id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090225.7 Rolnummer: 2007/AR/790 Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-22 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-07-02 19:17 Fiche - Het belang is elk materieel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd of verbeterd kan worden - Een partij die beweert titularis te zijn van subjectieve rechten, waarvan zij de naleving in rechte vordert, beschikt over de vereiste hoedanigheid. - Hij die een wisselbrief voor aval ondertekend kan zich niet beroepen op een voorrecht van uitwinning. - De kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidstelling is het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidsteller kan genieten ten gevolge van de zekerheidstelling. - De omstandigheid dat de zaakvoerder van een bvba vergoedingen betrok uit de vennootschap in een andere hoedanigheid dan als persoonlijke zekerheidsteller sluit niet uit dat deze vergoedingen een economisch voordeel kunnen uitmaken dat de zekerheidsteller kan genieten als gevolg van de zekerheidstelling voor de vennootschap. - Voor de beoordeling van de kosteloosheid dient de rechter zich te stellen op het ogenblik dat de zekerheid wordt verleend. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - WAARDEPAPIEREN - Wisselbrief BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht - Kosteloze borgtocht Vrije woorden: - Toelaatbaarheid - belang - hoedanigheid - wisselbrief - aval - Bevrijding kosteloze borg - begrip kosteloosheid zaakvoerder - tijdstip van beoordeling van de kosteloosheid Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 25 februari 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/790 van: nv DEXIA COMMERCIAL FINANCE (voorheen genaamd nv DEXIA FACTORS), met zetel te 1000 Brussel, Livingstonelaan 6, met ondernemingsnr.: 0440.627.349, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 31-1-2007, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. DECLERCQ Frieda, advocaat te 1000 Brussel, Antoine Dansaertstraat 92 tegen : V. D. V. G., helper, wonende te ................, geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, hebbende als raadsman mr. DELLAERT Dirk, advocaat te 9900 Eeklo, Boelare 115 A velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 21 maart 2007, stelde de nv Dexia Factors, thans nv Dexia Commercial Finance (hierna "Dexia" genoemd) hoger beroep in tegen het vonnis dat op 31 januari 2007 op tegenspraak tussen partijen werden gewezen door de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Gent. Er ligt geen akte van betekening van het bestreden vonnis voor. Dexia vermeldt in haar verzoekschrift dat het op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep nog niet was betekend en G. V. d. V. (hierna "V. d. V." genoemd) heeft dit niet tegengesproken. Het hoger beroep, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk. Antecedenten I.
- Bij dagvaarding van 2 september 2005 vorderde Dexia de veroordeling van V. d. V. tot betaling van 13.829,46 EUR, vermeerderd met een provisie van 70,00 EUR voor protestkosten, 12,50 EUR kosten ingebrekestelling en 562,27 EUR moratoire intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, waarin begrepen de kosten van bewarend onroerend beslag. Dexia zette uiteen dat zij houdster was van een wissel, uitgegeven op 24 november 2004 met als trekker de nv Antilia, als betrokkene de bvba Van De Veire en die voor aval ondertekend was door V. D. V..
- V. D. V. stelde dat hij de wissel van de nv Antilia, getrokken naar aanleiding van een aankoop van goederen, ondertekend had als zaakvoerder van de bvba Van De Veire. Bovendien verklaarde hij dat hij "buiten alle kennis van zaken" de wissel ook voor aval ondertekend had. Hij betwistte de rechtsgeldigheid van het aval. Verder beriep V. D. V. zich op de "exceptie van bevrijding van de persoonlijke zekerheidsteller." Hij zette uiteen dat de bvba Van De Veire in staat van faillissement was verklaard op 30 december
- Hij wees erop dat, in toepassing van de overgangsbepalingen van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet, Dexia uiterlijk op 7 november 2005 een verklaring had dienen neer te leggen ter griffie met vermelding van de naam, de voornaam en het adres van de persoonlijke zekerheidsteller. Hij stelde vast dat zij dit niet gedaan had en meende dat dit tot gevolg had dat hij als zekerheidsteller bevrijd was. Bij gebrek aan een dergelijke verklaring diende volgens V. D. V. de vraag of hij al dan niet een kosteloze zekerheidsteller was, niet onderzocht te worden. Ten slotte nodigde V. D. V. Dexia uit kopie voor te leggen van haar aangifte in het faillissement en informatie over het eventueel door haar reeds ontvangen dividend. Hij besloot tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid, van de vordering van Dexia en haar veroordeling tot de gedingkosten.
- Dexia volhardde in haar vordering en wees erop dat de bevrijding van de persoonlijke zekerheidsteller enkel mogelijk is indien zijn engagement een kosteloos karakter heeft. Dit was volgens haar niet het geval, omdat V. D. V., als zaakvoerder van de bvba Van De Veire, er persoonlijk belang bij had dat de verrichtingen, die hij waarborgde, tot stand kwamen. Zij zette uiteen dat de wisselbrief, die V. D. V. voor aval ondertekende, betrekking had op een factuur met als voorwerp de levering van dakpanelen, sandwichpanelen en onderdelen. Zij stelde dat V. D. V. niet kon voorhouden onwetend te zijn geweest van de betekenis van de wisselbrief en van het feit dat hij hem voor aval ondertekend had, noch over de financiële situatie van de bvba Van De Veire, waarvan hij de zaakvoerder was.
- De eerste rechter wees de vordering van Dexia af als niet toelaatbaar en verwees haar in de kosten van het geding. Onder verwijzing naar artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet overwoog de eerste rechter dat het niet betwist werd dat Dexia genoot van een persoonlijke zekerheidsstelling in de vorm van het aval door V. D. V.. Hij stelde vast dat geen bewijs voorlag dat Dexia tegen 7 november 2005 en dus tijdig een bijkomende verklaring had neergelegd ter griffie. Bij gebrek aan een dergelijke verklaring achtte hij V. D. V. bevrijd van zijn verbintenissen voortvloeiend uit het aval en verklaarde hij de vordering van Dexia niet toelaatbaar. II.
- Het hoger beroep van Dexia strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en, opnieuw wijzende, haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond verklaart en V. D. V. veroordeelt tot de sommen, zoals gevorderd voor de eerste rechter, evenals tot de gerechtskosten in beide aanleggen. Zij vraagt dat de tegenvordering van V. D. V. wegens tergend en roekeloos geding als ongegrond wordt afgewezen. Dexia herhaalt de middelen die zij voor de eerste rechter heeft ingeroepen. Bovendien argumenteert zij, onder verwijzing naar een arrest d.d. 17 april 2008 van het Grondwettelijk Hof dat, bij gebrek aan bijkomende verklaring verricht door de schuldeiser op grond van artikel 10, eerste lid, 1° van de wet van 20 juli 2005, een persoonlijke zekerheidsteller slechts bevrijd is in de mate dat zijn zekerheidstelling kosteloos gebeurde. Zij stelt dat dit niet het geval is voor V. D. V.. Zij zet uiteen dat: - bvba Van De Veire een aannemingsbedrijf uitbaatte dat gespecialiseerd was in industriebouw en een beroep deed op de nv Antilia voor aanlevering van dakpanelen, doch dat de nv Antilia, gelet op een eerder geprotesteerde (doch later betaalde) wissel slechts bereid was te leveren, indien V. D. V. de wisselbrief voor aval ondertekende; - V. D. V. medeoprichter en statutair zaakvoerder is van de bvba Van De Veire en de wisselbrief voor aval ondertekende om de levering van dakpanelen op een werf Michielsen van de bvba Van De Veire mogelijk te maken; - V. D. V. zich persoonlijk zeker heeft gesteld om de levering te laten plaatsvinden teneinde het werk tot een goed einde te brengen en met de bedoeling winst te genereren voor de vennootschap en het feit dat deze verwachting niet kon worden ingevuld door het faillissement van de bvba Van De Veire, niet belet dat hij een persoonlijk financieel en economisch voordeel nastreefde. Verder wijst Dexia erop dat uit een attest van de curator van de bvba Van De Veire blijkt dat er geen dividend zal zijn voor haar vordering.
- V. D. V. vraagt dat het hof het hoger beroep van Dexia afwijst als ongegrond, zijn tegenvordering ontvankelijk en gegrond verklaart en Dexia veroordeelt tot betaling van 1.500,00 EUR, meer de gerechtelijke intresten, wegens tergend en roekeloos hoger beroep, evenals tot de gedingkosten. Hij herneemt het verweer dat hij voor de eerste rechter heeft ingeroepen. Bovendien argumenteert hij dat Dexia geen enkele rechtsband heeft met hem en dat zij niet bewijst iets betaald te hebben aan de nv Antilia. Hij volhardt in zijn stelling dat Dexia op grond van artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 altijd een verklaring diende neer te leggen, aangezien het niet aan haar maar aan de rechtbank toekwam te oordelen of de zekerheidstelling kosteloos was of niet. Door geen verklaring in te dienen gaf Dexia volgens V. D. V. te kennen dat zij ten aanzien van hem geen aanspraken wenste te formuleren. Volgens V. D. V. doet het arrest van het Grondwettelijk Hof van 17 april 2008 geen afbreuk aan zijn stelling. Verder roept V. D. V. in dat de zekerheid kosteloos is, onder meer omdat de dakpanelen die het voorwerp uitmaakten van de factuur, waarvoor de wissel getrokken werd die hij voor aval ondertekende, uitsluitend werden aangewend voor het maatschappelijk doel van de bvba Van De Veire en niet voor haarzelf, een van haar aandeelhouders of haar zaakvoerder. Hij stelt dat uit de aanslagbiljetten voor de inkomstenbelastingen blijkt dat hem geen vergoeding werd toegekend voor de zekerheidstelling, doch dat hij enkel een bezoldiging als zaakvoerder ontving, die in 2004 op jaarbasis slechts 2.730,00 EUR bedroeg. Voorts benadrukt hij dat de zekerheidstelling dateert van 5 weken voor het faillissement en dat hem "om evidente redenen" geen enkele vergoeding meer is toegekend door de vennootschap in de periode tussen de datum van ondertekening van het aval en de datum van het faillissement. Hij betoogt dat het aval enkel de curator tot voordeel strekte aangezien de leveringen die daardoor mogelijk werden toelieten het werk bij de klant Michielsen volledig af te werken en - na faillissement - betaling ervan te bekomen. V. D. V. stelt verder dat hij in het verleden nooit enige persoonlijke borgstelling had onderschreven ten gunste van een derde. Het ondertekenen van het aval gebeurde volgens hem "accidenteel" aangezien hij niet wist wat "aval" betekent. Hij benadrukt dat het faillissement van de bvba Van De Veire nog niet afgesloten is en dat het niet zeker is dat er geen dividend zal zijn voor de nv Antilia. V. d. V. acht de houding van Dexia tergend en roekeloos in de mate dat zij, zonder nieuwe elementen aan te voeren, hoger beroep instelt tegen het vonnis dat terecht heeft vastgesteld dat zij zich niet op de zekerheidstelling kon beroepen, omdat zij niet tijdig de wettelijke vereiste verklaring had neergelegd. Beoordeling I.
- Dexia is procesbekwaam en beschikt over hoedanigheid en belang om van V. D. V. betaling te vorderen. Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 131, p. 83). Dexia mag bij het instellen van haar vordering tegen V. D. V., van wie zij betaling eist van een som geld, materieel voordeel verwachten. Alle middelen die V. D. V. inroept om de aanspraak van Dexia te betwisten, waaronder het beweerd ontbreken van een rechtsband tussen partijen en van een bewijs dat Dexia de trekker van de wissel betaald heeft, het feit dat zij geen bijkomende verklaring heeft ingediend in het kader van de wet van 20 juli 2005, zijn stelling dat de zekerheidstelling kosteloos was en dat het niet uitgesloten is dat Dexia nog een dividend ontvangt uit het faillissement, betreffen niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid van de vordering, maar de gegrondheid ervan. De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte treedt. In zover Dexia beweert als houder van de wissel ten aanzien van V. D. V. als avalgever titularis te zijn van de subjectieve rechten, waarvan zij de naleving in rechte vordert, heeft zij hoedanigheid om haar vordering in te stellen, ook al wordt betwist dat zij deze rechten kan uitoefenen. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, betreft immers niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering (vgl. CASS. 2 april 2004, Eur. Vervoerr. 2004, 417; CASS., 28 september 2007, www.cass.be).
- Dit geldt ook voor het onderzoek naar de vraag of Dexia ertoe gehouden was de bijkomende verklaring in te dienen, waarvan sprake in artikel 10 van de wet van 20 juli
- Wanneer men, zoals de eerste rechter, tot het besluit zou komen dat deze verplichting gold voor elke schuldeiser, ongeacht of zijn vordering gewaarborgd was door een kosteloze dan wel een niet kosteloze zekerheidsteller, dan zou het ontbreken van een dergelijke verklaring niet leiden tot de ontoelaatbaarheid of onontvankelijkheid van de vordering van Dexia, maar enkel tot haar ongegrondheid. Ook in die hypothese voldeed Dexia nog steeds aan de algemene toelaatbaarheidsvereisten, terwijl het niet neerleggen van de voormelde verklaring evenmin een bijzondere toelaatbaarheidsvereiste is. De vordering van Dexia is dan ook toelaatbaar of ontvankelijk. II.
- Dexia stelt haar vordering als houder van een wisselbrief van 13.829,46 EUR, op 24 november 2004 getrokken door de nv Antilia met als vervaldag 31 januari
- De betrokkene van deze wisselbrief was de bvba Van De Veire, die hem accepteerde. V. D. V. ondertekende deze wisselbrief voor de betrokkene. Bovendien ondertekende hij hem een tweede keer als aval voor de trekker.
- De wisselbrief is een waardepapier dat een onvoorwaardelijke opdracht inhoudt om op de vervaldag een bepaalde som geld te betalen aan de nemer van de titel of aan diens order. De wisselverhouding staat los van de onderliggende verhouding die aan het trekken van de wissel ten grondslag ligt. De voorliggende wisselbrief voldoet aan alle formele vereisten, zodat de daaruit voortvloeiende wisselverbintenissen geldig zijn. Ingevolge de acceptatie van de wisselbrief is de betrokkene - bvba Van De Veire - de hoofdwisselschuldenaar. Het aval is een wisselrechtelijke borgtocht. De avalgever gaat een zelfstandige verbintenis aan zodat een schuldenaar aan de wisselbrief wordt toegevoegd. De avalgever staat in voor de acceptatie en de betaling. Hij is, samen met alle anderen wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, hoofdelijk verbonden jegens de houder van de wisselbrief. V. D. V. heeft de wisselbrief, getrokken door de nv Antilia, ondertekend als aval voor rekening van de betrokkene. Hij is aldus, hoofdelijk met de bvba Van De Veire, gehouden tot betaling van het bedrag van de wisselbrief aan de houder ervan.
- V. D. V. kan niet ernstig voorhouden dat hij zich niet geldig zou verbonden hebben, omdat hij niet wist dat hij de wisselbrief als avalgever ondertekende, noch wat de betekenis daarvan was. Als zaakvoerder van een vennootschap was het gebruik van de wisselbrief als betaal- en kredietinstrument hem ongetwijfeld bekend. De vermeldingen op de wisselbrief zijn daaromtrent duidelijk. Hij kan trouwens redelijkerwijze niet verklaren waarom hij de wisselbrief tweemaal, op twee verschillende plaatsen, ondertekende, wanneer hij enkel de bvba Van De Veire, waarvan hij de zaakvoerder was, zou verbonden hebben. De omstandigheden waarin de litigieuze wisselbrief werd uitgeschreven bevestigen trouwens dat V. D. V. zeer goed de draagwijdte van zijn handelen onderkende. Hij legt met name uit dat de bvba Van De Veire zich reeds in financiële moeilijkheden bevond en de nv Antilia, die leverancier was van dakpanelen, die de bvba Van De Veire nodig had om een werk te kunnen beëindigen, slechts wilde leveren op voorwaarde dat de betreffende wissel werd geaccepteerd en voor aval ondertekend. Deze leverancier wenste, naast haar in moeilijkheden verkerende klant, over een tweede schuldenaar te beschikken die tot betaling gehouden was.
- Uit de voorliggende stukken blijkt dat de wisselbrief, die uitgereikt was aan order van Dexia, door haar op de vervaldag ter betaling werd aangeboden. Hij werd geprotesteerd op 2 februari 2005 en de Nationale Bank leverde op dezelfde datum een attest van niet-betaling af aan Dexia. De opmerking van V. D. V. dat Dexia niet bewijst dat zij de nv Antilia betaald heeft, is niet ter zake dienend. De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene voor wie het aval is gegeven (artikel 32 van de WISSELBRIEFWET - Boek I, Titel VIII W. Kh.). Hij dient immers de wisselbrief te betalen op de enkele voorlegging ervan door Dexia, die er de houder van is.
- Evenmin kan V. D. V. als avalgever opwerpen dat Dexia hem pas kan aanspreken, nadat vaststaat dat zij niets zal ontvangen uit het faillissement van de bvba Van De Veire. Hij kan zich niet beroepen op het voorrecht van uitwinning (artikel 2021 B.W.). De bepalingen van het burgerlijk wetboek met betrekking tot de borgtocht zijn immers niet toepasselijk op de avalgever van een wisselbrief, omdat de avalgever een onafhankelijke schuldenaar is, wiens rechten en verplichtingen door het wisselrecht worden bepaald (vgl. CASS. 3 april 1981, Arr. Cass. 1980-1981, 874). Dexia legt overigens een fiscaal attest voor van de curator van de bvba Van De Veire, die bevestigt dat er geen dividend zal zijn voor de chirografaire schuldeisers en dat de vordering van Dexia moet aangezien worden als oninbaar en definitief verloren. III.
- V. D. V. werpt op dat de vordering van Dexia ongegrond is omdat hij bevrijd is van zijn betalingsverbintenis tegenover Dexia. Hij beroept zich daartoe op de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen. Onder de daarin bepaalde voorwaarden kunnen natuurlijke personen, die zich kosteloos persoonlijk zeker gesteld hebben voor een gefailleerde, bevrijd worden. Er wordt aangenomen dat, naast de borg, ook andere zekerheidstellers in aanmerking komen voor bevrijding (vgl.: MAILLEUX, B., Bevrijding kosteloze borg, NjW, 2005, 939). Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over dat dit ook geldt voor de avalgever.
- Het artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 voorziet in een overgangsregeling voor de lopende faillissementen die nog niet afgesloten zijn op het moment van de inwerkingtreding van de wet. De wet heeft onmiddellijke werking. Dit betekent dat hij niet enkel van toepassing is op situaties die na de inwerkingtreding ervan ontstaan, maar ook op alle toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand die zich voordoen of voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (vgl.: CASS., 6 oktober 2000, Arr. Cass., 2000, 1518). Het faillissement van de bvba Van De Veire dateert van 30 december 2004 en was nog niet afgesloten op 7 augustus 2005, datum van de inwerkingtreding van de wet van 20 juli
- Bijgevolg zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op het voorliggende geschil.
- Elke schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerheidstelling vermeldt dit in zijn aangifte van schuldvordering of uiterlijk binnen zes maanden vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring, tenzij het faillissement eerder werd afgesloten, en vermeldt naam, voornaam en adres van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde, bij gebrek waaraan deze bevrijd is (artikel 63, tweede lid van de FAILLISSEMENTSWET, ingevoegd bij artikel 4 van de WET van 20 juli 2005). Voor de lopende faillissementen, die nog niet waren afgesloten op het moment dat de wet van 20 juli 2005 in werking trad, bepaalt artikel 10,1°: "de schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerstelling dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet bij de griffie van de rechtbank van koophandel een bijkomende verklaring in met vermelding van de naam, voornaam en het adres van de persoonlijke zekersteller. Bij gebreke hieraan is die zekersteller bevrijd". Het staat vast en wordt niet betwist dat Dexia geen bijkomende verklaring heeft ingediend bij de griffie van de rechtbank van koophandel binnen de termijn van drie maanden, zoals voorgeschreven in artikel 10,1° van de wet van 20 juli
- Volgens artikel 10,1° van de wet van 20 juli 2005 is de verplichting om een bijkomende verklaring in te dienen niet beperkt tot de schuldeisers die genieten van een kosteloze persoonlijke zekerheidstelling door een natuurlijke persoon. Daaruit kan evenwel niet besloten worden dat elke persoonlijke zekerheidsteller, ook wanneer het een rechtspersoon betreft of wanneer de zekerheidstelling niet kosteloos werd verleend, bevrijd is wanneer de schuldeiser nalaat de verklaring in te dienen. Voor de nieuwe faillissementen geldt de bevrijding, ingeval van nalatigheid van de schuldeiser om in de aangifte van schuldvordering of in een verklaring binnen zes maanden vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring melding te maken van de persoonlijke zekerheidstellers, enkel in het voordeel van de natuurlijke persoon, die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde (artikel 63, tweede lid faillissementswet). De overgangsregeling strekt er enkel toe de termijnen vast te leggen waarin, voor de toepassing van de wet, de daarin vermelde formaliteiten dienen nageleefd te worden voor de faillissementen die reeds opengevallen waren bij de inwerkingtreding van de wet. Uit de redactie van artikel 10,1° van de wet van 20 juli 2005 kan niet afgeleid worden dat de wetgever daarmee beoogde de bevrijding voor de lopende faillissementen uit te breiden tot andere zekerstellers dan de natuurlijke personen die zich kosteloos zeker hebben gesteld. Voor een dergelijke uitbreiding bestond trouwens geen verantwoording, temeer omdat ook in het artikel 82, eerste lid, van de faillissementswet, zoals het gold voor de wijziging door de wet van 20 juli 2005, enkel de natuurlijke persoon die zich kosteloos borg had gesteld, kon bevrijd worden. De bevrijding blijft aldus, ook in het kader van de overgangsregeling, beperkt tot de kosteloze persoonlijke zekerheid-steller (vgl.: DE WILDE, A., Verschoonbaarheid en bevrijding in de faillissementswet: een schone lei voor de wetgever, R.W., 2005-2006, 608). In een arrest van 17 april 2008 heeft het Grondwettelijk Hof overwogen dat uit de tekst van de artikelen 4,5 en 7 van de wet van 20 juli 2005 blijkt dat de wetgever de bevrijding heeft willen regelen van de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde en dat het verschil in redactie tussen de artikelen 4 en 10, eerste lid, 1° van de wet van 20 juli 2005 voortvloeit uit een onnauwkeurigheid tijdens de parlementaire behandeling ervan. Het Hof besliste dan ook dat artikel 10, eerste lid 1° het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt in de interpretatie volgens dewelke met de woorden "de persoonlijke zekersteller" zowel de niet-kosteloze als de kosteloze persoonlijke zekerheidstelling wordt bedoeld. Het Hof oordeelde bovendien dat dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in de interpretatie dat met de woorden "de persoonlijke zekersteller" enkel de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld, wordt bedoeld. V. D. V. is aldus niet bevrijd door het enkele feit dat Dexia nagelaten heeft de bijkomende verklaring, waarvan sprake in artikel 10, eerste lid 1° van de wet van 20 juli 2005 in te dienen.
- V. D. V. zou, onder de voorwaarden in de wet bepaald, slechts van zijn verbintenis ten aanzien van Dexia kunnen bevrijd zijn, indien hij een kosteloze zekerheidsteller zou zijn. 5.
- De wet definieert het begrip "kosteloze borg" niet. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt de bedoeling van de wetgever om enkel de natuurlijke personen te bevrijden die door hun bereidwilligheid verplicht zijn om de schulden van de gefailleerde te delgen, terwijl zij geen persoonlijk belang hebben bij de betaling van die schulden. De kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidstelling is het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidsteller kan genieten ten gevolge van de zekerheidstelling (CASS. 26 juni 2008, inzake C.07.0596.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.9, T.B.H., 2008, 728 en inzake C.07.0546.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8, Rev. prat. soc, 2008, 84). 5.
- Het blijkt niet dat V. D. V. een concrete tegenprestatie heeft bedongen voor het aangaan van de zekerheidstelling. Deze omstandigheid is evenwel niet bepalend voor de oplossing van de vraag of de zekerheidstelling kosteloos is in de zin van de wet (CASS. 26 juni 2008, inzake C.07.0596). Om tot het kosteloos karakter van de zekerheidstelling te besluiten is het niet voldoende vast te stellen dat geen concrete vergoeding als tegenprestatie voor de zekerheidstelling werd bedongen (CASS. 26 juni 2008, inzake C.07.0546.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8) 5.
- V. D. V. was zaakvoerder van de bvba Van De Veire en betrok in die hoedanigheid vergoedingen uit deze vennootschap. Deze vergoedingen bedroegen 33.329,92 EUR in 2003 en 2.730,00 EUR in
- De omstandigheid dat hij deze vergoedingen betrok in een andere hoedanigheid dan als persoonlijk zekerheidsteller sluit niet uit dat deze vergoedingen een economisch voordeel kunnen uitmaken dat de zekerheidsteller kan genieten als gevolg van de zekerheidstelling voor de vennootschap (CASS. 26 juni 2008, inzake C.07.0546.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8). 5.
- Voor de beoordeling van de kosteloosheid van de borgstelling dient de rechter zich te plaatsen op het ogenblik waarop de zekerheidstelling werd verleend (CASS. 26 juni 2008, inzake C.07.0546.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8, en CASS. 14 november 2008 inzake C.07.0417.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.5, www.cass.be). Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de zekerheidstelling die V. D. V. verleende voor de bvba Van De Veire noodzakelijk was opdat de nv Antilia dakpanelen zou leveren die de bvba Van De Veire - die op dat ogenblik financiële problemen kende - moest toelaten een werk te voltooien. V. D. V. kon niet onwetend zijn over de financiële toestand van de bvba Van De Veire, waarvan hij zaakvoerder was. Wanneer hij zich niettemin persoonlijk zeker stelde voor een schuld die de vennootschap aanging om leveringen te bekomen, dan was dit klaarblijkelijk omdat hij verwachtte dat deze leveringen en de voltooiing van het werk, waarvoor zij door de bvba Van De Veire werden gebruikt, haar zouden toelaten haar activiteiten verder te zetten en zo mogelijk weer winstgevend te worden, zodat hij daaruit opnieuw een inkomen zou kunnen halen. De omstandigheid dat deze verwachting niet gerealiseerd werd en de vennootschap enkele weken later in staat van faillissement werd verklaard, staat de vaststelling niet in de weg dat V. D. V. een persoonlijk financieel en economisch voordeel nastreefde (vgl. CASS. 26 juni 2008, inzake C.07.0546.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8; CASS. 14 november 2008).
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de zekerheidstelling van V. D. V. niet kosteloos was, zodat hij niet kan bevrijd worden van zijn betalingsverbintenis ten aanzien van Dexia. V. D. V. voert geen concreet verweer omtrent de door Dexia gevorderde bedragen die, aan de hand van een onderzoek van de voorliggende stukken, bewezen voorkomen. IV. Gelet op de gegrondheid van het hoger beroep van Dexia is de tegenvordering van V. D. V. wegens tergend en roekeloos hoger beroep ongegrond. V. Aangezien de vordering van Dexia en haar hoger beroep gegrond zijn en de tegenvordering van V. D. V. ongegrond, zijn de gerechtskosten in beide aanleggen, zoals hierna begroot, ten laste van V. D. V.. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv Dexia Commercial Finance ontvankelijk en gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw recht sprekend, Verklaart de vordering van de nv Dexia Commercial Finance ontvankelijk en gegrond als volgt; Veroordeelt G. V. D. V. tot betaling aan de nv Dexia Commercial Finance van de som van VEERTIENDUIZEND VIERHONDERD EENENZEVENTIG EURO EN DRIEËNTWINTIG CENT (14.471,23 EUR), vermeerderd met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 2 september 2005 op 13.829,46 EUR. Verklaart de vordering van G. V. D. V. wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt G. V. D. V. tot de kosten van het geding in beide aanleggen, aan zijn zijde niet te begroten aangezien zij te zijnen laste blijven, en aan de zijde van de nv Dexia Commercial Finance begroot op 233,85 EUR kosten dagvaarding, 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 186,00 EUR rolrecht hoger beroep, 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en 1.873,20 EUR kosten bewarend onroerend beslag en hernieuwing bewarend onroerend beslag. Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 25-2-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div