id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090212.17 Rolnummer: 2008/AR/1034 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-27 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-07-02 19:11 Fiche Het beschermingsstatuut van de verlengde minderjarigheid, dat een uitzondering vormt op de principiële bekwaamheid, veronderstelt dat de rechter dit slechts met de grootste omzichtigheid en met inachtname van verschillende criteria hetzij oplegt hetzij opheft. Naast het intelligentiequotiënt dient onder meer rekening te worden gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de betrokkene. Gelet op de relatieve zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de betrokkene, en de behoefte naar nog meer autonomie, maakt het statuut van verlengde minderjarigheid een te sterke juridische beperking uit. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Verlengde minderjarigheid - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Verlengde minderjarigheid - Einde Vrije woorden: Statuut van verlengde minderjarigheid - Opheffing - Criteria Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 12 februari 2009 ________ Opheffing verlengde minderjarigheid Kansspelcommissie 2008/AR/1034 - In de zaak van: V. M.-L., wonende te appellante, hebbende als raadsman mr. VERDRU Lieven, advocaat te 8000 BRUGGE, Sint-Annaplein 3 tegen : T. R., geboren op te , van nationaliteit, wonende te , in staat van verlengde minderjarigheid verklaard bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 7e kamer, d.d. 10 oktober 1989, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. COOREVITS Charlotte, advocaat te 8490 JABBEKE, Dorpsstraat 70 velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het op request van de appellante gewezen tussenvonnis van 29 juni 2007 en het eindvonnis van 18 maart 2008, waartegen zij, bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie, tijdig en regelmatig hoger beroep heeft ingesteld bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 18 april 2008. De dossiers van de rechtspleging werden ingezien. Bij de bestreden vonnissen heeft de eerste rechter: - in het tussenvonnis van 29 juni 2007, het verzoek van de appellante ontvankelijk verklaard, doch vooraleer ten gronde te oordelen, een deskundige aangesteld met als opdracht R. T. te onderzoeken en over zijn toestand verslag uit te brengen, meer in het bijzonder na te gaan of zijn toestand van geestelijke achterlijkheid die
(1)aangeboren is of begonnen is tijdens de eerste levensjaren,
(2)gekenmerkt wordt door een uitgebleven ontwikkeling van gezamenlijke vermogens van verstand, gevoel en wil, en
(3)geleid heeft tot de beschikking van verlengd minderjarig verklaring van 10 oktober 1989, thans gewijzigd is en zo ja in welke mate. Tevens heeft de eerste rechter beslist dat alle gedingkosten aangehouden werden, behoudens deze van de onderzoeksmaatregel die door de appellante zullen worden voorgeschoten; - in het eindvonnis van 18 maart 2008, het verzoek nogmaals ontvankelijk verklaard, doch het afgewezen als ongegrond, waarbij de kosten ten laste van de appellante werden gelegd, aan haar zijde en aan de zijde van de betrokkene niet te begroten bij gebrek aan kostenstaat. De appellante en de betrokkene partij werden in de raadkamer van het hof gehoord op de terechtzitting van 18 december
- Hiervan werd afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. Nadien werden diezelfden bij monde van hun respectieve raadslieden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies, waarna de debatten werden gesloten. Advocaat-generaal Dominique Debrauwere werd te zelfder terechtzitting gehoord in zijn mondeling advies. De partijen verklaarden af te zien van hun repliekrecht. De zaak werd in beraad genomen. B E O O R D E L I N G
- De betrokkene is op vraag van zijn ouders in staat van verlengde minderjarigheid gesteld bij vonnis van 10 oktober 1989 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. De vader van de betrokkene overleed in de loop van
- Bij haar initieel verzoekschrift heeft de appellante, als langstlevende ouder van de betrokkene, overeenkomstig art. 487 septies B.W. aan de eerste rechter gevraagd om het opheffen van die maatregel te bevelen. Gelet op het op 7 februari 2008 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge neergelegd verslag van de door hem bij tussenvonnis van 29 juni 2007 bevolen voorafgaande gerechtelijke expertise, heeft de eerste rechter het verzoek van de appellante bij eindvonnis van 18 maart 2008 afgewezen als ongegrond.
- Zowel uit de tekst van de wet van 29 juni 1973 op de verlengde minderjarigheid als uit de wetsvoorbereiding blijkt duidelijk dat het statuut van verlengde minderjarige bedoeld is voor personen aangetast door een ‘ernstige' mentale handicap, en niet voor personen met een lichte zwakzinnigheid. Het stelsel van verlengde minderjarigheid viseert immers uitsluitend één welbepaalde doelgroep, nl. personen die uit hoofde van een ernstig geestelijk ontwikkelingstekort blijvend handelingsonbekwaam zijn. Er kan dan ook geen sprake van zijn om, door middel van welkdanige extensieve interpretatie, die zeer verregaande maatregel (verregaand zowel voor wat betreft de persoon als de goederen van de betrokkene), uit te breiden naar minder ernstige gevallen in functie van specifieke en praktische problemen die het beheer van de mentaal gehandicapte persoon betreffen.
- De gerechtsdeskundige stelt vast dat afgaande op de ‘klassieke' IQ-cijfers (stellende dat emotionele intelligentie hiermede niet wordt gemeten), betrokkene zich bevindt tussen de lichte zwakzinnigheid (IQ 50-55 tot 70) en matige zwakzinnigheid (IQ 35-50 tot 50-55). Waar dit Intelligentiequotiënt in 1985 is vastgesteld geworden op 50 en op 46, betrof het 52 in
- Waar de aangeboren geestelijke achterlijkheid en de mentale beperking bij de betrokkene niet gewijzigd is en zijn IQ volgens de gerechtsdeskundige evenmin een significante verbetering vertoont, kan niet worden betwist dat er (alleszins sinds het overlijden van de vader van de betrokkene in 1994) een positieve ontwikkeling in de autonomie van de betrokkene merkbaar is. Het horen van de betrokkene zowel door de eerste rechter als door het hof heeft die laatste vaststelling trouwens bevestigd. De gerechtsdeskundige wijst er op dat de relatieve autonomie die reeds bereikt is nochtans niet verhindert dat er bij de betrokkene sprake is van een blijvende intellectuele beperking en infantiele emotionele ontwikkeling, hetgeen hem uiteraard bijzonder kwetsbaar maakt voor gebeurlijke minder positief geïntentioneerde anderen.
- Het beschermingsstatuut van de verlengde minderjarigheid, dat een uitzondering vormt op de principiële bekwaamheid, veronderstelt dat de rechter dit slechts met de grootste omzichtigheid en met inachtname van verschillende criteria hetzij oplegt hetzij opheft. Naast het intelligentiequotiënt dient onder meer ook rekening te worden gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de betrokkene. Te dezen beschikt het hof derhalve over een beoordelingsmacht inzake de wenselijkheid om de maatregel van verlengde minderjarigheid op te heffen, hierbij rekening houdend met de concrete belangen van de betrokkene zelf die steeds op de meest passende en aangewezen wijze moet worden beschermd. Naar het oordeel van het hof heeft de jarenlange ondersteunende mantelzorg van moeder, nicht en professionele derden niet alleen een relatieve zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de betrokkene veroorzaakt, maar eveneens een behoefte naar nog meer autonomie gegenereerd. Anders dan de eerste rechter, sluit het hof zich in het licht daarvan aan bij het eindbesluit van de gerechtsdeskundige, dat het statuut van verlengde minderjarigheid een te sterke juridische beperking uitmaakt in acht genomen de nieuw verworven vaardigheden van de betrokkene. De wet van 18 juli 1991 betreffende de bescherming van de goederen van personen die als gevolg van hun fysische of mentale toestand, geheel of gedeeltelijk in de onmogelijkheid zijn om het beheer ervan waar te nemen, biedt in de gegeven omstandigheden, als aanvulling op de reeds bestaande ondersteuning door familie en professionele derden, een adekwatere oplossing aan de noodzaak tot bescherming van de betrokkene dan de verlengde minderjarigheid.
- Besluit: ten aanzien van R. T. dient het statuut van verlengde minderjarige te worden opgeheven. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ten dele gegrond. Bevestigt het bestreden tussenvonnis van 29 juni
- Doet het bestreden eindvonnis van 18 maart 2008 teniet. Dienaangaande opnieuw beslissend: Verklaart het verzoek van de appellante gegrond tot opheffing van de staat van verlengde minderjarigheid van: R. B. G. T., geboren te op , wonende te , , in staat van verlengde minderjarigheid verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 10 oktober
- Verklaart dat elke beschermende maatregel die uit het statuut van verlengde minderjarigheid van R. T. gevolgd is, thans een einde neemt; Beveelt dat deze beslissing overeenkomstig art. 487 sexies B.W. ter kennis zal worden gebracht van de Minister van Justitie en van de Burgemeester van de gemeente waar de betrokkene in het bevolkingsregister is ingeschreven. Gelast dat deze beslissing in de bevolkingregisters wordt aangetekend, en dat de vermelding van staat van verlengde minderjarigheid zal worden weggelaten van de identiteitskaart van de betrokkene. Laat de kosten van de beide instanties voor rekening van de appellante aan haar zijde en aan die van de betrokkene niet te begroten bij gebrek aan kostenstaat. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 12 februari 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Kurt Goossens K. Vandenberghe N. De Turck A. Deene Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div