← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090212.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090212.16 Rolnummer: 2007/AR/2400 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-27 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 19:10 Fiche Het enkele feit dat een partij een voorlopig bewindvoerder kreeg toegevoegd, ontneemt haar op zich niet de bekwaamheid inzake het instellen en voortzetten van een persoonlijke rechtshandeling zoals het instellen en voortzetten van een echtscheidingsvordering, zolang zij wilsgeschikt is. Het bestaan van de wilsgeschiktheid raakt de beoordeling van de ontvankelijkheid van de ingestelde vordering tot echtscheiding. Het gebrek aan wilsgeschiktheid ontstaan na de inleiding van de procedure zou ertoe nopen deze te schorsen. Bij gebrek aan de vereiste informatie betreffende de wilsgeschiktheid wordt een deskundige aangesteld om advies te verlenen over de psychische en mentale mogelijkheid van de beschermde persoon om zich een wil te vormen inzake haar persoonlijk recht om gehuwd te blijven, dan wel uit de echt te scheiden en de mogelijkheid die wil te uiten bij het instellen van de echtscheidingsvordering, tijdens de procedure en op het ogenblik van het in beraad nemen van de zaak. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) Vrije woorden: Vordering tot echtscheiding - Procesbevoegdheid en wilsgeschiktheid van de onder voorlopig bewind geplaatste eiseres. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 12 februari 2009 ________ Tussenarrest Aanstelling deskundige Installatievergadering d.d. 2 april 2009 om 16 uur Verdere behandeling d.d. 22 oktober 2009 om 14 uur 2007/AR/2400 - In de zaak van: D. M. F., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. VERBEEST Nadine, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningenstraat 3 tegen : V. E. M. , met kantoor te , , in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van T. E., gedomicilieerd te , , doch verblijvende op de Campus te geïntimeerde, voor wie is verschenen mr. VANLOUWE Marleen, advocaat te 1000 BRUSSEL, E. Allardstraat 35/37 velt het hof het volgend arrest: Appellant heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 28 september 2007 hoger beroep ingesteld tegen het op 15 mei 2007 uitgesproken vonnis van de 5de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waarbij: - de zaken gekend onder A.R. 99/1740/A en A.R. 06/417/A werden gevoegd; - rechtdoende in de zaak gekend onder A.R. 99/1740/A de echtscheidingsvordering van geïntimeerde op grond van de artikelen 229 (oud) en 231(oud) B.W. toelaatbaar werd verklaard, doch werd afgewezen als ongegrond; - rechtdoende in de zaak gekend onder A.R. 06/4168/A de echtscheidingsvordering van geïntimeerde op grond van art. 232 (oud) B.W. en de vordering tot vereffening en verdeling van het huwelijksvermogenstelsel, toelaatbaar en in de hierna bepaalde mate gegrond werd verklaard: · de echtscheiding werd uitgesproken tussen geïntimeerde en appellant, en de datum van de aanvang van feitelijke scheiding werd bepaald op 15 juni 1999; · notaris J. Fr. Claerhout met standplaats te Gent werd aangesteld als boedelnotaris met opdracht nader bepaald, voor zover geen onderhandse boedelbeschrijving en minnelijke verdeling mogelijk is; · notaris A.M. Schoorman met standplaats te Gent werd aangesteld, belast met de opdracht zoals bepaald bij artikel 1209, al. 3 Ger. W.; · verstaan werd dat de meest gerede partij aan de aangestelde notaris opdracht moet geven om het vonnis uit te voeren wat de vereffening-verdeling betreft; · gezegd werd dat het voorbarig is om over het meer of anders gevorderde te beslissen; · de zaak voor verdere afhandeling van de schuldvraag naar de bijzondere rol werd verwezen; - de uitspraak over de kosten werd aangehouden. In zijn beroepsakte en daaropvolgende beroepsconclusies, neergelegd ter griffie op 15 april 2008, vorderde de appellant dat het hof: - zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren; - derhalve het bestreden vonnis zou teniet doen en opnieuw wijzende: - de vordering van de voorlopig bewindvoerder q.q. en deze van de geïntimeerde onontvankelijk, minstens ongegrond zou verklaren; - minstens alvorens ten gronde te oordelen een deskundige zou aanstellen met als opdracht na te gaan of de geïntimeerde haar wil kan uiten nopens het instellen van de echtscheidingsvordering, kosten voor te schieten door geïntimeerde; - geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding in beide instanties, nader begroot aan zijn zijde. De geïntimeerde vroeg in beroepsconclusies, neergelegd ter griffie op 29 mei 2008, dat het hof: - akte zou nemen dat de oorspronkelijk ingeleide vordering op grond van feiten wordt omgezet in een echtscheiding op grond van 2 jaar feitelijke scheiding; - dienvolgens de echtscheiding zou uitspreken tussen partijen en de aanvangsdatum van de feitelijke scheiding zou bepalen op 15 juni 1999; - het bestreden vonnis voor het overige zou bevestigen; - het hoger beroep van de appellant ongegrond zou verklaren; - appellant zou veroordelen tot de kosten van beide procedures, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag); - in ondergeschikte orde - indien het hof van oordeel zou zijn dat een deskundige dient aangesteld te worden - zou worden gezegd voor recht dat deze deskundige zijn opdracht dient uit te voeren in aanwezigheid van de behandelende geneesheer en/of verpleging met wie geïntimeerde vertrouwd is en tevens zou zeggen voor recht dat de kosten van deze expertise door appellant zullen gedragen worden. Op de openbare terechtzitting van 13 november 2008 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING

  1. Het hoger beroep van de appellant is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren. Waar uit de bewoordingen van de beroepsconclusies van geïntimeerde niet éénduidig kon worden vastgesteld of geïntimeerde al dan niet incidenteel hoger beroep instelde, verduidelijkte de raadsman van geïntimeerde ter terechtzitting dat hij gewoon de bevestiging van het bestreden vonnis vraagt, zodat het hof niet dient te oordelen over de ontvankelijkheid van een door haar ingesteld incidenteel hoger beroep.
  2. Feitelijke en procedurele voorgaanden Partijen zijn met elkaar in het huwelijk getreden op 21 april 1993 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Gent, onder het wettelijk stelsel bij gebreke aan huwelijkscontract. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren. Bij dagvaardingsexploot op 4 juni 1999 betekend aan appellant, vorderde geïntimeerde zowel de echtscheiding overeenkomstig de artikelen 229 (oud) en 231 (oud) B.W., als het opleggen van voorlopige maatregelen voor de duur van de echtscheiding. Ingevolge de beschikking in kortgeding van 17 augustus 1999 werden partijen gemachtigd afzonderlijk te verblijven. Nadat geïntimeerde op 5 maart 2000 het slachtoffer van een ernstig verkeersongeval, werd bij beschikking van de vrederechter van het kanton St.- Kwintens-Lennik van 4 augustus 2000 meester M. V. E. aangewezen als voorlopig bewindvoerder over geïntimeerde. Op 17 oktober 2005 bekwam de voorlopig bewindvoerder van de vrederechter van het kanton Lennik een beschikking waarvan het dispositief luidt als volgt: "Machtigt de voorlopig bewindvoerder, V. E. M., advocaat, met kantoor te , , om de beschermde persoon, T. E., geboren te op , gedomicilieerd te , doch verblijvende op de Campus te in rechte te vertegenwoordigen als eiser voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in het kader van een vordering tot echtscheiding op grond van feitelijke scheiding in te leiden tegen haar echtgenoot de heer F. D. M.. Machtigt de voorlopig bewindvoerder eveneens de beschermde persoon te vertegenwoordigen bij de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling." Op 7 december 2006 werd aan appellant een dagvaardingsexploot betekend waarbij: - de echtscheiding wordt gevorderd overeenkomstig art. 232 (oud) B.W. waarbij de aanvangsdatum van de feitelijke scheiding zou worden bepaald op 1 juni 1999; - tevens de omkering van het schuldvermoeden overeenkomstig art. 306 (oud) B.W. wordt gevorderd (weze het dat tevens wordt verzocht de vordering op dit punt naar de bijzondere rol te verzenden); - wordt gevraagd dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat ten gevolge van de echtscheiding de tussen partijen bestaande huwgemeenschap zal zijn ontbonden en een boedelnotaris wordt aangesteld om over te gaan tot de vereffening-verdeling, alsook een tweede notaris wordt aangesteld met de opdracht zoals vervat in art. 1209, lid 3 Ger. W.. De beide voornoemde echtscheidingsprocedures werden door de eerste rechter gevoegd en beoordeeld in het bestreden vonnis.
  3. De impact van de wet van 27 april 2007 Wat betreft de impact van de wet van 27 april 2007 tot hervorming van het echtscheidingsrecht (B.S. 7 juni 2007) op onderhavige procedure dient gesteld dat in alle procedures tot echtscheiding op grond van fout en tot echtscheiding op grond van feitelijke scheiding ingeleid vóór 1 september 2007 de oude echtscheidingsgronden overspel (oud artikel 229 B.W.), gewelddaden, mishandelingen en grove beledigingen (oud artikel 231 B.W.) en feitelijke scheiding van minstens twee jaar (oud artikel 232 B.W.) van toepassing blijven. Deze echtscheidingsprocedures worden dus nog volledig afgehandeld volgens de oude echtscheidingswetgeving (zie artikel 42, § 2, 1ste lid W. 27 april 2007). Deze overgangsbepaling geldt naar het oordeel van het hof niet enkel voor de procedures in eerste aanleg, doch ook voor de procedures in hoger beroep en dit ongeacht het ogenblik waarop het hoger beroep wordt aangetekend, hetzij vóór, hetzij nà 1 september
  4. De tekst van de wet laat geen beperking tot de procedures in eerste aanleg toe en maakt geen onderscheid tussen hogere beroepen aangetekend vóór of nà 1 september
  5. Eén en ander heeft in onderhavige procedure tot gevolg dat de aan het hof ter beoordeling staande echtscheidingsvorderingen van geïntimeerde worden berecht op de oude echtscheidingsgronden wijl eveneens de oude procedureregels van het Gerechtelijk Wetboek op deze vorderingen toepasselijk blijven. Wat dit laatste betreft wijst het hof er op dat krachtens artikel 21 van de wet van 27 april 2007 het opschrift van afdeling I, boek IV, hoofdstuk XI, van het vierde deel van het gerechtelijk wetboek werd vervangen als volgt: "De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting". De bepalingen van voormelde afdeling kunnen dan ook geen toepassing vinden op de echtscheidingsprocedure die overeenkomstig de overgangsregeling voorzien in artikel 45, §2, 1ste lid van de wet van 27 april 2007 onder de oude echtscheidingswetgeving dient afgehandeld te worden Frederik SWENNEN en Febian APS, "De echtscheidingswet 2007", R.W., 2007 - 2008, 554, nr. 73 e.v.).
  6. Appellant voelt zich gegriefd door het bestreden vonnis omdat er volgens hem gegronde twijfels bestaan of zijn echtgenote in de psychische mogelijkheid verkeert om bij volle verstand de toestemming te geven tot het voeren van de echtscheidingsprocedure, aangevat bij dagvaardingsexploot van 7 december
  7. Hij voert daarbij aan dat de voorlopig bewindvoerder geen dergelijke procedure kan instellen, ook niet na machtiging hiertoe door de vrederechter, zeker nu uit de voorliggende machtigingsbeslissing niet afdoende blijkt dat de vrederechter zich ervan heeft vergewist dat geïntimeerde de echtscheiding wenst (en hiertoe bekwaam is). Appellant betwist daarbij de geloofwaardigheid van de door geïntimeerde overgelegde medische attesten van 7 februari 2005 en 9 februari
  8. Hij formuleert daarbij de vrees dat de voorliggende procedure in echtscheiding niet gebaseerd is op de wil van geïntimeerde daartoe, doch op financiële overwegingen (nà echtscheiding zou geïntimeerde aanspraak kunnen maken op een hoger vervangingsinkomen) die vooral derden ten goede zouden komen. In beroepsconclusies van geïntimeerde wordt geargumenteerd dat zij reeds in 1999 een procedure in echtscheiding overeenkomstig de artikelen 229 (oud) - 231 (oud) B.W. startte en er geen elementen voorliggen die erop wijzen dat partijen zich sindsdien zouden hebben verzoend, terwijl er daarentegen elementen aanwezig zijn (zoals het huren van een appartement door geïntimeerde) die op het tegendeel wijzen. Daarbij wordt vooropgesteld dat de in 1999 ingeleide echtscheidingsvordering moet worden aanzien als "omgezet" in een echtscheidingsvordering overeenkomstig art. 232 (oud) B.W.. Tevens wordt inzake de procesbevoegdheid verwezen naar de machtigingsbeslissing van de vrederechter van St.-Kwintens-Lennik van 17 oktober 2005; Tenslotte wordt gesteld dat uit de medische attesten van 7 februari 2005 en 9 februari 2007, opgesteld door de behandelende arts, afdoende blijkt dat geïntimeerde over de vereiste mentale/psychische mogelijkheden beschikt om haar wil tot het voeren van een echtscheidingsprocedure te vormen en te uiten, hetgeen zij gedaan heeft. Met betrekking tot de echtscheidingsvordering zou meester V. E. M. zijn pupil niet bijstaan als voorlopig bewindvoerder, doch als advocaat. Daarbij wordt tevens aangevoerd dat uit het enkele feit dat geïntimeerde nà echtscheiding een hoger vervangingsinkomen zal genieten, afdoende aantoont dat de echtscheidingsvordering terdege in het belang en het voordeel is van geïntimeerde.
  9. Het enkele feit dat geïntimeerde in een instelling verblijft en een voorlopig bewindvoerder kreeg toegevoegd, ontneemt haar op zich niet de bekwaamheid inzake het instellen en voortzetten van een persoonlijke rechtshandeling. Er kan daarbij niet worden betwist dat het instellen en voortzetten van een echtscheidingsvordering een hoogstpersoonlijke vordering is. De voorlopig bewindvoerder blijft daarbij volledig vreemd aan de echtscheidingsprocedure ten gronde, die wordt ingeleid en gevoerd door de beschermende persoon, zolang die "wilsgeschikt" is. Uit nazicht van de inleidende dagvaarding van 7 december 2006 (zaak gekend onder A.R. 06/4178/A, de navolgende besluiten voor geïntimeerde en het bestreden vonnis blijkt evenwel niet dat de echtscheidingsvordering overeenkomstig art. 232 (oud) B.W. niet door geïntimeerde zou zijn ingesteld en gevoerd. Aangezien er in de voorliggende procedure geen aanwijzingen zijn dat de voorlopig bewindvoerder van geïntimeerde in die hoedanigheid de echtscheidingsvordering zou hebben ingesteld en voortgezet, zijn er geen redenen voorhanden om de vordering van de voorlopig bewindvoerder qq. onontvankelijk te verklaren. Vereist is wel dat het hof nagaat of geïntimeerde zowel bij het instellen van de echtscheidingsvordering als bij het voortzetten ervan "wilsgeschikt" was/is: zij moet een geldige toestemming kunnen geven voor de gevoerde proceshandelingen en moet zich gedurende de gehele procedure een oordeel kunnen vormen over de aanpak van de eis en het verweer. Het bestaan van de wilsgeschiktheid raakt daarbij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de ingestelde vordering tot echtscheiding, terwijl de ontstentenis van wilsgeschiktheid ontstaan nà de inleiding van de procedure ertoe zou nopen de voorliggende procedure te schorsen. Appellant betwist daarbij de geloofwaardigheid van de medische attesten die volgens geïntimeerde uitgaan van de "behandelende arts" (st. 7 en 8 geïntimeerde) en waaruit enerzijds zou blijken dat zij wel degelijk wilsgeschikt is en anderzijds dat zij de wil heeft om uit de echt te scheiden. Afgezien van de vraag naar de betrouwbaarheid van de medische attesten, die enkel kunnen worden aanzien als éénzijdige stukken, kan niet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat het laatste attest dateert van 9 februari 2007, zodat het hof hoe dan ook verstoken blijft van de vereiste informatie betreffende de "wilsgeschiktheid" van geïntimeerde op het ogenblik van de pleidooien en het in beraad nemen van de zaak. Hierbij rijst dan ook de vraag - vooralsnog een loutere vraag - of geïntimeerde wilsgeschikt was bij het instellen van de echtscheidingsvordering overeenkomstig art. 232 (oud) B.W. en wilsgeschikt is gebleven tijdens de procedure. Het hof dient hierover op een afdoende wijze te worden geïnformeerd, alvorens zij de ontvankelijkheid van de vordering tot echtscheiding, dan wel de noodzaak om de procedure te schorsen kan beoordelen. De zaak is dan ook niet in staat van wijzen. In deze omstandigheden dringt de aanstelling van een deskundige, zoals in ondergeschikte orde gevraagde door appellant, zich dan ook op. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Alvorens nader te oordelen; stelt aan als deskundige: Dokter Herman Pollentier met kantoor te 8490 Varsenare, Oude Dorpsweg 93 A met de navolgende opdracht: - de partijen te aanhoren, kennis te nemen van de verklaringen, de stukken, bescheiden en bundels die partijen hem overeenkomstig artikel 972bis, 2e lid Ger.W. zullen overmaken, alle nodige of nuttige inlichtingen in te winnen, zelfs bij derden, - geïntimeerde, mevrouw T. E., verblijvende op de campus te te onderzoeken, zo nodig de medewerking en het advies te vragen van specialisten en in een geschreven en met redenen omkleed verslag de rechtbank van advies te dienen omtrent: de aard van de opgelopen fysieke en medegaande psychische letsels ingevolge het verkeersongeval van 5 maart 2000; - in een gemotiveerd en onder eed bevestigd verslag, neer te leggen ter griffie van dit hof binnen de zes maanden na de aanvaarding van zijn opdracht, het hof te adviseren nopens volgende punten:
  10. de psychische en mentale mogelijkheid van geïntimeerde om zich een wil te vormen inzake haar persoonlijk recht om gehuwd te blijven, dan wel uit de echt te scheiden en de mogelijkheid die wil te uiten in december 2006;
  11. de psychische en mentale mogelijkheid van geïntimeerde om zich een wil te vormen inzake haar persoonlijk recht om gehuwd te blijven, dan wel uit de echt te scheiden en de mogelijkheid die wil te uiten op heden
  12. de psychische en mentale mogelijkheid van geïntimeerde om zich een wil te vormen inzake haar persoonlijke recht om gehuwd te blijven, dan wel uit de echt te scheiden en de mogelijkheid om die wil te uiten gedurende de tussenliggende periode. dit alles met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 962 e.v. Ger.W., hetgeen onder meer inhoudt dat: - alle verrichtingen tegensprekelijk dienen te gebeuren en alle partijen dienen opgeroepen te worden om daaraan deel te nemen, tenzij de partijen hem hiervan uitdrukkelijk zouden vrijstellen, gelet op het uiterst technisch karakter van sommige verrichtingen; - een voorverslag, omvattende alle elementen van de besluitvorming én een ontwerp van besluiten, zal dienen opgemaakt te worden, dat aan alle partijen in voorlezing dient verstuurd te worden, met redelijke termijn voor het formuleren van opmerkingen; - het eindverslag elke tijdige opmerking van de partijen, geformuleerd na de toezending van het voorverslag, dient te beantwoorden. Zegt verder dat dit arrest door de griffie binnen de vijf dagen bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden. Zegt dat de deskundige over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest zal beschikken om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren. Zegt dat de installatievergadering, bedoeld in artikel 972 Ger. W., zal plaats vinden op donderdag 2 april 2009 om 16 uur in de raadkamer van dit hof (lokaal 5); Zegt dat de deskundige zich op de datum en het uur van de installatievergadering ter beschikking van het hof dient te houden en voorafgaand aan het hof (tel.: 09/267.41.81, fax: 09/264.41.23) dient mede te delen op welk telefoonnummer zij alsdan zullen kunnen worden bereikt teneinde zijn zienswijze te vernemen nopens: - de plaats, de dag, en het uur van zijn verdere werkzaamheden; - de noodzaak om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers; - de raming van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek, of tenminste de manier waarop zijn kosten en ereloon en de kosten en het ereloon van eventuele technische raadgevers zullen berekend worden; - het bedrag van het voorschot dat ter griffie dient te worden geconsigneerd; - het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige; - de termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande zijn voorlopig advies; - de termijn voor het neerleggen van het eindverslag; Zegt dat de deskundige in persoon aanwezig zal dienen te zijn op de installatievergadering indien één van de partijen hem dit zal vragen bij aangetekende brief met ontvangstbewijs die uiterlijk 15 dagen vóór de datum van de installatievergadering door de post aan de deskundige zal dienen te zijn bezorgd; Zegt evenwel dat van het houden van deze installatievergadering zal worden afgezien indien alle partijen of hun raadslieden uiterlijk op 22 maart 2009 schriftelijk aan het hof en aan de deskundige zullen hebben laten weten dat zij hiermee akkoord gaan en dat in dit geval als volgt zal worden gehandeld: - de deskundige zal zelf de plaats, de dag en het uur bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten en zal dit per aangetekende brief met ontvangstbewijs meedelen aan de partijen en per gewone brief aan hun raadslieden, tenzij hij door de partijen wordt vrijgesteld van de verplichting om per aangetekende post te corresponderen; - de deskundige zal in de loop van zijn opdracht zelf bepalen of het noodzakelijk is om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers; - de deskundige zal aan de partijen zelf een raming laten geworden van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek of tenminste van de manier waarop zijn/haar kosten en ereloon en de kosten en het ereloon van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden; - het bedrag van het voorschot dat door de meest gerede partij ter griffie dient te worden geconsigneerd wordt bepaald op 1.250,00 euro; - het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige wordt bepaald op 850,00 euro; - de deskundige zal zelf de redelijke termijn bepalen waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande zijn/haar voorlopig advies; - de termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op 6 maanden vanaf de datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat, onverminderd artikel 972bis, § 2, tweede lid Ger.W. ("Indien alle partijen of hun raadslieden om uitstel verzoeken, dan moet de deskundige dit toestaan. In alle andere gevallen kan hij het uitstel weigeren of toestaan en geeft hij de rechter bij gewone brief kennis van zijn beslissing."). Zegt dat het de deskundige verboden is een rechtstreekse betaling van een partij in het geding te aanvaarden (artikel 509quater S.W.: "Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding."). Stelt de zaak voor verdere behandeling uit op de zitting van deze kamer van het hof op donderdag 22 oktober 2009 om 16 uur (pleitduur: 30 min); Verzoekt partijen om, zo zij nog concluderen, hun laatste conclusies als syntheseconclusies aan te merken die alle vorige conclusies zullen vervangen, ook die in eerste aanleg en alle argumenten zullen bevatten die zij nog aanhouden zodat het hof zich, om redenen van proceseconomie, zal kunnen beperken tot het lezen en beantwoorden van die syntheseconclusies; Houdt de beslissing inzake de kosten in deze instantie aan. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 12 februari 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Kurt Goossens K. Vandenberghe N. De Turck A. Deene Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.