id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090217.14 Rolnummer: 2006/AR/2608 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 19:12 Fiche Een verklaring voor de notaris, afgelegd op een verdacht tijdstip, waarin een revindicant en haar samenwonende partner een gedetailleerde opsomming geeft van de meubelen en voorwerpen waarvan wordt verklaard dat zij exclusieve eigendom zijn van de revindicant, levert als zodanig geen afdoende bewijs van eigendom. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op roerend goed - Revindicatie Vrije woorden: Beslag - revindicatie - bewijs van eigendom Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 17 februari 2009 ________ 2006/AR/2608 in de zaak van: K............. M................., wonende te ..........................................., appellante, hebbende als raadsman mr. DEBUCQUOY Pieter, advocaat te 8000 BRUGGE, Langerei 31 tegen: 1. V................... N. wonende te ........................................, geïntimeerde, gedinghervattende partij 2.V................... M., geïntimeerde, overleden voor wie het geding werd hervat door V............ N......... en V............... M............. 3. V................ M................. wonende te ....................................., geïntimeerde, gedinghervattende partij allen hebbende als raadsman mr. DEBUSSCHERE Eddy, advocaat te 8500 KORTRIJK, Pres. Rooseveltplein 1 vrijwillig tussenkomende partij : F............... J..........., wonende te ................................................... TER TERECHTZITTING DD 27.01.2009 NIET VERSCHENEN, NOCH IEMAND VOOR HEM Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof nam kennis van de op 26 juni 2006 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk verleende beschikking, waartegen appellante, met haar op 16 oktober 2006 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De zaak werd in haar geheel hernomen met de huidige samenstelling van de zetel, waarmee partijen zich akkoord verklaarden. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. De aanwezige raadslieden vragen dat bij toepassing van artikel 747,§2, 5° lid van het Gerechtelijk Wetboek, arrest op tegen-spraak wordt gewezen. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1.Op 28 april 2005 wordt op verzoek van eerste, tweede en derde geïntimeerde uitvoerend beslag gelegd op de roerende goederen, die zich bevonden in de woonplaats van appellante, M.......... K............. en haar toenmalige partner J..... F..........., met wie zij toen nog samenwoonde op het adres te ....................................... (stuk 1 appellante). Het beslag werd gelegd op de volgende goederen: - ovalen tafel met een marmeren blad - 5 beide lederen stoelen - een eiken meubel - eiken eetplaats met tafel en zes stoelen - dressoir - rustieke salongarnituur in eik 3-zit en 2-zit met donkere lederen kussens - salontafel - K1 TV-toestel - Video recorder - Hifi-installatie - Antieke commode Het beslag werd gelegd krachtens een vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk, waarbij de heer J....... F.......... op strafgebied werd veroordeeld wegens stalking van geïntimeerden tot een gevangenisstraf van één jaar met uitstel voor de duur van vijf jaar, met uitzondering van 6 maanden effectief, en op burgerlijk gebied tot betaling van een materiële en morele schadevergoeding aan elk van de drie geïntimeerden, die zich burgerlijke partij hadden gesteld (stuk 2 geïntimeerden). Op 23 mei 2005 tekenen appellante en de heer J. F. verzet aan tegen dit uitvoerend beslag met een vordering in revindicatie op verzoek van appellante. In de verzetsakte wordt gesteld dat alle in beslag genomen goederen eigendom zijn van appellante en haar in exclusiviteit toebehoren. Tot staving van haar eigendomsaanspraken steunt appellante zich op volgende titels: - een notariële akte verleden voor notaris Jozef DEVOS met standplaats te St.Denijs op 5 oktober 2004 en geregistreerd op 7 oktober 2004, waarin appellante en de heer F. verklaarden dat een aantal daarin omschreven meubelen en voorwerp in exclusieve eigendom toebehoren aan appel-lante; - een factuur dd.5 november 2002 van N.V. ASTRID MEUBELEN m.b.t. de aankoop van een salon "Arizona" 3 + 2 Azur blauw; - een factuur dd.18 oktober 1989 van de N.V.GAVERSHOPPING m.b.t. de aankoop van een salontafel verkoperd n°8042/53/92. 2. Bij de bestreden beschikking van 26 juni 2006 werd de vordering van J. F. onontvankelijk verklaard bij gebrek aan rechtmatig belang en de revindicatievordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. De tegeneis van geïntimeerden tot betaling van een schadevergoeding werd ontvankelijk en gegrond verklaard en appellante en de heer F. werden veroordeeld tot betaling van 1.000,00 EUR, meer gerechtelijke rente vanaf 22 juni 2005. II. Voorwerp hoger beroep 3. Appellante vraagt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw wijzende, de revindicatievordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en geïntimeerden te veroordelen tot betaling van alle kosten van beide aanleggen en tot opheffing van het beslag dd.28 april 2005 en het arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad. Bij conclusie neergelegd op 23 juni 2008 vraagt appellante akte te nemen van de uitbreiding van de vordering ten aanzien van alle in het geding zijnde partijen, meer bepaald ten aanzien van de geïntimeerden in leven en de vrijwillig tussenkomende partij. Geïntimeerden vragen het vonnis van de eerste rechter integraal te willen bevestigen en appellanten te veroordelen tot de kosten van het geding. III. Beoordeling
- a)Wat betreft de toelaatbaarheid van het hoger beroep 4. Appellante heeft haar verzoekschrift tot hoger beroep gericht tegen geïntimeerden, daar waar het hoger beroep in een onsplitsbaar geschil, zoals het onderhavige, krachtens artikel 1053 Ger.W. moet worden gericht tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep. Het belang van de beslagen debiteur, in casu J. F., is vanzelfsprekend in strijd met het belang van appellante, die haar eigendom revindiceert waarop de geïntimeerden als persoonlijke schuldeisers van F. beslag lieten leggen. Het Hof stelt vast dat J. F. op 2 november 2007 een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst heeft neergelegd en dat appellante vervolgens in haar conclusie van 23 juni 2008 haar hoger beroep ook richt tegen J. F. Aangezien de termijn van hoger beroep nog niet verstreken was, kon appellante haar hoger beroep nog richten tegen J. F. bij conclusie nadat hij door vrijwillige tussenkomst partij was geworden in hoger beroep. Het hoger beroep is toelaatbaar.
- b)Wat betreft de gegrondheid van het verzet 5. Het beslag op roerende goederen werd gelegd in de woonplaats van appellante en haar toenmalige partner J. F., zodat de geïntimeerden er overeenkomstig artikel 2279 B.W. er op rechtmatige wijze mochten van uitgaan dat de goederen, die zich bevonden in de woonplaats van hun schuldenaar, deze ook in eigendom toebehoren. In geval de concubinerenden hun goederen hebben vermengd, dienen de schuldeisers van een van beiden deze niet te onderscheiden. De schuldeisers kunnen zonder meer alle goederen uitwinnen, tenzij de partner die geen schuldenaar is zijn exclusieve eigendom bewijst. Het bewijs mag geleverd worden met alle middelen rechtens. Met betrekking tot eigendomsbewijzen die dateren van tijdens het samenleven, zal bovendien overtuigend moeten worden gemaakt dat de revindicant de goederen met eigen penningen heeft betaald. Het komt de appellante toe, aan de hand van deugdelijke, bewijskrachtige en niet voor betwisting vatbare stukken haar eigendomsrecht te bewijzen (zie : MATAGNE, M.-C, La saisie mobilière, R.P.D.B., complément, tome huitième, 1995, p. 674, nr. 234 ). De bewijslast van het eigen karakter van de in beslag genomen goederen rust op appellante. Het vereiste eigendomsbewijs kan geleverd worden door een boedelbeschrijving, door titels met vaste dagtekening (authentieke akten en geregistreerde onderhandse akten) en door aankooptitels (zoals facturen uitgaande van een gevestigde handelaar) met bijbehorende betalingsbewijzen. De bewijswaarde van deze stukken, of het nu gaat om authentieke of onderhandse stukken, kan door het Hof op soevereine wijze worden beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, zoals het tijdstip waarop ze werden opgesteld en de financiële mogelijkheden van de revindicant. Het Hof dient de door appellante voorgelegde eigendoms-bewijzen met de nodige omzichtigheid te benaderen, wanneer er reëel gevaar bestaat voor collusie tussen de revindicant en de beslagene, hetgeen in casu het geval is nu de appellante en de beslagen schuldenaar samenwoonden op het tijdstip van het beslag en appellante beweert dat alle in haar woonplaats in beslag genomen roerende goederen haar exclusieve eigendom zijn. b.1. Wat betreft de notariële akte van 5 oktober 2004 6. Appellante beroept zich vooreerst op een notariële akte, verleden op 5 oktober 2004, waarin de heer J. F. en appellante verklaren dat zij samenwonen en dat zij de vermogensrechtelijke aspecten hiervan wensen te regelen (stuk 4 appellante). De akte bevat vervolgens een gedetailleerde opsomming van de meubelen en materiële roerende voorwerpen waarvan zij verklaren dat zij exclusief eigendom zijn van appellante. De eenzijdige verklaring door appellante en haar toenmalige partner voor de notaris afgelegd levert als zodanig geen afdoende bewijs van uitsluitende eigendom van de opgesomde goederen. Een lijst van goederen, beschreven als eigen in een notariële akte, bevat niet meer dan een opsomming die alleen op eenzijdige verklaring van de partners werd opgegeven en waarvan door de notaris slechts akte werd genomen, zodat de echtheid en de oprechtheid van de verklaring niet werd nagegaan of bevestigd. De verklaring neergelegd in de akte beantwoordt aan een vaststellingsovereenkomst, d.i. een overeenkomst waarbij de partijen de tussen hen bestaande vermogensrechtelijke verhouding, waarover onzekerheid bestaat, vastleggen. Een dergelijke overeenkomst is geen translatieve overeenkomst in de zin van de artikelen 711 en 1138 B.W. Een vaststellings-overeenkomst heeft wel interne werking tussen de partijen, maar kan niet gelden als een wijze van eigendomsverkrijging, die het Burgerlijk Wetboek kent (zie E.Dirix, noot onder Antwerpen, 28 april 1993, R.W. 1993-94, 1365). Het gaat om een louter eenzijdige verklaring, die volstrekt oncontroleerbaar is. Dergelijke vermeldingen in een notariële akte hebben slechts de bewijswaarde die het Hof daaraan, gelet op de concrete omstandigheden, meent te moeten toekennen. Zij hebben niet onvermijdelijk een omkering van de bewijslast tot gevolg ten nadele van de schuldeiser, zijnde geïntimeerden. Het kan niet dat partijen zichzelf een bewijstitel verschaffen. Het Hof kan de waarde van de notariële akte van 5 oktober 2004 vrijelijk appreciëren. Om te achterhalen of de notariële akte als bewijselement in aanmerking kan worden genomen, moet aan de hand van de concrete gegevens van de zaak worden nagegaan of de vermeldingen in de akte met de werkelijkheid overeenstemmen. Het Hof stelt vast dat de verklaring voor de notaris werd afgelegd in een als ‘verdacht' te beschouwen periode. De verklaring werd afgelegd nadat J. F. bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 6 mei 2004 was veroordeeld tot een storingsverbod ten aanzien van geïntimeerden onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 EUR per inbreuk vastgesteld door de openbare macht of een gerechtsdeurwaarder (stuk 1 geïntimeerden). De verklaring werd afgelegd één maand nadat de heer J. F. gedagvaard was om te verschijnen voor de correctionele rechtbank te Kortrijk wegens stalking. Hij werd door deze rechtbank bij vonnis van 15 december 2004 strafrechterlijk veroordeeld en op burgerlijk gebied tot betaling van een schadevergoeding aan geïntimeerden (stuk 2 geïntimeerden). Het is des te meer verdacht dat appellante en haar partner pas een "samenlevingsovereenkomst" voor de notaris wensten af te sluiten na meer dan 10 jaar samen te wonen, nadat J. F. werd veroordeeld tot een storingsverbod en werd gedagvaard voor de correctionele rechtbank, waarin wordt verklaard dat het geheel van de inboedel en de wagen exclusieve eigendom zou zijn van appellante. De bewering van appellante dat zij door de notariële akte zekerheid wenste te verkrijgen m.b.t. de goederen die zij met de gelden, die zij had opgespaard en verdiende, had aangekocht, wordt niet gestaafd aan de hand van betalingsbewijzen. Uit de voorgelegde bankuittreksels kan geen aanvullend bewijs van eigendom worden afgeleid, nu appellante niet aantoont welke aankopen zij met de beweerde afhalingen zou hebben gefinancierd. De eerste rechter nam terecht aan dat de verklaring niets anders is dan een ‘complaisance'verklaring met de enige bedoeling om de goederen, die zich in de woonst van de beslagene bevinden, te onttrekken aan het verhaalsrecht van de schuldeisers. Voor zover gesteund op de notariële akte, kan de revindicatie-vordering niet worden ingewilligd. b.2. Wat betreft de facturen 7. Appellante steunt ook op een aantal facturen tot staving van haar eigendom, verleden in 1989 en 2002. In de verzetsakte verwijst zij naar : - een factuur dd.5 november 2002 van N.V. ASTRID MEUBELEN m.b.t. de aankoop van een salon "Arizona" 3 + 2 Azur blauw; - een factuur dd.18 oktober 1989 van de N.V.GAVERSHOPPING m.b.t. de aankoop van een salontafel verkoperd n°8042/53/92. Appellante legt geen stavingsstukken voor m.b.t. andere in beslag genomen goederen. De gegrondheid van de revindicatievordering dient enkel te worden beoordeeld voor de goederen, vermeld in deze stukken, waarnaar appellante verwijst, eventueel aangevuld met bijkomende bewijzen. Het eigendomsbewijs van in beslag genomen goederen kan geleverd worden door aankooptitels (facturen, bestelbons), met bijhorende betalingsbewijzen. De stukken moeten niet noodzakelijk een vaste datum hebben. De beoordeling van de aangevoerde bewijzen wordt overgelaten aan de soevereine beoordeling van de rechter die over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt. Rekening houdend met het reële gevaar voor collusie, moeten ook deze bewijzen met de nodige omzichtigheid worden beoordeeld. - De factuur N.V. GAVERZICHT van 18 oktober 1989 In tegenstelling tot de eerste rechter, is het Hof van oordeel dat rekening kan worden gehouden met de factuur dd.18 oktober 1989 van de N.V.GAVERSHOPPING m.b.t. de aankoop van een salontafel verkoperd n°8042/53/92. Deze factuur werd immers opgesteld op een onverdacht tijdstip, lange tijd voor appellante en de heer F. samenwoonden. Blijkens de voorgelegde stukken was appellante tot 30 mei 1997 ingeschreven op het adres te .......................... en na die datum op het adres te .......................................... De Heer J. F. is sinds 17 juli 2000 ingeschreven op het adres van appellante (stuk 7 appellante). Aangezien appellante beschikte over een eigen inkomen, kan worden aangenomen dat de salon ‘leder look' (driezit en tweezit) en de verkoperde salontafel, vermeld in de factuur dd.18 oktober 1989 van N.V. GAVERSHOPPING haar eigendom zijn. - de factuur Astrid Meubelen van 5 november 2002 Ook de factuur van de N.V.ASTRID MEUBELEN van 5 november 2002 kan bij nader onderzoek gelden als bewijs van eigendom van het salon "Arizona" (3 + 2) dat daarin is vermeld. Hoewel de factuur werd opgesteld tijdens het samenwonen van appellante met de heer F., werd zij verleden op een onverdacht tijdstip, geruime tijd voor de heer F. veroordeeld was ten aanzien van geïntimeerden. Het saldo van de koopprijs t.b.v. 1.451,52 EUR werd voldaan op 30 november 2002. Appellante toont aan de hand van de uittreksels van haar persoonlijke rekening aan dat zij twee dagen voordien, op 28 november 2002, een bedrag van 1.450,00 EUR heeft afgehaald. Aangenomen kan worden dat deze geldopname werd aangewend voor de contante betaling van de prijs. De vordering in revindicatie kan bijgevolg ten dele worden ingewilligd voor wat betreft de goederen, vermeld in voormelde facturen van 18 oktober 1989 en 5 november 2002.
- c)Wat betreft de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding Aangezien uit het voorgaande is gebleken dat de revindicatie-vordering ten dele gegrond is, kan de vordering van geïntimeerden in betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding, ex aequo et bono begroot op 1.000 EUR, niet worden ingewilligd.
- d)Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding Partijen verklaarden zich akkoord omtrent de vraag of de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat ten deze van toepassing is en met de toepassing van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Gelet op het niet in geld waardeerbaar karakter van deze vordering, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegings-vergoeding 1.200,00 EUR. OM DEZE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak bij toepassing van artikel 747, §2, 5° lid van het Gerechtelijk Wetboek; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en ten dele gegrond in de mate zoals hierna bepaald; Verleent akte aan de Heer J. F. van zijn vrijwillige tussenkomst in hoger beroep; Doet de bestreden beschikking teniet en opnieuw recht doende; Zegt voor recht dat de revindicatievordering van appellante gegrond is voor zover zij betrekking heeft op de goederen, vermeld in de factuur dd. 18 oktober 1989 van de N.V. GAVERSHOPPING en in de factuur dd. 5 november 2002 van de N.V. ASTRID MEUBELEN. Wijst de revindicatievordering voor het overige af als ongegrond; Wijst de tegeneis van geïntimeerden in schadevergoeding wegens tergend geding af als ongegrond; Veroordeelt appellante en geïntimeerden elk tot de helft van de kosten van de procedure in beide aanleggen, begroot als volgt: aan de zijde van appellante - revindicatievordering: 264,49 EUR - rpv eerste aanleg: 237,98 EUR - rolrecht hoger beroep: 187,50 EUR - uitgavenvergoeding: 59,49 EUR - rpv hoger beroep: 1.200,00 EUR aan de zijde van geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding: 1.200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 17 februari 2009. Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div