← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090302.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090302.11 Rolnummer: 2007/AR/2646 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-03 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-07-02 19:19 Fiche Als mandataris van de Vlaamse Overheid, heeft de NV DE LIJN voor wat betreft het openbaar vervoer, het recht om de inrichting van de kabels en bovengrondse lijnen te doen wijzigen. Ze beroept zich terecht op de uitzondering van art. 98 § 3 van de Wet E.O.B. om de kosten ten laste te leggen van de operator van het betrokken openbaar telecommunicatienet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSGOEDEREN EN OPENBAAR DOMEIN - Algemeen (overheidsgoederen en openbaar domein) Vrije woorden: Openbaar domein - Vervoer - Verplaatsing nutsleidingen - Kosten. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de bis Kamer ________________ Terechtzitting van 2 maart 2009 ________________ 2007/AR/2646 - In de zaak van: C.V.B.A. W.V.E.M., met maatschappelijke zetel te 8820 TORHOUT, Noordlaan 9, met ondernemingsnummer 0205.157.176, appellante, hebbende als raadsman mr. DE FAUW Dirk, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES, Pastoriestraat 137 bus 6, tegen: DE LIJN VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ N.V., met maatschappelijke zetel te 2800 MECHELEN, Motstraat 20, met ondernemingsnummer 0242.069.537, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. OLIVIER Marc, advocaat te 8000 BRUGGE, Cordoeaniersstraat 17-19, velt het hof het volgend arrest: Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien.

  1. Bij verzoekschrift, neergelegd op 31 oktober 2007, heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 11 september 2007 op tegenspraak gewezen door de 5de Kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (AR. 05/978/A). Een exploot van betekening ligt niet voor. Feiten en procedure in eerste aanleg
  2. Na verzoek van de NV DE VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ DE LIJN (hierna: "geïntimeerde") aan het stadsbestuur verplaatste de CVBA W.V.E.M. (hierna: "appellante") op 12 verschillende locaties de nutsleidingen o.a. de lagedruk aardgasleiding, de glasvezelkabel, primair net TV en de midden-spanningskabels wegens het plaatsen van nieuwe trampalen ter hoogte van de Leopoldlaan te Middelkerke. Geïntimeerde weigerde de (tot dan) opgestelde facturatie voor 100.471,90 EUR in totaal te betalen. Volgens appellante ten onrechte, waarbij ze verwijst naar art. 102 van de Wet E.O.B. (anterioriteitsregel) waarin bepaald wordt dat de maatschappij die later een leiding wil leggen, de verplaatsing van de bestaande leidingen ten laste moet nemen. Bij dagvaarding, betekend op 24 maart 2005, vorderde appellante betaling lastens geïntimeerde van 100.471,90 EUR, méér de vergoedende rente vanaf 18 december 2004, méér de gerechtelijke rente en de gedingkosten, met voorbehoud voor de nog te vervallen facturen. Bij conclusie, neergelegd op 27 juni 2006, breidde appellante haar vordering uit tot 248.489,28 EUR, méér de vergoedende rente vanaf 18 december 2004, méér de gerechtelijke rente en de gedingkosten. Geïntimeerde betwistte de vordering, zich baserende op art. 98 §3 van de Wet E.O.B. Als gemandateerde van het Vlaams Gewest met als opdracht het openbaar vervoer te garanderen, heeft zij het recht om de leidingen te doen wijzigen door diegene die ze aanlegde of exploiteert, zodat de kosten van deze noodzakelijke werken lastens appellante blijven. Bij het vonnis a quo van 11 september 2007 werd de vordering ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Procedure in hoger beroep
  3. Het hoger beroep werd ingesteld door de oorspronkelijke eiseres. Appellante volhardt in haar stelling dat art. 102 van de Wet E.O.B. van toepassing is. Geïntimeerde vraagt bevestiging van het vonnis a quo. Voor een gedetailleerde uiteenzetting van de grieven en argumenten van partijen, kan worden verwezen naar de beroepsakte en hun conclusies. Beoordeling
  4. Krachtens het decreet van 31 juli 1990 werd aan geïntimeerde de bevoegdheid overgedragen betreffende het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer, zodat ze optreedt als mandataris van het Vlaamse Gewest met als opdracht het openbaar vervoer (als openbare dienst) te verzekeren. Op 8 juli 2004 schreef geïntimeerde aan het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Middelkerke: "In verband met het plaatsen van nutsleidingen in de Leopoldlaan vragen wij u aan de nutsmaatschappijen opdracht te geven (2 maanden voor de werken aanvatten) de leidingen te verplaatsen" (stuk 1 geïntimeerde). Ook voegde geïntimeerde er reeds duidelijk aan toe dat deze verplaatsingswerken conform de toepasselijke wet volledig ten laste moeten genomen worden door de beheerder van de betrokken nutsleidingen. Voorafgaand aan de procedure heeft appellante op geen enkel ogenblik voorbehoud gemaakt dat ze laattijdig zou hebben kennis gekregen van de aanvangsdatum van de werken die geïntimeerde zou uitvoeren. Dat geïntimeerde de voorgeschreven procedure niet zou hebben gevolgd, wordt nergens aangetoond. Appellante voerde de noodzakelijke werken tijdig uit en stuurde de facturen naar geïntimeerde (stukken 1d-3b-4 appellante), die meteen protesteerde, stellende dat de kosten ten laste moeten blijven van appellante volgens de wet (stukken 2-3 geïntimeerde). Enkel omtrent de vraag wie de kosten moet dragen, is er juridische discussie tussen partijen ontstaan.
  5. Art. 102, 2° van de Wet E.O.B. bepaalt: "Behoudens de toepassing van de art. 98 §3 en 99 §3, neemt de beheerder van een in het eerste lid bedoelde inrichting van openbaar nut de kosten ten laste die veroorzaakt worden door de wijziging, op zijn aanvraag, van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen waarvan de aanwezigheid de uitvoering van werken aan zijn inrichting belemmert. Voormelde wijziging wordt uitsluitend uitgevoerd door de operator van het betrokken openbaar telecommunicatienet of door de beheerder van de inrichting van openbaar nut bedoeld in het eerste lid." Art. 98 §3 van de Wet E.O.B. bepaalt: "De overheid heeft het recht om de inrichting of het plan van aanleg van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen te doen wijzigen naar aanleiding van werken die zij wenst uit te voeren aan het openbaar domein dat zij beheert. (...) De kosten wegens wijziging van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen zijn ten laste van de operator van het betrokken openbaar telecommunicatienet." Samen met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat geïntimeerde als mandataris van de Vlaamse overheid voor wat betreft het openbaar vervoer, het recht heeft om de inrichting van de kabels en bovengrondse lijnen te doen wijzigen, zodat ze zich terecht beroept op de uitzondering van art. 98 §3 van de Wet E.O.B. en appellante hiervan de kosten moet dragen. Dat de verplaatste lijnen wel degelijk telecommunicatielijnen betreffen in de zin van de Wet E.O.B., blijkt uit het feit dat appellante glasvezelkabels heeft verplaatst welke onder "telecommunicatienetwerk" vallen conform art. 68, 5° van de Wet E.O.B. De betrokken wijzigingen waren noodzakelijk in het belang van het openbaar vervoer (een openbare dienst) in het kader van de renovatie van de infrastructuur in de Leopoldlaan te Middelkerke. Dat - wanneer de overheid wijzigingen aan de leidingen in het belang van een openbare dienst noodzakelijk acht - deze wijzigingen telkens ten laste zijn van degene die de leidingen heeft aangelegd of ze exploiteert, blijkt ook uit: - art. 13, 3° van de Wet van 10 maart 1925 betreffende de elektriciteits-voorziening; - art. 1, 7° van de Wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de vereniging van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen; - art. 9, 3° van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen. De kosten van de wijziging van de betrokken nutsleidingen blijven dan ook ten laste van appellante, zodat het hoger beroep ongegrond voorkomt. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt appellante tot de gedingkosten van het hoger beroep, vereffend in hoofde van geïntimeerde op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (K.B. van 26 oktober 2007). Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer zeven bis, op 2 maart tweeduizend en negen. Aanwezig:dhr. Frank Deschoolmeester, raadsheer, wnd. kamervoorzitter;dhr. Yves Henderickx, griffier.Y. HENDERICKX F. DESCHOOLMEESTER Repertoriumnr. : 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.