 1986 een bestaansminimum van het OCMW van Vleteren. In november 1986 werd zij geschorst van het bestaansminimum omwille van haar vermogenstoestand. Het beroep dat geïntimeerde tegen deze definitieve schorsing instelde werd ongegrond verklaard. N., die inmiddels een tweede woning in W. had aangekocht, diende daarna een aanvraag in bij het OCMW van Poperinge tot het bekomen van een bestaansminimum. Dit werd haar tot en met januari 1991 toegekend. Bij beslissing van 01.02.1991 werd het bestaansminimum ingetrokken omdat het OCMW van Poperinge zich niet langer territoriaal bevoegd achtte, nu N. zou verblijven te Vleteren en niet in haar woning te W.. N. deed daarop opnieuw een aanvraag tot het bekomen van een bestaansminimum bij het OCMW van Vleteren. Haar verzoek werd afgewezen bij beslissing van 11.03.1991 omdat het OCMW van Vleteren zich niet bevoegd achtte en omdat de feitelijke situatie van N. niet gewijzigd was sinds de negatieve beslissing van november 1986 waarbij het bestaansminimum werd opgeschort. N. tekende tegen deze beslissing beroep aan bij de arbeidsrechtbank. Ondertussen deed zij bij het OCMW van Vleteren een aanvraag om haar, in afwachting van de beslissing over het bestaansminimum, financiële steun te verlenen gelijk aan het bestaansminimum. Bij beslissing van het OCMW van Vleteren van 13.05.1991 werd dit verzoek afgewezen. Het OCMW verwees daartoe naar het feit dat zij de staat van behoeftigheid van N. niet erkende. N. tekende tegen deze beslissing hoger beroep aan bij de Beroepskamer van West-Vlaanderen. Bij beslissing van 18.06.1991 werd het hoger beroep gegrond verklaard en werd aan het OCMW van Vleteren opgelegd om met ingang van 01.05.1991 een maandelijkse financiële steun uit te keren ten bedrage van het bestaansminimum als samenwonende. De beslissing luidde letterlijk als volgt: "Bepaalt dat deze steun in elk geval zal gelden als voorschot op een eventueel toe te kennen bestaansminimum, dit onder alle voorbehoud van alle rechten van het O.C.M.W. van Vleteren tot verhaal op een ander O.C.M.W. na afhandeling van het bevoegdheidsconflict". Naderhand besliste de Beroepskamer dat het OCMW van Vleteren ook een verwarmingstoelage diende te betalen en de mutualiteitsbijdragen voor haar zoon diende ten laste te nemen. Het OCMW van Vleteren betaalde in de daarop volgende periode in totaal een bedrag van 22.412,00 euro (904.098 BEF) aan financiële steun, verwarmingstoelagen en mutualiteitsbijdragen aan N.. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Ieper van 07.11.1997 werd het beroep aangetekend door N. tegen de beslissing van het OCMW van Vleteren van 11.03.1991 waarbij haar het bestaansminimum werd geweigerd, ongegrond verklaard, zulks om reden dat het OCMW van Vleteren zich volgens de arbeidsrechtbank terecht territoriaal onbevoegd had verklaard. Over de grond van de betwisting, met name over vraag of N. al dan niet aanspraak kon maken op een bestaansminimum, diende niet meer te worden geoordeeld. Tegen deze beslissing werd geen hoger beroep aangetekend. Na het vonnis van de arbeidsrechtbank heeft het OCMW van Vleteren N. in gebreke gesteld om de genoten OCMW-steun ten bedrage van 22.412,00 euro (904.098 BEF), meer rente vanaf de data van de respectievelijke betalingen, hetzij in totaal 32.580,17 euro (1.314.281 BEF), terug te betalen. Bij gebrek aan vrijwillige betaling werd een wettelijke hypotheek genomen op een aan N. toebehorend onroerend goed. Tevens ging zij over tot dagvaarding van N. in betaling van voormelde som van 32.580,17 euro (1.314.281 fr.), meer interest op de hoofdsom van 22.412,00 euro vanaf 01.04.
- N. betwistte de vordering, in hoofdorde stellend dat deze verjaard was, ondergeschikt dat het OCMW van Vleteren zelf een fout had begaan door, toen zij zich onbevoegd verklaarde, het dossier niet te hebben overgemaakt aan het bevoegde OCMW, zulks conform art. 7 van het KB van 30.10.
- N. vorderde ook dat het OCMW van Vleteren zou worden bevolen de wettelijke hypotheek door te halen.
- Bij het bestreden vonnis werd de vordering afgewezen als ongegrond en werd de tegeneis tot doorhaling van de hypotheek gegrond verklaard. De eerste rechter overwoog daartoe dat de vordering niet verjaard is, maar dat de betalingen aan N. niet onverschuldigd werden gedaan nu zij een wettelijke oorzaak hadden en het aan het OCMW van Vleteren toekwam om eventueel de gedane betalingen terug te vorderen van het territoriaal bevoegde OCMW.
- Met haar hoger beroep beoogt het OCMW van Vleteren het tenietdoen van het bestreden vonnis en de inwilliging van haar oorspronkelijke eis. Zij voert o.m. aan dat de eerste rechter er ten onrechte van uit gaat dat N. hoe dan ook recht had op een bestaansminimum ten laste van één van beide OCMW's (Poperinge of Vleteren), terwijl dit hoegenaamd niet vast staat en zijzelf het bestaansminimum steeds aan N. heeft geweigerd omdat zij niet behoeftig was.
- N. vraagt het hoger beroep af te wijzen en het bestreden vonnis te bevestigen. beoordeling
- De eerste rechter heeft geoordeeld dat er van onverschuldigde betaling geen sprake was nu de betalingen een wettelijke oorzaak hadden, nl. de diverse beslissingen van de Beroepskamer van West-Vlaanderen waarbij aan het OCMW van Vleteren bevel werd verleend om financiële steun te verlenen. De eerste rechter wees er ook op dat geen enkele instantie een oordeel heeft geveld omtrent het principieel recht van N. op een bestaansminimum. Het OCMW Van Vleteren stelt dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de betalingen niet onverschuldigd waren omdat hij uit het oog heeft verloren dat de steun slechts gold als voorschot op een eventueel bestaansminimum. Het OCMW stelt dat dit inhoudt dat wanneer komt vast te staan dat N. geen recht heeft op een bestaansminimum, de voorwaarde voor het uitbetalen van steun als voorschot op dat bestaansminimum niet voorhanden is. Volgens het OCMW is op geen enkel ogenblik komen vast te staan dat N. recht heeft op het bestaansminimum en blijkt het tegendeel zelfs uit haar weigeringsbeslissing. Zij merkt daarbij tevens op dat haar weigeringsbeslissing van 1986, die eveneens was gesteund op het feit dat N. twee onroerende goederen bezat en dus niet behoeftig was, in hoger beroep werd bevestigd.
- Het OCMW van Vleteren steunt haar vordering op de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling. Nog afgezien van de vraag of en in welke mate er, buiten de gevallen voorzien in de OCMW-wet, ruimte bestaat voor de terugvordering van financiële steun, is in voorliggend geval hoe dan ook niet aangetoond dat de betalingen aan N. niet onverschuldigd werden gedaan. Deze betalingen werden immers verricht in uitvoering van de diverse beslissingen van de Beroepskamer van West-Vlaanderen, waarbij het OCMW van Vleteren werd verplicht om steun te verlenen aan N.. De betalingen hadden derhalve, op het ogenblik dat zij werden verricht, onbetwistbaar een oorzaak en waren dus niet onverschuldigd. Het OCMW van Vleteren toont ook niet aan dat deze oorzaak nadien is komen te vervallen. Het staat immers niet vast dat N. tijdens de betrokken periode geen recht had op het bestaansminimum. Daarover is immers nooit definitief beslist. De arbeidsrechtbank heeft zich enkel uitgesproken over de territoriale bevoegdheid, terwijl de OCMW's van Poperinge en Vleteren er inzake de kwestie of N. recht had op een bestaansminimum, uiteenlopende visies op nahielden. Daar waar het OCMW van Poperinge tussen 1986 en 1991 aan N. een bestaansminimum heeft uitbetaald en dit enkel heeft stopgezet omdat het zich niet langer territoriale bevoegd achtte, was het OCMW van Vleteren van oordeel dat N. geen recht op bestaansminimum kon laten gelden. Daarbij dient opgemerkt dat het feit dat de in 1986 genomen weigeringsbeslissing van het OCMW van Vleteren in hoger beroep werd bevestigd, niet als beslissend kan worden beschouwd. Vooreerst heeft deze beslissing betrekking op de toestand in
- Bovendien was dit feit bekend aan de Beroepskamer van West-Vlaanderen (zie stuk I.3: brief van OCMW-Vleteren aan de Beroepskamer van 12.06.1991 waarin o.a. melding wordt gemaakt van de weigering in 1986 en van het afgewezen hoger beroep daartegen) en heeft de Beroepskamer desalniettemin een "voorschot op een eventueel bestaansminimum" toegekend. Uit het voorgaande volgt dat aan de toepassingsvoorwaarden voor een vordering op grond van onverschuldigde betaling niet voldaan is. Besluit: het hoger beroep is ongegrond; de bestreden beslissing dient te worden bevestigd.
- N. N. maakt aanspraak op de basisrechtsplegingsvergoeding, die haar kan worden toegekend. Gelet op het bedrag van de vordering bedraagt de basisvergoeding 2.000,00 euro. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar maar wijst het af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verwijst het OCMW Van Vleteren in de kosten van de beroepsinstantie, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hare laste blijven, en die aan de zijde van N. N. vereffend worden op 2.000,00 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op TWAALF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div