← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090303.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090303.12 Rolnummer: 2008/AR/0878 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-02 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-07-02 19:20 Fiche Ingevolge het arrest van het Arbitragehof van 29 maart 2000 dat artikel 15,1° van het decreet van 14 juli 1998 dat de terugwerkende kracht voorzag, vernietigde, bleef ook voor de periode tot en met juli 1998 het vanaf 1 september 1990 geldende artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs II toepasselijk. Met de invoering van dat wetsartikel voorzag de Vlaamse Gemeenschap in een eigen regeling wat de terugvordering betrof van wedden in het Vlaamse onderwijs, dit in afwijking van de gemeenrechtelijke regeling, namelijk deze voorzien in artikel 7 van de Wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën (ondertussen art. 106 Gec.W.Rijkscomp.). Artikel 198 decr. 31 juli 1990 verving niet de volledige regeling van artikel 106 Gec.W. Rijkscomp. maar regelt alleen de termijn waarbinnen het nodige moet gedaan worden om te vermijden dat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen. Dat artikel heeft die termijn verkort van vijf naar één jaar, met een overgangsperiode voor de sommen die tussen 1 januari 1986 en 1 januari 1992 betaald werden. Alleen de eerste paragraaf van artikel 106 Gec.W. Rijkscomp. werd aldus voor die specifieke bedragen niet langer toepasselijk, want vervangen door artikel 198 decr. 31 juli

  1. Artikel 106 §2 Gec.W. Rijkscomp., waarin de vormvoorschriften voor de vraag tot terugvordering en de bijkomende verjaringstermijn voor de effectieve terugvordering bepaald zijn, bleef dus onverminderd toepasselijk. De terugvordering was in de betreffende periode dan ook in die zin geregeld dat aan de genieter van het loon per aangetekende brief - waarin de totale teruggevraagde som staat alsook de bepalingen waarmee de betalingen in strijd zijn - om terugbetaling moet worden gevraagd binnen het jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling. Indien aan die voorwaarde voldaan werd, beschikte de overheid over een termijn van 30 jaar om tot effectieve terugvordering over te gaan. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Algemeen (onderwijs) Vrije woorden: Onderwijs - Terugvordering loon - Verval - Verjaring Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 03-03-2009 BURGERLIJK Nr.2008/AR/878 - in de zaak van: DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, met kantoren te 9700 OUDENAARDE, Malbourouglaan 4, optredend in naam en voor rekening van de VLAAMSE GEMEENSCHAP - handelend door de Executieve - welke krachtens artikel 61 §1 van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 de rechten en de verplichtingen van de Staat met betrekking tot het onderwijs op zich heeft genomen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures overeenkomstig de wet van 18 december 1986 houdende bevoegdverklaring van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen tot het uitvoeren van bepaalde vermogensrechtelijke verrichtingen voor rekening van de gemeenschaps- en gewestinstellingen en het decreet van de Vlaamse Raad van 23 december 1986 houdende bevoegdverklaring van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen tot het uitvoeren van bepaalde vermogensrechtelijke verrichtingen voor rekening van de Vlaamse Gemeenschap en van de instellingen die ervan afhangen, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VERGAUWE Geert loco mr. VANCAENEGHEM Philip, advocaat te 9000 GENT, Twaalfkameren 17 tegen: P. M., wonende te , geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. MESSENS Karel loco mr. DE HAUW Edward, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Voorburg 3 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
  2. Procedure Bij verzoekschrift van 27 maart 2008 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 8 januari 2008 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan: Verklaart het verzet van eiseres ontvankelijk en gegrond, dienvolgens, - verklaart het dwangbevel met bevel tot betaling betekend aan eiseres op 15 maart 2002 ten verzoeke van verweerster en strekkende tot veroordeling van eiseres tot betaling van een som van euro 2.030,042 meer moratoire intresten en vervolgingskosten nietig - beveelt de teruggave van alle sommen die op grond van het vernietigde dwangbevel, betekend aan eiseres op 15 maart 2002 werden geïnd, vermeerderd met de moratoriumintresten zoals voorzien in artikel 418 W.I.B. 1992 - verklaart de vordering van eiseres wegens tergende en roekeloze procedure niet gegrond en wijst eiseres ervan af - veroordeelt verweerster tot de gedingkosten (...). Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als ongegrond afwijst. De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak deed over het verzet tegen het dwangbevel maar stelt op haar beurt (impliciet) incidenteel hoger beroep in en vraagt dat het Hof de vordering tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding (uitgebreid van 1.000 tot 2.000 euro) gegrond zou verklaren. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
  3. Feitelijke gegevens De geïntimeerde was leerkracht en ontving daarvoor een wedde vanwege de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs. Ingevolge een uitvoerend beslag, gelegd op 5 juli 1985 door gerechtsdeurwaarders Bergé en Ravelingien in opdracht van de NV Kredietbank, werd ten voordele van deze laatste gedurende meerdere jaren (minstens tot en met 1996) een bedrag op de wedde van de geïntimeerde ingehouden. Op 19 september 1997 stuurde het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Administratie Secundair Onderwijs aan de geïntimeerde een aangetekende brief waarin haar werd gevraagd om het bedrag van 81.907 frank (2.030,42 euro) terug te storten op een vermelde zichtrekening. Volgens die brief was de uitbetaling van dit bedrag strijdig met de bepalingen van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Er werd verduidelijkt dat het ging om een terugbetaling van onverschuldigde bedragen uitgekeerd voor de periode van 1 december 1995 tot 31 december
  4. De geïntimeerde heeft daarop geantwoord en nam als standpunt in dat ze het gevraagde bedrag niet zou terugbetalen. Er volgde nog briefwisseling over en weer maar er kon geen minnelijke regeling getroffen worden. Op 21 februari 2002 werd door de appellant op verzoek en voor rekening van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs, bestuur personeel, secundair onderwijs een dwangbevel uitgevaardigd tot betaling van een bedrag van 2.030,42 euro meer de moratoire interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf de betekening van het dwangbevel en meer de vervolgingskosten. Het dwangbevel werd op 22 februari 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 15 maart 2002 met een gerechtsdeurwaardersexploot aan de geïntimeerde betekend. Met een verzoekschrift van 22 maart 2002 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 8 januari 2008 geoordeeld zoals hoger vermeld. Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
  5. Grieven en argumenten van de partijen 3.
  6. Standpunt van de appellant De appellant stelt dat de eerste rechter ten onrechte heeft vastgesteld dat het dwangbevel nietig is om reden dat de vordering tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde wedde verjaard was. Volgens de appellant is artikel 198 §1 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II toepasselijk en voorziet die wetsbepaling dat, om de ten onrechte uitbetaalde wedden terug te kunnen vorderen, aan de ontvanger van die wedden de terugbetaling moet gevraagd worden binnen een termijn van een jaar te rekenen vanaf de eerste januari volgend op de datum van betaling van de wedde. Wat de vormen en de verjaring voor de werkelijke invordering betreft, zou artikel 7 van de Wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, onverminderd toepasselijk gebleven zijn. Dat zou betekenen dat, indien binnen de termijn van 1 jaar voorzien in artikel 198 §1 decr. 31 juli 1990 om terugbetaling werd gevraagd aan de geïntimeerde, de terugvordering bij wijze van dwangbevel kon gebeuren binnen een termijn van 30 jaar. Volgens de appellant werd die termijn gerespecteerd. De wedde van december 1995 zou pas in januari 1996 zijn uitbetaald zodat ook voor die maand de termijn pas zou zijn ingegaan op 1 januari 1997 om te eindigen op 31 december 1997, zodat de aangetekende brief van 19 september 1997 tijdig zou zijn verstuurd. De geïntimeerde zou zich verder ten onrechte op artikel 298 WIB92 beroepen omdat die wetsbepaling niet toepasselijk zou zijn. In zoverre de geïntimeerde inroept dat zij - ingevolge het beslag door de NV Kredietbank - de betreffende gelden niet of niet geheel zou ontvangen hebben, stelt de appellant dat dit zonder belang is omdat betaald werd aan een schuldeiser van de geïntimeerde. De appellant ontkent ook dat de geïntimeerde nooit kennis gekregen heeft van enige behandeling van het bezwaar dat ze aantekende. De appellant wijst op de diverse briefwisseling die is gevoerd. Ten slotte ontkent de appellant dat er sprake zou zijn van een tergende of roekeloze procedure. 3.
  7. Standpunt van de geïntimeerde De geïntimeerde stelt dat de vordering tot terugbetaling verjaard was door het verstrijken van 3 jaar, minstens een termijn van 5 jaar. De aangetekende brief van 19 september 1997 zou de verjaring niet gestuit hebben. De wet van 6 februari 1970 zou niet aanvullend toepasselijk zijn omdat artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 een specifieke regeling voorziet en een verjaringstermijn voorziet van 3 jaar. Subsidiair zou de vijfjarige termijn van artikel 2277 BW moeten toegepast worden. Minstens zou er een schending zijn van artikel 298 WIB92 daar voorafgaand aan het bevel tot betaling door een gerechtsdeurwaarder, geen aangetekende herinneringsbrief werd verstuurd door de appellant. Ten gronde stelt de geïntimeerde dat ze de betalingen als gevolg van het beslag door de NV Kredietbank nooit (volledig) ontvangen heeft; ze stelt wel steeds erkend te hebben dat ze 34.895 frank (865,02 euro) teveel had ontvangen. Volgens de geïntimeerde werd het verschil tussen het gevorderde bedrag van 81.907 frank (2.030,42 euro) en 34.895 frank (865,02 euro), zijnde 47.012 frank (1.165,40 euro) door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte aan de NV Kredietbank overgemaakt. Daarom zou de terugvordering onrechtmatig en ongegrond zijn. Ze stelt dat tijdig gemeld te hebben en volledig te goeder trouw gehandeld te hebben. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding stelt de geïntimeerde dat gebleken is dat de gelden aan de NV Kredietbank werden overgemaakt, dat alleen maar standaard herinneringsbrieven werden verstuurd en dit zelfs rechtstreeks aan haar zonder haar advocaat in te lichten en zonder de argumentatie ooit te onderzoeken. Dat zou onbehoorlijk bestuur zijn.
  8. Beoordeling 4.
  9. Principaal hoger beroep - verjaring van de terugvordering De partijen beroepen zich op artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs II (hierna: decr. 31 juli 1990). Hoewel de Vlaamse wetgever met het decreet van 14 juli 1998 (artn. 9 jo. 15, 1°) het initiatief genomen heeft om een aanvulling te doen die tot 1 september 1990 zou terugwerken, kreeg deze maatregel geen uitwerking als gevolg van het arrest van het Arbitragehof van 29 maart 2000 dat artikel 15,1° van het decreet dat de terugwerkende kracht voorzag, vernietigde. Dat heeft tot gevolg dat voor de betreffende periode de volgende versie van artikel 198 decr. 31 juli 1990, zoals gewijzigd bij decreet van 28 april 1993, in werking getreden op 1 september 1990, toepasselijk is: §1 Inzake toegekende werkingsmiddelen of toelagen alsmede wedden, weddetoelagen, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden of weddetoelagen vormen of ermede gelijkstaan, zijn de door de Vlaamse Gemeenschap aan de inrichtende machten van onderwijs en de personeelsleden, ten onrechte uitbetaalde sommen voor goed vervallen aan hen die ze ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de eerste januari volgend op de datum van betaling. De in het eerste lid vastgestelde termijn wordt tot 30 jaar verlengd, wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen. §2 In afwijking op §1, eerste lid: - is de verjaringstermijn drie jaar, ingaande op 1 januari 1991, voor alle tussen 1 januari 1986 en 1 januari 1991 betaalde sommen, met dien verstande dat nooit kan worden teruggevorderd voor een periode die de vijf jaar overstijgt; - is de verjaringstermijn twee jaar, ingaande op 1 januari 1992, voor alle tussen 1 januari 1991 en 1 januari 1992 betaalde sommen. §3 Inzake toegekende wedden, weddetoelagen, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen die een toebehoren van de wedden of weddetoelagen vormen of ermede gelijkstaan, wordt geen terugbetaling gevorderd van de door de Vlaamse Gemeenschap aan de inrichtende machten van onderwijs en de personeelsleden ten onrechte uitbetaalde sommen, waarvan het totale bedrag 1000 frank niet overschrijdt, tenzij het ten onrechte uitbetaalde bedrag kan worden gerecupereerd op nog uit te keren wedden of weddetoelagen of op nog voor dezelfde doeleinden uit te keren bedragen. Met de invoering van dat wetsartikel voorzag de Vlaamse Gemeenschap in een eigen regeling, dit in afwijking van de gemeenrechtelijke regeling, namelijk deze voorzien in artikel 7 van de Wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, wat ondertussen artikel 106 van de (door KB van 17 juli 1991) gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (Gec.W.Rijkscomp.) geworden is. Dat artikel 106 luidt als volgt: §1 Inzake wedden, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan, zijn de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling. De in het eerste lid vastgestelde termijn wordt tot 30 jaar opgevoerd, wanneer de onverschuldigde sommen zijn verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of bewust onvolledige verklaringen. §2 Om geldig te zijn moet deze vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van: 1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen; 2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan. Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd. Het is duidelijk dat artikel 198 decr. 31 juli 1990 niet de volledige regeling van artikel 106 Gec.W. Rijkscomp. vervangen heeft voor wat betreft de door de Vlaamse Gemeenschap aan de inrichtende machten van onderwijs en de personeelsleden ten onrechte uitbetaalde werkingsmiddelen of toelagen alsmede wedden, weddetoelagen, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden of weddetoelagen vormen of ermede gelijkstaan. Artikel 198 regelt alleen de termijn waarbinnen het nodige moet gedaan worden om te vermijden dat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen. Dat artikel heeft die termijn verkort van vijf naar één jaar, met een overgangsperiode voor de sommen die tussen 1 januari 1986 en 1 januari 1992 betaald werden. Alleen de eerste paragraaf van artikel 106 Gec.W. Rijkscomp. werd dus voor die specifieke bedragen niet langer toepasselijk, want vervangen door artikel 198 decr. 31 juli
  10. Artikel 106 §2 Gec.W. Rijkscomp. (art. 7 §2 Wet van 6 februari 1970), waarin de vormvoorschriften voor de vraag tot terugvordering en de bijkomende verjaringstermijn voor de effectieve terugvordering bepaald zijn, bleef dus onverminderd toepasselijk (vgl. Cass. 20 april 2007, AR. C04.0178.N, www.cass.be). Volledigheidshalve kan nog worden opgemerkt dat de vernietiging van artikel XIII.2 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek, door het arrest nr. 189/2002 van het Arbitragehof van 19 december 2002, zonder enige invloed is. Het Arbitragehof heeft immers slechts kunnen vaststellen dat het genoemde artikel XIII.2 ertoe strekte een interpretatie te geven aan een bepaling die niet in het decreet van 31 juli 1990 stond (maar wel in artikel 7 §2 Wet 6 februari 1970). De terugvordering is dan ook in die zin geregeld dat aan de geïntimeerde per aangetekende brief - waarin de totale teruggevraagde som staat alsook de bepalingen waarmee de betalingen in strijd zijn - om terugbetaling moet worden gevraagd binnen het jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling. Indien aan die voorwaarde voldaan is, beschikte de appellant over een termijn van 30 jaar om tot effectieve terugvordering over te gaan. Het Hof stelt vast dat alle wedden waarvoor de terugbetaling gevraagd werd, betaald werden na 31 december
  11. De wedde van december 1995 werd, zoals blijkt uit het stuk C.2 van de appellant, pas in januari 1996 uitbetaald: op 2 januari 1996 914,23 euro aan de geïntimeerde persoonlijk en 488,30 euro aan gerechtsdeurwaarders Bergé en Ravelingien ten voordele van beslaglegger Kredietbank NV. Bijgevolg is de termijn van één jaar voorzien in artikel 198 §1 decr. 31 juli 1990 - ook wat de wedde van december 1995 betreft - beginnen lopen op 1 januari 1997 om te eindigen op 31 december 1997 om middernacht. De aangetekende brief van 19 september 1997 werd dus binnen de termijn van 1 jaar verstuurd. Van dan af beschikte de appellant over een termijn van 30 jaar om tot effectieve terugvordering over te gaan. De betekening van het dwangbevel op 15 maart 2002 was dus tijdig. De eerste rechter heeft dan ook ten onrechte de verjaring van het recht op terugvordering en van het dwangbevel vastgesteld. Het principaal hoger beroep is gegrond. 4.
  12. Artikel 298 WIB92 De geïntimeerde kan zich op artikel 298 WIB92 niet beroepen, vermits de procedureregels die daar vermeld zijn, betrekking hebben op de inning van de inkomstenbelastingen en niet toepasselijk zijn op het dwangbevel dat uitgevaardigd wordt voor de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde wedden van onderwijspersoneel. 4.
  13. De terugvordering ten gronde Ten onrechte voert de geïntimeerde aan dat er geen terugbetaling zou kunnen gevraagd worden van sommen die zij zelf niet ontvangen heeft, met name omdat haar loon (althans voor het wettelijk toegelaten deel) beslagen was en aan de NV Kredietbank werd uitbetaald. De betaling aan de NV Kredietbank moet immers geacht worden te zijn gedaan voor rekening van de geïntimeerde persoonlijk. Die betalingen zijn dan ook gebeurd in het voordeel van het patrimonium van de geïntimeerde. Het is dan ook de geïntimeerde die zich door de ten onrechte betaalde wedden verrijkt heeft en niet de NV Kredietbank. De terugbetaling is dus wel degelijk door de geïntimeerde verschuldigd. De oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde moet dus als ongegrond worden afgewezen. 4.
  14. Het incidenteel hoger beroep - schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding (met uitbreiding van de vordering) De geïntimeerde heeft ten gronde ongelijk. In zoverre de appellant tot terugvordering is overgegaan en volhard heeft tot en met betekening van het dwangbevel en bevel tot betaling is er alvast geen fout of onzorgvuldigheid begaan door de appellant. De geïntimeerde stelt ook ten onrechte dat de wijze waarop zij door de Vlaamse Gemeenschap (overigens niet de appellant) en naderhand de diensten van de appellant werd behandeld, blijk zou geven van onbehoorlijk bestuur. Op de brief van de advocaat van de geïntimeerde van 8 oktober 1997 is wel degelijk geantwoord met een brief van 22 oktober
  15. Het mag dan waar zijn dat de Vlaamse Gemeenschap op de brief van de advocaat van de geïntimeerde van 7 april 1998 niet in detail geantwoord heeft, maar er werd wel op geantwoord, namelijk dat de brief van 19 september 1997 (die gemotiveerd was) gehandhaafd bleef en dat zij mocht afbetalen. De advocaat heeft daarop geantwoord dat er geen akkoord was en dat de geïntimeerde verkoos te procederen. Vanaf dat moment was duidelijk dat de standpunten wederzijds bekend waren zodat de geïntimeerde er zich bezwaarlijk kan over beklagen dat de Vlaamse Gemeenschap niets meer deed dan aan de vraag tot betaling te herinneren en dat uiteindelijk de appellant (het Ontvangkantoor der domeinen en penale boeten te Oudenaarde) (slechts) hetzelfde deed. Die vraag tot terugbetaling blijkt bovendien terecht te zijn geweest. Het incidenteel hoger beroep en de uitbreiding van de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding zijn in elk geval ongegrond.
  16. De gerechtskosten De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen. Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en reden tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. (en dus met uitsluiting van artikel 620 Ger.W.) zich in de schijf van 750,01 tot 2.500,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 400,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk; verklaart het principaal hoger beroep gegrond; verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak deed over de ontvankelijkheid van de vordering en tegenvordering en in zoverre het de tegenvordering ongegrond verklaarde; vernietigt het bestreden vonnis voor het overige en doet opnieuw recht over de hoofdvordering van de geïntimeerde en verklaart die vordering ongegrond; verklaart de uitbreiding van de tegenvordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond; veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellant: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 400,00 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 400,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 400,00 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 400,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op DRIE MAART TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. M.Vanderbeeken D.Vandeputte G.Tillekaerts A.De Meue Nr.Rept.2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.