← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090226.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090226.9 Rolnummer: 2004/AR/2782 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 19:17 Fiche Wanneer de Belgische Staat overeenkomstig artikel 1386 B.W. aansprakelijk wordt gesteld voor de schade veroorzaakt door de instorting van een onroerend goed, blijft zij op grond van 57 § 5 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 verantwoordelijk voor vergoeding van de schade. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Schadebegrip - Algemeen Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 26 februari 2009 TUSSENARREST (na tussenarrest d.d. 28.06.2007) (heropening debatten - innemen standpunt - nader concluderen - verdere behandeling op 29.10.2009, 9u30) 2004/AR/2782 in de zaak van: het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Vlaamse Minister bevoegd voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kabinet te 1000 Brussel, Graaf de Ferraris-gebouw, Koning Albert II-laan 20, bus 1, doch woonst kiezende bij haar raadsman, hierna vermeld, te 9000 GENT, Coupure 5, appellante, hebbende als raadsman mr. AERTS Paul, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5 tegen: STAD GENT, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoren te 9000 GENT, Stadhuis, Botermarkt 1, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN POUCKE Mark, advocaat te 9000 GENT, Coupure 373 wijst het hof het volgend arrest: De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

  1. Bij het tussenarrest van 28 juni 2007 - in hoger beroep van het bestreden vonnis d.d. 23 juni 2004 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, eerste kamer - werden bij toepassing van artikel 774 Ger.W. de debatten heropend. Partijen werden verzocht standpunt in te nemen omtrent de toepasselijkheid van artikel 61, zesde lid van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten en de eventuele gevolgen hiervan. Tevens werd de vraag gesteld of artikel 100, tweede lid van de Wetten op de Rijkscomptabiliteit toepassing vindt. Partijen hebben hieromtrent besloten.
  2. Het Vlaams Gewest houdt thans voor dat niet artikel 61 maar wel artikel 57 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 toepassing vindt. Op grond van deze bepaling werden de roerende en onroerende goederen van de staat, die ressorteerden onder de bevoegdheid over de waterwegen en aanhorigheden, aan de gewesten overgedragen. Paragraaf vijf van artikel 57 voorziet tevens dat de rechten en verplichtingen van de Staat betreffende deze goederen werden overgedragen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige procedures. De vordering van geïntimeerde heeft betrekking op het arbeidsongeval dat op 24 september 1970 is overkomen aan B. J. ingevolge het breken van een reling van de kaaimuur van de O. te G.. Bij het vonnis van 7 mei 1975 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent werd de Belgische Staat aansprakelijk gesteld voor het ongeval op grond van artikel 1386 B.W.. De Belgische Staat werd veroordeeld tot vergoeding van geïntimeerde voor haar uitgaven ingevolge dit arbeidsongeval, en dit "onder voorbehoud van de nog te betalen bedragen". Dit vonnis heeft kracht van gewijsde bekomen. Er is geen betwisting dat de kaaimuur onder de bevoegdheid van het Bestuur der Waterwegen viel en bijgevolg een onroerend goed is dat bij toepassing van voormeld artikel 57 werd overgedragen aan appellante. Op grond van artikel 57 § 5 blijft de Staat de verantwoordelijkheid dragen voor de verplichtingen waarvan de betaling of de uitvoering kon worden geëist voor de eigendomsoverdracht wat de goederen betreft waarvan sprake is in dit artikel. Waar de Belgische Staat aansprakelijk werd gesteld voor het ongeval veroorzaakt door de kaaimuur, hebben haar hieruit voortvloeiende verplichtingen geen betrekking op overgedragen bevoegdheden in de zin van artikel 61 § 1 lid 1 Wet 16 januari
  3. De Belgische Staat is aldus op grond van artikel 57 § 5 schuldenaar gebleven van de verplichtingen waarvoor een eindbeslissing is gewezen die op 31 december 1988 kracht van gewijsde had. In het vonnis van 7 mei 1975 werd de aansprakelijkheid van de Belgische Staat vastgesteld doch er werd geen definitieve uitspraak gedaan omtrent de vergoedingen die kaderen in het voorbehoud. De omvang van de vergoedingen was op dat ogenblik nog niet bepaalbaar. Aldus kan niet worden aangenomen dat vóór 31 december 1988 een eindbeslissing is tussengekomen omtrent de thans gevorderde vergoedingen. De vordering van geïntimeerde dient dan ook gericht te worden tegen het Vlaams Gewest.
  4. Geïntimeerde houdt wat betreft de verjaring voor dat de Wetten op de Rijkscomptabiliteit niet van toepassing zijn en verwijst hierbij vooreerst naar artikel 57 en 61 van de Financieringswet. Deze bepalingen betreffen enkel de rechtsopvolging van de Belgische Staat naar het Vlaams Gewest en hebben geen uitstaans met de verjaring van de vordering. De vordering van geïntimeerde kadert in het voorbehoud dat door het vonnis van 7 mei 1975 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent werd verleend. Volgens geïntimeerde heeft dit tot gevolg dat de specifieke termijnen van de artikelen 100 en 101 Wetten Rijkscomptabiliteit niet van toepassing zijn, maar wel de gemeenrechtelijke termijn. Artikel 100 lid 2 Wetten Rijkscomptabiliteit bepaalt dat voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen de tienjarige verjaring geldt. Voor de wet van 10 juni 1998 was in dit geval voorzien in een dertigjarige verjaring. De vordering van geïntimeerde die het gevolg is van een vonnis waarin voorbehoud werd verleend, kan niet beschouwd worden als een schuldvordering die voortkomt uit een vonnis. Het feit dat in de inleidende dagvaarding werd verwezen naar het vonnis van 7 mei 1975 is ter zake niet relevant. De toekenning van een voorbehoud om op een later tijdstip nog verschuldigde vergoedingen te vorderen, houdt niet in dat de vordering voorkomt uit het vonnis waarbij voorbehoud werd verleend. Dat de vordering van geïntimeerde kadert in het voorbehoud voorzien in het vonnis van 7 mei 1975 sluit de toepassing van de verjaringsregels van de Wetten Rijkscomptabiliteit evenwel niet uit. De verjaring dient beoordeeld te worden op grond van de regels vervat in artikel 100 lid 1 Wetten Rijkscomptabiliteit. De verwijzing naar de vervallenverklaring ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen doet hier niet aan af. Evenzeer is de verwijzing naar artikel 2262bis §2 B.W. niet ter zake dienend. Hetzelfde geldt de vaststelling dat de termijn van artikel 100 lid 2 Wetten Rijkscomptabiliteit werd gewijzigd door artikel 8 van de wet van 10 juni
  5. Aldus dient nagegaan te worden of de vordering van geïntimeerde al dan niet verjaard volgens de bepalingen van artikel 100 lid 1 Wetten Rijkscomptabiliteit en weergegeven in het tussenarrest van 28 juni
  6. Het hof stelt vast dat de vordering van geïntimeerde betrekking op de betalingen die zij heeft gedaan ten gunste van B. M., weduwe van het slachtoffer. Zij betaalde deze renten ingevolge het arbeidsongeval in de periode van november 1973 tot en met 1995 en het overlevingspensioen voor de periode 1972 tot
  7. B. is overleden op 25 november
  8. Geïntimeerde is tot dagvaarding overgegaan op 5 november
  9. Deze gegevens laten niet toe de verjaring op grond van artikel 100 lid 1 Wetten Rijkscomptabiliteit te beoordelen. De debatten dienen dan ook opnieuw heropend te worden teneinde partijen toe te laten hieromtrent nader te besluiten. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Alvorens te oordelen, heropent ambtshalve de debatten teneinde partijen toe te laten te handelen zoals hiervoor bepaald. Stelt de zaak daartoe voor verdere behandeling op de terechtzitting van donderdag 29 oktober 2009 om 09.30 uur. Bepaalt de conclusietermijnen als volgt: · voor appellante uiterlijk op 16 april 2009 · voor geïntimeerde uiterlijk op 14 mei 2009 · voor appellante uiterlijk op 11 juni 2009 · voor geïntimeerde uiterlijk op 17 september
  10. Houdt de uitspraak over de kosten inmiddels aan. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ZESENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. D. Van den Driessche B. Wylleman G. Jocqué D. Floren rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.