← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090217.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090217.12 Rolnummer: 2008/AR/1820 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-02 19:12 Fiche De veralgemeende schorsing van de loop van de interesten ingevolge artikel 1675/7 Ger. Wetb. Maakt dat voor interesten, vervallen na de beschikking van toelaatbaarheid, de hypothecaire schuldeiser deze niet kan verhalen op de verkoopopbrengst van het gehypothekeerd goed, zolang over deze interesten niets definitief werd bepaald in een minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Algemeen (collectieve schuldenregeling) Vrije woorden: Collectieve schuldenregeling - schorsing intresten - verkoop onroerend goed - hypothecaire schuldeisers Tekst van de beslissing te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 17 februari 2009 ________ 2008/AR/1820 in de zaak van: R...... M. ...T. ........., wonende te ..........................., appellante, hebbende als raadsman mr. DE MEYER Robby, advocaat te 9300 AALST, Zwarte Zustersstraat 13 Bij beslissing dd 30.06.2008 van het Bureau voor Rechtsbijstand bij het Hof van Beroep te Gent werd appellante de gunst van rechtsbijstand verleend om hoger beroep aan te tekenen tegen: CENTRALE KREDIETVERLENING N.V., met maatschappelijke zetel te 8790 WAREGEM, Mannebeekstraat 33, ingeschreven met KBO-nummer 0400040965, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. GHEKIERE Alain, advocaat te 8870 IZEGEM, Brugstraat 21 Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof heeft kennis genomen van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, 2e kamer, van 3 juni 2008, waartegen appellante hoger beroep heeft ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 10 juli

  1. De partijen werden gehoord en de neergelegde stukken en conclusies werd ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden
  2. Bij notariële akte, verleden voor notaris Uytterhaegen te Wetteren op 22 november 2001, stond geïntimeerde aan appellante een hypothecaire kredietopening toe van 99.157,40 EUR (hetzij 4.000.000 oude BEF)(stuk 1 appellante). De kredietopening betrof een overbruggingskrediet op 36 maanden, hetgeen inhoudt dat appellante tijdens de duurtijd enkel een rentevergoeding diende te betalen. Tot waarborg van deze kredietopening werd een hypotheek gevestigd op twee onroerende goederen, eigendom van appellante: - een woonhuis op en met grond gelegen aan de Libbrechtstraat 16 te Wetteren - een handelshuis op en met grond gelegen aan de Libbrechtstraat 18 te Wetteren. Toen appellante in gebreke bleef haar contractuele verplichtingen na te leven werd na een eerste aanmaning op 26 februari 2002 het krediet vervroegd opeisbaar gesteld en een bevel betekend voorafgaand aan onroerend beslag op 2 mei 2002 (stuk 2 appellante). Op 29 mei 2008 werd appellante bij beschikking van de beslagrechter te Dendermonde toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling. Alvorens over te gaan tot het opstellen van een aanzuiverings-regeling werd overgegaan tot de verkoop van voormelde onroerende goederen. Hiertoe werd machtiging verleend bij beschikking van 15 juni 2004 van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Bij de verkoop van de goederen weigerde geïntimeerde hypothecaire handlichting te verlenen, tenzij zij ook integrale betaling ontving van de interesten ten bedrage van 27.213,27 EUR, vervallen ná de beschikking van toelaatbaarheid. De verkoop van de goederen werd naar zeggen van appellante uiteindelijk gerealiseerd bij authentieke akte dd.20 oktober 2004 verleden voor notaris Uytterhaegen te Wetteren. Bij de verdeling van de koopsom bleef een netto-bedrag over van 139.745,00 EUR. Bij de verdeling van dit bedrag werd aan geïntimeerde als hypothecaire schuldeiser bij voorrang een bedrag van 135.890,69 EUR toebedeeld ter delging van haar vordering in kapitaal, interesten en aanhorigheden, zoals blijkt uit de afrekening dd.3 september 2004 van geïntimeerde (stuk 4 appellante). Uit de kopie van de verkoopakte blijkt dat de koopsom "met uitdrukkelijke goedkeuring van meester Ghislaine Van Kerckhove, handelend in haar hoedanigheid van schuldbemid-delaar" ten belope van 135.890,69 EUR werd toebedeeld aan geïntimeerde.
  3. Appellante gaat niet akkoord met het feit dat geïntimeerde de betaling ontving van de interesten ten bedrage van 27.213,27 EUR, die vervallen zijn ná de beschikking van 29 mei 2002 waarbij zij werd toegelaten tot de collectieve schuldenregeling tot 20 oktober 2004, tijdstip van het verlijden van de notariële verkoopakte. Bij exploot van 25 september 2007 gaat zij over tot dagvaarding van geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk teneinde geïntimeerde te horen veroordelen om aan haar het bedrag van 27.213,27 EUR te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op dit bedrag en de kosten van het geding. Bij conclusie van 2 oktober 2007 vordert geïntimeerde bij wijze van tegeneis dat appellante zou worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 2.500,00 EUR wegens tergende en roekeloze procesvoering, meer de gerechtelijke rente. Zowel de hoofd- als de tegeneis werden toelaatbaar, doch ongegrond verklaard bij het bestreden vonnis van 3 juni
  4. De eerste rechter was van oordeel dat de schorsing van de interesten, volgend uit artikel 1675/7 Ger.W. ook van toepassing is op interesten van hypothecaire schuldvorderingen en dus op interesten van de hypothecaire schuldvordering van geïntimeerde, hetgeen echter niet betekent dat geïntimeerde verplicht was om handlichting van haar hypothecaire inschrijving te verlenen nu de intresten niet van rechtswege worden kwijtgescholden maar enkel geschorst waren, welke schorsing geldt voor de duur van de procedure. Aangezien het uiteindelijke lot van de geschorste interesten afhankelijk is van wat daarover zal worden bepaald in de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, mocht geïntimeerde volgens de eerste rechter niet alleen haar hypothecaire inschrijving handhaven maar ook de betaling eisen van deze interesten alvorens handlichting van de hypotheek te verlenen zodat de onroerende goederen voor vrij en onbelast konden worden verkocht. Van onverschuldigde betaling was volgens de eerste rechter geen sprake, maar enkel van een miskenning van artikel 1675/7 Ger.W., die een eigen fout is van appellante nu de betaling van de geschorste intresten aan geïntimeerde geschiedde in haar opdracht. Appellante beschikt volgens de eerste rechter niet over een subjectief recht om zich op de niet-tegenwerpelijkheid van de betaling van de interesten aan geïntimeerde wegens miskenning van artikel 1675/7 Ger.W. te beroepen.
  5. In haar beroepsakte vraagt appellante haar hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw recht doende, haar oorspronkelijke eis ontvankelijk en gegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen om aan haar te betalen de som van 27.213,27 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke interesten op dit bedrag vanaf 12 oktober 2005 en de kosten van het geding, aan haar zijde nader begroot. II. Standpunten van de partijen
  6. Appellante steunt haar vordering tot terugbetaling van de ontvangen interesten op de leer van de onverschuldigde betaling (art.1235 B.W.), en op het artikel 1675/7 Ger.W. en het arrest van het Hof van Cassatie van 15 oktober 2004, dat de draagwijdte van dit artikel verduidelijkte. Meer in het bijzonder werpt appellante op: - dat de beschikking van toelaatbaarheid tot de collectieve schuldenregeling krachtens artikel 1675/7 Ger.W. de opschorting van de loop van de interesten tot gevolg heeft gehad; - dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 15 oktober 2004 heeft geoordeeld dat de schorsing van de interesten tijdens de procedure van collectieve schuldenregeling ook de hypothecaire schuldeiser treft, zodat deze geen aanspraak meer kan maken op rente die is vervallen na de beschikking van toelaatbaarheid; - dat het niet klopt dat de verkoop van de onroerende goederen en de verdeling van de koopsom voorafgaandelijk aan het cassatie-arrest van 15 oktober 2004 zijn gebeurd, aangezien de notariële verkoopakte pas dateert van 20 oktober 2004; - dat de door geïntimeerde aangehaalde rechtspraak en rechtsleer achterhaald zijn; - dat het krediet pas op 2 mei 2002 opeisbaar werd gesteld en de beschikking van toelaatbaarheid dateert van 29 mei 2002, zodat maximaal 27 dagen interesten konden worden toegekend; - dat de procedure van collectieve schuldenregeling nog steeds lopende is en dat nog geen aanzuiveringsregeling werd voorzien.
  7. Geïntimeerde betwist de vordering van appellante op uiteenlopende gronden. Zij stelt dat : - appellante niet doet blijken van het vereiste belang bij haar vordering, omdat de gelden, die voortkomen uit de procedure, toekomen aan haar schuldeisers die geen bezwaar hebben aangetekend tegen de integrale betaling van de vordering van geïntimeerde; - er geen sprake is van een onverschuldigde betaling vanwege appellante omdat de verrichte betaling haar oorzaak vindt in een contractuele verbintenis, meer bepaald de akte van kredietopening van 22 november 2001 en omdat de betaling gebeurd is op basis van een uitdrukkelijke wilsuiting van de schuldbemiddelaar; - appellante zich niet kan beroepen op het cassatie-arrest van 15 oktober 2004, omdat dit arrest op het ogenblik van de verkoop nog niet gepubliceerd was en omdat de voordien geldende rechtsleer en rechtspraak duidelijk stelden dat de hypothecaire schuldeiser -in geval van realisatie van het gehypotheceerde goed in het kader van een collectieve schuldenregeling- aanspraak kan maken op de integrale aanzuivering van zijn schuldvordering, zowel voor de hoofdsom als voor de conventionele interesten, ook al is de loop van die intresten tijdens de procedure geschorst; - dat de intresten opnieuw beginnen lopen wanneer het minnelijk of gerechtelijk aanzuiveringsplan hierin voorziet; - dat het cassatie-arrest van 15 oktober 2004 enkel ‘inter partes geldt' en geen kracht van wet heeft; - dat appellante gedurende twee jaar gratis het onroerend goed verder is blijven bewonen, zodat het evident is dat de rentevergoedingen in rekening gebracht worden; - dat voor een definitieve kwijtschelding van de interesten een beschikking van de rechter vereist is, hetgeen thans nog niet mogelijk is omdat er zelfs nog geen aanzuiveringsregeling of een plan werd neergelegd. In ondergeschikte orde meent geïntimeerde dat er sprake is van een ongeoorloofde discriminatie omdat zij als hypothecaire schuldeiser, die een overbruggingskrediet heeft toegestaan, minder gunstig wordt behandeld dan een hypothecaire schuldeiser die een termijnschuld toestaat, vermits de intresten van de maandsom in het kader van een termijnkrediet wel worden betaald en als boedelschulden worden aanzien, terwijl intresten in het kader van een overbruggingskrediet niet zouden kunnen worden vergoed. Geïntimeerde dringt aan om hierover een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. Mocht het Hof van oordeel zijn dat bepaalde interesten moeten worden terugbetaald, dan nog meent geïntimeerde dat de vordering ongegrond is, omdat er bij de toelating tot de collectieve schuldenregeling reeds 5 mensualiteiten vervallen waren, waarvan nog geen enkele betaald was, zodat er door de integrale opeisbaarheid in principe de 34 maandsommen integraal verschuldigd waren en er nog 29 maandsommen of 23.843,50 EUR aan intresten als boedelschuld moet worden aanzien en er door geïntimeerde hoogstens 3.369,79 EUR kan verschuldigd zijn. Ten slotte vraagt geïntimeerde opnieuw te worden opgenomen als schuldeiser indien zij wordt veroordeeld tot terugbetaling van de interesten, vermits er nog geen beschikking is tot kwijtschel-ding van de interesten. III. Beoordeling
  8. De betwisting tussen partijen betreft de vraag of appellante de terugbetaling kan vorderen lastens geïntimeerde, die haar hypothecaire schuldeiser is, van de interesten ten belope van een bedrag van 27.213,27 EUR die vervallen zijn na de beschikking van de beslagrechter van 29 mei 2002, waarbij appellante werd toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling, tot 20 oktober 2004, datum waarop de notariële verkoopakte werd verleden van de gehypotheceerde goederen van appellante en waarbij met de netto-verkoopsop-brengst de schuldvordering van geïntimeerde in kapitaal, intresten en kosten door de schuldbemiddelaar werd voldaan. Krachtens artikel 1675/7, §1, 1e lid van het Gerechtelijk Wetboek doet de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de interesten en de onbeschikbaar-heid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg. Het uiteindelijke lot van de loop van de interesten moet in de aanzuiveringsregeling worden bepaald. Indien de aanzuiveringsregeling geen uitspraak doet over de loop van de interesten, dan houdt hun schorsing aan gedurende de gehele procedure. Zolang de loop van de interesten geschorst is, kunnen de schuldeisers dus geen aanspraak maken op de betaling van de interesten, vervallen na de beschikking van toelaatbaarheid.
  9. In de rechtsleer en rechtspraak heerste enige tijd discussie over de vraag of deze regel ook van toepassing is op hypothecaire schuldeisers, zoals geïntimeerde, wanneer in het kader van de procedure van collectieve schuldenregeling wordt overgegaan tot de verkoop van het gehypothekeerde goed, alvorens een minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling is bereikt. Aan deze onzekerheid kwam een einde met de door appellante vermelde cassatie-arresten van 23 april 2004 en van 15 oktober 2004, d.i. kort voor en na de totstandkoming van de notariële verkoopovereenkomst in huidig geschil. In het arrest van 23 april 2004 besliste het Hof van Casssatie dat inzake collectieve schuldenregeling de interesten, zelfs deze door een hypotheek gewaarborgd, alleen al van rechtswege geschorst zijn ten gevolge van het vonnis van toelaatbaarheid. Behalve in de beperkende gevallen, opgesomd in artikel 1675/7, §4 Ger.W., mogen zij pas opnieuw worden toegepast wanneer de aanzuiveringsregeling dit voorziet. Aangezien de interesten, die na het vonnis van toelaatbaarheid zijn vervallen, geschorst zijn, is de beslissing, waarbij het de hypothecaire schuldeiser niet is toegestaan de betaling ervan te eisen op de sommen die voortkomen uit de verkoop van het gehypothekeerde gebouw volgens het Hof van Cassatie wettelijk verantwoord (Cass.23 april 2004, Arr.Cass. 2004, 722). In dit arrest van 15 oktober 2004 oordeelde het Hof van Cassatie dat de schorsing van de rente tijdens de procedure van collectieve schuldenregeling, die voortvloeit uit art.1675/7 Ger.W., óók de hypothecaire schuldeiser treft, zodat deze bij de tegeldemaking van het onroerend goed van de schuldenaar, waarop een hypotheek rust, geen aanspraak kan maken op de rente die is vervallen na de beschikking van toelaatbaarheid, ook al heeft de verkoop van het onroerend goed niet plaats in het raam van de aanzuiveringsregeling (zie : Cass.15 oktober 2004, R.W. 2004-2005, 704; T.Not. 2004, 681,noot S.Mosselmans). Volgens het Hof van Cassatie werd artikel 1675/7, §1 Ger.W. geschonden door te oordelen dat bij een verkoop van een gehypotheceerd onroerend goed tijdens de procedure van collectieve schuldenregeling, de schuldeisers die een zekerheid hebben hun rechten hernemen en de verdeling van de fondsen geschiedt in acht genomen de wettige redenen van voorrang, zodat de hypothecaire schuldeiser aanspraak kan maken op de betaling van de rente die is vervallen na de beschikking van toelaatbaarverklaring. Hoewel deze beiden arresten geen kracht van wet hebben en geen bindende precedentenwerking hebben ten aanzien van huidig geschil, kan op grond van artikel 1675/7, §1, 1e lid Ger.W. worden aangenomen dat de schorsing van de loop van de interesten ook geïntimeerde treft zodat zij bij de tegeldemaking van de goederen tijdens de procedure van collectieve schuldenregeling nog geen aanspraak kon maken op de betaling van de interest die is vervallen na de beschikking van toelaatbaarheid. Artikel 1675/7 Ger.W. maakt geen onderscheid naargelang het gaat om een gewone of hypothecaire schuldvordering, zodat de schorsing van de interesten ook de hypothecaire schuldeiser treft. De veralgemeende schorsing van de loop van de interesten maakt dat voor interesten, vervallen na de beschikking van toelaatbaarheid, de hypothecaire schuldeiser deze niet kan verhalen op de verkoopsopbrengst van het gehypotheceerd goed, zolang over deze interesten niets definitief werd bepaald in een minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling. De tegeldemaking van het vermogen maakt echter geen einde aan de schorsing van de loop van de interesten van de hypothecaire schuldeiser, bepaald in artikel 1675/7, §1, 1e lid Ger.W. die onverkort gehandhaafd blijft tot hierover in de aanzuiveringsregeling wordt beslist of tot het einde, de verwerping of de herroeping van de regeling. Bij de tegeldemaking van het vermogen kan geen prioritaire betaling van deze interesten worden gevraagd. De schorsing van de interesten loopt overeenkomstig artikel 1675/7, §4 Ger.W. verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling. Dit betekent dat de aanzuiveringsregeling de schorsing van de loop van de interesten ongedaan kan maken. Het uiteindelijke lot van de interesten hangt bijgevolg af van wat daarover in de aanzuiveringsregeling wordt bepaald. De rechter kan de conventionele rentevoet verminderen tot de wettelijke rentevoet of een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding toestaan voor de interesten.
  10. In het geschil, dat thans aan het Hof is voorgelegd, werd appellante op 29 mei 2002 toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling, hetgeen voor gevolg had dat vanaf die datum de loop van de interesten werd geschorst, ook ten aanzien van geïntimeerde als hypothecaire schuldeiser en dit - krachtens artikel 1675/7, §4 Ger.W. - tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling. Het Hof stelt vast dat er nog steeds geen minnelijke noch gerechtelijke aanzuiveringsregeling tot stand is gekomen, maar dat - voorafgaand aan enige aanzuiveringsregeling- machtiging werd gevraagd om over te gaan tot de verkoop van de onroerende goederen van appellante. Bij beschikking van 15 juni 2004 van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, die niet wordt overgelegd, werd machtiging verleend om voormelde onroerende goederen onderhands te verkopen. Het Hof kan niet nagaan of in deze machtiging opdracht werd gegeven aan de notaris om over te gaan tot rangregeling. De verkoop in der minne kwam uiteindelijk tot stand op 20 oktober 2004 in het kader van de collectieve schuldenregeling van appellante en ging een minnelijke/gerechtelijke aanzui-veringsregeling vooraf. Uit de kopie van de voorgelegde notariële akte dd. 20 oktober 2004 blijkt dat appellante hierin is opgetreden als verkoopster. Appellante was aanwezig bij de verkoop en heeft de verkoopakte ondertekend. Zowel appellante als de schuldbemiddelaar hebben blijkens kopie van de akte kwijting verleend voor ontvangst van de koopsom en de koopsom werd betaald De verkoopsopbrengst werd "op minnelijke wijze, met uitdrukkelijke goedkeuring van Meester Ghislaine VAN KERCKHOVE, handelende in haar hoedanigheid van schuld-bemiddelaar", verdeeld zoals aangegeven in de akte. Bepaald werd dat door de schuldbemiddelaar de som van 135.890,69 EUR zal worden overgemaakt aan geïntimeerde voor slot van elke rekening en dat het saldo door de schuldbemid-delaar zal aangewend worden ter gedeeltelijke aanzuivering van de chirografaire schulden. Het Hof stelt vast dat appellante slechts een kopie voorlegt van een niet-ondertekende notariële verkoopakte van 20 oktober 2004 en geen exemplaar dat door alle betrokken partijen werd ondertekend. Aangezien zowel de beschikking van 15 juni 2004, waarbij appellante werd gemachtigd tot verkoop uit de hand van de onroerende goederen, als de inhoud van de notariële akte van 20 oktober 2004, zoals deze werd ondertekend door appellante, van determinerend belang zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van appellante, acht het Hof het aangewezen, alvorens verder recht te doen over de grond van de zaak, de heropening te bevelen van het debat teneinde -appellante toe te laten het origineel van de verkoopakte dd.20 oktober 2004 over te leggen. Op die gronden, Het Hof Verklaart het hoger beroep toelaatbaar; Alvorens verder te oordelen over de gegrondheid van het hoger beroep, beveelt ambtshalve de heropening van het debat teneinde appellante toe te laten de beschikking van 15 juni 2004 houdende machtiging tot verkoop van de onroerende goederen en het origineel van de ondertekende notariële verkoopakte over te leggen. Zegt voor recht dat appellante indien zij dit wenst bij conclusie haar standpunt kan laten te kennen tegen uiterlijk 31.03.2009, waarop geïntimeerde een antwoordconclusie kan neerleggen tegen uiterlijk 30.04.
  11. Stelt de zaak voor verdere behandeling uit naar de zitting van 23.06.2009 - 13u50 (20'). Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 17 februari 2009 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.