id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090226.8 Rolnummer: 2008/AR/230 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2009-05-26 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-02 19:18 Fiche - De vordering tot nietigverklaring van een internationaal huwelijk kan overeenkomstig EG-verordening nr. 2201/2003 (Brussel IIbis-V°) worden gebracht voor de Belgische rechter. - Om te kunnen spreken van een schijnhuwelijk moet worden aangetoond dat minstens één van de echtgenoten tot het huwelijk is toegetreden uitsluitend om een andere reden dan een gezinsstichting. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Huwelijksrelatie Vrije woorden: - internationaal huwelijk - vordering tot nietigverklaring van het huwelijk - bevoegdheid van de Belgische rechter. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 26 februari 2009 ________ 2008/AR/230 - In de zaak van: E. E., wonende te appellante, hebbende als raadsman mr. VAN DOOREN Hans, advocaat te 9220 HAMME (O.-VL.), Stationsstraat 50 tegen :
- PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, met burelen te 9000 GENT, Koophandelsplein 23, geïntimeerde die verschenen is in de persoon van de heer Louis Vandenberghe, advocaat-generaal,
- S. S., volgens de stukken van de rechtspleging wonende te , en geïntimeerde die niet verschenen is, noch iemand voor hem, velt het hof het volgend arrest: Appellante heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 januari 2008, bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie, tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 6 december 2007 uitgesproken door de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Op de openbare terechtzitting van 29 januari 2009 werden de aanwezige partijen gehoord in hun middelen en conclusies, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. Eerste geïntimeerde verzocht dat de zaak zou worden behandeld en er een arrest op tegenspraak zou worden verleend. Gelet op de kennisgevingen aan tweede geïntimeerde bij gerechtsbrieven van 1 oktober 2008 (op twee andersluidende adressen), beiden afgetekend voor ontvangst, kan dit verzoek worden ingewilligd. De procedurele voorgaanden, de feitelijke voorgaanden en de vorderingen van de partijen in de huidige instantie
- Appellante en tweede geïntimeerde zijn op 8 december 2003 te Civril Belediyesi (Turkije) in het huwelijk getreden. Hoewel desbetreffend geen stuk wordt overgelegd door de partijen, wordt niet betwist dat de echtscheiding tussen appellante en tweede geïntimeerde werd uitgesproken op 30 april 2004 in Turkije. Bij dagvaardingsexploten, betekend op 24 augustus 2006 aan appellante en op 7 september 2006 aan tweede geïntimeerde heeft eerste geïntimeerde een procedure ingesteld tot nietigverklaring van voormeld huwelijk om redenen van schijnhuwelijk.
- Bij het bestreden vonnis werd de vordering van eerste geïntimeerde gegrond verklaard. Voor recht werd mitsdien gezegd dat het huwelijk gesloten te "Benin City (Turkije)" (hetgeen duidelijke een materiële misslag uitmaakt en dient te worden gelezen als Civril (Turkije) op 8 december 2003 tussen appellante en tweede geïntimeerde nietig is en geen uitwerking zal hebben in België. Tevens werd bevolen dat: - het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis, wanneer dit in kracht van gewijsde zal zijn getreden, zal overgeschreven worden in de registers van de akten van huwelijk van het district Brussel en in de lopende registers van de akten van huwelijk van de stad Zele, waar appellant en tweede geïntimeerde zijn ingeschreven in de registers van de bevolking; - bij gebeurlijke overschrijving van de huwelijksakte door de ambtenaar van de burgerlijke stand randmelding zal gemaakt worden van onderhavig vonnis en dat door voornoemde ambtenaar hiervan kennis zal worden gegeven aan de procureur des Konings, dewelke zorg zal dragen dat deze randmelding op eenvormige wijze zal worden aangebracht door de hoofdgriffier op het ter griffie berustend register; - van de huwelijksakte geen uitgifte, afschrift of uittreksel meer zal mogen worden afgeleverd zonder voormelde randmelding, op straffe van schadevergoeding door de ambtenaar die ze heeft afgegeven. Tenslotte werden appellante en tweede geïntimeerde veroordeeld tot de kosten gevallen aan de zijde van eerste geïntimeerde, niet nader begroot bij gebrek aan omstandige opgave.
- Bij haar beroepsakte, streefde appellante het teniet doen na van het bestreden vonnis, en vorderde zij dat het hof, dienaangaande opnieuw beslissend, de vordering ingeleid door eerste geïntimeerde zou afwijzen als ongegrond. Tevens vorderde zij de veroordeling van "geïntimeerde" tot de kosten van de beide instanties, aan haar zijde nader begroot. In beroepsconclusies, neergelegd ter griffie op 5 mei 2008 besloot de eerste geïntimeerde tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de appellante tot betaling van de kosten van het geding in eerste aanleg ad 120,88 euro en de kosten van het hoger beroep, "nog te begroten na betekening van het arrest". Beoordeling
- Alleszins op het ogenblik van de inleidend exploten van 24 augustus 2006 en van 7 september 2006 had tweede geïntimeerde de Turkse nationaliteit. Appellante had toen en heeft nog altijd de Belgische nationaliteit. Ze huwden met elkaar op 8 december 2003 te Civril Belediyesi in Turkije (st. 20 stukkenbundel eerste geïntimeerde). De vraag stelt zich naar de geldigheid van desbetreffend internationaal huwelijk. De nietigverklaring van het huwelijk heeft gevolgen "ex tunc" zodat de openbare orde vereist aldus dat zou worden beslist nopens de vordering van eerste geïntimeerde tot nietigverklaring van het huwelijk, zelfs nu niet wordt betwist dat de echtscheiding tussen appellante en tweede geïntimeerde navolgend werd uitgesproken door een Turkse rechtbank. Blijkens het stuk 34 van het stukkenbundel van eerste geïntimeerde gebeurde dit bij vonnis van 30 april 2004 van de rechtbank te Civril.
- Krachtens art.1a) en 3.1.a) van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003 L 338,1, kortweg Brussel IIbis-V°) genaamd), met inwerkingtreding op 1 maart 2005, kon desbetreffende vordering tot nietigverklaring worden ingesteld in België. De territoriaal bevoegde rechtbank is deze van Dendermonde, aangezien appellante op datum van het inleidend exploot te woonde, terwijl tweede geïntimeerde in Turkije verbleef. De omstandigheid dat het huwelijk voor een vreemde autoriteit werd gesloten, impliceert niet dat de Belgische rechter het geveinsde huwelijk niet zou kunnen nietig verklaren. De nietigverklaring beoogt immers niet de akte (instrumentum) te treffen, maar de achterliggende toestand die in deze akte werd opgetekend (negotium).
- De rechtsvraag naar het toepasselijk recht dient vooraf te worden gesteld, nu het bestreden huwelijk tot de staat van de personen behoort en de desbetreffende wetsbepalingen de openbare orde raken. Met betrekking tot de voorliggende rechtshandeling van 8 december 2003 - hetzij vóór de inwerkingtreding van het Wetboek houdend het Internationaal Privaatrecht (WbIPR) op 1 oktober 2004 (wet van 16 juli 2004, B.S. 27 juli 2004) - zal de wet die van toepassing is op de geldigheidsvoorwaarden van het huwelijk eveneens de nietigverklaring ervan beheersen. Een internationaal huwelijk is geldig gesloten wanneer, voor wat betreft de grondvoorwaarden, beide echtgenoten voldoen aan hun nationale wet en voor wat betreft de vormvoorwaarden de lex locus regit actum wordt gevolgd. De naleving van de vormvereisten is ter zake niet ter discussie. De nationale wet van ieder van de echtgenoten dient distributief te worden toegepast, onder voorbehoud van de exceptie van de Belgische internationale openbare orde. In de respectieve toepasselijke wet moet normaliter worden nagegaan wat onder toestemmingsvereiste wordt verstaan. Evenwel blijkt dat geen van de partijen enig element aanhaalt waaruit zou moeten blijken dat niet werd voldaan aan de grondvoorwaarden. Aangezien één en ander de openbare orde raakt, zal de toetsing aan het Turks recht derhalve niet tot een ander besluit en sanctie kunnen leiden, voor zover het hof het bestaan van een schijnhuwelijk in de zin van art 146bis B.W. zou vaststellen (zie hierna).
- Overeenkomstig art. 146bis B.W. [ingevoegd bij art.12 wet van 4 mei 1999 (B.S. 1.VII.1999) met inwerkingtreding op 1 januari 2000] is er naar Belgisch recht geen huwelijk wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht tot het totstandbrenging van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de staat van gehuwde. Bijgevolg dient aangetoond te worden, om te kunnen spreken van een schijnhuwelijk, dat minstens één van de echtgenoten tot het huwelijk is toegetreden, uitsluitend om een andere reden dan om een gezin te stichten. Het bewijs van die veinzing wordt geleverd overeenkomstig de Belgische wet, die de procedure regelt, hetzij door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen.
- 5.
- Eerste geïntimeerde slaagt naar het oordeel van het hof in zijn bewijslast van het bestaan van een schijnhuwelijk. De eerste rechter heeft op oordeelkundige gronden vermeld op folio nrs. 776 t/m 777 van het bestreden vonnis, die door het hof worden overgenomen en aangevuld, het huwelijk tussen appellante en de tweede geïntimeerde nietig verklaard. De redengeving en juiste gevolgtrekking van de eerste rechter wordt door de middelen, grieven en besluiten van de appellante niet weerlegd. Appellante houdt voor dat zijzelf een echt huwelijk beoogde, dat zij wel degelijk verliefd was op tweede geïntimeerde en met hem het bed deelde (zelfs voor het huwelijk) en voor hem diepe gevoelens koesterde om te argumenteren dat er geen sprake zou zijn van een schijnhuwelijk omdat in deze omstandigheden niet zou zijn aangetoond dat in hoofde van beide kandidaat-echtgenoten de intentie bestond om het huwelijk af te wenden van zijn normale doel, zijnde het tot stand brengen van een doelgebonden leefgemeenschap. Zij verwijst daarbij evenwel naar rechtsleer die duidelijk dateert van vóór de wet van 4 mei 1999 (B.S. 1.VII.1999) waarbij het art. 146bis B.W. werd ingevoegd (met inwerkingtreding op 1 januari 2000). Appellante kan worden bijgetreden waar zij argumenteert dat een huwelijk niet noodzakelijk uit liefde moet zijn gesloten. Nochtans is het naar het oordeel van het Hof te dezen duidelijk dat alleszins tweede geïntimeerde de bedoeling om het huwelijk van zijn doel af te wenden. Zelfs indien de verklaring van appellante dat zij uit liefde met tweede geïntimeerde huwde met de werkelijkheid zou overeenstemmen, belet dit niet om te besluiten dat tweede geïntimeerde niet de intentie had door zijn huwelijk met haar een duurzame levensgemeenschap te vormen, maar enkel de bedoeling had om een verblijfsrechtelijk voordeel te bekomen dat verbonden is aan de staat van gehuwde. Aldus gaat zij voorbij aan de expliciete inhoud van haar verklaring aan de verbalisanten afgelegd op 19 april 2004: "Ik wens een bijkomende verklaring af te leggen. Ik ben dus inderdaad getrouwd met S. S.. Ik heb gehoord dat hij rondbazuint dat hij naar BELGIE kan komen zonder problemen en dat hij daar nu al van profiteert. Ik heb hierover goed nagedacht en ik denk dat hij geprofiteerd heeft van de situatie dat ik gescheiden ben. Ik denk dat ik mij heb laten vangen door zijn mooie lovende woorden. (...) Ik heb hierom mijn huidige echtgenoot ingelicht en tevens een advokaat in TURKIJE om de scheiding te laten inzetten. SAHIN is hierom wel heel kwaad doch ik kan er niet tegen dat ik misbruikt word. (...)" (st. 16 stukkenbundel eerste geïntimeerde) Dit betreft duidelijk geen verklaring die in een opwelling van gekrenkte trots is afgelegd, nu appellante nadrukkelijk verklaarde "Ik heb hierover goed nagedacht". Ook het argument dat er in hoofde van tweede geïntimeerde kennelijk niet enkel utilitaire doeleinden hebben gespeeld (versta dat tweede geïntimeerde niet enkel een verblijfsrechterlijk voordeel heeft beoogd), aangezien hij nooit naar België is afgereisd, hoewel hij daartoe ongetwijfeld voor het vonnis van echtscheiding alle rechten had, kan niet worden bijgetreden. Uit het stuk 38 in het bundel van eerste geïntimeerde blijkt immers dat tweede geïntimeerde wel degelijk een visumaanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend, doch dat deze op 18 augustus 2004 werd geweigerd, gezien hij hierop geen recht meer had, gelet op het inmiddels verleende Turkse echtscheidingsvonnis. 5.
- Mede rekening houdend met het hoger staande slaagt eerste geïntimeerde naar het oordeel van het hof afdoende in zijn bewijslast. De door eerste geïntimeerde aangehaalde elementen, welke in hun onderling verband wijzen op het bestaan van een schijnhuwelijk, zijn, mede gelet op het falen van de aangevoerde andersluidende aanwijzingen en weerleggingen, naar het oordeel van het hof in de concrete omstandigheden voldoende om gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens van een schijnhuwelijk op te leveren.
- Besluit: het hoger beroep van appellante is ongegrond en de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerden is gegrond.
- Nu de vordering van eerste geïntimeerde noodzakelijkerwijze werd ingesteld ten aanzien van appellante en tweede geïntimeerde, heeft de eerste rechter terecht de beide verwerende partijen veroordeeld tot de kosten van de procedure, gevallen aan de zijde van eerste geïntimeerde, niet nader begroot bij gebreke aan opgave. Ook op dit punt dient het bestreden vonnis te worden bevestigd. Eerste geïntimeerde begroot thans de kosten in eerste instantie aan zijn zijde gevallen op 120,88 euro, zonder deze evenwel nader te preciseren. Bij nazicht van het procedurebundel kunnen de volgende gerechtskosten in hoofde van eerste geïntimeerde worden teruggevonden: - dagvaarding appellante: 14,56 euro - dagvaarding tweede geïntimeerde: 9,74 euro - herdaging tweede geïntimeerde: 23,62 euro zodat de gedingkosten in eerste instantie gevallen aan de zijde van eerste geïntimeerde kunnen worden begroot op 47,92 euro. De kosten van deze instantie gevallen aan de zijde van eerste geïntimeerde dienen overeenkomstig art. 1017 Ger. W. ten laste te worden gelegd van appellante. Deze kosten zijn evenwel niet te vereffenen bij gebrek aan opgave ervan door eerste geïntimeerde. Alle andersluidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen, met dien verstande dat de kosten in eerste instantie aan de zijde van eerste geïntimeerde worden begroot op 47,92 euro. Verwijst appellante in de kosten van deze instantie gevallen aan de zijde van eerste geïntimeerde, niet te begroten bij gebreke aan opgave. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 26 februari 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div