← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090223.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090223.6 Rolnummer: 2007/AR/2022 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-04-28 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-02 19:16 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: C.M.R.-verdrag - ontvankelijkheid van de vordering - verjaring - schriftelijke vordereing - schadebegroting (expertise- en vernietigingskosten) Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 23-02 2009 Nr. 2007/AR/2022 ------------------------ in de zaak van : N.V. MAENHOUT TRANSPORT, met maatschappelijke zetel te 8400 Oostende, Zandvoordestraat 362 en met ondernemingsnummer 0405.270.651, appellante, hebbende als raadsman mr. Lino Verbeke, advocaat met kantoor te 8200 Brugge (Sint-Andries), Diksmuidse Heerweg 126, tegen

  1. N.V. AVERO SCHADEVERZEKERINGEN BENELUX, vennootschap naar vreemd recht met maatschappelijke zetel te Amsteldijk 166, gebouw Rivierstraete, PB 74789, 1070 DL Nederland, met bijzetel te 1200 Brussel, Woluwelaan 64 en met ondernemingsnummer 0459.005.681,
  2. S.A. AIG EUROPE, vennootschap naar vreemd recht met zetel in Frankrijk te 92079 Paris, La Défense, met bijzetel te 1000 Brussel, Boulevard de la Plaine 11 en met ondernemingsnummer 0435.262.754,
  3. XL BROCKBANK, vennootschap naar vreemd recht (voorheen Brockbank Syndicate Management Ltd.), met maatschappelijke zetel te Fitzwilliam House 10, St. Marry Axe, London EC 3A NL, Verenigd Koninkrijk,
  4. HAMBURGER-VERSICHERUNG VVAG, vennootschap naar vreemd recht met maatschappelijke zetel te 10 Adenauer Allee, Hamburg, Duitsland,
  5. N.V. KBC VERZEKERINGEN, met maatschappelijke zetel te 3000 Leuwen, Waaistraat 6 en met ondernemingsnummer 0403.552.563,
  6. N.V. ING INSURANCE, met maatschappelijke zetel te 2018 Antwerpen, Desguinlei 92 en met ondernemingsnummer 0404.500.094,
  7. N.V. AXA BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25 en met ondernemingsnummer 0404.483.367,
  8. N.V. WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN, met maatschappelijke zetel te 1040 Brussel, Kunstlaan 56 en met ondernemingsnummer 0403.290.168,
  9. N.V. AEGON SCHADEVERZEKERING, vennootschap naar vreemd recht met maatschappelijke zetel in Nederland, 2501 AC 's Gravenhage,
  10. MITSUI SUMITOMO INSURANCE CO., vennootschap naar vreemd recht met maatschappelijke te London EC3R 7LP, 6th Floor, New London House, 6 London Street en met zetel voor België gevestigd te 2650 Edegem, Prins Boudewijnlaan 43 en met ondernemingsnummer 0443.536.458,
  11. N.V. UCB, met maatschappelijke zetel te 1070 Brussel, Researchdreef 60 en met ondernemingsnummer 0403.536.458,
  12. COATES LORILLEUX SCREEN LTD., vennootschap naar vreemd recht met maatschappelijke zetel te Cray Valley Road - Gates 5 North Site, St. Mary Cray - Orpington, BR5 3PP, Verenigd Koninkrijk, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Bernard Insel, advocaat met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 136, alwaar woonstkeuze gedaan wordt, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep
  13. Appellante heeft op 10 augustus 2007 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen het door de derde kamer van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, op 8 maart 2007 op tegenspraak gewezen vonnis inzake A.R. A/04/00433 en A/04/
  14. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Geïntimeerden hebben in hun op 31 oktober 2007 neergelegde beroepsconclusies incidenteel hoger beroep ingesteld. Partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, alsook de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg
  15. Appellante diende op of omstreeks 17 juni 2002 een internationaal transport uit te voeren van een lading chemische producten (vaten en bidons) van bij UCB in Drogenbos naar COATES LORILLEUX SCREEN in Groot-Brittannië. Voor dit transport werden drie CMR-vrachtbrieven uigeschreven. De lading werd bij appellante gegroepeerd op de trailer M320 voor verzending naar de Engelse eindbestemmeling. De Engelse onderaannemer van appellante, A.J.P., heeft vervolgens de trailer in Ramsgate aangekoppeld maar raakte op 18 juni 2002 betrokken in een verkeersongeval met schade aan de lading tot gevolg. Op 9 april 2003 diende het averijcommissariaat SEVEN SEAS & C° een schriftelijke vordering in bij appellante, waarna geïntimeerden - bij gebrek aan minnelijke regeling - bij akte van 26 maart 2004 tot dagvaarding overgingen.
  16. Bij vonnis van 8 april 2004 (inzake AR A/04/00433) werd appellante bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag van 15.946,24 EUR tot vergoeding van de schade ingevolge het verlies van de koopwaar, vermeerderd met een bedrag van 11.120,32 pond aan expertisekosten, de vergoedende intresten vanaf 24.06.2002, de gerechtelijke intresten en de gedingkosten. Niettemin heropende de rechtbank ambtshalve de debatten met betrekking tot de expertisekosten en stelde de zaak daartoe vast op de zitting van 6 mei
  17. Op 27 april 2004 liet appellante een dagvaarding in verzet (AR A/04/00576) betekenen In het thans bestreden vonnis van 8 maart 2007, dat de zaken AR A/04/00433 en A/04/00576 samenvoegde, oordeelde de eerste rechter dat : - er geen discussie meer bestond omtrent de ontvankelijkheid van de vordering - de brief van 9 april 2003 van Seven Seas & C° een schriftelijke vordering uitmaakt in de zin van artikel 32 lid 2 CMR- Verdrag waardoor de verjaring geschorst werd, - er geen verjaring is ingetreden voor wat betreft de expertisekosten ten belope van 11.120,32 Britse pond waarvoor in de schriftelijke vordering uitdrukkelijk voorbehoud werd gemaakt, - de expertisekosten met betrekking tot het vervoer, gemaakte kosten in de zin van artikel 23, 4 CMR-Verdrag uitmaken die op de vervoerder verhaalbaar zijn, - de vernietigingskosten van 1.975,00 EUR niet verhaalbaar zijn op de vervoerder, - intresten a rato van 5% verschuldigd zijn vanaf de datum van de schriftelijke vordering. De eerste rechter verklaarde het verzet ontvankelijk, maar grotendeels ongegrond. Hij bevestigde het op 8 april 2004 gewezen verstekvonnis in alle beschikkingen, onder aftrek van de vernietigingskosten ten bedrage van 1.975,00 EUR en de desbetreffende rente, en mits herleiding van de rentevoet op 5% vanaf 9 april
  18. Verder verwees hij appellante in vijf zesden en geïntimeerden in het overige zesde van de gedingkosten van het verzet. Grieven/voorwerp van het hoger beroep
  19. Appellante die zich niet kan vinden in het bestreden vonnis besluit in hoger beroep tot de vernietiging van het bestreden vonnis, de gegrondverklaring van haar verzet en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering als onontvankelijk, minstens ongegrond. Appellante vordert ondergeschikt dat minstens voor recht zou worden vastgesteld dat de vordering maximaal voor een bedrag van 5.352,89 EUR gegrond voorkomt, te vermeerderen met de intresten a rato van 5% vanaf 9 april
  20. 4.
  21. Appellante die enerzijds erkent dat de vordering van de afzender (UCB) en de bestemmeling (Coates LORILLEUX SCREEN) ontvankelijk voorkomt, besluit anderzijds tot de onontvankelijkheid van de vordering van de afzender (UCB) om reden dat zij al haar vorderingsrechten aan AVERO SCHADEVERZEKERINGEN zou hebben overgedragen en ook niet gerechtigd is op enige toekenning van intresten voor de periode tussen het schadegeval en daadwerkelijke betaling door de verzekeraars. Verder merkt appellante op dat COATES LORILLEUX als bestemmeling geen schadelijder is en haar vordering hoe dan ook ongegrond voorkomt. Nog volgens appellante blijkt uit het subrogatieformulier dat alleen AVERO SCHADEVERZEKERINGEN gesubrogeerd is in de rechten van UCB en aldus alleen deze partij over een ontvankelijke vordering beschikt. Wel merkt appellante nog op dat in de loop van het debat de goederenbelanghebbenden documenten bijbrachten waaruit de identiteit van de verzekeraars moet blijken, en dat zij zich, voor wat dit onderdeel betreft, naar de wijsheid van het Hof gedraagt. 4.
  22. Verder besluit appellante tot de verjaring van de vordering en is zij van oordeel dat de schriftelijke vordering die enkel namens AVERO SCHADEVERZEKERINGEN werd ingesteld, de andere in het geding betrokken partijen onmogelijk tot voordeel kan strekken en hun vordering verjaard en aldus onontvankelijk voorkomt. Met betrekking tot de schriftelijke vordering merkt appellante nog op dat deze nergens de expertisekosten vermeldt en het ingeroepen voorbehoud niet in aanmerking kan worden genomen zodat ook deze kosten manifest verjaard zijn. 4.
  23. Appellante betwist verder haar aansprakelijkheid voor het schadegeval. Zij argumenteert terzake dat het schadegeval zich voordeed terwijl de goederen zich onder de hoede bevonden van haar onderaannemer en dat het verkeersongeval een omstandigheid uitmaakt dat zij niet kon vermijden en waarvan zij de gevolgen niet kon verhinderen zodat, aldus nog appellante, de toepassing van artikel 17, lid 2 CMR-Verdrag en de afwijzing van de vordering zich opdringt. 4.
  24. Appellante die verder nog voorhoudt dat de vernietigingskosten ten bedrage van 1.975,00 EUR terecht door de eerste rechter werden afgewezen, handhaaft haar standpunt met betrekking tot de op een bedrag van 11.120,32 Britse Pond begrote expertisekosten waarvan zij de afwijzing vordert. Ondergeschikt laat zij nog gelden dat AVERO SCHADEVERZEKERINGEN - die slechts 40% van het risico zou hebben onderschreven - hoogstens aanspraak kan maken op een bedrag van 5.352,89 EUR.
  25. Geïntimeerden besluiten tot de afwijzing van het principaal hoger beroep en de gegrondverklaring van hun incidenteel hoger beroep. Zij vorderen de bevestiging van het bestreden vonnis, behoudens waar het hun aanspraak op een bedrag van 1.975,00 EUR begrote vernietigingskosten van de hand wijst. Op incidenteel beroep vorderen zij de toekenning van deze vernietigingskosten. 5.
  26. Geïntimeerden houden voor dat, gelet op de voorgelegde stukken, er geen twijfel kan bestaan over het vorderingrecht van eerste tot en met tiende geïntimeerden, meer bepaald de verzekeraars die het risico hebben onderschreven. Zij wijzen er overigens op dat appellante zich terzake naar de wijsheid van het Hof gedraagt en dat daaromtrent ook voor de eerste rechter geen discussie meer bestond, hetgeen het bestreden vonnis uitdrukkelijk vermeldt. Voor zover het Hof niettemin mocht van oordeel zijn dat de andere dan de leidende verzekeraars hun subrogatie niet bewijzen, merken geïntimeerden op dat UCB in elk geval vorderingsgerechtigd is tot beloop van 60% van de gevorderde bedragen. 5.
  27. Verder wijzen geïntimeerden erop dat de schriftelijke vordering van 9 april 2003 aan de vereisten van artikel 32 par. 2 CMR-Verdrag beantwoordt en de verjaring schorst zodat de dagvaarding wel degelijk tijdig werd betekend en er van enige verjaring geen sprake kan zijn. Nog volgens geïntimeerden strekken de gevolgen van deze door het averijcommissariaat ingediende schriftelijke vordering alle verzekeraars en ook de verzekerde tot voordeel en niet enkel de leidende verzekeraar. De schorsing van de verjaring die deze schriftelijke vordering meebrengt betreft naar het oordeel van geïntimeerden ook de expertisekosten waarvoor in de schriftelijke vorderingen overigens uitdrukkelijk voorbehoud werd gemaakt. 5.
  28. Voor wat de aansprakelijkheid van het schadegeval betreft zijn geïntimeerden van oordeel dat de door appellante ingeroepen ontheffingsgrond van artikel 17 lid 2 CMR-Verdrag niet kan worden weerhouden bij gebrek aan bewijs van het ongeval, nog minder van de omstandigheden waarin het zich zou hebben voorgedaan. Geïntimeerden beroepen zich dan ook op artikel 17 lid 1 CMR-Verdrag dat een vermoeden van aansprakelijkheid in hoofde van de vervoerder inhoudt. 5.
  29. Tenslotte verwerpen geïntimeerden de argumentatie van appellante met betrekking tot de expertise- en de vernietigingskosten. Zij zijn van oordeel dat de tussenkomst van de experten nuttig en noodzakelijk waren ter bepaling van de omvang en de begroting van de schade en er tevens toe hebben bijgedragen om de schade te beperken. Deze kosten zijn naar hun mening begrepen onder artikel 23.4 CMR-Verdrag en aldus verhaalbaar op appellante. Hetzelfde geldt naar hun mening ook voor de in rekening gebrachte vernietigingskosten, waarvoor incidenteel hoger beroep. Beoordeling
  30. Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep nam het Hof akte van het akkoord van partijen om de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wederzijds vast te stellen op het basisbedrag van 2.000,00 EUR.
  31. Met de eerste rechter stelt het Hof vast dat er geen discussie meer kan bestaan omtrent de ontvankelijkheid van de vordering. Vooreerst erkent appellante zelf uitdrukkelijk dat zowel de afzender (UCB - elfde geïntimeerde) als de bestemmeling (COATES LORILLEUX SCREEN - twaalfde geïntimeerde) over het door de artikelen 17 en 18 Ger.W. vereiste belang en de hoedanigheid beschikken en hun vordering ontvankelijk voorkomt. De overige opmerkingen die appellante nog formuleert met betrekking tot de aanspraken van zowel UCB als COATES LORILLEUX SCREEN betreffen de gegrondheid van deze aanspraak en hebben niets te maken met de ontvankelijkheid ervan. Waar appellante zich met betrekking tot het vorderingsrecht van de andere verzekeraars dan de AVERO SCHADEVERZEKERINGEN BENELUX NV naar de wijsheid van het Hof gedraagt, kan enkel worden vastgesteld dat de door geïntimeerden voorgelegde stukken ten genoege van rechte aantonen dat de in de inleidende dagvaarding vermelde verzekeraars het risico hebben onderschreven, dat deze verzekeraars een bedrag van 17.262,34 EUR hebben uitbetaald en blijkens de voorliggende subrogatieakte ten belope van hun respectievelijk aandeel in de rechten zijn getreden van de verzekerde. Gelet op voorliggende stukken kan hun vorderingsrecht en de ontvankelijkheid van hun initiële vordering bezwaarlijk ernstig in vraag worden gesteld. Ook de door eerste en tiende geïntimeerden ingestelde vordering komt in de gegeven omstandigheden ontvankelijk voor
  32. Terecht oordeelde de eerste rechter dat het CMR-Verdrag tussen partijen van toepassing is en dat waar de goederen op 17 juni 2002 in ontvangst werden genomen de laatst nuttige dag voor het instellen van de vordering overeenkomstig artikel 32, lid 1,c CMR-Verdrag in principe moet worden vastgesteld op 17 september
  33. Eveneens terecht oordeelde de eerste rechter dat het schrijven van 9 april 2003 van Seven Seas & C° moet worden aanzien als een schriftelijke vordering in de zin van artikel 32, lid 2 CMR-Verdrag. Het Hof voegt daaraan nog het volgende toe : 8.
  34. Het C.M.R.-Verdrag bepaalt niet nader, wat onder een schriftelijke vordering moet verstaan worden en wie de schriftelijke vordering kan instellen. Deze aangelegenheid moet dus naar nationaal recht beoordeeld worden. Ook naar Belgisch recht wordt in handelszaken geen uitzonderlijk belang gehecht aan de formele verwoording van een schriftelijke vordering, die van een handelaar uitgaat. Het volstaat dat de strekking die de handelaar aan zijn brief wil geven, voldoende duidelijk is en zijn tegenpartij de draagwijdte hiervan ook correct kan inschatten. Zelfs voor een dagvaarding - die een gerechtelijke akte is - volstaat de opgave van het onderwerp en een korte samenvatting van de middelen, zonder dat de rechtsgrond moet vermeld worden waarop een vordering in aansprakelijkheid grondt (artikel 702, 3° van het gerechtelijk wetboek). En het is voor een schriftelijke vordering evenmin vereist, dat de schade al becijferd zou zijn. Het volstaat dat de goederen-belanghebbende de schade aangeeft, waarvoor hij de vervoerder aansprakelijk houdt en de vervoerder niet in het ongewisse blijft voor welke schade hij verantwoordelijk wordt gehouden. 8.
  35. Voormeld aangetekend schrijven van 9 april 2003 dat : - gestaafd wordt met stukken, - een omschrijving van de aard van de schade of het verlies omvat, - aanduidingen omtrent de omvang van de schade bevat, - en een aansprakelijkheidsstelling ten aanzien van de geadresseerde inhoudt, maakt ook naar het oordeel van het Hof onmiskenbaar een schriftelijke vordering uit in de zin van artikel 32 .2 CMR die in aanmerking komt om de verjaring te schorsen nu uit niets blijkt, en appellante ook niet voorhoudt dat zij deze vordering ooit schriftelijk afwees en de daarbij gevoegde stukken terugzond.
  36. Betwist blijft of deze schriftelijke vordering alle geïntimeerden dan wel uitsluitend de AVERO SCHADEVERZEKERINGEN tot voordeel strekt. Appellante houdt namelijk voor dat de voormelde schriftelijke vordering die hier door Seven Seas & C° als averijcommissaris werd uitgebracht, enkel de AVERO SCHADEVERZEKERINGEN tot voordeel kan strekken, zodat de vordering voor zover ingesteld door de overige geïntimeerden verjaard is. Geïntimeerden argumenteren daarentegen dat de voormelde schriftelijke vordering alle verzekeraars alsook de verzekerde tot voordeel strekt en niet beperkt is tot de leidende verzekeraar. Nog volgens geïntimeerdeen werkt een rechtsgeldige schriftelijke vordering schorsend voor alle bij de overeenkomst betrokken partijen. 9.
  37. Een schriftelijke vordering aan het adres van de vervoerder, welke vordering de korte verjaringstermijn van één jaar schorst, kan uitgaan van de afzender of de bestemmeling, en dit desgevallend door toedoen van een gemachtigde of lasthebber. (zie o.a. Cass., 7 november 1983, R.H.A., 1985, 87) Maar ook de verzekeraars of de averijcommissaris, wat hier het geval is, kunnen de schriftelijke vordering instellen. 9.
  38. Uit de voorliggende stukken blijkt dat ingevolge de betaling van een bedrag van 17.262,34 EUR, de afzender (UCB - elfde geïntimeerde) de NV AVERO SCHADEVERZEKERINGEN op 19 maart 2003 conventioneel subrogeerde in al haar rechten, waarna de NV AVERO SCHADEVERZEKERINGEN als gesubrorgeerd leidend ladingverzekeraar Seven Seas & C° gelastte om in haar naam en voor haar rekening verhaal uit te oefenen. (stuk 5 - geïntimeerden) Ook in de hiervoor vermelde schriftelijke vordering bevestigt Seven Seas & C° uitdrukkelijk dat zij door de gesubrogeerde ladingverzekeraar AVERO SCHADEVERZEKERINGEN werd gelast. Vermits, zoals vermeld, de afzender (UCB - elfde geïntimeerde) de NV AVERO SCHADEVERZEKERINGEN reeds op 19 maart 2003 subrogeerde in al haar rechten, kan de door Seven Seas & C° op 9 april 2003 geformuleerde schriftelijke vordering haar onmogelijk nog tot voordeel strekken. Voor de NV UCB geldt dan ook de normale verjaringstermijn, zodat moet worden vastgesteld dat de bij dagvaarding van 26 maart 2004 uitgebrachte vordering, voor wat de NV UCB betreft, verjaard is. 9.
  39. Verder blijkt ook uit niets dat de voormelde schriftelijke vordering ook de geadresseerde COATES LORILLEUX SCREEN tot voordeel kan strekken. Zelfs indien, zoals geïntimeerden voorhouden, een rechtsgeldige schriftelijke vordering schorsend werkt voor alle bij de overeenkomst betrokken partijen, dan nog moet worden vastgesteld dat niet wordt aangetoond dat de voormelde geadresseerde wel degelijk partij was bij de vervoersovereenkomst. Geen enkele van de voorgelegde stukken toont immers aan dat COATES LORILLEUX SCREEN de goederen of de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen en aldus partij werd aan de vervoersovereenkomst. Ook voor wat COATES SCREEN LORILLEUX betreft dringt zich de vaststelling op dat de bij dagvaarding van 26 maart 2004 uitgebrachte vordering verjaard is. 9.
  40. Appellante, die zich voor wat de ontvankelijkheid van de door eerste tot en met tiende geïntimeerde oorspronkelijk uitgebrachte vordering naar de wijsheid van het Hof gedraagt en de hoedanigheid van AVERO SCHADEVERZEKERINGEN als leidend verzekeraar niet betwist, kan bezwaarlijk ernstig voorhouden dat de door Seven Seas & C° geformuleerde schriftelijke vordering enkel AVERO SCHADEVERZEKERINGEN tot voordeel kan strekken. Hiervoor werd reeds vastgesteld dat de voorliggende stukken naar genoegen van recht aantonen dat de in de inleidende dagvaarding vermelde verzekeraars het risico hebben onderschreven en dat deze verzekeraars de verzekerde hebben vergoed en tot beloop van hun respectievelijk aandeel in de rechten van deze laatste zijn getreden. Het verjaringschorsend effect van de schriftelijke vordering die Seven Seas & C° op 9 april 2003 als lasthebber van de leidend verzekeraar AVERO SCHADEVERZEKERINGEN uitstuurde en die het verhaal van de totaliteit van de uitbetaalde schadepenningen en niet enkel het aandeel van AVERO SCHADEVERZEKERINGEN op het oog heeft, kan dan ook niet worden beperkt tot AVERO SCHADEVERZEKERINGEN maar strekt ook de andere medeverzekeraars tot voordeel. Aldus kan de door appellant ingeroepen verjaring van de oorspronkelijk door tweede tot en met tiende geïntimeerde ingestelde vordering niet worden weerhouden.
  41. Terecht stelde de eerste rechter vast dat in de schriftelijke vordering van Seven Seas & C° die een totale vordering van 15.946,24 EUR vermeld, uitdrukkelijk voorbehoud werd gemaakt voor de expertisekosten van de Engelse experten zodat, wat deze post betreft, geen verjaring kan worden weerhouden. Appellante die zelf benadrukt dat het stricto sensu niet vereist is dat een concreet bedrag in de schriftelijke vordering is opgenomen, kan niet ernstig voorhouden dat zij niet in de mogelijkheid werd gesteld om kennis te nemen van wat van haar werd gevorderd en terzake standpunt in te nemen. Een cijfermatig reeds op 15.946,24 EUR vastgestelde vordering met een uitdrukkelijk voorbehoud om daaraan onder meer nog de expertisekosten toe te voegen laat, voor wat de omvang van de schadevergoedingsaanspraak betreft, aan duidelijkheid niets te wensen over en verhinderde appellante evenmin om ook zonder een cijfermatige begroting standpunt in te nemen met betrekking tot deze expertisekosten. Waar appellante nog opmerkt dat : - het bij de schriftelijke vordering gevoegde onderzoeksrapport van AMACS voorziet dat er geen buitengewone kosten worden gevorderd, - de werkelijke expertisekosten reeds gekend waren op het ogenblik van de schriftelijke vordering maar daarin niet cijfermatig werden vermeld, - deze expertisekosten méér bedragen dan de eigenlijke ladingclaim, doet één en ander aan voormelde vaststellingen geen afbreuk.
  42. Voor wat de gegrondheid van de vordering betreft beroept appellante zich ten onrechte op de ontheffing van haar aansprakelijkheid op grond van artikel 17, 2 CMR-Verdrag. Appellante, die als vervoerder tot een resultaatsverbintenis gehouden is, beweert maar bewijst niet dat het verkeersongeval een omstandigheid uitmaakt die zij niet kon vermijden en waarvan zij de gevolgen niet kon verhinderen. Immers ligt geen enkel concreet bewijs of gegeven voor omtrent het verkeersongeval en/of de omstandigheden waarin het plaatsvond.
  43. De betwisting omtrent de bedragen waartoe appellante als aansprakelijke vervoerder gehouden is blijft beperkt tot de expertisekosten en de vernietigingskosten. 12.
  44. Op volgende relevante overwegingen kende de eerste rechter de ter discussie staande expertisekosten toe : "De meeste rechtbanken aanvaarden de expertisekosten ten laste van de vervoerder (cfr. Ponet en Willems, "De overeenkomst van internationaal wegvervoer CMR - overzicht van rechtspraak 1991 tot 1995, T.B.H., 1998, [p.711], [randnummer] 86). Tijdens de expertise werd er overgegaan tot het sorteren van de beschadigde en niet beschadigde vaten. Een opdeling werd gemaakt van de vaten die als een totaal verlies dienden beschouwd te worden enz.. [Appellante] stelt niet dat de tussenkomst niet nuttig en noodzakelijk zou zijn geweest ter bepaling van de omvang en de begroting van de schade en maakt geen concrete betwisting nopens deze uitleg. In die omstandigheden betreffen deze zelfs zeer hoge expertisekosten, overige met betrekking tot het vervoer gemaakte kosten die krachtens artikel 23,4 CMR Verdrag op de wegvervoerder verhaalbaar zijn (Ponet en Willems, "De overeenkomst van internationaal wegvervoer CMR - overzicht van rechtspraak 1986 tot 1991, T.B.H., 1992, 383 en Kh. Mechelen, 18 november 1999, Europese Vervoerrecht, 2000,432). Tijdens de expertise, wordt uitgelegd, werd overgegaan tot het sorteren van de beschadigde en niet beschadigde vaten. Vastgesteld wordt dat de goederenwaarde van de 79 chemische vaten 101.103 euro bedraagt; hetgeen dan toch op een relatief belangrijk transport wijst. Gespecialiseerd onderzoek door een chemicus met het noodzakelijk personeel heeft plaatsgevonden. Belangrijk is dat bij het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 30.05.2002 (Eur. Vervoerrecht, 2002,475 met noot P. Verguts in het bijzonder voetnoot 34) in België werd gekozen voor de ruime uitleg van art.23 lid 4 CMR. Het Belgische Hof van Cassatie acht een vervoerder aansprakelijk voor alle kosten die niet onafhankelijk zijn van de wijze waarop het transport werd uitgevoerd of niet uitgevoerd( "CMR Internationaal vervoer van goederen over de weg, Algemene CMR-schadevergoedingsregeling - art.23-27 CMR Andringa, 169)" Het Hof verwijst partijen naar deze overwegingen die het juist bevindt en bijtreedt. Het Hof voegt hieraan alleen nog toe dat de expertisekosten - die door een gebrekkige uitvoering van het transport noodzakelijk en tevens nuttig waren tot het bepalen van de omvang van de schade - niet vreemd zijn aan de wijze waarop het transport werd uitgevoerd of niet uitgevoerd en dan ook "met betrekking tot het vervoer gemaakte kosten" in de zin van artikel 23,4 CMR-Verdrag betreffen, welke op de aansprakelijke vervoerder kunnen worden verhaald. 12.2 Zonder nadere motivering en onder de enkele verwijzing naar een uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen van 17 juni 2002, poneerde de eerste rechter dat de vernietigingskosten van 1.975,00 EUR niet verhaalbaar waren op de vervoerder. Het Hof kan deze beoordeling niet bijtreden. Ook deze vernietigingskosten betreffen kosten die niet vreemd zijn aan de wijze waarop het transport werd uitgevoerd of niet uitgevoerd, en die in noodzakelijk verband staan met het vervoer zoals dit door appellante moest worden uitgevoerd. Het incidenteel hoger beroep komt dan ook gegrond voor.
  45. In ondergeschikte orde argumenteert appellante nog dat AVERO SCHADEVERZEKERINGEN maximaal aanspraak kan maken op een bedrag van 5.352,89 EUR nu zij het risico slechts voor 40% heeft onderschreven. Gelet op wat hiervoor onder randnummer 9.
  46. werd geoordeeld komt deze argumentatie niet meer relevant voor zodat het Hof daarop niet verder ingaat.
  47. Op grond van artikel 27, 1 CMR kan de rechthebbende over het bedrag der schadevergoeding rente vorderen. Deze rente, ten bedrage van vijf procent per jaar, loopt vanaf de dag waarop de vordering schriftelijk bij de vervoerder is ingediend of, indien dit niet is geschied, vanaf de dag waarop zij in rechte aanhangig is gemaakt. Eerste tot en met tiende geïntimeerden hebben dan ook recht op een intrest van 5 % vanaf 9 april 2003 datum waarop de schriftelijke vordering werd uitgebracht.
  48. Overeenkomstig de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. verwijst het Hof appellante en geïntimeerden respectievelijk in acht en twee tienden van de kosten van het hoger beroep, zoals hierna verder begroot. Waar het incidenteel beroep van de geïntimeerde moet beschouwd worden als deel uitmakend van het verweer op het hoofdberoep wordt er slechts één rechtsplegingsvergoeding toegekend. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en in beperkte mate gegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat het : - de zaken gekend onder rolnummers A/04/00433 en A/04/00576 samenvoegt, - het verzet van appellante als ontvankelijk maar grotendeels als ongegrond afwijst, - appellante in vijf zesden en geïntimeerden in het overige zesde van de gedingkosten van het verzet verwijst, - de aan de zijde van appellante en geïntimeerden gevallen kosten van het verzet begroot, Doet het bestreden vonnis voor het overige teniet en opnieuw rechtdoende, Hervormt het op 8 april 2004 inzake AR A/04/00433 bij verstek gewezen vonnis als volgt, Verklaart de door N.V. UCB en COATES LORILLEUX SCREEN Ltd. ingestelde vordering ontvankelijk maar vervallen door verjaring, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de eerste tot en met tiende geïntimeerden ontvankelijk en als volgt gegrond, Veroordeelt appellante om aan eerste tot en met eerste en tiende geïntimeerde te betalen de som van 15.946,24 EUR én 11.120,32 Britse Pond, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan 5% op jaarbasis vanaf 09 april 2003 tot de dag van de volledige betaling, deze intresten vanaf 26 maart 2004 te aanzien als gerechtelijke intresten, en met acht tienden van de aan de zijde van de oorspronkelijke geïntimeerden gevallen kosten, begroot op 258,44 EUR als dagvaardingskosten en 342,096 EUR als rechtsplegingsvergoeding, Verstaat dat de betaling aan één van de voormelde geïntimeerden bevrijdend werkt ten aanzien van de overige geïntimeerden, Verwijst appellanten en geïntimeerden respectievelijk in acht en twee tienden van de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van appellante begroot op 186,00 EUR als rolrechten hoger beroep en 2.000,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, en aan de zijde van geïntimeerden begroot op 2.000,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op drieëntwintig februari tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.