id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090219.6 Rolnummer: 2005/AR/2846 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-04-15 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 19:14 Fiche Door het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over de antecedenten van de bestuurder wordt de verzekeraar misleid en wordt hem met betrekking tot de inschatting van het risico essentiële informatie onthouden, waardoor de verzekeringsovereenkomst nietig is (artikel 6 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst). UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Algemeen (verzekeringen) Vrije woorden: Verzekeringsovereenkomst - opzettelijk meedelen onjuiste gegevens - nietigheid. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 19 februari 2009 (o.a. samenvoeging van 2005/AR/2846 en 2005/AR/2854) 2005/AR/2846 in de zaak van: D.L. A., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. DECALUWE Lieven, advocaat te 8500 KORTRIJK, Hendrik Consciencestraat 29 tegen:
- NAVIGA-MAURETUS N.V., thans ingevolgde naamswijziging NATEUS, verzekeringsmaatschappij, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 79, ingeschreven met KBO-nummer 0404.484.654, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. COUCKE Luc, advocaat te 8000 BRUGGE, Cordoeaniersstraat 17
- ZAKENKANTOOR B. B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 8780 OOSTROZEBEKE, Hoogstraat 54, ingeschreven met KBO-nummer 0428.365.658, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. RIMBAUT Jacqueline, advocaat te 8760 MEULEBEKE, Ingelmunstersteenweg 15 en in de beroepsakte aangeduid als partij "mede inzake": D.L. F., wonende te hebbende als raadsman mr. DE BOEL Marc, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5 en 2005/AR/2854 in de zaak van: D.L. F., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. DE BOEL Marc, voornoemd, tegen:
- NAVIGA-MAURETUS N.V., thans ingevolgde naamswijziging NATEUS, verzekeringsmaatschappij, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 79, ingeschreven met KBO-nummer 0404.484.654, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. COUCKE Luc, voornoemd,
- ZAKENKANTOOR B. B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 8780 OOSTROZEBEKE, Hoogstraat 54, ingeschreven met KBO-nummer 0428.365.658, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. RIMBAUT Jacqueline, voornoemd,
- D.L. A., wonende te derde geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DECALUWE Lieven, voornoemd, wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschriften neergelegd ter griffie van dit hof op 25 november 2005 hebben A. D.L. (2005/AR/2846) en F. D.L. (2005/AR/2854) tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 8 september 2005, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, derde kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
- Op 5 juli 1996 raakt F. D.L. (appellant in de zaak 2005/AR/2854) met zijn personenwagen BMW 320 betrokken bij een ongeval. Het voertuig, dat omnium verzekerd is bij N.V. De Medische (later N.V. Naviga-Mauretus en thans N.V. Nateus, eerste geïntimeerde in de beide zaken) door bemiddeling van B.V.B.A. Zakenkantoor B. (tweede geïntimeerde in de beide zaken), wordt onherstelbaar beschadigd. De schade wordt volgens expertiseverslag van 16 juli 1996 geraamd op 1.331.000 frank (= euro 32.994,63), meer een vergoeding van 59.200 frank (= euro 1.467,53) voor wachttijd en vervangingstermijn, doch onder aftrek van de verkoopwaarde van het wrak ten bedrage van 488.805 frank (= euro 12.117,16). Met aangetekend schrijven van 2 september 1996 deelt de verzekeraar mee dat de verzekeringsovereenkomst nietig is, omdat bij de contractsluiting onjuiste informatie werd verstrekt over de antecedenten van het risico en bepaalde gegevens opzettelijk werden verzwegen of opzettelijk onjuist werden medegedeeld. Meer bepaald zou F. D.L. toen hebben verklaard dat hij voorheen geen verzekering voor een motorrijtuig had afgesloten bij een andere maatschappij en hij gedurende de laatste vijf jaar niet betrokken was bij een verkeersongeval, niettegenstaande hij tussen 20 januari 1988 en 20 mei 1996 verzekerd was bij een andere maatschappij en in deze periode bij drie schadegevallen betrokken was (in 1989 en 1993). F. D.L. ontkent dat hij het verzekeringsvoorstel van 27 maart 1995, waarin voormelde verklaring voorkomt, heeft ondertekend, zodat volgens hem de verzekeraar ten onrechte de nietigheid van het contract inroept. Met dagvaarding van 30 juli 1997 vordert hij in hoofdorde de veroordeling van De Medische (hierna verder genoemd Nateus) tot betaling van 901.935 frank (= euro 22.358,38). Subsidiair vraagt hij, bij toepassing van artikel 19, lid 2 van het gerechtelijk wetboek, een schriftonderzoek te bevelen met betrekking tot de handtekening op het document, getiteld ‘voorstel voor motorrijtuigverzekering'. Nateus vordert bij tegeneis de nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst, overeenkomstig artikel 6 van de wet op de Landverzekering, en de veroordeling van F. D.L. tot betaling van 559.942 frank (= euro 13.880,60), uit hoofde van de vergoedingen die zij heeft uitbetaald aan de benadeelden van het door F. D.L. op 5 juli 1996 veroorzaakt ongeval (toepassing van artikel 25 van de modelpolis). Op 3 april 1998 laat F. D.L. overgaan tot dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van B.V.B.A. Zakenkantoor B., teneinde haar te laten veroordelen tot betaling van de schade aan zijn voertuig, voor zover zijn vordering tegen Nateus zou worden afgewezen, en tot zijn algehele vrijwaring, voor zover de door Nateus tegen hem gestelde vordering gegrond zou verklaard worden. Zakenkantoor B. betwist deze vordering en vordert bij tegeneis van F. D.L. een vergoeding van 50.000 frank (= euro 1.239,47) voor de schade die zij heeft geleden ten gevolge van diens lichtzinnige wijze van procederen. Bij niet bestreden vonnis van 25 januari 2000 beveelt de eerste rechter de persoonlijke verschijning van F. D.L. en de zaakvoerder van Zakenkantoor B. (F.B.). Zij worden gehoord op 22 februari
- Hangende de procedure legt F. D.L. op 23 augustus 2000 klacht neer wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken tegen de zaakvoerder van Zakenkantoor B.. F.B. en Zakenkantoor B. worden bij beschikking van de Raadkamer te Kortrijk van 11 juni 2002 buiten vervolging gesteld, nadat uit het door de onderzoeksrechter bevolen schriftonderzoek gebleken is dat de betwiste handtekening onder het verzekeringsvoorstel niet van de hand is van F.B., maar volgens de schriftdeskundige moet worden toegeschreven aan de vader van F. D.L., A. D.L. (appellant in de zaak 2005/AR/2846). Nateus laat op 12 december 2002 A. D.L. dagvaarden teneinde de zaken te horen voegen en hem, op basis van bedrog, minstens op grond van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, samen met F. D.L. te zien veroordelen tot betaling van euro 13.880,60, meer intresten en kosten. Later breidt zij haar vordering tegen vader en zoon D. L. uit tot euro 19.457,96, meer de intresten op euro 13.880,60 vanaf 2 september
- De eerste rechter voegt de beide zaken samen. Hij stelt vast dat bij het invullen van het verzekeringsvoorstel bedrog werd gepleegd, dat niet toerekenbaar is aan Zakenkantoor B., doch wel aan F. D.L., in wiens voordeel de frauduleuze verklaringen werden afgelegd, en door A. D.L., die hieraan medeplichtig was. Aldus wordt in het bestreden vonnis als volgt geoordeeld: - de vordering van Nateus tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst, gesloten met F. D.L., wordt gegrond verklaard; - de vordering van F. D.L. tegen Nateus wordt als ongegrond afgewezen; - de regresvordering van Nateus tegen F. D.L., evenals haar zelfde, doch op quasi-delictuele grondslag gestoelde vordering tegen A. D.L., worden gegrond verklaard; - F. D.L. en A. D.L. worden in solidum veroordeeld om aan Naviga-Mauretus de som van euro 19.457,96, meer de intresten, te betalen; - de subsidiaire vordering van F. D.L. tegen Zakenkantoor B., evenals de tegenvordering van Zakenkantoor B. tegen F. D.L., worden als ongegrond afgewezen.
- In zijn beroepsakte (2005/AR/2846) houdt A. D.L. voor dat hij slechts enkele algemeenheden heeft ingevuld op het hem door Zakenkantoor B. voorgelegd verzekeringsvoorstel en dat hij geenszins bedrog heeft gepleegd. Hij ontkent ten stelligste dat hij het kwestieuze verzekeringsvoorstel heeft ondertekend en wijst erop dat hij niet werd betrokken bij het onderzoek van de schriftdeskundige, die overigens slechts over een kopie van het bewuste document beschikte. Op deze gronden besluit hij tot de afwijzing van de tegen hem gestelde vordering.
- Het door F. D.L. ingesteld hoger beroep (2005/AR/2854) is gesteund op de volgende grieven: - het verzekeringsvoorstel werd ingevuld door A. D.L., die zijn lasthebber was, zonder dat hem ooit opdracht werd gegeven om zaken te verzwijgen of bedrog te plegen, zodat hijzelf, als lastgever, niet kan worden verantwoordelijk gesteld voor handelingen die de lasthebber eventueel buiten zijn mandaat heeft gesteld; - de eerste rechter heeft ten onrechte gesteld dat hij zijn verklaringen heeft gewijzigd; - er werd bij het invullen van het verzekeringsvoorstel geen bedrog gepleegd dat toerekenbaar is aan F. D.L.; - de verzekeringsovereenkomst werd ten onrechte nietig verklaard en hij werd ten onrechte veroordeeld om euro 19.457,96 te betalen aan Nateus, aangezien de premies steeds stipt werden betaald. Met deze argumenten beoogt F. D.L. de vernietiging van het bestreden vonnis, de afwijzing van de tegen hem gestelde vordering en de veroordeling van Nateus tot betaling van euro 22.345,00, meer intresten en kosten. Subsidiair, voor zover de vordering van Nateus toch gegrond zou bevonden worden, stelt hij incidenteel beroep in tegen Zakenkantoor B., met het oog op volledige vrijwaring (conclusie neergelegd op 11 juli 2008).
- Nateus besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en de volledige bevestiging van het bestreden vonnis. In haar op 13 februari 2007 neergelegde conclusie vraagt zij voorbehoud om verdere kosten en uitgaven in verband met het ongeval van 5 juli 1996 op F. D.L. te verhalen.
- Ook Zakenkantoor B. vraagt de afwijzing van de hogere beroepen. In hoofdorde betwist zij de toelaatbaarheid van het door F. D.L. ingesteld hoger beroep, nu in de door hem neergelegde beroepsakte tegen haar geen enkele vordering wordt gesteld. Zij stelt bovendien incidenteel beroep in tegen de afwijzing van haar vordering in schadevergoeding en vordert thans van F. D.L. een vergoeding van euro 2.500,00, omdat zij bovendien nog onterecht werd meegesleurd in de beroepsprocedure. beoordeling
- Aangezien de beide hogere beroepen gericht zijn tegen hetzelfde vonnis, past het, in het kader van een goede rechtsbedeling en teneinde eventuele strijdige beslissingen te vermijden, de beide zaken samen te voegen.
- Met betrekking tot de betwisting door Zakenkantoor B. van de toelaatbaarheid van het tegen haar ingesteld incidenteel hoger beroep moet inderdaad worden vastgesteld dat in de beroepsakte van F. D.L. geen vordering wordt gesteld tegen Zakenkantoor B.. Dit belet evenwel niet dat F. D.L. ook bij conclusie hoger beroep kan instellen tegen Zakenkantoor B., die in het geding aanwezig is (artikel 1056, 4° van het gerechtelijk wetboek). Nu het bestreden vonnis niet blijkt te zijn betekend en het hoger beroep derhalve niet laattijdig is, is er geen grond om te besluiten tot de niet-toelaatbaarheid van dit hoger beroep.
- Er bestaat geen enkele twijfel over dat, voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst, gedateerd 24 mei 1995, tussen De Medische (thans Nateus) en F. D.L., door de verzekeringnemer aan de verzekeraar onjuiste informatie werd verstrekt middels het niet correct beantwoorden van de vragenlijst die voorkomt op het formulier ‘Voorstel voor Motorrijtuigverzekering', gedateerd 27 maart
- Meer in het bijzonder werd op de vragen of de bestuurder (F. D.L.) reeds eerder verzekerd was voor een motorrijtuig en bij hoeveel verkeersongevallen (in recht of in fout, met of zonder derden) hij gedurende de laatste 5 jaren betrokken was, respectievelijk ‘neen' en ‘nul' geantwoord, en dit niettegenstaande F. D.L. van 20 januari 1988 tot 20 mei 1996 verzekerd was bij de maatschappij Noordstar en aldaar drie schadegevallen waren geregistreerd, waarvan twee in 1989 en één in
- Door het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over de antecedenten van de bestuurder werd de verzekeraar misleid en werd hem met betrekking tot de inschatting van het risico essentiële informatie onthouden, waardoor de verzekeringsovereenkomst nietig is (artikel 6 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst). Tevergeefs blijft F. D.L. opwerpen dat het aldus gepleegd bedrog hem niet toerekenbaar is omdat de kwestieuze vragenlijst niet door hem zelf werd ingevuld, maar door zijn vader, A. D.L. (of door F.B. aan de hand van de verklaringen van A. D.L.). Niet enkel is hij als verzekeringnemer verantwoordelijk voor de informatie die aan de verzekeraar wordt verstrekt, terecht heeft de eerste rechter gewezen op de tegenstrijdige verklaringen die F. D.L. in verband met het beantwoorden van de vragenlijst heeft afgelegd. - Uit de brieven van zijn raadsman van 19 september 1996 aan De Medische en aan Zakenkantoor B. blijkt dat F. D.L. aanvankelijk betwistte enige verklaring te hebben afgelegd betreffende een verzekering bij een andere maatschappij of zijn betrokkenheid bij schadegevallen. - Later moet hij evenwel toegeven dat pagina 1 van het voorstel (waarop de vraag over de vroegere verzekering is doorkruist) van bij hem thuis naar Zakenkantoor B. werd gefaxt. Zijn verklaring dat F.B. het invullen van de vragenlijst had onderbroken met de melding dat deze niet diende te worden ingevuld, is ongeloofwaardig, aangezien het precies is omdat de vragenlijst niet was beantwoord, dat het verzekeringsvoorstel later thuis (bij A. D.L.) met de makelaar werd besproken en volledig ingevuld. - Naar aanleiding van de persoonlijke verschijning op 22 februari 2000 verklaart F. D.L. dat hij hierbij aanwezig was (hij lag eerst te slapen, maar werd door zijn vader opgeroepen) en zegt hij letterlijk: "Ik heb zelf mijn rijbewijs en mijn paspoort gehaald en aan mijn vader gegeven, die evenwel reeds bezig was met de makelaar. Ik heb geen woord tegen de makelaar gezegd. Ik heb niet gezegd dat ik bij een andere maatschappij verzekerd was. Van die accidenten heb ik evenmin gesproken". Het belang van de vragenlijst kan hem echter hoe dan ook niet ontgaan zijn, gelet op de vaststelling dat de eerder gefaxte en onvolledig ingevulde vragenlijst niet volstond, waarop de afspraak volgde met het oog op het volledig invullen van het verzekeringsvoorstel, en het feit dat in de per 8 maart 1996 gedateerde offerte (die dus het invullen van de vragenlijst voorafgaat) duidelijk was gewezen op het belang van de antecedenten ("onder voorbehoud van kontrole der antecedenten en voor zover deze gunstig zijn"). - Wanneer F. D.L. op 14 september 2000 door de verbalisanten wordt ondervraagd in het kader van het strafonderzoek wijzigt hij opnieuw zijn verklaringen en zegt hij dat het opmaken van het voorstel gebeurde in het huis van zijn vader, zonder dat hij daarbij aanwezig was. Deze gegevens doen besluiten dat F. D.L. het belang van de vragenlijst en van de correcte informatie omtrent zijn antecedenten wel degelijk inzag, maar dat hij de gegevens omtrent zijn vroegere verzekering en de schadegevallen waarbij hij was betrokken geweest, opzettelijk heeft verzwegen, zich verschuilend achter het feit dat zijn vader de vragenlijst heeft ingevuld. Uit geen enkel gegeven blijkt dat bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst Zakenkantoor B. tekort zou gekomen zijn aan haar informatieplicht of zou hebben voorgehouden dat de gegevens omtrent de antecedenten van de bestuurder niet van belang waren. Het is dan ook volkomen onterecht dat F. D.L. voorhoudt dat de fout van Zakenkantoor B. moet worden toegerekend aan de verzekeraar, omdat zij als diens aangestelde zou zijn opgetreden. Bij gebrek aan enige fout in hoofd van de makelaar is het irrelevant om in te gaan op de vraag of deze in casu al dan niet is opgetreden als lasthebber van de verzekeraar. De opzettelijke verzwijging die de door F. D.L. in ondergeschikte orde gevraagde toepassing van artikel 7 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst uitsluit, staat vast. Dat het onduidelijk blijft aan wie de handtekening op de vragenlijst van het Voorstel voor Motorrijtuigverzekering moet worden toegeschreven, is zonder belang en doet niet af aan deze vaststelling. De eerste rechter heeft bijgevolg terecht de verzekeringsovereenkomst nietig verklaard op grond van artikel 6 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst, de vordering van F. D.L. tegen Nateus ongegrond verklaard en de verhaalsvordering van Nateus tegen hem gegrond verklaard op grond van artikel 25 van de modelpolis. F. D.L. werpt ten onrechte op dat de voorwaarden van de modelpolis hem niet tegenstelbaar zijn. Het staat immers vast dat hij bij Nateus een verzekeringspolis burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen heeft onderschreven (aangezien hij de bijzondere voorwaarden van de polis heeft ondertekend en hij zich op deze overeenkomst beroept om van Nateus vergoeding te vorderen), zodat moet worden aangenomen dat de bepalingen van de modelovereenkomst, met inbegrip van de bepalingen betreffende de regresvordering, hiervan deel uitmaken. Het tegendeel wordt door F. D.L. niet aangetoond. Wat de vordering van Nateus betreft, dient volledigheidshalve te worden opgemerkt dat, meer dan 11 jaar na het ongeval van 5 juli 1996, zij haar vraag om voorbehoud in verband met verdere kosten en uitgaven niet verantwoordt, zodat op dit verzoek niet kan worden ingegaan.
- In het kader van de door F. D.L. neergelegde klacht met burgerlijke partijstelling heeft de onderzoeksrechter bij beschikking van 16 november 2000 de heer Desobry aangesteld als deskundige, met verzoek advies te verstrekken nopens de vraag of de handtekening die voorkomt in de rubriek ‘De verzekeringnemer' (op het Voorstel voor Motorrijtuigverzekering) van de hand is van F. D.L., A. D.L. of F.B.. In zijn op 11 september 2001 neergelegd verslag, komt deze deskundige tot de eindconclusie dat alhoewel de mogelijke vergelijkingen niet talrijk zijn, deze toch toelaten te bevestigen dat de schrijver van de betwiste handtekening A. D.L. is. De vergelijkingen met de handtekeningen en het geschrift van F.B. laten volgens hem niet toe te zeggen dat de betwiste handtekening van diens hand is. A. D.L. betwist de bevindingen van deskundige Desobry. Zelf heeft hij een beroep gedaan op schriftdeskundige Johan Vlecken, die na onderzoek van de betwiste handtekening en de vergelijkingshandtekeningen tot het besluit komt dat de betwiste handtekening niet van de hand is van A. D.L.. Beide deskundigen onderbouwen hun verslag met technische argumenten en het is het hof niet mogelijk de handtekening op het Voorstel voor Motorrijtuigverzekering met zekerheid toe te schrijven aan A. D.L.. In de mate hij de vragenlijst heeft ingevuld, gebeurde dit in naam en voor rekening van zijn zoon, die - zoals hiervoor vastgesteld - verantwoordelijk is voor de aldus verstrekte informatie. Er zijn onvoldoende elementen om te besluiten dat A. D.L. hierbij bewust heeft meegewerkt aan het door F. D.L. gepleegd bedrog. Een fout in hoofde van A. D.L. wordt dan ook niet aangetoond, zodat de tegen hem op quasi-delictuele gronden gestoelde vordering ongegrond is.
- De in subsidiaire orde door F. D.L. tegen Zakenkantoor B. gestelde vordering in vrijwaring is gestoeld op de (eveneens in ondergeschikte orde voorgehouden) hypothese dat Zakenkantoor B. is opgetreden als zijn aangestelde (lasthebber). Zakenkantoor B. zou als lasthebber fouten hebben begaan in de uitvoering van haar opdracht en hiervoor aansprakelijk zijn jegens haar lastgever, F. D.L.. Noch de lastgeving, noch enige fout in hoofde van Zakenkantoor B. komen echter bewezen voor, aangezien geenszins wordt aangetoond dat zij op de hoogte was van de antecedenten van F. D.L.. Zoals hiervoor vastgesteld, is deze als enige verantwoordelijk voor de foutieve informatie die aan de verzekeringsmaatschappij werd verstrekt. De vordering in vrijwaring is ongegrond.
- Het is niet onbegrijpelijk dat alle partijen die partij waren in eerste aanleg door appellanten ook werden betrokken bij de procedure in hoger beroep. Zakenkantoor B. kan dan ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat zij op een tergende en roekeloze wijze werd meegesleurd in de beroepsprocedure. Het incidenteel beroep, strekkende tot betaling van een schadevergoeding van euro 2.500,00, is ongegrond.
- Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd ingevolge de wet van 21 april 2007 en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 hebben partijen, bij monde van hun advocaten, ter terechtzitting verklaard dat zij akkoord gingen met de toepassing van het basisbedrag, nu er geen omstandigheden zijn om te besluiten tot een verhoging of een vermindering ervan. Rekening houdend met het bedrag van de initiële vordering van F. D.L. als oorspronkelijke eiser (901.935 frank of euro 22.358,38) moet de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep die toekomt aan Nateus en Zakenkantoor B. en ten laste dient te worden gelegd van F. D.L., in dit geval begroot worden op euro 2.000,
- De vordering van Nateus tegen A. D.L. bedroeg euro 19.457,
- De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep die hem toekomt en ten laste valt Nateus bedraagt euro 1.100,
- OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Voegt de zaken onder nummers 2005/AR/2846 en 2005/AR/2854 samen. Verklaart de hogere beroepen toelaatbaar. Verklaart het hoger beroep van F. D.L. en het incidenteel beroep van Zakenkantoor B. ongegrond. Verklaart het hoger beroep van A. D.L. gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, behoudens waar het A. D.L. veroordeelt om (in solidum met F. D.L.) aan Nateus de som van euro 19.457,96, meer de intresten, te betalen en hem verwijst in de kosten gevallen aan de zijde van Nateus. Doet het op dit punt teniet en opnieuw wijzende: Verklaart de vordering van Nateus tegen A. D.L. ongegrond. Verwijst F. D.L. in de kosten van de beroepsinstantie, die aan zijn zijde niet dienen te worden begroot daar zij hem ten laste blijven, en aan de zijde van Nateus en Zakenkantoor B. vereffend worden op ieder euro 2.000,00 rechtsplegingsvergoeding. Verwijst Nateus in de kosten van de beide instanties gevallen aan de zijde van A. D. L. en vereffend op euro 349,53 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, euro 58,25 aanvullende rechtsplegingsvergoeding (persoonlijke verschijning), euro 186,00 rolrecht en euro 1.100,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op NEGENTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. D. Van den Driessche B. Wylleman G. Jocqué D. Floren rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div