← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090223.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090223.8 Rolnummer: 2008/AR/1860 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-06-02 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 19:15 Fiche De vereffenaar van de vennootschap vertegenwoordigt niet de schuldeiser noch de aandeelhouders. Bij de beslissing nopens de bestemming van het surplus nà vereffening van het faillissement, heeft de vereffenaar van de vennootschap geen enkel belang. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Bijzondere betekeningen - Vereffening - Faillissement Vrije woorden: Vereffening van vennootschappen - Surplus na vereffening van faillissement - Bestemming - Belang van gewezen vereffenaar bij beslissing over de bestemming. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 23-02 2009 Nr. 2008/AR/1860 ------------------------ HOGER BEROEP ONONTVANKELIJK in de zaak van : P.V.E., , wonende te , in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de vereffende vennootschappen - NV TORAL, met maatschappelijke zetel te 8620 Nieuwpoort, Kinderlaan 19 en met ondernemingsnummer 0405.221.755, - NV ZUIDPARK, met maatschappelijke zetel te 8970 Koksijde-Oostduinkerke, Polderstraat 158 en met ondernemingsnummer 0402.776.068, - NV COFINAC, met maatschappelijke zetel te 8670 Koksijde-Oostduinkerke, Polderstraat 158 en met ondernemingsnummer 0406.709.914, alle drie in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Veurne van 01.04.191 en waarvan het faillissement gesloten werd bij vonnis van dezelfde rechtbank van 27.12.2006, appellant q.q. van het vonnis van de rechtbank van koophandel te Veurne van 14 mei 2008, hebbende als raadsman mr. Tony De Bouvrie, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Burgstraat 16, tegen

  1. N.V. FORTIS BANK, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3 en met ondernemingsnummer 0403.199.702, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Stefaan Beele, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 26a,
  2. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op verzoek van de ontvanger der directe belastingen te Brugge, tweede kantoor, G. Vincke Dujardinstraat 4 te 8000 Brugge, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Pierre Debra, advocaat met kantoor te 8630 Veurne, Oude Beestenmarkt 18,
  3. Mr. I. H., met kantoor te , optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV TORAL, de NV ZUIDPARK en de NV COFINAC, voornoemd, geïntimeerde q.q., ter terechtzitting van 26 januari 2009 vertegenwoordigd door mr. Sarah Van Parys, advocaat te Brugge,
  4. V. A., , wonende te ,
  5. U. D., , wonende te
  6. C. D., , wonende te
  7. J. D., , wonende te ,
  8. N.V. ZEEBRUGGE CARAVANS, met maatschappelijke zetel te 8000 Brugge, Pathoekeweg 39 en met ondernemingsnummer 0408.392.962, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Martine Van Elslander, advocaat met kantoor te 8000 Brugge, Filips de Goedelaan 11, velt het Hof volgend arrest : De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten. ANTECEDENTEN I. In eerste orde zij er verwezen naar het bestreden vonnis van 14 mei 2008 (blz. 4 tot en met 7) onder "
  9. Standpunten en vorderingen van partijen ", alwaar niet alleen de respectieve standpunten van de partijen wordt uiteengezet maar ook de voorafgaande procedure. Voor de goede orde zij ook verder duidelijk vermeld wat uit de voorliggende procedure, stukken en uiteenzettingen van de partijen kan worden besloten, met name: a. Met vonnis van 1 april 1981 worden de naamloze vennootschappen Toral, Zuidpark en Cofinac in staat van faillissement verklaard, met onder meer Meester I.H. als medecurator. De faillissementen werden tevens samengevoegd. b. Op 27 maart 2006 vindt een eerste afrekeningsvergadering plaats, waarop beslist wordt deze verder te zetten. Op 29 mei 2006 vindt de slotvergadering voor de afrekening plaats. Op deze slotvergadering verklaren alle aanwezige partijen zich " akkoord met de afsluitingsvergadering op heden ". De NV Fortis Bank en de Ontvanger van Belastingen verklaren echter zich uitdrukkelijk te verzetten tegen elke uitbetaling van het batig saldo van het faillissement aan de aandeelhouders, aangezien zij aanspraak maken op de intresten van hun respectieve schuldvorderingen. Op het proces-verbaal van de slotvergadering wordt verder ook vermeld dat zij vragen dat de rechtbank bij het vonnis over de sluiting van de faillissementen, een gerechtelijk vereffenaar zou aanstellen die gelast is met de vereffening van het batig saldo en dat minstens zou worden beslist zoals gevraagd in de conclusies van de Belgische Staat en de NV Fortis Bank. c.
  10. Op datum van 27 december 2006 wordt door de rechtbank van koophandel, op eenzijdig verzoek van Mr.I.H. als medecurator, bij vonnis als volgt beslist: - de bewerkingen van de voormelde samengevoegde faillissementen worden voor gesloten verklaard door vereffening; verder: " zegt voor recht dat deze beslissing tot sluiting van de verrichtingen van het faillissement de rechtspersonen ontbindt en de onmiddellijke sluiting van haar vereffening meebrengt " - " zegt voor recht dat in toepassing van art. 185 van het Wetboek van Vennootschappen als vereffenaar wordt beschouwd, de heer P.V.E., gedelegeerd-bestuurder, wonende te (...) " - " legt de kosten van deze procedure lastens de boedel ."
  11. Op derdenverzet van de NV Fortis Bank, waarbij - dhr.P.V.E. in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de voormelde faillissementen wordt betrokken, - de Belgische Staat, V.A., U.D., C.D., J.D. en de NV Zeebrugge Caravans als schuldeisers van de faillissementen, vrijwillig tussenkomen alsook op derdenverzet van V.A., U.D., C.D., J.D. en de NV Zeebrugge Caravans, waarbij - Mr.I.H. als curator van de voormelde faillissementen én - dhr.P.V.E. in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de voormelde faillissementen, worden betrokken "ontvangt" de eerste rechter in zijn (alhier bestreden) vonnis van 14 mei 2008 de derdenverzetten, voegt ze samen en " Doet het vonnis van 27 december 2006 teniet in zoverre het besliste niet in te gaan op de vraag van de NV Fortis Bank en de Belgische Staat naar aanleiding van de slotvergadering van de schuldeisers d.d. 29 mei 2006 om een gerechtelijk vereffenaar aan te stellen gelast met de vereffening van het batig saldo. Stelt de gewezen curator, I. H. aan tot vereffenaar ad hoc en gelast hem met de vereffening van het batig saldo, door uitbetaling aan de inzake zijnde schuldeisers en dit binnen een termijn van drie maanden vanaf dit vonnis. De vereffenaar zal na uitbetaling van eisers op derdenverzet zijn staat van onkosten en ereloon voorleggen ter begroting door de rechtbank. Het eventueel resterend positief saldo zal op de Deposito- en Consignatiekas worden geplaatst waar het ter beschikking zal zijn van de aandeelhouders van (de) vereffende vennootschappen. Houdt inmiddels de beslissing nopens de kosten aan. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. " II. A. De heer P.V.E., in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de vereffende vennootschappen, vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van alle vorderingen in derdenverzet als onontvankelijk, minstens als ongegrond. Zeer ondergeschikt vraagt hij dat de opdracht van de vereffenaar ad hoc zou geherformuleerd worden in die zin dat hij opdracht zou ontvangen om de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vorderingen grondig te onderzoeken, en dan na het definitief worden van de beslechting van eventuele geschillen, het verschuldigde zou uitbetalen. B. De NV Fortis Bank vraagt in het dispositief van haar besluiten de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. Uit de motivering van haar besluiten blijkt echter dat zij in eerste orde de afwijzing van het hoger beroep als onontvankelijk vordert. De Belgische Staat vraagt de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. Mr.I.H. q.q. verklaart ter pleitzitting van 26 januari 2009 dat hij zich gedraagt naar de wijsheid van het hof. V.A., U.D., C.D., J.D. en de NV Zeebrugge Caravans, vorderen de afwijzing van het hoger beroep als onontvankelijk, minstens als ongegrond. Zij formuleren evenwel ook een tussenvordering (waarvan verder sprake onder II. van de "beoordeling" hieronder). BEOORDELING I. A. Voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep dient de appellant, alhier dhr.P.V.E. q.q., zijnde in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de kwestieuze vennootschappen, over het wettelijk vereiste belang en dito hoedanigheid te beschikken (art. 17 Ger.W.). Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (Laenens, J., Broeckx, K. en Scheers, D., Handboek gerechtelijk recht, nr. 131, p. 84). De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte treedt. B. De drie naamloze vennootschappen waren in staat van faillissement verklaard. De faillissementswerkzaamheden werden voor gesloten verklaard door vereffening. Met toepassing van art. 83 Faillissementswet, iuncto art. 185 W.Venn. is dhr. P.V.E. aangesteld als vereffenaar bij vonnis van 27 december
  12. Er kan niet ingezien worden welk materieel of zelfs maar moreel voordeel dhr. P.V.E. in zijn hoedanigheid van vereffenaar kan hebben bij het betwisten van de beslissing d.d. 14 mei 2008 van de eerste rechter die het vonnis van 27 december 2006 in grote mate onaangeroerd heeft gelaten, doch heeft vastgelegd dat de inzake zijnde schuldeisers aanspraak konden maken op intresten en dat er tot de uitbetaling van die intresten een vereffenaar ad hoc zou worden aangesteld.. C. a. Het is juist dat de vereffenaar zich moet kunnen verweren en dat hij, in de mate hij in die hoedanigheid ook maar enig nadeel ervaart, hij hoger beroep moet kunnen in instellen. De eerste rechter heeft dhr. P.V.E. q.q. echter tot niets veroordeeld, ook niet tot de rechtsplegingsvergoeding. De beslissing nopens de gerechtskosten is door de eerste rechter aangehouden. De eerste rechter heeft in zijn alhier bestreden vonnis van 14 mei 2008 vastgesteld dat het surplus aan actief in eerste instantie naar de inzake zijnde schuldeisers moet gaan (tot aanzuivering van de intresten), terwijl in het vonnis d.d. 27 december 2006 waartegen derdenverzet was aangetekend, beslist is geworden dat het surplus aan actief meteen naar de aandeelhouders mocht gaan. Dhr. P.V.E. heeft in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de kwestieuze vennootschappen geen enkel belang bij de uitkomst van die betwisting. De belangen van de schuldeisers en de aandeelhouders liggen in de weegschaal, niet die van de vennootschappen die hoogstens nog over een beperkte passieve rechtspersoonlijkheid beschikken na de beslissing over de sluiting van de faillissementswerkzaamheden door vereffening. b. In zijn gezegde hoedanigheid treedt hij enkel op voor de vennootschappen, niet voor de schuldeisers noch voor de aandeelhouders. Waar hij als vereffenaar desbetreffend standpunt inneemt en dienvolgens hoger beroep aantekent, beschikt hij niet over de vereiste wettelijke hoedanigheid. Hij is q.q. immers niet beschikkingsbevoegd over de aangevoerde rechten ( cf. M.E.Storme, Procesrechtelijke knelpunten bij de geldend making van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, in het bijzonder belang, hoedanigheid en rechtsopvolging, in "Recht halen uit aansprakelijkheid", ed. M.Storme, Gent, Mys & Breesch, 1993, 198). c. Dat de beslissing nopens de verdeling van het surplus aan actief de drie vennootschappen "raakt" (zie besluiten voor de appellant q.q., neergelegd op 28 november 2008, blz. 6, bovenaan), is evident. Doch dit "raken" heeft niets te maken met een materieel of moreel belang van de vennootschappen als dusdanig. Wie materieel en moreel in hun belangen getroffen worden, zijn hoogstens de schuldeisers en de aandeelhouders, doch niet de kwestieuze vennootschappen die ten deze louter de "lijdende voorwerpen" zijn en die niets anders kunnen doen dan toezien. d. De appellant q.q. heeft het ook over de mogelijkheid van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Zelfs indien dit zo zou zijn, dan is dit volkomen irrelevant in de verhouding die hij q.q. ten opzichte van de geïntimeerden heeft m.b.t. de aan de orde zijnde vraag naar de verdeling van het surplus aan activa. e. Waar de appellant q.q. vermeldt dat, indien zijn hoger beroep onontvankelijk wordt verklaard, de "(ex-)aandeelhouders van de ontbonden vennootschappen op hun beurt derdenverzet zullen aantekenen tegen de bestreden beslissing" (zie besluiten voor de appellant q.q. 28 november 2008, blz. 6, randnummer 3.6), zodat er in zijnen hoofde sprake is van een "proceseconomisch belang", kan hij hoegenaamd niet gevolgd worden. Dat anderen misschien wél over de vereiste hoedanigheid en dito belang beschikken, brengt niet met zich mee dat de appellant q.q. die dan ook zou hebben. D. Het hoger beroep is onontvankelijk. II. Zonder dat zij die vordering hernemen in het dispositief van hun besluiten, hebben de schuldeisers V.A., U.P., C.D., J.D. en de NV Zeebrugge Caravans het over een zijdelingse vordering tegen dhr.P.V.E. in eigen naam, tot vordering van de intresten van de schuldvordering van dhr. P.V.E. op de gefailleerden - daar zij een opeisbare vordering zouden hebben ten laste van dhr. P.V.E. - (zie hun besluiten neergelegd op 30 december 2008, blz. 10 en 11). Deze tussenvordering en de vordering van gerechtskosten (beslagkosten) die ermee verbonden zijn, zijn hoe dan ook onontvankelijk. Immers, dhr. P.V.E. is in eigen naam niet eens in zake. III. De gerechtskosten Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. wordt de appellant q.q. veroordeeld tot de gerechtskosten. Over concrete bedragen gaat het niet: slechts het principe van de aanstelling van een vereffenaar ad hoc en de bestemming van het surplus aan actief zijn aan de orde. Aldus is de in zake zijnde rechtsplegingsvergoeding die van 1.200,00 EUR. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep en de tussenvordering vanwege V.A., U.D., C.D., J.D. en de NV Zeebrugge Caravans, alle onontvankelijk; Veroordeelt de appellant q.q. tot de gerechtskosten verbonden aan onderhavige beroepsprocedure, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan zijn zijde daar zij te zijnen laste q.q. blijven, en vastgesteld aan de zijde van - de NV Fortis Bank op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding, - de Belgische Staat op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding, - V.A., U.D., C.D., J.D. en de NV Zeebrugge Caravans eveneens op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en - Mr.I.H. in zijn hoedanigheid van curator op nihil. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op drieëntwintig februari tweeduizend en negen. Repertorium nr. 2009/ A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele P. Vanherpe Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.