← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090226.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE

van het Mestdecreet diende geïntimeerde volgens de eerste rechter zelf te dragen, nu hij op voorhand wist dat er bij verplaatsing van de locatie 25 % in mindering diende te worden gebracht op basis van het decreet zelf. Geïntimeerde werd bijgevolg veroordeeld tot betaling van de som van 8.750,00 euro meer interest vanaf de aanmaning (05.07.2004) en onder aftrok van de betaling van 7.808,50 euro, toe te rekenen overeenkomstig art. 1254 B.W.. 4.1 Met zijn hoger beroep beoogt appellant het tenietdoen van het bestreden vonnis en de inwilliging van zijn oorspronkelijke eis. In essentie voert hij aan dat niet het nutriëntenhalte het financieel relevant gegeven is van de tussen partijen gesloten overeenkomst, maar de grootvee-eenheden en dat aangezien hij 27 grootvee-eenheden leverde, geïntimeerde gehouden is de daarmee overeenstemmende prijs te betalen. 4.2 Geïntimeerde vraagt het hoger beroep af te wijzen als ongegrond. Bij incidenteel beroep vraagt hij dat wordt gezegd dat het bedrag dat hij reeds heeft betaald, nl. 7.808,50 euro, gelet op de gebrekkige prijsbepaling en op wat daadwerkelijk werd geleverd, redelijk is. Geïntimeerde voert inzonderheid aan dat geen van beide partijen er bij de contractsluiting van op de hoogte was dat bij overdracht een aftrek van 25 % gebeurde en dat dit niet enkel aan hem kan worden toegerekend. Ondergeschikt vraagt hij de persoonlijke verschijning van de partijen te bevelen. beoordeling 1. Het is duidelijk dat partijen, toen zij de overeenkomst van 10.11.2003 sloten, kennelijk niet goed op de hoogte waren van de decretale bepalingen inzake het nutriëntenhalte en de overdracht daarvan, vervat in het Mestdecreet. Dit blijkt al uit het feit dat zij de overgedragen mestquota uitdrukken in een aantal grootvee-eenheden ("Dit kwota bedraagt 25 GVE"), terwijl het begrip "grootvee-eenheid" geen uitstaans heeft met het Mestdecreet en dus met de mestquota of nutriëntenhalte. Dit begrip wordt enkel gehanteerd in de Europese reglementering betreffende de ordening van de markten in de sector van het rundvlees. Bovendien waren zij duidelijk niet op de hoogte van de P2O5 en de N-nutriëntenhaltes zoals deze per diersoort waren vastgelegd in het Mestdecreet (zie de toen van toepassing zijnde tekst van art.

§2van het Mestdecreet).

Vastgesteld moet echter worden dat geen van de partijen de nietigverklaring vordert van de koopovereenkomst wegens dwaling of wegens het niet bepaald zijn van het voorwerp ervan. Appellant vordert de uitvoering van de overeenkomst, nl. de betaling van de prijs, terwijl geïntimeerde stelt dat appellant het nutriëntenhalte vermeld in de koopovereenkomst niet kan leveren, derhalve tekort komt aan zijn leveringsplicht, waaruit hij dan besluit dat de prijs verhoudingsgewijs moet worden herleid. 2. Cruciaal voor de beslechting van het tussen partijen gerezen geschil is de vraag wat het voorwerp is van de koopovereenkomst die partijen hebben gesloten. De eerste rechter heeft geoordeeld dat het voorwerp van de koop het nutriëntenhalte is, meer bepaald het aantal kilogram P2O5 (fosfaat) en N (stikstof) zoals in de overeenkomst vermeld, namelijk 1059 kilogram P2O5 en 5000 kilogram N. Volgens de eerste rechter is dit het enige bestanddeel van de overeenkomst dat een economisch belang heeft en in geld kan worden gewaardeerd, met andere woorden het enige financieel relevant element, dit in tegenstelling tot de (milieu)vergunning en de grootvee-eenheden. Aangezien na de overdracht de nutriëntenhaltes door de Mestbank werden vastgesteld op ongeveer 56 % van de bedragen vermeld in de overeenkomst, oordeelde de eerste rechter dat de prijs dienovereenkomstig diende te worden verminderd. Het hof kan deze analyse niet bijtreden. Het klopt dat, overeenkomstig art.

van het Mestdecreet, aan elke landbouw- of veeteeltinrichting een P2O5-nutriëntenhalte en een N-nutriëntenhalte wordt toegekend. De mestquota van een bedrijf worden dus uitgedrukt in P2O5 en N-nutriëntenhaltes. Daaruit kan echter niet worden besloten dat de nutriëntenhaltes, m.a.w. het exact aantal kilogram P2O5 en N zoals vermeld in de overeenkomst van 10.11.2003, het voorwerp zijn van de koopovereenkomst die partijen sloten. Om te achterhalen wat partijen hebben willen verkopen, respectievelijk kopen, moet worden gezocht naar hun gemeenschappelijke bedoeling, naar wat zij daadwerkelijk beoogden met de overeenkomst. De tekst van deze overeenkomst is immers alles behalve duidelijk. Het feit alleen al dat partijen de mestquota ook uitdrukken in een aantal grootvee-eenheden, term die niet voorkomt in het Mestdecreet en die niet dient om mestquota uit te drukken, spreekt in dat verband boekdelen. Wanneer wordt gezocht naar de gemeenschappelijke bedoeling van partijen moet in eerste instantie worden vastgesteld dat appellant op het ogenblik van de overeenkomst maar een milieuvergunning meer had voor het houden van 35 runderen, waarvan 8 runderen van minder dan één jaar, 9 runderen tussen één en twee jaar en 18 melkkoeien (zie de brief van de Mestbank aan appellant d.d. 12.03.2004: stuk 8 appellant). Hoewel niet in de overeenkomst van 10.11.2003 vermeld, werd ook die vergunning door appellant aan geïntimeerde overgedragen. Dit blijkt met zoveel woorden uit de brief van de Mestbank d.d. 11.06.2004 aan geïntimeerde waar wordt gesteld: "Uw vraag tot overdracht van de nutriëntenhalte komt in aanmerking om volgende reden(en): Ingevolge de volledige overname van de milieuvergunning (eigen onderlijning door het hof) met betrekking tot standplaatsen voor dieren van bovenvermelde inrichting, wordt de nutriëntenhalte, die toegekend werd aan de overlater, volledig aan u overgedragen". Dat ook de milieuvergunning werd overgedragen, is logisch, nu nutriëntenhalte en milieuvergunning aan elkaar gekoppeld zijn. Zo bepaalt art.

§4

van het Mestdecreet dat het (gedeelte van het) nutriëntenhalte dat betrekking heeft op vergunningplichtige dieren, nooit meer mag bedragen dan de vergunde productie van de overeenkomstige veeteeltinrichting en/of deel hiervan. Met andere woorden: het nutriëntenhalte dat door de Mestbank aan een landbouw- of veeteeltinrichting wordt toegekend, staat in direct verband en vloeit voort uit de milieuvergunning waarover men beschikt. Dit blijkt trouwens duidelijk uit de berekeningen zelf van de Mestbank (zie de brief van de Mestbank van 12.03.2004 aan appellant: stuk 8 van appellant): de Mestbank stelt daarin vast dat de inrichting van appellant vergund was voor het exploiteren van stallen met plaatsen voor 35 runderen waarvan 8 runderen van minder dan één jaar, 9 runderen tussen de één en twee jaar en 18 melkkoeien en zij berekent vervolgens de nutriëntenhaltes toekomend aan de inrichting van appellant door deze aantallen runderen te vermenigvuldigen met de in artikel

§2

van het Mestdecreet bepaalde uitscheidingsnormen, zijnde het daar vermelde aantal kilogram P2O5 en N voor respectievelijk melkkoeien, runderen jonger dan één jaar en runderen tussen de één en twee jaar. Appellant stelt dan ook terecht dat de enige variabele parameter voor de berekening van het mestquotum/nutriëntenhalte het aantal runderen is en dat het aantal kilogram fosfaat (P2O5) en stikstof (N) daar rekenkundig uit voortvloeit, nl. door vermenigvuldiging met de aantallen per dier vermeld in art.

§2van het Mestdecreet.

Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat wat de partijen daadwerkelijk hebben willen overdragen en wat zij als voorwerp van de koop voor ogen hadden, de mestquota of de nutriëntenhaltes waren verbonden aan het bedrijf van appellant zoals dat op dat ogenblik vergund was, nl. voor 35 runderen, waaronder 18 melkkoeien, 8 runderen jonger dan één jaar en 9 runderen tussen de één en twee jaar, vergunning die, zoals gezegd, eveneens werd overgenomen door geïntimeerde. Appellant kon geen groter mestquota/nutriëntenhalte dan dit gekoppeld aan het vergund aantal runderen overdragen aan geïntimeerde. Geïntimeerde van zijn kant wist perfect dat hij een mestquotum/nutriëntenhalte overnam dat overeenstemde met de mestproductie van het aantal runderen waarvoor appellant over een milieuvergunning beschikte, vergunning die hij, het weze herhaald, overnam. Het in de overeenkomst vermeld aantal kilogram P2O5 en N kan voor de partijen niet bepalend zijn geweest. Alleen al het feit dat deze aantallen volledig verkeerd zijn en dat partijen klaarblijkelijk weinig of geen benul hadden van de wijze van berekening van de nutriëntenhaltes toont dit aan. Bovendien heeft geïntimeerde in zijn brief van 09.07.2004 zelf gesteld dat een prijs werd overeengekomen per grootvee-eenheid en dus niet op basis van het nutriëntenhalte. Uit wat voorafgaat volgt - onder voorbehoud van wat hierna wordt gesteld over de decretale vermindering van de nutriëntenhaltes bij overdracht met 25 % - dat appellant wel degelijk heeft geleverd wat hij heeft verkocht, namelijk de mestquota of de nutriëntenhaltes verbonden aan een vergund bedrijf van 35 runderen waarvan 18 melkkoeien, 8 runderen van minder dan één jaar en 9 runderen tussen de één en twee jaar. Voor een vermindering van de prijs op basis van een vergelijking tussen de in de overeenkomst vermelde kilogram fosfaat en stikstof enerzijds en de door de Mestbank berekende (werkelijke) hoeveelheden anderzijds, is dan ook geen ruimte.

  1. Appellant kan echter evenmin worden gevolgd waar hij stelt dat eigenlijk, bij nader toezien, 27 grootvee-eenheden werden verkocht in plaats van de 25 vermeld in de overeenkomst en dat hij daarom aanspraak zou kunnen maken op 50.400 BEF (1.249,38 EUR) bovenop de in de overeenkomst vermelde prijs [nl. 630.000 BEF (15.617,29 EUR) : 25 = 25.200 BEF (624,69 EUR) x 2]. Evenmin als het aantal kilogram fosfaat en stikstof is het aantal grootvee-eenheden te beschouwen als het voorwerp van de overeenkomst. Zoals gezegd is het voorwerp van de koop de mestquota of nutriëntenhaltes verbonden aan het bedrijf van appellant zoals dat vergund was. Partijen zijn daarvoor een globale prijs overeengekomen van 15.617,00 euro. Geïntimeerde heeft weliswaar in zijn brief van 09.07.2004 (onder meer) geschreven dat overeengekomen werd om een prijs van 18.000 BEF (446,21 EUR) per grootvee-eenheid te betalen, maar deze bewering kan uiteraard niet correct zijn nu de overeengekomen prijs van 15.617,00 euro (630.000 BEF) niet gelijk is aan 25 x 18.000 BEF (446,21 EUR). Veel aannemelijker is dat de prijs van 15.617,00 euro (630.000 BEF) werd bekomen door vermenigvuldiging van de vermelde 18.000 BEF (446,21 EUR) per rund. De verwijzing naar "grootvee-eenheden" is in het kader van een overdracht van mestquota overigens - zoals hoger gezegd - zonder betekenis.
  2. Tenslotte rijst de vraag of de wettelijke vermindering van de nutriëntenhaltes met 25 % bij overname van een stopgezette veeteeltinrichting moet leiden tot een overeenkomstige vermindering van de prijs, ook hier op grond van de niet-nakoming van de leveringsplicht. De vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Zoals hiervoor gezegd, is het voorwerp van de koop het mestquotum/nutriëntenhalte verbonden aan het bedrijf van appellant zoals dit vergund was, waarvoor partijen een globale prijs van 15.617,00 euro zijn overeengekomen. Dat de nutriëntenhaltes wettelijk met 25 % worden verminderd bij overdracht - wat partijen naar alle waarschijnlijkheid niet wisten bij de ondertekening van de overeenkomst - doet er niet aan af dat appellant heeft voldaan aan zijn leveringsplicht. Indien geïntimeerde niet wist dat er een wettelijke vermindering van 25 % was, diende hij desgevallend de nietigverklaring van de overeenkomst op grond van dwaling te vorderen, wat hij evenwel niet doet.
  3. Uit wat voorafgaat volgt dat geïntimeerde ertoe gehouden is de in de overeenkomst bepaalde prijs van 15.617,00 euro aan appellant te betalen, te vermeerderen met moratoire rente vanaf de ingebrekestelling (05.07.2004). Het bestreden vonnis dient in die zin te worden hervormd. Het hoger beroep is dus in belangrijke mate gegrond, terwijl het incidenteel beroep ongegrond is.
  4. Het past de gedingkosten in beide aanleggen ten laste te leggen van geïntimeerde als principaal in het ongelijk gestelde partij. Wat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep betreft, vordert appellant het basisbedrag, dat bij gebrek aan gevraagde vermindering kan worden toegekend. Gelet op het bedrag van de vordering waarover in hoger beroep nog betwisting bestaat, dient het basisbedrag te worden bepaald op 900,00 euro. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, het hoger beroep grotendeels gegrond en het incidenteel beroep ongegrond. Doet het bestreden vonnis teniet. Opnieuw wijzend: Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellant van de som van 15.617,00 euro, te vermeerderen met moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 05.07.2004 tot de dag der betaling, onder aftrek van het op 23.12.2004 betaald bedrag van 7.808,50 euro, toe te rekenen overeenkomstig art. 1254 B.W.. Veroordeelt geïntimeerde tot de gedingkosten in beide aanleggen, die aan zijn zijde niet moeten worden begroot nu ze ten zijne laste blijven, en die aan de zijde van appellant worden begroot als volgt: - kosten dagvaarding: 235,44 euro - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 342,09 euro - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 900,00 euro. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ZESENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.