← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090302.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090302.9 Rolnummer: 2007/AR/241 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-06-03 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 19:18 Fiche Nu er een mandaat, minstens een schijnmandaat geweest is bij de aankoop van de goederen, zijn de voorwaarden van artikel 53 Wb. Venn. vervuld en zijn de vennoten van de tijdelijke handelsvennootschap hoofdelijk gehouden de facturen te betalen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen - Algemene beginselen - Vennootschap - classificatie - Handelsvennootschap HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Maatschap, tijdelijke en stille vennootschap - Tijdelijke handelsvennootschap Vrije woorden: Artikel 53 Wb. Venn. hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten voor een handelsschuld van een tijdelijke handelsvennootschap. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 02-03 2009 I. In de zaak nr. 2007/AR/241 van ------------------------------------------ samenvoeging van de zaken 2007/AR/241 en 2007/AR/1163 in de zaak van : N.V. CARRIERES LEMAY, met maatschappelijke zetel te 7536 Doornik, Vieux Chemin de Mons 12 en met ondernemingsnummer 0406.208.779, woonplaats kiezende ten kantore van gerechtsdeurwaarder Guy Kochuyt te 9200 Dendermonde, Noordlaan 101/7, appellante, hebbende als raadsman mr. Karel Baro, advocaat met kantoor te 9200 Dendermonde, Mechelsesteenweg 358, tegen 1. N.V. DENDER EN SCHELDE, met maatschappelijke zetel te 9200 Dendermonde, Wissenstraat 9 en met ondernemingsnummer 0400.286.435, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Luc Steyaert, advocaat met kantoor te 9200 Dendermonde, Sint-Gillislaan 36, 2. N.V. HANSON AGGREGATES BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 8380 Zeebrugge, Lanceloot Blondeellaan 1 en met ondernemings-nummer 0405.807.715, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Marc D'Hoore, advocaat met kantoor te 8200 Brugge, Dirk Martensstraat 23, II. In de zaak nr. 2007/AR/1163 van --------------------------------------------- N.V. DENDER EN SCHELDE, met maatschappelijke zetel te 9200 Dendermonde, Wissenstraat 9 en met ondernemingsnummer 0400.286.435, appellante, hebbende als raadsman mr. Luc Steyaert, advocaat met kantoor te 9200 Dendermonde, Sint-Gillislaan 36, tegen 1. N.V. CARRIERES LEMAY, met maatschappelijke zetel te 7536 Doornik, Vieux Chemin de Mons 12 en met ondernemingsnummer 0406.208.779, woonplaats kiezende ten kantore van gerechtsdeurwaarder Guy Kochuyt te 9200 Dendermonde, Noordlaan 101/7, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Karel Baro, advocaat met kantoor te 9200 Dendermonde, Mechelsesteenweg 358, 2. N.V. HANSON AGGREGATES BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 8380 Zeebrugge, Lanceloot Blondeellaan 1 en met ondernemings-nummer 0405.807.715, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Marc D'Hoore, advocaat met kantoor te 8200 Brugge, Dirk Martensstraat 23, en mede inzake Mr. V.V.A., met kantoor te , optredende in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van de N.V. LUMAT, met maatschappelijke zetel te 9051 Gent (Sint-Denijs-Westrem), Beukenlaan 65, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent van 30.01.2006, vrijwillig tussenkomende partij, hebbende als raadsman mr. Renaat Lievens, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Zuidstationstraat 34-36, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep 1. Bestreden beslissing: het vonnis van de derde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde (06/1261/A) van 5 december 2006. 2. - Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschriften van 24 januari 2001 (in de zaak 2007/AR/241) en van 3 mei 2007 (in de zaak 2007/AR/1163). Beide zijn tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd, hoewel het bestreden vonnis op 3 april 2007 zou betekend zijn op verzoek van de N.V. Carrières Lemay (hierna "Lemay"). - Op 28 januari 2009 legde de N.V. Dender en Schelde een verzoekschrift tot heropening der debatten neer. Hanson repliceerde op 5 februari 2009. Voor het overige reageerde geen enkele partij. - Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. - De procedure gebeurde op tegenspraak. 3. Aangezien beide beroepen ingesteld zijn tussen dezelfde partijen tegen hetzelfde vonnis worden de beide zaken samengevoegd. De curator q.q. van de nv Lumat (aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent op 30 januari 2006) vraagt vrijwillig tussen te komen bij verzoekschrift van 10 september 2007. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg 4. De overblijvende betwisting betreft in essentie de vraag of één der geïntimeerden gehouden is de 51 facturen, die appellante vordert, te betalen. In het kader daarvan rijst onder meer de vraag naar de toepassingsvoorwaarden van artikel 53 Wb. Venn., met betrekking tot de hoofdelijke gehoudenheid van de vennoten van een tijdelijke handelsvennootschap. 5. Bij overeenkomst van 19 augustus 1985 richten de N.V. Lumat (hierna genoemd "Lumat"), thans gefailleerd, de N.V. Hanson Aggregates Belgium (vroeger de N.V. Vreese en Simon - hierna genoemd "Hanson") en de N.V. Dender en Schelde (hierna genoemd "Dender") de tijdelijke handelsvennootschap Ludesa op (stuk 1 van het dossier van eerste geïntimeerde). - In artikel 3 wordt het doel van de tijdelijke handelsvennootschap omschreven: "3.1. De finaliteit van deze overeenkomst bestaat erin de leefbaarheid van de betrokken bedrijven, zijnde carrières, promotors en vervoerders, te verzekeren om de tewerkstelling te handhaven van de personeels-leden en arbeiders die zij in dienst hebben. 3.2. De vereniging heeft tot doel om, gezamenlijk en solidair en zolang als het samenwerkingsakkoord tussen de hierna vermelde steengroeven gelding heeft, tegen uniforme prijzen de aankoop, de verkoop en het vervoer over de weg, per spoor en te water te centraliseren en te organiseren van de ruwe breuksteen van de types ... 3.3. Behoudens anders luidende unanieme beslissing van de vennoten zal het vervoer der materialen in een onderling te bepalen verhouding bij voorkeur toevertrouwd worden aan de volgende transporteurs: - V. - Dender en Schelde - V.-M. - D. B. Al dan niet met hun onderaannemers. 3.4. Het is wel verstaan dat de vennoten slechts solidair zijn ten aanzien van derden met wie zij verbintenissen aangingen in naam van de Tijdelijke Vereniging.". - Artikel 5 bevat een aantal bepalingen omtrent het bestuur van de tijdelijke handelsvennootschap. Artikel 5/1 bepaalt dat een bestuurscomité gevormd wordt, waarin elke vennoot over één stem beschikt. Op grond van artikel 5/3 beschikt het bestuurscomité over de "ruimste bevoegdheden ten aanzien van beheer, administratie en beschikking, ... in het algemeen beschikt het over de bevoegdheden van de Raad van bestuur van de naamloze vennootschap.". Dit bestuurscomité vergadert op de zetel van de N.V. Lumat (artikel 5/7). Het is ook deze vennoot die het secretariaat van het bestuurscomité van de tijdelijke handelsvennootschap verzorgt (artikel 5/14). In artikel 5/9 is overeengekomen dat het bestuurscomité geldig beraadslaagt als alle vertegenwoordigers van de vennoten werden opgeroepen en minstens twee derde aanwezig is. De beslissingen in aangelegenheden van dagelijks bestuur worden genomen met een eenvoudige meerderheid van stemmen. - De verdeling van bevoegdheden is opgenomen in artikel 6 van de statuten. De N.V. Lumat, nu gefailleerd, is het administratief beheer van de Tijdelijke Vennootschap toevertrouwd krachtens artikel 6/2. Het gaat om

  1. a)de boekhouding,
  2. b)de financiën,
  3. c)het aanvaarden van aangetekende postzendingen,
  4. d)het ter beschikking stellen van een bediende voor administratief werk,
  5. e)het opmaken van een driemaandelijkse stand van de boekhouding voor het bestuurscomité,
  6. f)de facturatie aan iedere vennoot,
  7. g)de facturatie aan klanten en van "speciale zaken". Het bestuurscomité legt het technisch en commercieel beleid van de tijdelijke vennootschap vast (artikel 6/3). Ludesa zorgt voor de dagelijks tenuitvoerlegging van de beleidsopties, die onder meer over de prijsberekeningen en de prijsoffertes en over de planning handelen (onderlijning toegevoegd door het Hof). - De financiering is geregeld in artikel 8. Artikel 8/1 schrijft voor dat de tijdelijke vennootschap gefinancierd zal worden door iedere vennoot in verhouding tot zijn deelneming. Het bestuurscomité beslist over stortingen, terugbetalingen, al naar gelang van de financiële behoeften van de tijdelijke handelsvennootschap. - Artikel 9 bevat de bepalingen over facturatie, betalingen, uitgaven en winst en verlies. Op grond van artikel 9/3 dragen de vennoten elk verlies overeenkomstig een verhouding, die in artikel 7/2 bepaald is (35% voor de N.V. Lumat, 25% voor de B.V.B.A. (nu N.V.) Dender en Schelde, 25% voor de N.V. De Vreese en Simon (nu Hanson) en 15% voor de N.V. Satic. Wat er na de uittreding van de N.V. Satic gebeurd is met haar aandeel is niet duidelijk). Alle aankopen moeten worden verricht door of namens de vennootschap. Iedere vennoot moet er zich op straf van uitsluiting en schadevergoeding van onthouden om afzonderlijk materialen aan te kopen (artikel 9/5). Offertes moeten door de vennoten aan hun cliënteel opgemaakt worden op briefhoofd van Ludesa, met kopie aan het secretariaat van Ludesa. Ludesa factureert aan de betrokken vennoten, die op hun beurt en op het eigen briefhoofd doorfacturen aan hun klanten en een kopie overmaken aan het secretariaat van Ludesa. Elke vennoot kan ook vragen dat Ludesa rechtstreeks aan de klant factureert (artikel 9/6). - Artikel 11 bepaalt de aansprakelijkheid van de vennoten. De vennoten zijn onderling ieder voor hun deel aansprakelijk tegenover derden met wie zij gezamenlijk verbintenissen hebben aangegaan (artikel 11.A). "iedere vennoot zal moeten instaan voor vergissingen, van prestaties, tekortkomingen, gebrekkige werking, onvoldoende rendement en over het algemeen voor iedere tekortkoming ten aanzien van zijn verplichtingen, betreffende zijn deel in de aanneming." (artikel 11. B. eerste lid). - In geval van insolventie van een vennoot, die door eigen toedoen of door eigen fout nadeel berokkend heeft aan één of meer andere vennoten, zullen de vennoten de niet-verhaalbare schade globaliseren en de last zal gedragen worden door de vennoten (artikel 12.B). 6. De oorspronkelijke overeenkomst van 19 augustus 1985 werd twee maal aangepast, een eerste keer op 26 augustus 1997 en een tweede maal op 2 maart 2000. Deze laatste keer werd de overeenkomst voornamelijk aangepast aan de gewijzigde samenstelling van de tijdelijke vennootschap. 7. Geen der partijen brengt een bewijs bij waaruit zou kunnen blijken dat ook maar enig protest tegen het concrete bestuur door Lumat geuit wordt. Dit is zo voor de gehele periode vanaf het begin van de tijdelijke handelsvennootschap in 1985 tot aan het faillissement van Lumat in 2006. De samenwerking tussen de vennoten van de tijdelijke handelsvennootschap vond nochtans geregeld tot zelfs frequent plaats, althans in 2005 (zie de stukken 1 tot 4 van de curator q.q.). 8. Lemay vordert de betaling van 51 facturen, gedateerd tussen 31 augustus 2005 en 31 januari 2006 voor leveringen van steen. De facturen zijn op naam van de tijdelijke vennootschap Ludesa. 9. Met betrekking tot de vordering van Lemay tegen Dender kende de eerste rechter de hoofdsom toe, kende hij enkel de gerechtelijke intresten toe vanaf de dagvaarding en herleidde hij het schadebeding tot 10% op de som tot euro 125.000 en 8% op alles dat dit te boven gaat. De vordering van Lemay tegen Hanson verklaarde de eerste rechter toelaatbaar, maar ongegrond. De tussenvordering van Dender tegen Hanson verklaarde de eerste rechter toelaatbaar maar ongegrond. De tussenvordering van Hanson tegen Dender verklaarde de eerste rechter zonder voorwerp. III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep 10. Lemay stelt hoger beroep in met de volgende grieven. 1) wat haar vordering tegen Dender betreft: de verwijlintresten zijn ten onrechte niet toegekend, de gerechtelijke intresten en het schadebeding zijn ten onrechte herleid. 2) wat haar vordering tegen Hanson betreft: ten onrechte heeft de eerste rechter geoordeeld dat Hanson niet kan aangesproken worden omdat die op 31 maart 2002 uit de Tijdelijke Vennootschap gestapt was en de gevorderde schulden van nadien dateren. Het ontslag is niet rechtsgeldig volgens Lemay en haar in elk geval niet tegenstelbaar. 11. Dender stelt apart principaal hoger beroep in met de volgende grieven. 1) de vordering tot betaling van facturen van Lemay is ten onrechte gegrond verklaard. - Dender is van oordeel dat artikel 50 Wb. Venn. en niet artikel 53 Wb. Venn. gecombineerd met artikel 9/5 van de statuten van toepassing is. Er is geen hoofdelijkheid. De gefailleerde plaatste ten onrechte de bestellingen en daarvoor kan Dender niet aansprakelijk worden gesteld. - De eerste rechter keerde de bewijslast om door te oordelen dat Dender niet bewijst dat de gefailleerde Lumat in strijd gehandeld heeft met de instructies die zij van het bestuurscomité had ontvangen. - De gefailleerde Lumat plaatste de bestellingen ten onrechte en zij kwamen de tijdelijke vennootschap niet ten goede. Een levering van goederen wordt niet bewezen. Er is geen bewijs dat de ontvangen gelden bij doorverkoop als omzet van Ludesa werden geboekt. - De gefailleerde Lumat heeft buiten het doel, zoals bepaald in artikel 3/1 van de statuten, gehandeld. De vervoerders die voorkomen op de 51 facturen zijn niet deze die voorkomen op de lijst van artikel 3/3 en de unanieme goedkeuring voor het gebruik van andere vervoerders werd nooit gegeven. - Lemay handelde onzorgvuldig door niet te onderzoeken wat de bevoegdheid was van de werknemer van de gefailleerde Lumat, die alle bestellingen plaatste. Bepaalde bestelbons waren trouwens niet eens ondertekend. Zij handelde nog onzorgvuldig door te blijven leveren, niettegenstaande de schuld inmiddels zeer hoog opgelopen was. - Het belang van Lemay moet bewezen worden, gelet op de tussenkomst van een kredietverzekeringsmaatschappij. 2) de tussenvordering tegen Hanson tot betaling van de helft van de bedragen waartoe Dender veroordeeld wordt is ten onrechte ongegrond verklaard. - Dender was niet op de hoogte van het ontslag van Hanson uit de tijdelijke vennootschap en kon er dan ook geen protest tegen aantekenen. Het ontslag was haar dan ook niet tegenstelbaar. - Het ontslag was niet rechtsgeldig. 12. Hanson en de curator q.q. vragen het bestreden vonnis te bevestigen. IV. Beoordeling Het belang van Lemay 13. Los van het feit dat Lemay er een processueel belang bij heeft om haar vordering gegrond te horen verklaren, brengt zij in graad van beroep de stukken 11 en 12 bij. Uit deze stukken blijkt dat de kredietverzekeraar haar gemachtigd heeft om de procedure tegen Dender en tegen Hanson te voeren. De onherroepelijke volmacht aan Nam Inter (stuk 15 van het dossier van appellante) bevat ook de clausule dat Nam Inter de volmacht om de schuld te recupereren verder mag delegeren "à toute personne de son choix" ("aan welke persoon ook van haar keuze" - vertaling van het Hof). Dit impliceert dat zij het onderdeel van de gerechtelijke procedure kan opdragen aan Lemay zelf, de mandaatgever. Er is tenslotte geen cessie van de schuldvordering. Bijgevolg heeft Lemay het wettelijk vereiste belang en hoedanigheid. De exceptie wordt verworpen. De vordering van Lemay tegen Dender Op de volgende gronden bevestigt het Hof de bestreden beslissing, behalve wat de intresten en het schadebeding betreft. De exceptie van betaling 14. Dender en Schelde werpt op dat Lemay geen rekening gehouden heeft met de betalingen die zij sedert 31 augustus 2005 voor een totaal bedrag van euro 162.817,13 deed. Als antwoord brengt Lemay een listing bij (stuk 8 van haar dossier) met het grootboek van haar klanten. Daaruit blijkt dat alle facturen die gevorderd worden opgenomen zijn, behalve één, die Lemay dan ook afgetrokken heeft van de gevorderde som. De exceptie is ongegrond en wordt verworpen. De toepassing van de artikelen 53 en 50 WB. Wb. Venn. 15. Artikel 53 Wb. Venn. regelt de hoofdelijke aansprakelijkheid tussen vennoten van een tijdelijke handelsvennootschap en is van toepassing op het voorliggende geval. De hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten van een tijdelijke handelsvennootschap geldt alleen voor de vennoten ‘met wie de derden gehandeld hebben', met andere woorden de vennoten die op een geldige wijze verbonden zijn. (CARRON, V., "De aansprakelijkheid van de vennoten van een tijdelijke vereniging voor ‘vennootschapsschulden': vertegenwoordiging en baattrekking", noot onder Kh. Antwerpen 24 oktober 1990, T.R.V., 1991, p. 371, nr. 3). Dat is uiteraard het geval indien zij persoonlijk optreden. Een tweede mogelijkheid is dat de vennoten op een rechtsgeldige wijze vertegenwoordigd werden (cfr. Kh. Hasselt, 9 april 1997, T.B.H., 458), met inbegrip van de schijnvertegenwoordiging. De vennoten kunnen een aanvankelijk onbevoegd gestelde handeling ook bekrachtigen (art. 1998, tweede lid B.W.). Ook indien de THV baat heeft gehad uit de kwestieuze handeling, zijn de vennoten gehouden. Om drie van de hiervoor opgesomde redenen betwist Dender en Schelde ten onrechte dat zij gehouden is de openstaande facturen te betalen. 1) de N.V. Lumat was dan al niet contractueel of statutair zaakvoerder, de overeenkomst belastte deze vennoot met dergelijke zaken, dat zij namens Ludesa en meer bepaald namens alle vennoten gerechtigd was de bestellingen te plaatsen; 2) minstens blijkt uit de feiten, waaronder de tienjarige handelsrelatie en werkwijze tussen alle partijen dat de thans gefailleerde Lumat door de medevennoten van de tijdelijke handelsvennootschap belast was met een gewone lastgeving (toepassing van artikel 1984 en volgende B.W.). Dender en Schelde toont niet aan dat Lumat de grenzen van haar mandaat zou overschreden hebben. Bovendien kan geargumenteerd worden dat een eventuele overschrijding bevestigd werd door de houding van Dender. 3) de voorwaarden voor een schijnvertegenwoordiging zijn vervuld, zodat Lemay er mocht op vertrouwen betaald te zullen worden voor de bestellingen die Lumat plaatste. Deze drie onderdelen worden hierna uitgewerkt. 1) De bepalingen in de oprichtingsovereenkomst 16. Ludesa is verantwoordelijk voor de dagelijkse tenuitvoerlegging van het technisch en commercieel beleid, zoals het in het Bestuurscomité is bepaald. Die ten uitvoerlegging omvat onder meer prijsberekeningen en prijsoffertes en de planning (artikel 6/3). Alle aankopen moeten worden verricht door of namens Ludesa (artikel 9/5 van de oprichtingsovereenkomst). Offertes die door de vennoten gemaakt worden, moeten op het briefpapier van Ludesa opgesteld worden (artikel 9/6). Vooral uit de bepalingen 5/7, 5/14, 6/2, 9/1 en 9/6 blijkt bovendien dat Lumat, thans gefailleerd, een ruim mandaat met betrekking tot het administratieve beheer van de tijdelijke handelsvennootschap gekregen had en er ook voor vergoed werd. De bestuurszetel is zeker een twaalftal jaar bij Lumat gevestigd geweest. Op grond van het voorgaande besluit het Hof dat de bestellingen op briefpapier van Ludesa en met de naam van de heer V. namens Lumat rechtsgeldig zijn en alle vennoten van de tijdelijke handelsvereniging hoofdelijk verbinden, in overeenstemming met artikel 53 Wb. Venn. en met artikel 3/4 van de oprichtingsovereenkomst. De facturen van Lemay, die op de bestellingen gebaseerd zijn, zijn daarenboven ingeschreven in de boekhouding van Lemay. 2) Minstens bestaat een mondelinge en impliciete gewone lastgeving tussen partijen, die gedurende jaren uitgevoerd werd en daardoor bekrachtigd werd 17. Uit de jarenlange vrij intense samenwerking tussen partijen (zowat twintig jaar) (zie de stukken 1 tot en met 4 van het dossier van curator q.q.) moet besloten worden dat Lumat namens Ludesa zeer regelmatig bestellingen uitvoerde en de transportopdrachten daarvoor toevertrouwde aan de contractueel bepaalde vervoerders, waaronder Dender en Schelde. Gedurende jaren heeft deze overeenkomst gewerkt, zonder dat Dender en Schelde aantoont dat er ooit enig protest is gerezen tegen deze praktijk. De vennoten hebben Ludesa en Lumat derhalve een mandaat gegeven. Minstens is het bekrachtigd door de uitvoering die gegeven werd aan de oprichtings-overeenkomst van de tijdelijke handelsvennootschap in de handelsrelaties tussen alle betrokken partijen. De brief van Dender en Schelde van 16 februari 2006 bevestigt minstens impliciet en zonder voorbehoud de praktijken tussen partijen en de erkenning dat Lumat met de facturen belast was (stuk 5 van het dossier van curator q.q.). Op 9 februari 2006 stuurt Dender en Schelde nog een factuur naar Ludesa, gericht aan de heer V. (stuk 6 van hetzelfde dossier). Deze verzending bevat geen enkel voorbehoud of betwisting over de hoedanigheid en bevoegdheid van de heer V. en / of van Ludesa. Hieruit blijkt overvloedig dat steeds gehandeld werd in overeenstemming met de oprichtingsovereenkomst. Bestellingen gebeurden namens Ludesa. De heer V., zaakvoerder van Lumat werd bovendien steeds als gemandateerd en bevoegd erkend. Ook op deze grond zijn de vennoten van Ludesa en met name Dender en Schelde gehouden de niet betwiste facturen te betalen. 3) Minstens is er een schijnmandaat geweest 18. De toepassing van de theorie van het schijnmandaat vereist (cfr. Cass. AR 7851 en 7934, 20 juni 1988 (De Greef / N.V. U.), T.R.V., 1989, 540, noot CALLENS, P. en STIJNS, S.; Arr. Cass., 1987-88, 1365; J.T., 1989, 547, noot FORIERS, P. ; R.C.J.B., 1991, 45, noot KRUITHOF, R.; R.W., 1989-90, 1425, noot VAN OEVELEN, A.; Brussel, 18 april 1996, A.J.T., 1996-‘97, 353, noot CATTOIR, B.; Brussel, 29 november 1994, Pas., 1994, II, 5; Gent 3 september 1993, R.W,. 1994-‘95, 1268): - dat er een discrepantie bestaat tussen schijn en werkelijkheid; of anders gezegd, dat er een schijnbare vertegenwoordigingsbevoegdheid bestaat bij diegene die beweert op te treden als lasthebber, maar die in werkelijkheid geen of een beperktere vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft (materieel element); - dat de schijn toerekenbaar is aan diegene die de gevolgen van de schijn moet ondergaan (volgens sommige auteurs is dit evenwel geen vereiste. Zie STIJNS, S. en CALLENS, P., "Over tijdelijke vennootschappen en (schijn-) vertegenwoordiging", Noot onder Kh. Kortrijk, 19 januari 1988, T.R.V., 1989, nr. 17, p. 76. Minstens moeten er objectieve, feitelijke omstandigheden voorhanden zijn, die verwijzen naar de schijnvertegenwoordigde, maar dat komt neer op het zo-even genoemde materieel element.); - dat het vertrouwen van de fidens rechtmatig is; of, anders gezegd, dat de derde-medecontractant van de beweerde lasthebber niet weet en niet behoort te weten dat de schijnbare toestand niet aan de werkelijkheid beantwoordt (psychologisch element). - dat de wetgever niet zelf, impliciet of expliciet de toepassing van het rechtmatig vertrouwen uitgesloten of beperkt heeft. Dender en Schelde voegt nog een voorwaarde toe, namelijk dat er moet een nadeel ontstaan in hoofde van de derde indien aan de schijnsituatie geen gevolgen zouden worden verbonden. Alleen het door de omstandigheden gerechtvaardigde rechtmatig vertrouwen van de derde wordt beschermd. Vereist is dat de derde niet wist en, in acht genomen de concrete omstandigheden, niet behoorde te weten dat de schijnbare toestand niet aan de werkelijkheid beantwoordde. Op de derde rust dus een normale en redelijke onderzoeksplicht, waarvan de omvang en de grondigheid verschillen naargelang de omstandigheden en het belang van de zaak. Niet vereist is dat de lastgever een fout beging. De belangen die gevrijwaard worden in geval van aanvaarding van de theorie van het schijnmandaat zijn die van het vlot verkeer van rechtsbetrekkingen en de rechtszekerheid (VEROUGSTRAETE, I., "Wil en vertrouwen bij het totstandkomen van overeenkomsten", T.P.R., 1990, nr. 30, 1191). Het gevolg van de toerekenbare schijn is dat de rechtshandeling tussen lastgever en de derde op geldige wijze tot stand komt. De lastgever is verbonden, ook wanneer de schijnlasthebber zijn of haar bevoegdheid heeft overschreden. Welnu, elk van de vier voorwaarden die hier opgesomd worden, zijn vervuld. - in haar verweer werpt Dender en Schelde op dat Lumat de bestellingen niet kon plaatsen en de andere vennoten niet konden verbinden. Er zou dus een schijn geweest zijn, die niet overeenstemt met de werkelijkheid; - de schijn is toerekenbaar. Uit stuk 8 blijkt dat Lemay al minstens in 2000, dit is vijf jaar voor de nu betwiste bestellingen, factureerde voor bestellingen van Ludesa. Dender en Schelde was regelmatig de vervoerder, overeenkomstig de oprichtingsovereenkomst. Dit zijn objectieve elementen die terugverwijzen naar Ludesa en naar Dender en Schelde; - de jarenlange samenwerking (zie ook de stukken 1 tot 4 van het dossier van de curator q.q.), de uitvoering van de overeenkomst zonder aangetoonde problemen of protest is voldoende om te besluiten dat Lemay geen verdere onderzoeksplicht heeft en dat haar vertrouwen te goeder trouw was. Dender en Schelde brengt geen elementen bij waaruit besloten zou moeten worden dat Lemay over ernstige aanwijzingen beschikte dat Lumat buiten haar mandaat ging; - er is geen wettelijke beperking op of uitsluiting van de toepassing van het rechtmatig vertrouwen. Ook de vijfde voorwaarde, die Dender en Schelde bijkomend stelt, is vervuld. Lemay zou een nadeel lijden door niet betaald te worden, minstens opgenomen te worden in het passief van het faillissement van Lumat, indien de schijn niet zou toegerekend worden. Lemay mocht er derhalve op grond van het voorgaande redelijkerwijze van uitgaan dat de bestellingen, door Lumat geplaatst op briefpapier van Ludesa, de vennoten hoofdelijk verbonden. Voor zover er een overschrijding van de bevoegdheid zou geweest zijn door Lumat en of Ludesa, is Dender en Schelde toch gehouden. Zelfs indien Lemay gehouden zou zijn door een bijzondere informatieplicht, gelet op de hoofdelijkheid georganiseerd door artikel 53 Wb. Venn., dan nog is in deze zaak niet aangetoond dat zij deze bijzondere informatieplicht niet is nagekomen. De bewijslast van Lumay is voldaan door te verwijzen naar de gebruikelijke handelsrelatie van partijen. Daarna verschuift de bewijslast naar Dender en Schelde, die moet aantonen dat het niet langer volstond op de gebruikelijke manier verder te werken. Lemay heeft een bestaande handelspraktijk, die reeds minstens vijf jaar bestond, verder gezet. Dender en Schelde toont niet aan dat de bestellingen van de laatste maanden voor het faillissement van Lumat afweken van de gebruikelijke werkwijze. Er zijn geen aanwijzingen, laat staan bewijzen, dat de toestand van Ludesa of zelfs van Lumat dermate wijzigde dat Lemay dit had kunnen of moeten weten, een nieuw en diepgaander onderzoek instellen en eventueel haar werkwijze, al dan niet in overleg met Ludesa, aanpassen. Dender en Schelde zal dit ook moeilijk kunnen aantonen, nu zij zelf verder transporten uitgevoerd heeft en ook zij de handelsrelatie niet wijzigde. De dossiers bevatten geen stukken op grond waarvan besloten zou kunnen worden dat de bestellingen de laatste zes maanden abnormaal omvangrijk geworden waren en op deze of een andere manier afweken van wat gangbaar was. Gesteld dat Lumat bestellingen zou geplaatst hebben en dus gehandeld zou hebben buiten de instructies van het bestuurscomité, dan nog is Ludesa verbonden, nu Lemay terecht mocht vertrouwen op de gewekte schijn. 19. Het feit dat Dender en Schelde sedert 2000 de facto niet meer bij het bestuur van de gefailleerde zou betrokken geweest zijn, verandert niets aan al het voorgaande. Bovendien oordeelt het Hof dat zij zich hier niet rechtsgeldig kan achter verschuilen als hoofdelijk verbonden vennoot, gelet op de wet en op de oprichtingsovereenkomst. 20. Nu er een mandaat, minstens een schijnmandaat, bewezen is, moet over de baattrekking niet meer geoordeeld worden. Artikel 50 Wb. Venn. heeft het over een "volmacht gegeven hebben of ... tot voordeel van de vennootschap" gestrekt hebben. De beweerde doeloverschrijding 21. Dender werpt op dat Lumat buiten het vennootschapsdoel van de tijdelijke handelsvennootschap zou gehandeld hebben door een deel van de transporten te laten uitvoeren door transporteurs die niet opgesomd zijn in artikel 3.3 van de oprichtingsovereenkomst. Het doel van de tijdelijke handelsvennootschap is bepaald in de artikelen 3.1 en 3.2 ervan (zie hiervoor, randnummer 5, eerste gedachtenstreepje). Artikel 3.3 bepaalt enkel dat de transporten "bij voorkeur" uitgevoerd worden door de opgesomde transporteurs. Ludesa en het uitvoerende Lumat konden er rechtsgeldig van afwijken. Deze zinsnede primeert op "behoudens bij andersluidende unanieme beslissing". Zelfs bij gebrek aan een andersluidende unanieme beslissing is er nog steeds enkel een voorkeur uitgedrukt voor de opgesomde transporteurs. Het middel wordt verworpen. Het beweerde onzorgvuldig handelen door Lemay 22. Hiervoor reeds werd geoordeeld over het feit dat Lemay gerechtigd was te vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Lumat en de heer V., over de volmacht en over de bepalingen in de oprichtingsakte op grond waarvan Lumat overeenkomsten kon afsluiten en transporteurs opdrachten kon toevertrouwen. Van enige onzorgvuldigheid of tekortkoming aan haar bijzondere informatieplicht in dit verband is dan ook geen sprake. De nietigheid van de koopovereenkomsten, gebaseerd op het onterecht onzorgvuldig genoemde gedrag van Lemay, wordt verworpen. Het is niet bewezen dat Lemay onzorgvuldig handelde. Ook het feit dat de bestelorders enkel de naam van de heer V. en niet zijn handtekening bevatten is in de gegeven omstandigheden van de zaak niet voldoende om te besluiten dat Lemay onzorgvuldig handelde. De verschillende partijen dreven reeds zowat twintig jaar handel. Er zijn geen elementen in de dossiers die er op wijzen dat de bestellingen duidelijk afweken van wat gangbaar was en waarop Lemay rechtmatig mocht vertrouwen. 23. Dat Dender de thans betwiste facturen pas tijdens de huidige procedure ontving en pas drie maanden na het faillissement van Lumat aangesproken werd tot betaling is niet relevant, nu Lumat Ludesa rechtsgeldig kon verbinden (zie hiervoor). 24. Dender suggereert in haar conclusie collusie tussen Lemay en Lumat en / of de heer V. maar de dossiers bevatten hiervan geen bewijs. In haar verzoekschrift tot heropening van debatten van 28 januari 2009 deelt Dender mee dat de heer V. bij Lemay gaan werken is na het faillissement van Lumat. Dit is onvoldoende als bewijs van onverantwoorde bestellingen en vormt geen rechtsgrond om de openstaande facturen niet te moeten betalen. Om die reden wordt het verzoek tot heropening verworpen. Na het faillissement blijken een aantal beslissingen van de gefailleerde niet te getuigen van goed commercieel inzicht. Dit is evenwel onvoldoende om te oordelen dat Lemay onzorgvuldig was of een fout beging. 25. Gesteld dat Lemay een fout zou begaan hebben, wat niet zo is, dan nog moet vastgesteld worden dat het oorzakelijk verband ermee doorbroken is. Dender, noch enige andere vennoot van de tijdelijke vennootschap, tonen aan dat zij een minimaal en redelijkerwijze vereist toezicht uitoefenden op de vennoot die met de praktische uitvoering van het beleid en met de administratieve taken belast was. Dender kan zich niet verschuilen achter het feit dat zij sedert het aantreden van de heer V. in 2000 niet meer betrokken was in het bestuur van Ludesa. Als vennoot diende zij zich minstens marginaal op de hoogte te stellen van de werking van de tijdelijke handelsvennootschap. Minstens had zij moeten aandringen op de contractueel bepaalde bijeenroeping van het bestuurscomité. Zij toont niet aan dat zij dit gedaan heeft. Zij toont evenmin aan dat zij zich op enige wijze op de hoogte gesteld heeft of op de hoogte heeft proberen te stellen van de boekhouding. De transporten bleef zij nochtans wel verder uitvoeren na 2000 tot aan het faillissement. De vordering tot betaling van intresten en een schadebeding 26. Artikel 10 van de algemene verkoopsvoorwaarden van Lemay bepaalt het volgende: "In geval van niet-betaling van een factuur op haar vervaldag, zal het bedrag van die factuur vanaf die datum verhoogd worden met intresten. De intresten zullen berekend worden op basis van de wisselkoers vastgesteld door de Nationale Bank van België voor de in België geaccepteerde en gedomicilieerde wissels, van toepassing op de dag van de vervaldag van de factuur, verhoogd met 2%. Bovenop de intresten zal elke op de vervaldag niet betaalde som verhoogd worden ten titel van niet-verminderbare en forfaitaire vergoeding met 15% met een minimum van euro 125. Deze intresten en verhoging zullen van rechtswege en zonder voorafgaandelijke ingebrekestelling aangerekend worden en dit onafhankelijk van alle andere sommen waaronder deze vermeld in artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek die zouden kunnen voortvloeien uit een gerechtelijke inning.". Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat deze contractuele bepaling niet duidelijk is om de intrestvoet te bepalen. Dit stelt evenwel de rest van de bepaling niet buiten werking. De wettelijke intrestvoet is dan ook van toepassing vanaf de respectievelijke factuurdatum. Het verhogingsbeding van 15% is hoog, maar overstijgt niet de schade die voorzienbaar was op het ogenblik van het aangaan van de overeenkomst. Het wordt toegekend. Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd. De vordering van Lemay tegen Hanson 27. Hanson werpt op dat zij niet gehouden kan zijn om de facturen te betalen omdat zij sedert 26 oktober 1999 en daarna sedert 31 maart 2002 geen vennoot meer is in de tijdelijke handelsvennootschap Ludesa en alle facturen dateren van 2005 en 2006, dit is geruime tijd na haar uittreding. Lemay wijst op een rapport van G. van 31 maart 2006 (stuk 7 van haar dossier) waarin Hanson nog vermeld staat als vennoot van Ludesa. Lemay vermoedt dat Hanson ook nog als vennoot bekend was bij de BTW administratie en vraagt Hanson te bewijzen of zij al dan niet geschrapt werd als medevennoot en zo ja, vanaf welke datum. Het ontslag van 2002 zou niet rechtsgeldig zijn omdat de contractuele termijn van één jaar niet gerespecteerd werd. Het ontslag zou niet door het contractueel bevoegde orgaan bevestigd zijn. Minstens zou het ontslag niet tegenstelbaar zijn aan Lemay. Zij beroept zich op de schijntheorie. 28. - Met de ontslagbrief van Hanson van 27 oktober 1998 met een opzeggingstermijn van één jaar wordt geen rekening gehouden, nu bewezen is dat Hanson in 2000 nog meebestuurde. - De bespreking van 29 januari 2002, bevestigd in de brief van 29 april 2002 van Ludesa, ondertekend door de heer Luc V., bevat wel een rechtsgeldig ontslag als vennoot uit de tijdelijke handelsvennootschap. Artikel 4/2 van de oprichtingsovereenkomst bepaalt niet op welke manier de samenwerking door een vennoot kan beëindigd worden. Een mondelinge opzeg is dus een rechtsgeldige manier van uittreden. Wel bepaalt dit artikel een termijn van één jaar. Deze werd niet gerespecteerd. Het ontslag per 31 maart 2002 werd wel bevestigd door de brief van de heer V. namens Ludesa. Ongeacht de vraag of de notulen van het bestuurscomité de bevestiging moeten bevatten of niet, stelt het Hof vast dat 1) het niet respecteren van de termijn van één jaar de opzegging niet ongeldig maakt en dat 2) minstens vanaf 30 januari 2003 (daags na de bewezen mondelinge opzeg) Hanson geen vennoot meer was van de tijdelijke handelsvereniging Ludesa. Zij heeft haar deelname in het verlies per 31 maart 2002 betaald en daarna is nooit nog iets van haar gevorderd. - Het ontslag van een vennoot in een tijdelijke handelsvennootschap moet niet gepubliceerd worden. Een rapport van G. heeft geen rechtskracht, zodat het niet als basis kan dienen om te bepalen of een (rechts)persoon al dan niet vennoot is en de facturen al dan niet van deze persoon kunnen gevorderd worden. Het statuut van Hanson bij de BTW administratie heeft voor Lemay geen relevantie. Zij toont niet aan dat zij dit geverifieerd zou hebben en op basis daarvan haar handelsrelatie met Ludesa zou verder gezet hebben. Zij toont niet aan dat zij niet zou gecontracteerd hebben, indien zij zou geweten hebben dat Hanson geen vennoot meer was. Op Hanson rustte geen wettelijke verplichting om haar ontslag aan Lemay mee te delen. In de gegeven zaak was er ook geen dergelijke contractuele verplichting, net zo min als een verplichting op zorgvuldigheid gebaseerd. - Ten onrechte beroept Lemay zich op de schijnvertegenwoordiging en de vertrouwensleer ten opzichte van Hanson. Hiervoor werd reeds geoordeeld dat Lemay niet aantoont dat zij niet zou gecontracteerd hebben met Ludesa indien zij geweten zou hebben dat Hanson geen vennoot meer was. Verder had Lemay als contactpersoon de heer V. van de thans gefailleerde nv Lumat, die optrad voor Ludesa. Zij mocht erop vertrouwen dat de heer V. en Lumat rechtsgeldig konden optreden en met haar handel drijven (zie hiervoor, randnummer 15 tot 20). Hoe Ludesa zich intern organiseerde was voor haar in de gegeven omstandigheden van deze zaak niet van belang. Dit is des te meer het geval nu er zich tussen 2003 en begin 2006 geen moeilijkheden voordeden en de facturen van Lemay betaald werden. Het rechtmatige vertrouwen in Ludesa werd in die periode niet geschonden. - Alle facturen dateren van na 30 januari 2003, zodat Hanson niet kan aangesproken worden. - Het bestreden vonnis wordt bevestigd. De tussenvordering van Dender tegen Hanson 29. Het bestreden vonnis heeft het over de tussenvordering van Dender tegen Lemay. Dit is een materiële vergissing. Waar Lemay staat moet Hanson gelezen worden. 30. Onder randnummer 28 werd geoordeeld dat de opzegging rechtsgeldig was en tegenstelbaar aan Lemay. Voor de rechtsgeldigheid wordt naar dit randnummer verwezen. Dender is van oordeel dat de opzegging niet tegenstelbaar is aan haar. Gesteld dat zij niet op de hoogte zou geweest zijn van het ontslag van haar medevennoot, wat weinig geloofwaardig is, dan nog is dit te wijten aan het eigen toedoen van Dender. Door vanaf 2000 (dit is gedurende meer dan 5 jaar) nog niet eens de vraag te stellen naar de financiële en administratieve toestand van de vennootschap heeft zij haar eigen onwetendheid mee veroorzaakt. Dender was onzorgvuldig en haar eigen fout doorbreekt het mogelijke oorzakelijk verband bij een mogelijke andere fout. De gevolgen van deze nalatigheid zijn haar toerekenbaar. Het ontslag van Hanson moet derhalve minstens geacht worden tegenstelbaar te zijn aan Dender, ook al werd de oprichtingsovereenkomst niet aangepast en werd de deelneming niet herverdeeld. Het beweerde niet meedelen van het ontslag aan de BTW administratie heeft geen invloed op de tegenstelbaarheid van het ontslag aan Dender, gelet op de eigen onzorgvuldigheid van Dender. De tussenvordering van Hanson tegen Dender en Schelde 31. Gelet op het voorgaande en het ondergeschikt karakter van deze vordering tot vrijwaring wordt niet verder ingegaan op deze vordering. Kosten 32. Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. wordt eerste geïntimeerde tot betaling van de kosten veroordeeld. Het feit dat dit geding over 51 facturen handelde en over een aspect van het vennootschapsrecht, dat niet veelvuldig voorkomt in de rechtspraktijk zijn in de voorliggende zaak niet van aard om de maximumvergoeding te rechtvaardigen. De basisvergoeding volstaat. De basisvergoeding voor de vordering van Lemay tegen Dender bedraagt euro 5.000. De basisvergoeding voor de vordering van Lemay tegen Hanson bedraagt euro 5.000. De basisvergoeding voor de tussenvordering van Dender tegen Hanson bedraagt euro 5.000. De tussenvordering van Hanson kadert in het gevoerde verweer en daarom wordt geen aparte rechtsplegingvergoeding toegekend. De curator q.q. komt geen rechtsplegingvergoeding toe. V. Beslissing Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar enkel het hoger beroep is gegrond in de hierna volgende mate; Het Hof: - voegt de beide zaken samen; - verleent de curator q.q. akte van haar verzoek tot vrijwillige tussenkomst; - verwerpt het verzoek tot heropening der debatten; - bevestigt het bestreden vonnis, behalve wat de toegekende intresten en het schadebeding betreft en de vaststelling van de vrijwillige herleiding van het bedrag van de hoofdsom door appellante; - zegt voor recht dat de hoofdsom in het bestreden vonnis niet euro 187.078,96 is maar euro 186.722,26, zoals vrijwillig teruggebracht door Lemay; - veroordeelt eerste geïntimeerde, de nv Dender en Schelde, om aan appellante op de hoofdsom van euro 186.722,26 de conventionele vergoedende intresten te betalen vanaf de respectievelijke factuurdata tot aan de dagvaarding en de gerechtelijke verwijlintresten vanaf de dagvaarding tot aan de algehele betaling, beide aan de wettelijke rentevoet; - veroordeelt eerste geïntimeerde, de nv Dender en Schelde om aan appellante een schadebeding te betalen van euro 28.008,34; - verwerpt de vorderingen en alle conclusies die strijdig zijn met het voorgaande voor het overige; - veroordeelt eerste geïntimeerde, de nv Dender en Schelde, tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: appellante: hoger beroep: rolrecht: euro 186,00 verzoekschrift: euro 61,97 rechtsplegingvergoeding hoofdvordering: euro 5.000,00 tegenvordering eerste geïntimeerde: euro 5.000,00 tegenvordering tweede geïntimeerde: euro 5.000,00 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op twee maart tweeduizend en negen. Repertorium nr. 2009/ A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele P. Vanherpe Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.