id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 18 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090218.20 Rolnummer: 2007/AR/1761 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-11-09 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 19:13 Fiche Het begrip 'kennelijk onevenwicht' uit artikel 31 § 3 WHPC is onderworpen aan een marginaal toetsingsrecht door de rechter erin bestaande een vergelijking te maken tussen de contractuele regeling enerzijds en het suppletieve contractenrecht anderzijds om vervolgens af te wegen of de consument door de werking van de van het gemeen recht afwijkende bedingen, er al niet onredelijk slecht van af komt. De gelijkwaardigheid van de prestaties hier hierbij geen criterium. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Makelaar Vrije woorden: Makelaar - Beding inzake commissieloon - Artikel 31 § 3 WHPC - Kennelijk onevenwicht - Marginale toetsing. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 18 februari 2009 EINDARREST W.H.P.C. - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1761 van:
- B. P., ,
- H. H., , beiden wonende te , appellanten tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de derde kamer dd. 26-6-2007, oorspronkelijk verweerders, hebbende als raadsman mr. DE MEULEMEESTER Luk, advocaat te 8760 Meulebeke, Tieltstraat 135 tegen : nv SOFIMO, met zetel te 8800 Roeselare, Noordstraat 4, met ondernemingsnr.: 0402.754.391, geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. DE ROUCK Stefaan, advocaat te 8900 Ieper, Nijverheidsstraat 2 velt het hof het volgend arrest. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 juli 2007 tekenden P. B. en H. H. (hierna "B. en H." genoemd) hoger beroep aan tegen het vonnis op tegenspraak gewezen op 26 juni 2007 door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, derde kamer, tussen hen en N.V. Sofimo (hierna "Sofimo" genoemd) in de zaak met A.R. nr. 05/1803/A. Aangezien de partijen geen gewag maken van de betekening van het bestreden vonnis en er evenmin een betekeningsexploot voorligt, is het hoger beroep tijdig ingesteld. Het is eveneens regelmatig naar de vorm. De partijen werden ter openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies. De overgelegde stukken werden ingezien. Antecedenten Onderhavig geschil heeft betrekking op de invordering door Sofimo van een contractueel overeengekomen makelaarsloon. Tussen de partijen werd op 18/9/2001 een overeenkomst gesloten, "Overeenkomst en Opdracht (verkoop)" genoemd, waarbij B. P. en H. H. Sofimo gelastten "met het zoeken van een koper" voor de eigendom gelegen in de te , zijnde een "Restaurant - Tea room" aan een verkoopprijs van 19.500.000 bef of 483.392,37 euro. Deze overeenkomst werd gesloten voor een periode van vier maanden, met telkenmale een stilzwijgende hernieuwing voor drie maanden, indien niet bij aangetekende brief één maand vooraf wordt opgezegd. Er werd een commissieloon bedongen van 3% van de verkoopprijs meer btw. De opdrachtgevers B. en H. verkeerden op dat ogenblik in financiële moeilijkheden ingevolge een lening die P. B. destijds met het oog op de uitbating van het restaurant met KBC had afgesloten voor een bedrag van 11.000.000 oude bef, en waarvan KBC de invordering nastreefde. In het kader hiervan was door N.V. KBC Bank - krachtens de authentieke akte van kredietopening met inpandgeving van de handelszaak voor notaris Albert Cloet met standplaats te Oostrozebeke verleden op 21/1/1998 - reeds op 28/2/2001 lastens B. beslag op de handelszaak gelegd. Na de betekening van een bevel voorafgaand aan onroerend beslag op 9/9/2002 werd bij exploot dd. 30/12/2002 op verzoek van KBC lastens B. eveneens uitvoerend beslag gelegd op voormeld onroerend goed tot beloop van 230.200,67 euro méér intresten, kosten en wederbeleggings-vergoeding, hetzij een bedrag van 246.090,72 euro. Er liggen geen stukken voor met betrekking tot het verder verloop van de beslagprocedure en de aanstelling van de notaris. Feit is dat P. B., kennelijk mét instemming van KBC, het onroerend goed uit de hand heeft verkocht aan het echtpaar D. S. - K. D., voor de prijs van 275.000 euro. Deze verkoop blijkt uit de notariële akte verleden op 11/7/2003 voor notaris Albert Cloet te Oostrozebeke. Van zodra Sofimo kennis kreef van de verkoop van het onroerend goed, heeft zij het volgens haar verschuldigde commissieloon gefactureerd bij factuur dd. 5/11/2004 tot beloop van 9.982,50 euro (btw 21% inclusief). Deze factuur werd bij schrijven dd. 2/12/2004 aan P. B. overgemaakt. De factuur is ook enkel op zijn naam opgemaakt. Uit een brief dd. 25/2/2005 van Sofimo aan B. blijkt dat deze laatste "enige tijd terug" telefonisch contact had opgenomen met de bewering dat hij de opdracht tot verkoop had opgezegd. Sofimo bleek niets te hebben ontvangen, reden waarom zij om een kopie van de opzeg vroeg. Hierop volgde geen reactie waarop Sofimo bij aangetekend schrijven dd. 29/4/2005 B. P. in gebreke stelde tot betaling van het verschuldigde commissieloon ad. 9.982,50 euro. Op 20/7/2005 volgde een tweede aangetekende ingebrekestelling uitgaande van de raadsman van Sofimo. Aangezien geen betaling volgde en kennelijk evenmin een minnelijke regeling kon worden bewerkstelligd, ging Sofimo bij exploot dd. 22/9/2005 over tot dagvaarding van P. B. en H. H. met het oog op de hoofdelijke, minstens in solidum, veroordeling tot betaling van de som van 10.980,75 euro te vermeerderen met de doorlopende conventionele intresten aan 12% per jaar op 9.982,50 euro, de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet op 998,25 euro vanaf 20/7/2005 tot de dag van volledige vereffening en de gedingkosten. Dit bedrag is samengesteld als volgt : - hoofdsom = commissieloon (incl. 21% btw) 9.982,50 euro - schadebeding volgens overeenkomst 998,25 euro Totaal 10.980,75 euro B. en H. wierpen op dat de overeenkomst ten aanzien van H. zonder voorwerp was, aangezien deze geen eigenaar was. Zij verweten Sofimo, kennis hebbende van hun financiële toestand, een veel te hoge schatting van de waarde van het onroerend goed te hebben gemaakt waardoor het pand na twee jaar nog niet verkocht was en vorderden dienvolgens bij wege van tegenvordering de nietigverklaring van de overeenkomst op grond van bedrog, minstens op grond van dwaling. Zij besloten voorts tot de ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering, stellende dat Sofimo geen enkele actieve daad heeft gesteld om het onroerend goed te verkopen en de zaken op hun beloop liet wetende dat het goed op initiatief van KBC toch zou worden verkocht. Het contract beschouwden zij als ongeoorloofd vermits het toelaat aan Sofimo een commissieloon te vorderen zonder de minste inspanning daartoe te leveren. De eerste rechter verklaarde de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en in bepaalde mate gegrond. De tegenvordering werd als ongegrond afgewezen. B. en H. werden in solidum veroordeeld om te betalen aan Sofimo de som van 8.250,00 euro, te vermeerderen met de verwijlrente aan de wettelijke rentevoet vanaf 20/7/2005 tot de dag van de uiteindelijke betaling. Zij werden eveneens in solidum veroordeeld tot de gedingkosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard niettegenstaande elk verhaal, zonder borg en met uitsluiting van het kantonnement. Met hun hoger beroep beogen B. en H. de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering. Ondergeschikt vorderen zij enkel de werkelijke prestaties van Sofimo te vergoeden, zoniet een bedrag ex aequo et bono toe te staan ten bedrage van 1.000 euro, dit alles meer de veroordeling van Sofimo tot de gedingkosten van beide aanleggen. Sofimo van haar kant besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep met verwijzing van B. en H. tot de gedingkosten. Beoordeling
- Beide partijen hebben hun middelen en argumenten, zoals reeds in hun besluiten voor de eerste rechter uiteengezet, in graad van hoger beroep grotendeels herhaald. Wel dient vastgesteld dat B. en H. in graad van hoger beroep hun oorspronkelijke tegenvordering in nietigverklaring van de overeenkomst niet meer hernemen en de argumenten van bedrog en dwaling niet in hun grieven tegen het bestreden vonnis hebben opgenomen. De argumenten die zij ter ondersteuning van voormelde wilsgebreken voor de eerste rechter hebben aangevoerd, dienen thans ter ondersteuning van het argument dat Sofimo de overeenkomst niet te goeder trouw heeft aangegaan en uitgevoerd. Sofimo heeft van haar kant geen incidenteel beroep tegen de afgewezen gedeelten van haar vordering ingesteld. Wel vorderen B. en H. in graad van hoger beroep voor het eerst de onontvankelijkheid van de vordering in zover gericht tegen H. H.. Met betrekking tot het ingestelde hoger beroep worden door Sofimo geen middelen van onontvankelijkheid ingeroepen. Waar het hof vaststelt dat er evenmin ambtshalve middelen van onontvankelijkheid moeten opgeworpen worden, is het hoger beroep dienvolgens ontvankelijk.
- ontvankelijkheid van de vordering ten aanzien van H. H. : Sofimo, die betaling vordert van haar commissieloon, beschikt over rechts- en procesbekwaamheid en heeft belang en hoedanigheid om haar vordering in te stellen. Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS D. en THIRIAR, P., Handboek gerechtelijk recht, Intersentia 2008, nr. 131 p.). Het valt niet te ontkennen dat Sofimo bij het instellen van haar vordering een materieel voordeel mag verwachten. Of zij op het door haar gevorderde daadwerkelijk aanspraak kan maken, raakt de grond van de vordering, en tast de ontvankelijkheid ervan niet aan. Als houder van een materieel subjectief recht beschikt Sofimo eveneens over de vereiste hoedanigheid om in rechte op te treden ter effectuering van dit geclaimde subjectief recht. Er is immers een wezenlijke band tussen Sofimo en het door haar geclaimde materieel recht (LAENENS, J. e.a. op. cit. nr. 138, p. 87-88). Het louter feit dat dit recht wordt betwist, in casu om reden dat H. geen eigenaar is van het onroerend goed waarop de makelaarsovereenkomst betrekking heeft, ontneemt aan Sofimo niet haar hoedanigheid om haar aanspraken t.a.v. H. in rechte op te eisen. De betwisting betreft immers enkel de gegrondheid van de vordering en heeft geen uitstaans met de hoedanigheid van Sofimo als eisende partij. De oorspronkelijke vordering in zover gericht tegen H. H. is bijgevolg ontvankelijk.
- gegrondheid van de vordering : 3.
- Uit de voorliggende stukken, inzonderheid de notariële verkoopakte dd. 11/7/2003, blijkt dat H. H. inderdaad geen (mede)eigenaar is van het onroerend goed waarop de makelaarsovereenkomst betrekking heeft. B. en H. zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen en het onroerend goed werd door B. voor zijn huwelijk aangekocht. Het betreft aldus ontegensprekelijk een eigen goed van B.. Dat H. H. de makelaarsovereenkomst heeft mede ondertekend in toepassing van artikel 215 B.W., is niet aanneembaar aangezien het onroerend goed, dat voordien door B. als restaurant werd uitgebaat, géén gezinswoonst uitmaakte ten tijde van het ondertekenen van de makelaarsovereenkomst. B. en H. woonden op dat ogenblik immers te . B. en H. beroepen zich ook niet op lastgeving en bevestigen zelfs uitdrukkelijk dat H. niet als lasthebber van B. is opgetreden. De makelaarsovereenkomst in kwestie houdt géén daad van vervreemding of beschikking in. De overeenkomst heeft énkel tot doel een koper voor het onroerend goed te vinden, noch min noch meer. Het feit dat H. geen (mede)eigenaar is staat er dan ook niet aan in de weg dat zij samen met haar echtgenoot rechtsgeldig een opdracht tot het vinden van een koper kon geven. Juridisch bestaat hieromtrent geen enkel beletsel. Het vinden van een koper is immers niet gelijk te stellen aan het verkopen van het goed. Het feit dat H. geen (mede)eigenaar van het te koop gestelde onroerend goed was ten tijde van het afsluiten van de makelaarsovereenkomst, maakt de vordering in zover tegen haar gericht derhalve niet ongegrond. 3.
- B. en H. houden tevergeefs voor dat het makelaarscontract met Sofimo per 11/7/2003 geëindigd was "in wederzijds overleg", aangezien het voorwerp verdwenen was. De verkoop van het onroerend goed, voorwerp van de makelaarsovereenkomst, heeft wel de beëindiging van deze overeenkomst tot gevolg gehad evenwel enkel wegens uitdoving van de opdracht van Sofimo, maar niet ingevolge een wederzijds akkoord. Dergelijk akkoord wordt niet aangetoond en valt in ieder geval niet af te leiden uit het feit dat Sofimo op 9/7/2003 heeft opgehouden met het voeren van publiciteit. Uit haar lijst van publicaties (haar stuk I.3.) blijkt immers dat Sofimo op geregelde tijdstippen de publiciteit voor een aantal maanden onderbrak, hetgeen niet ongebruikelijk en mogelijks zelfs wenselijk is wanneer een woning gedurende een lange tijd te koop staat en moeilijk verkocht raakt. Op 15/10/2003 heeft zij de publiciteit trouwens hervat, hetgeen haar bewering dat zij door B. en H. niet op de hoogte was gesteld van de verkoop aannemelijk maakt. Dat de kopers na hun aankoop de verkoopsborden hebben weggenomen zal wellicht juist zijn, doch dit vormt nog geen bewijs van het feit dat de makelaarsopdracht in wederzijds akkoord tussen partijen was beëindigd. Het feit van de verkoop op zich levert al evenmin dit bewijs en kan dit ook niet leveren aangezien een eventueel beweerd wederzijds akkoord per definitie van voor de verkoop moet dateren. 3.
- B. en H. kunnen evenmin gevolgd worden waar zij stellen dat het contract - minstens - ontbonden was wegens het gebrek aan prestaties vanwege Sofimo. B. en H. hebben op geen enkel ogenblik de ontbinding van de overeenkomst op grond van wanprestatie(s) in de zin van artikel 1184 B.W. gevorderd. Een buitengerechtelijke ontbinding is al evenmin aan de orde, aangezien aan de cumulatieve voorwaarden hiertoe niet is voldaan : nl. - een toerekenbare tekortkoming van de medecontractant, van aard om een gerechtelijke ontbinding te rechtvaardigen : B. en H. hebben zich in het verleden nooit beklaagd over de inspanningen geleverd door Sofimo; bovendien blijken deze inspanningen uit de voorliggende lijst van publicaties. - de bijzondere omstandigheden waardoor de verplichte voorafgaande uitstelbevoegdheid van de rechter zinloos of zonder voorwerp geworden is, worden niet aangetoond, zelfs niet eens aangeduid. - een ingebrekestelling ligt niet voor noch het bewijs van het feit dat deze nutteloos geworden zou zijn; evenmin ligt een kennisgeving van de ontbindingsverklaring aan Sofimo voor. 3.
- De vraag in hoeverre de makelaarsovereenkomst al dan niet van onbepaalde duur is geworden, is in werkelijkheid niet relevant aangezien dit geen afbreuk doet aan het gegeven dat B. en H. de overeenkomst nooit formeel hebben opgezegd. Hun bewering dat dit mondeling is gebeurd, wordt niet bewezen en zelfs niet eens waarschijnlijk gemaakt. Bovendien wordt dit door Sofimo formeel betwist. Sofimo verwijst in dit verband terecht naar haar lijst van publicaties. Het is immers moeilijk denkbaar dat Sofimo de publiciteit zou hebben verdergezet indien de overeenkomst was opgezegd. Dit wijst er zelfs op dat Sofimo niet wist dat het onroerend goed verkocht was. De bewering van B. en H. dat de afspraak met Sofimo was dat zij zou proberen onderhands te verkopen "zolang dit mogelijk zou zijn", meer bepaald "zolang B. nog eigenaar zou zijn en de gerechtelijke uitvoering nog geen feit was" wordt door geen enkel objectief gegeven gestaafd en door Sofimo met klem tegengesproken. 3.
- Aldus staat het vast dat de makelaarsopdracht nog steeds lopende was op het ogenblik dat het onroerend goed door B. en H. aan derden werd verkocht. Deze gebeurtenis stelde artikel 2 van de makelaarsovereenkomst in werking, luidende als volgt : "Wordt de eigendom verkocht, met of zonder bemiddeling van SOFIMO of aan iemand van de kandidatenlijst, dan zal de opdrachtgever een commissieloon betalen gelijk aan 3% van de verkoopprijs + BTW. Dit commissieloon is verschuldigd bij het tekenen van de verkoopsverbintenis en mag afgehouden worden van het voorschot, of mag ingehouden worden door de notaris." (eigen onderlijning door het hof). 3.5.
- B. en H. beschouwen dit beding als een onrechtmatig beding in de zin van artikel 31 van de wet betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en bescherming van de consument (kortweg "WHPC"). Sofimo verweert zich hierop zonder de toepasselijkheid van de WHPC te betwisten. Een onrechtmatig beding in de zin van artikel 31 WHPC is een beding, dat, alleen of in samenhang met één of meer andere bedingen of voorwaarden, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen. Het moet gaan om een "kennelijk" onevenwicht hetgeen betekent dat het van die aard moet zijn dat hierover tussen redelijke mensen geen verschil van mening kan bestaan. Het betreft een marginaal toetsingsrecht dat erin bestaat een vergelijking te maken tussen enerzijds de contractuele regeling en anderzijds het suppletieve contractenrecht om vervolgens af te wegen of de consument door de werking van deze, van het gemeen recht afwijkende bedingen, er onredelijk slecht van af komt. Niet de gelijkwaardigheid van de prestaties wordt getoetst; de toetsing betreft enkel het juridisch kader van de overeenkomst (vgl. TIMMERMANS, R., Het vastgoedmakelaarscontract, Larcier 2005, p. 79). Artikel 31 § 3, tweede WHPC bepaalt in dit verband dat de beoordeling van het onrechtmatig karakter van bedingen geen betrekking heeft "op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren producten of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd." Volgens B. en H. levert het verschuldigd zijn van het naar hun mening grote commissieloon voor de uiterst minimale prestaties een totaal onevenwicht in de zin van artikel 31 op, dat volgens hen leidt tot de nietigheid van de overeenkomst. Deze redenering is niet in overeenstemming met voormeld artikel 31 § 3, tweede lid, WHPC aangezien B. en H. het beweerd onrechtmatig karakter van de overeenkomst, en inzonderheid van artikel 2 van de overeenkomst, rechtstreeks koppelen aan de (on)gelijkwaardigheid van de wederzijds prestaties. Het kennelijk onevenwicht mag, zoals in de voorgaande paragraaf reeds gesteld, niet afgeleid worden uit een eventuele ongelijkwaardigheid tussen het bedrag van het commissieloon en de door de makelaar ingevolge de overeenkomst te verrichten diensten. In tegenstelling tot hetgeen B. en H. voorhouden, laat het litigieuze artikel 2 van de overeenkomst niet toe dat de makelaar stilzit en zijn commissieloon opstrijkt zonder daarvoor de normale inspanningen te leveren die van een makelaar normaal verwacht worden. De bewoordingen dat het commissieloon verschuldigd is "met of zonder bemiddeling van SOFIMO" zijn niet in die zin uit te leggen doch beogen enkel de bescherming van de exclusiviteit van de bemiddelingsopdracht. De clausule is de schriftelijke weergave van de bedoelde, bedongen - en overigens niet betwiste - exclusiviteit. Dit beding bevat zodoende geen "kennelijke onevenwichtigheid" in de zin van artikel 31 WHPC. 3.5.
- B. en H. kunnen evenmin bijgetreden worden waar zij de overeenkomst als "ongeoorloofd" aanzien om reden dat op grond van artikel 2 de commissie aan Sofimo verschuldigd is wanneer de eigendom wordt verkocht en dit met of zonder de bemiddeling van Sofimo. Als antwoord hierop verwijst het hof naar hetgeen hoger in punt 3.5.
- van het arrest wordt uiteengezet. Artikel 2 betekent niet - zoals B. en H. beweren - dat Sofimo gerechtigd is op haar commissieloon zelfs wanneer zij geen prestaties levert, maar betekent wel dat wanneer het goed tijdens de duurtijd van de overeenkomst door de opdrachtgevers of door een derde wordt verkocht (d.i. buiten de bemiddeling van Sofimo om), Sofimo toch op haar commissieloon aanspraak mag maken. Dit is een louter gevolg van de exclusiviteit van de bemiddelingsopdracht. Hoe dan ook stond niets B. en H. in de weg om de overeenkomst op te zeggen, in welk geval zij geen commissieloon meer waren verschuldigd geweest, en in welk geval - bij niet-verkoop althans - alle kosten van publiciteit, verplaatsingen, telefoons, bezoeken ed., die Sofimo had gemaakt, te haren laste waren gebleven (artikel 1 van de overeenkomst). Door niet op te zeggen werd de exclusieve opdracht driemaandelijks telkenmale hernieuwd en bleven zij als opdrachtgevers gebonden door de met Sofimo overeengekomen exclusiviteit. 3.
- Tot slot houden B. en H. staande dat Sofimo door een véél te hoge schatting van het onroerend goed, de ondertekening van de overeenkomst hebben afgedwongen en zodoende de overeenkomst niet te goeder trouw hebben aangegaan en uitgevoerd. Zoals hoger reeds aangehaald beroepen B. en H. zich hierbij niet meer op bedrog en/of dwaling om de nietigverklaring van de overeenkomst in rechte te vorderen. Overeenkomstig artikel 2268 B.W. wordt goede trouw steeds vermoed en moet hij die zich op kwade trouw beroept, die bewijzen. Door een bedrag van 19.500.000 oude bef als verkoopprijs voorop te stellen, handelde Sofimo geenszins te kwader trouw. Uit de voorliggende stukken blijkt dat B. en H. reeds voordien op 10/2/2001 met een ander immobiliënmakelaar Immo Cova een gelijkaardige bemiddelingsovereenkomst met een duurtijd van één jaar m.b.t. hetzelfde onroerend goed hadden afgesloten waarin zelfs een prijs van 23.000.000 oude bef of 570.155,10 euro werd vooropgesteld. In het licht hiervan kan de schatting van 19.500.000 oude bef of 483.392,37 euro derhalve bezwaarlijk als opzettelijk te hoog genoemd worden. Bovendien moet worden vastgesteld dat het louter feit dat het onroerend goed onder druk van KBC aan een veel lagere prijs werd verkocht - voldoende om de hypothecaire schuld te delgen - niet alleen niet bewijst dat Sofimo de waarde van het onroerend goed té hoog heeft ingeschat, maar evenmin aantoont dat Sofimo deze inschatting bewust heeft gemaakt met het oog op het binnenrijven van een contract. De uiteindelijke gerealiseerde verkoopprijs van 275.000 euro is een louter gevolg van de omstandigheden waarin de verkoop heeft plaatsgegrepen. De druk van een uitvoerend beslag is, zelfs al gebeurt de verkoop uit de hand, nooit prijsbevorderlijk, wel integendeel. Uit niets blijkt dat deze verkoopprijs overeenstemde met de normale verkoopwaarde van het onroerend goed. De omstandigheden wijzen eerder op het tegendeel. Hoe dan ook laat niets toe aan te nemen dat Sofimo de haar toevertrouwde opdracht niet naar behoren heeft uitgevoerd. De voorliggende lijst van de publicaties laat het tegendeel vermoeden. Dat er uiteindelijk door haar niet - tijdig - een koper kon worden gevonden, vormt hiervan in ieder geval geen bewijs. B. en H. hebben Sofimo dienaangaande nooit in gebreke gesteld noch hieromtrent enig ongenoegen geuit, zodat redelijkerwijze mag aangenomen worden dat zij tevreden waren met de wijze waarop Sofimo haar bemiddelings-opdracht uitvoerde. Dat Sofimo de makelaarsovereenkomst te kwader trouw zou hebben aangegaan en uitgevoerd, wordt derhalve niet bewezen. 3.
- B. en H. vorderen ondergeschikt de herleiding van het commissieloon tot het bedrag van de werkelijke prestaties, minstens tot het bedrag ex aequo et bono begroot op 1.000 euro. Zij voeren evenwel geen rechtsgrond aan op grond waarvan zij deze herleiding of matiging vorderen. Aangezien de makelaarsovereenkomst énkel het vinden van een koper tot voorwerp heeft, is zij te aanzien als een aanneming en is een herleiding van het commissieloon niet toegelaten. Artikel 2 van de overeenkomst is evenmin te aanzien als een schadebeding, nu dit géén schadevergoeding voorziet omwille van een contractuele wanprestatie van de verkopers, doch de vergoeding van de makelaar bevat voor het uitvoeren van diens bemiddelingsopdracht. Aldus kan evenmin toepassing gemaakt worden van de matigingsbevoegdheid zoals vastgelegd in artikel 1231 § 1 B.W.
- Gelet op alle voorgaande overwegingen en vaststellingen komt het hoger beroep ongegrond voor en dringt zich een bevestiging van het bestreden vonnis op. Als in het ongelijk gestelde partij, dienen B. en H. tot de gedingkosten van het hoger beroep te worden veroordeeld. Omtrent de gedingkosten van de eerste aanlegprocedure, oordeelde de eerste rechter op gepaste wijze. OP DEZE GRONDEN HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in de mate waarin het wordt bestreden. Veroordeelt B. en H. tot de gedingkosten van het hoger beroep, aan hun zijde niet nuttig te begroten vermits deze toch te hunnen laste blijven, en aan de zijde van Sofimo te begroten op 900 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 18-2-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. B. De Wilde G. Danneels E. Dursin A. Van de Putte Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div