id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090212.18 Rolnummer: 2007/AR/2750 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-27 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 19:11 Fiche Indien men zich als verweer tegen een revindicatievordering beroept op de bezitsbescherming overeenkomstig artikel 2279, lid 1 B.W. moet het bezit reëel, pro suo en deugdelijk zijn en moet de bezitter te goeder trouw zijn. De bezitter die zich tegen een revindicatievordering verweert, moet de eigendomsoorsprong van de goederen niet bewijzen, ook niet wanneer hij onmiddellijk beweert de goederen door een handgift te hebben verworven. Door zich te beroepen op een handgift, wordt de bezitter geacht eigenaar te zijn, niet langer op grond van een titel in het algemeen, doch wel op grond van een handgift. De eiser in revindicatie mag in dat geval ook de juistheid en geldigheid van de handgift pogen te weerleggen. Het volstaat dat de eiser in revindicatie aannemelijk maakt dat de beweerde handgift zeer onwaarschijnlijk is. Wanneer aan één van de grondvereisten van de handgift, nl. animus donandi, traditio en aanvaarding tijdens het leven van de schenker duidelijk niet is voldaan of wanneer daar ernstige twijfel over bestaat, vervalt het vermoeden van de rechtsgeldige titel en de rechtsbescherming van artikel 2279, lid 1 B.W.. In casu wordt geenszins aangetoond hetzij dat kennelijk niet is voldaan aan de geldigheidsvereisten van de ingeroepen handgift, hetzij dat er daaraan ernstig moet worden getwijfeld. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op roerend goed - Revindicatie BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Handgift Vrije woorden: Terugvordering effecten - revindicatievordering - bezit - handgift. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 12 februari 2009 ________ 2007/AR/2750 - In de zaak van: L.O., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. VAN VLAENDEREN Frank, advocaat te 9000 GENT, Krijgslaan 47 tegen : W.E., wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE VLEESCHAUWER Marianne, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Apostelstraat 29 velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het door de derde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 31 mei 2007 uitgesproken vonnis, waartegen de appellant, bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie, op 15 november 2007 tijdig en regelmatig bij een ter griffie neergelegd verzoekschrift hoger beroep heeft neergelegd. Bij het bestreden vonnis werden de hoofdeis van de appellant en de tegeneis van de geïntimeerde beiden ontvankelijk verklaard, werd de eerste niet gegrond verklaard en de tweede gegrond verklaard als volgt: - gezegd werd voor recht dat de geïntimeerde eigenaar is van de hiernavolgende effecten: · BACOB kasbons met nrs. 50141 - 3531161-44 tot en met 50141-3531162-45 - vervaldag juni 2007 - nominale waarde 2 x 250.000 BEF (6.197,39 EUR); · BACOB kasbons met nrs. 50141 - 3558323-46 tot en met 50141-3558327-50 - vervaldag oktober 2008 - nominale waarde 5x 500.000 BEF (12.394,68 EUR); · BACOB kasbons met nrs. 50141 - 3737925-04 tot en met 50141-3737926-05 - vervaldag januari 2011 - nominale waarde 2 x 10.000 EUR; · Dexia Funding Netherlands NV - 0001000+xs0148533085+00 nrs. 026252 tot en met 026259 - vervaldag juli 2007 - waarde 8 x 1.000 EUR; · Cordius Capital NV - nrs. HDVE 01337351 tot en met 01337352 - 2 effecten van 5 uitkeringsaandelen aan toonder zonder vermelding van nominale waarde; - gezegd werd dat het tussengekomen vonnis- zodra het in kracht van gewijsde zal zijn getreden - zou gelden als titel voor de handlichting van het op 14 oktober 2003 door de appellant aangetekend verzet; - de appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding, aan de zijde van de geïntimeerde nader begroot; - gezegd dat er geen redenen voorhanden zijn om het tussengekomen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij zijn beroepsakte en daaropvolgende conclusies streeft de appellant het teniet doen van het bestreden vonnis na, en vordert hij dat het hof, opnieuw beslissend, zijn - in de huidige instantie uitgebreide - initiële vorderingen vooralsnog gegrond en de tegenvordering van de geïntimeerde ongegrond verklaart. Dienvolgens vordert de appellant dat het hof: · oordeelt dat de effecten: - BACOB kasbons met nrs. 50141 - 3531161-44 tot en met 50141-3531162-45 - vervaldag juni 2007 aan 5,65% - nominale waarde 2 x 250.000 BEF (6.197,39 EUR); - BACOB kasbons met nrs. 50141 - 3558323-46 tot en met 50141-3558327-50 - vervaldag oktober 2008 aan 5,75% - nominale waarde 5 x 500.000 BEF (12.394,68 EUR); - BACOB kasbons met nrs. 50141 - 3737925-04 tot en met 50141-3737926-05 - vervaldag januari 2011 aan 3,75% - nominale waarde 2 x 10.000 EUR; - Dexia Funding Netherlands NV - 0001000+xs0148533085+00 + 026252 - vervaldag juli 2007 - waarde 1.000 EUR; - Cordius Capital Distri variable - nr. HDVE 01337351- 00012943 - met vervaldag december 2007 - nominale waarde 1.250 EUR, - 2 effecten van 5 uitkeringsaandelen aan toonder zonder vermelding van nominale waarde; en de voor het verzet op titels aan de geïntimeerde betaalde coupons: Ø op 18 september 2003: 1.179,96 EUR (stavingstuk 4 geïntimeerde); + 605,79 EUR (stavingstuk 5 geïntimeerde) + 2.423,16 EUR (stavingstuk 6 geïntimeerde); Ø op 2 oktober 2003: 2.423,16 EUR (stuk 7 geïntimeerde); Ø op 7 oktober 2003: 605,79 EUR (stuk 8 geïntimeerde) Ø op 8 maart 2004: 637,50 (stuk 9 geïntimeerde), mede alle andere opbrengst van de voornoemde effecten, uitsluitend toebehoren aan de erfgenamen van wijlen K.L., geboren te op , , weduwnaar van A.S., wonende te , , verblijvende in , te , overleden te op , dit overeenkomstig de vereffening en verdeling van de nalatenschap van de voornoemde overledene; · de geïntimeerde oplegt de datum van het verslag van het Netwerk Thuiszorg (stavingstuk 18 geïntimeerde) mee te delen, omdat dit van belang is om de wilsbekwaamheid van A.S. (art. 901 B.W. te beoordelen op het ogenblik van de beweerde (en betwiste) handgift, waarbij de appellant zich het recht voorbehoudt verder te concluderen over de wilsbekwaamheid van A.S. op het ogenblik van de beweerde handgift en deze van zijn broer K.; wilsbekwaamheid die volgens de eerste gegevens niet aanwezig was in de periode maart - april 2003; · de integrale voorlegging van het dossier van de sociale dienst ‘De Reiger' waaruit de geïntimeerde delen kopieerde te bevelen, desnoods in procedure te brengen door het R.V.T. overeenkomstig art. 877 e.v. Ger.W. (stavingstuk 12 geïntimeerde); · ondergeschikt de appellant machtigt tot het door hem aangeboden getuigenverhoor van D. V. B., O. S., R. L., S. L. en I. M., om het feitenrelaas van de geïntimeerde te weerleggen in verband met de familiale relaties met het gezin K.L. - A. D. S.; · de geïntimeerde verwijst in de kosten van de beide instanties aan de zijde van de appellant nader begroot. Bij conclusies besluit de geïntimeerde tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond, tot de integrale bevestiging van het bestreden vonnis en tot de veroordeling van de appellant in de kosten van het hoger beroep, aan zijn zijde nader begroot zijnde alsmede tot de kosten van tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Op de openbare terechtzitting van 18 december 2008 werden de partijen gehoord in hun middelen en conclusies, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. B E O O R D E L I N G
- De procedurele en de feitelijke voorgaanden werden door de eerste rechter uitvoerig uiteengezet op folio 1379 t/m 1383 van het bestreden vonnis. Kortheidshalve is het voldoende dat het hof thans daarnaar verwijst.
- Als erfgenaam van wijlen K.L. vordert de appellant een aantal effecten terug die de geïntimeerde beweert in de loop van de maanden maart- april 2003 door handgift te hebben ontvangen vanwege de rechtsvoorganger van de appellant en diens echtgenote wijlen A.S.. 2.
- Voor zover de appellant hierbij een persoonlijke vordering instelt, zich beroepend op een overeenkomst die eertijds zou zijn aangegaan tussen enerzijds de geïntimeerde en anderzijds wijlen het echtpaar K.L. - A.S. (bijvoorbeeld een overeenkomst tot bewaargeving of van lastgeving etc.), dient hij in principe conform aan art. 1341 B.W. het schriftelijk bewijs van die overeenkomst te leveren. Een dergelijk schriftelijk bewijs wordt nochtans niet overgelegd, noch biedt de appellant aan dit te doen. 2.
- Voor zover de appellant de beweerde eigendom van zijn rechtsvoorganger terugvordert, stelt hij een zakelijke rechtsvordering in, met name revindicatie. Er bestaat geen betwisting dat de kwestieuze effecten zich in het actueel en daadwerkelijk bezit bevinden van de geïntimeerde, dat deze waardepapieren zich voorheen in het vermogen bevonden van wijlen K.L. en van wijlen zijn echtgenote, alsmede dat de appellant de rechtsopvolger (voor 1/11e) is van wijlen K.L.. Derhalve is hiermede aan de grondvereisten van de revindicatie voldaan.
- Als verweer tegen die revindicatievordering van de appellant roept de geïntimeerde vooreerst de bezitsbescherming overeenkomstig art. 2279, lid 1 B.W. in. Om overeenkomstig art. 2279, lid 1 B.W. het vermoeden van eigendom te kunnen genieten moet het bezit reëel, pro suo en deugdelijk zijn, waarbij ook nog komt dat de bezitter te goeder trouw moet zijn. De goede trouw, het pro suo karakter van het bezit en de deugdelijkheid ervan worden vermoed. Te dezen wordt het reële karakter van het bezit van de geïntimeerde niet betwist. Daarenboven toont de appellant - zoals hiervoor trouwens reeds werd overwogen - overeenkomstig art. 1341 e.v. B.W. ook niet aan dat de geïntimeerde slechts detentor zou zijn geweest van de kwestieuze waardepapieren omdat er een overeenkomst ten gronde zou hebben gelegen aan zijn bezit. De geïntimeerde moet dan ook worden geacht voor zichzelf en als eigenaar te bezitten. Evenmin wordt kwade trouw in hoofde van de geïntimeerde door enig feitelijk element of overgelegd stavingstuk waarschijnlijk gemaakt, laat staan door de appellant bewezen. Het volstaat voor de appellant geenszins om een aantal gratuite veronderstellingen te uiten en/of hypothesen te ontwikkelen om de goede trouw van de geïntimeerde in het gedrang te brengen. Ten slotte kan de appellant, als eiser in revindicatie, het vermoeden van art. 2279, lid 1 B.W. ook aanvechten door de ondeugdelijkheid van het bezit van de geïntimeerde aan te tonen. Hij dient dan te bewijzen dat het bezit niet voldoet aan de cumulatieve vereisten van art. 2229 B.W., dwz. geen voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit uitmaakt. Uit zijn laatste beroepsconclusies moet worden afgeleid dat de appellant concreet het dubbelzinnig en niet -openbaar of heimelijk karakter van het bezit van de geïntimeerde aanklaagt. Het bezit is dubbelzinnig wanneer het prime facie en gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, voor meerdere interpretaties vatbaar is, dat wil zeggen dat het meerdere oorzaken of grondslagen kan hebben, zodat er twijfel kan bestaan of de bezitter de goederen ingevolge een geldige eigendomstitel, dan wel als houder bezit. Zoals hiervoor reeds herhaaldelijk aangehaald, bestaat een dergelijke twijfel te dezen niet. Het is niet omdat de appellant terzake één en ander in vraag stelt dat een gefundeerde twijfel te weerhouden valt. Doch de appellant slaagt er ook niet in aan te tonen dat de geïntimeerde de waardepapieren heimelijk en niet-openbaar onder zich heeft gehouden. Bij roerende goederen zal het bezit slechts heimelijk zijn wanneer er bepaalde handelingen gesteld zijn of bepaalde handelingen juist niet gesteld zijn om dit bezit geheim te houden. In principe dient een bezitter niet op eigen initiatief bij het overlijden van de schenker van waardepapieren aan diens erfgenamen mede te delen welke goederen hij van de overledene heeft ontvangen. In de regel kan een bezit slechts als heimelijk worden beschouwd wanneer de erfgenamen tevergeefs hetzij de goederen van de beweerde begiftigde teruggevorderd hebben of zelfs - zonder een positief antwoord te ontvangen - louter de vraag hebben gesteld of die goederen zich niet in het bezit van de beweerde begiftigde bevinden. Te dezen dient vastgesteld dat wijlen K.L. en A.S. noch vóór noch tijdens hun verblijf in het rusthuis rechtstreeks (noch) of onrechtstreeks gewag hebben gemaakt van verdwenen effecten. Na het overlijden van wijlen A.S., en nadat de ten behoeve van wijlen K.L. aangestelde voorlopige bewindvoerder verzet op titels had aangetekend op de kwestieuze ‘buitenbezitgestelde' waardepapieren, heeft de raadsman van de geïntimeerde bij schrijven van 4 juni 2004 tegenspraak gevoerd bij Dexia N.V. tegen het aangetekend verzet. Ondertussen had de geïntimeerde vóór het verzet reeds een aantal coupons van de kwestieuze effecten geïnd alsmede drie kasbons verkocht (die hij echter terugkocht nadat hij had vernomen dat er ondertussen verzet op titels was gelegd). Al deze handelingen wijzen geenszins op heimelijkheid. De loutere omstandigheid dat de coupons niet werden verzilverd bij de uitgevende financiële instelling noch de enkele vaststelling dat die aanbiedingen gebeurden ten tijde van de procedure tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder voor wijlen K.L. laat in de gegeven omstandigheden evenmin toe te besluiten dat het bezit van de geïntimeerde heimelijk is geweest. Gelet op de voorgaanden dient dan ook gesteld dat de appellant faalt in zijn bewijslast met betrekking tot het beweerd ondeugdelijk bezit van de geïntimeerde. 4.
- De geïntimeerde verduidelijkt tevens dat de kwestieuze waardepieren hem werden overhandigd bij wijze van handgift. Op grond van art. 2279, lid 1 B.W. wordt de bezitter vermoed eigenaar te zijn van de desbetreffende effecten, en zolang het vermoeden van dit wetsartikel speelt zal de revindicatievordering worden afgewezen. De bezitter die zich tegen een revindicatievordering verweert moet bijgevolg de eigendomsoorsprong van de waardepapieren niet bewijzen, ook niet wanneer hij onmiddellijk beweert de goederen door een handgift te hebben verworven. Het inroepen van art. 2279, lid 1 B.W. en - tegelijkertijd of naderhand - van het bestaan van een onderliggende handgift betekent immers geenszins dat er een wijziging intreedt in de procesrechtelijke positie van de partijen. Anders dan de appellant voorhoudt blijft derhalve de bewijsverplichting in hoofde van de revindicant in dat geval bestaan, alhoewel hem thans een bijkomende bewijsvoering ter beschikking staat. Op grond van art. 2279, lid 1 B.W. wordt de bezitter immers vermoed eigenaar te zijn van een eigendomstitel in het algemeen, met name wordt er van uitgegaan dat de bezitter de goederen heeft verkregen op grond van een geldige eigendomsoverdragende rechtshandeling. Doch indien de bezitter zich op de handgift beroept, dan beperkt hij de grondslag voor het eigendomsvermoeden van art. 2279, lid 1 B.W. Het gevolg daarvan is dat de bezitter niet langer wordt geacht eigenaar te zijn op grond van een titel in het algemeen, doch wel op grond van een handgift. De eiser in revindicatie mag in dat geval, ook de juistheid en geldigheid van de handgifte pogen te weerleggen. 4.2.
- Zo staat het de appellant, als eiser in revindicatie vrij om door alle middelen van recht aan te tonen dat er geen handgift aan de beweerde begiftigde werd gedaan. Aangezien voor wat betreft de werkelijkheid van de beweerde handgift het leveren van het bewijs van een negatief feit, nl. dat er geen handgift is gebeurd, zeer moeilijk te leveren valt, volstaat het dat de eiser in revindicatie op grond van de omstandigheden van de zaak aannemelijk maakt dat de beweerde handgift zeer onwaarschijnlijk is. Het inroepen van een handgift roept immers ook een (samengestelde) bekentenis van de beweerde begiftigde in het leven, die aanvechtbaar is wanneer het onwaarschijnlijk karakter van de handgifte kan worden aangetoond. De feitenrechter die steeds de titel, waaraan de bezitter beweert zijn bezit te ontlenen, mag onderwerpen aan een verder onderzoek, kan, indien de ingeroepen titel hem zeer onwaarschijnlijk voorkomt, gelet op de feitelijke omstandigheden en de verklaringen van de partijen, beslissen dat het eigendomsvermoeden, gecreëerd door het art. 2279, lid 1 B.W., dermate is weerlegd dat het thans aan de bezitter toekomt om zijn titel nader te bewijzen. Wanneer derhalve aan één van de grondvereisten van de handgifte, nl. animus donandi, traditio en aanvaarding tijdens het leven van de schenker duidelijk niet is voldaan of wanneer daar ernstige twijfel over bestaat, dan vervalt het vermoeden van de rechtsgeldige titel, en de rechtsbescherming van art. 2279, lid 1 B.W. 4.2.
- Het hof stelt te dezen echter vast dat de appellant geenszins aantoont hetzij dat kennelijk niet is voldaan aan de geldigheidsvereisten van de door de geïntimeerde ingeroepen handgifte, hetzij dat er daaraan ernstig moet worden getwijfeld. Vooreerst blijkt uit niets dat de geïntimeerde de door de appellant gerevindiceerde waardepapieren eigenmachtig als eigenaar in zijn bezit zou hebben genomen, zodat dient besloten dat er een regelmatige traditio van de waardepapieren heeft plaatsgevonden; waardepapieren waarvan niet wordt betwist dat de geïntimeerde ze onder zich houdt.. De vaststelling tevens dat de door hem overgelegde stukken duidelijk aantonen dat de geïntimeerde alleszins tijdens de laatste levensjaren van wijlen K.L. - A.S. hen als buurman dermate heeft bijgestaan en geholpen, dat hij zelfs door de professionele dienstverleners als hun contactpersoon werd beschouwd, kan het hof enkel doen besluiten dat het geenszins onaannemelijk is dat wijlen K.L. en A. S. de geïntimeerde door de handgifte van de kwestieuze waardepapieren hebben willen bedanken/belonen voor zijn voortdurende hulp en bijstand aan hen, en dat er aldus toen bij hen wel degelijk sprake was van een animus donandi. De overwegingen dienaangaande van de eerste rechter op folio 1386 van het bestreden vonnis worden dan ook door het hof overgenomen en tot de zijne gemaakt. Hierbij is het antwoord op de vraag of ook de geïntimeerde al dan niet op goede voet stond met wijlen K.L. - A.S., en hen in hun laatste levensjaren geregeld heeft opgezocht/geholpen als dusdanig niet dienstig, aangezien het antwoord op die vraag in voorkomend geval geenszins het bestaan van de door de geïntimeerde ingeroepen handgift vermag uit te sluiten. Het bewijsaanbod door getuigen welke de appellant bij laatste conclusies in deze instantie doet is dan ook niet dienstig. Evenmin bestaat er om eenzelfde reden aanleiding om het overleggen te bevelen van het integrale dossier van wijlen A.S. bij de RVT ‘De Reiger' te Temse teneinde te kunnen nagaan of de appellant toen al dan niet zijn coördinaten heeft bezorgd aan de sociale dienst teneinde hem verder te informeren. Tenslotte laat ook niets toe er aan te twijfelen dat de geïntimeerde de handgift van de waardepapieren tijdens het leven van de schenkers niet zou hebben aanvaard. Uit het feit dat de geïntimeerde nog tijdens het leven van wijlen K.L. en zeer kort na het overlijden van A.S., met betrekking tot de hem geschonken effecten coupons heeft verzilverd en zelfs drie kasbons heeft verkocht, kan bezwaarlijk het tegendeel worden afgeleid. 4.2.
- Ook uit de concrete omstandigheden waarin wijlen K.L. - A.S. in maart/april 2003 verkeerden (nakende ziekenhuisopname en/of verblijf in een R.V.T of rustoord.) kan zeker niet worden afgeleid dat een handgift aan de geïntimeerde als zodanig zeer onwaarschijnlijk zou zijn geweest. Vooreerst is het een loutere bewering van de appellant dat wijlen K.L. ongaarne afstand deed van zijn geld. Anderzijds is het inderdaad niet evident dat gelet op de onzekerheid van de toekomst wijlen K.L. - A.S. hun roerend patrimonium geheel of grotendeels geschonken zouden hebben aan de geïntimeerde. Nochtans moet één en ander ten zeerste worden genuanceerd. De eerste rechter heeft reeds terecht opgemerkt dat het echtpaar K.L. - A.S. kinderloos was, en zij naast een effectenportefeuille ook nog een een onroerend goed bezaten (met een in de successieaangifte opgegeven waarde van 100.000 EUR). Aangezien volgens de geïntimeerde wijlen K.L. en A.S. hem in maart/april 2003 de kwestieuze effecten schonken omdat zij beiden voelden niet lang meer te zullen leven, komt het aannemelijk voor dat het echtpaar, gelet op hun relatief hoge leeftijd (respectievelijk 86 en 83 jaar oud) er wellicht gerust in was dat alle eventueel in de toekomst te betalen medische en verzorgingskosten voor zover nodig door de verkoopsopbrengst van hun eigendom zouden kunnen worden gedekt. De beslissing van het OCMW van de stad Sint-Niklaas om bij de opname van het echtpaar in de loop van september 2003 in de WZC ‘De Plataan te Sint-Niklaas, ter vrijwaring van zijn rechten een hypotheek op hun eigendom te nemen moet dan ook in die zin worden benaderd. 4.
- Zoals hiervoor reeds aangehaald is het de appellant tenslotte ook toegelaten de geldigheid van de plaatsgevonden handgift aan te vechten. 4.3.1 Vooreerst is de appellant onterecht van mening dat voor wat betreft de vormelijke geldigheid van de handgift een geschrift vereist is. De handgift wordt doorgaans door een vaststaande rechtspraak en rechtsleer gedefinieerd en aanvaard als een vormvrije schenking die tot stand komt door de loutere overhandiging animo donandi aan de begiftigde, die aanvaardt, van een lichaamlijk roerend goed of van een onlichamelijk onroerend goed waarvan het recht in de titel is geïncorporeerd (zoals aandelen, kasbons, obligaties...). Hieruit vloeit voort dat voor de geldigheid van de handgift geen echte vormvereisten moeten worden nageleefd, in die zin dat er geen geschift daarvan dient opgemaakt. Het betreft derhalve geen plechtig contract en vormt hierdoor de belangrijkste uitzondering op het beginsel vervat in art. 931 B.W.. Om diezelfde reden is de opwerping van de appellant niet dienstig dat er bij de handgift geen (gekende) getuigen aanwezig waren. Volledigheidshalve merkt het hof op dat tegengesteld aan hetgeen de appellant voorhoudt, de figuur van de handgift in het alledaags leven wel degelijk frequent gebruikt wordt om zelfs schenkingen van grote bedragen uit te voeren. 4.3.
- Tenslotte meent de appellant dat de beweerde handgift in de maanden maart/april 2003 aan de geïntimeerde in elk geval nietig is omdat wijlen A.S. toen niet over de vereiste wilsbekwaamheid in de zin van art. 901 B.W. beschikte om de geïntimeerde te begiftigen. De bewijslast van de beweerde ongezondheid van geest in hoofde van wijlen A.S. berust uitsluitend bij de appellant. Hierbij is hij gehouden het precieze en omstandig bewijs aan te brengen van de ongezondheid van geest van wijlen A.S. op het ogenblik van de handgifte zelf, op een manier die geen enkele twijfel laat bestaan. Een dergelijk bewijs, te leveren door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, wordt echter door de appellant niet naar genoegen van recht aangebracht. De loutere omstandigheid dat A. D. S. kort na de beweerde handgifte in maart/april 2003 voor een beperkte duur in het ziekenhuis werd opgenomen, daarna nog een tweetal maanden thuis verpleegd werd, om tenslotte in een rusthuis te Sint Niklaas te worden opgenomen waar ze op 16 september 2004 overleed, toont op zichzelf alleszins nog niet het gebrek aan gezondheid van geest ten tijde van de ingeroepen handgifte in hoofde van wijlen A.S. aan. De appellant weerlegt trouwens geenszins de bewering van de geïntimeerde dat die opnames een gevolg waren van de lichamelijke toestand en het gebrek aan zelfredzaamheid van wijlen A. D. S., en geenszins verband hielden met haar geestelijke toestand. Dienaangaande legt de geïntimeerde een verslag voor van ‘Netwerk Thuiszorg' dat hij als contactpersoon voor wat betreft wijlen K.L.-A.S. vanwege de netwerkverantwoordelijke L. G. zou hebben ontvangen. De inhoud van dat verslag is alleszins van aard om de versie van de geïntimeerde te ondersteunen. Alhoewel niet gedateerd dient toch besloten dat het verslag - gelet op hetgeen wordt vermeld op p.2 daarvan - werd opgesteld op een tijdstip dat wijlen A.S. reeds voor een tweede maal in het ziekenhuis was opgenomen geworden, nadat zij én reeds voor een eerste eerder korte periode eind maart - begin april 2003 in het ziekenhuis was opgenomen, én daarna een tweetal maanden samen met wijlen haar echtgenoot terug naar huis was gekomen. Er bestaat in de gegeven omstandigheden dan ook geen aanleiding noch om te twijfelen aan de verklaring van de geïntimeerde dat het voornoemd verslag in in de maanden mei/ juni 2003 door L. G. opgesteld geworden is, noch om verder onderzoek te bevelen naar de precieze datum waarop dat verslag werd opgesteld. Belangrijker is evenwel dat op p.2 van dat verslag eveneens specifiek de probleemstelling van wijlen A.S. wordt vermeld: zij was hartpatiënte, met een Pacemaker en een hartvergroting, terwijl in 2002 bij haar een borstamputatie was uitgevoerd. Wijlen A.S. was totaal hulpbehoevend, sterk verzwakt en er was sprake van een terminale fase. In dat verslag wordt nergens gewag gemaakt van het feit dat ook de vrije wilsvorming van wijlen A.S. in enigerlei mate zou zijn verstoord. Het feit dat wijlen A.S. eerder vijandig stond tegenover anderen, een conflictuitlokkend gedrag vertoonde en erg onrustig was, wijst eerder op een negatief bijverschijnsel en gevolg van haar slepende ziekte dan op een gebrek aan gezondheid van geest in de zin van art. 901 B.W. Gelet op de voorgaanden dient besloten dat buiten het maken van gissingen en het opperen van veronderstellingen de appellant volledig faalt in zijn bewijslast dat wijlen A. d. S. (en trouwens ook K.L. in maart/april 2003 een gebrek aan gezondheid van geest in de zin van art. 901 B.W. zouden hebben vertoond. Zelfs de bewering van de appellant dat ‘volgens de eerste gegevens' de voornoemde overledenen in de periode maart/april 2003 de vereiste ‘wilsbekwaamheid' niet zouden hebben gehad, ontbeert elke grond. Er bestaat derhalve noch aanleiding noch noodzaak om de appellant toe te laten over die ‘wilsbekwaamheid' verder te concluderen ( waartoe hij zich het recht heeft voorbehouden in het dispositief van zijn laatste conclusies in deze instantie).
- De eerste rechter heeft de appellant terecht veroordeeld tot de kosten. De kosten van tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis worden beheerst door art. 1024 Ger.W., zodat de geïntimeerde ten onrechte in deze instantie daarvan de veroordeling lasten de appellant vordert. Als verliezende partij in deze instantie dient de appellant eveneens te worden verwezen in de kosten van het hoger beroep. Zonder wederzijdse tegenspraak blijken de beide partijen de aan henzelf toekomende rechtsplegingsvergoeding in deze instantie te hebben geraamd op 5.000 EUR, zijnde de basisvergoeding voor geschillen van 100.000 tot 250.000 EUR. Er bestaat geen afleiding om van die basisvergoeding af te wijken.
- Behoudens indien de wet anders bepaalt (hetgeen te dezen niet het geval is), heeft noch een voorziening in cassatie, noch de termijn voor die voorziening schorsende werking op de uitvoerbaarheid van een in laatste instantie gewezen beslissing. De vraag van de appellant dat het tussen te komen arrest uitvoerbaar zou worden verklaard bij voorraad, met uitsluiting van borgstelling of kantonnement, heeft dan ook geen voorwerp. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, en begroot die aan de zijde van de geïntimeerde op 5.000 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 12 februari 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Kurt Goossens K. Vandenberghe N. De Turck A. Deene Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div