← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090304.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090304.10 Rolnummer: 2007/AR/1538 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-10-28 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-07-02 19:20 Fiche De billijke vergoeding, waarvan sprake in artikel 2 Alleenverkoopwet, compenseert de voordelen van de niet verleende opzegging en wordt berekend op grond van die voordelen; het betreft een vervangende schadevergoeding met als doel het nadeel, gelden door het ontbreken van een opzeggingstermijn of door een te korte opzeggingstermijn, te vergoeden. Er moet worden nagegaan wat de redelijke opzeggingstermijn is en welk voordeel de concessiehouder had kunnen realiseren tijdens de redelijke opzeggingstermijn welke niet werd toegekend. Met redelijke opzeggingstermijn wordt bedoeld de termijn die als voldoende wordt beschouwd om de concessiehouder toe te laten zijn activiteiten te heroriënteren opdat de beëindiging van de concessie niet tot zijn ondergang zou leiden. Het komt erop neer dat een gelijkwaardige situatie wordt gevonden met een bron van netto-inkomsten die gelijkwaardig is aan deze die de concessiehouder verloren is, zonder dat dit noodzakelijk een nieuwe concessie van hetzelfde product of van een gelijkaardig product hoeft te zijn. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Concessie - Beëindiging - Vergoeding op grond van artikel 2 Alleenverkoopwet - Redelijke opzeggingstermijn. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 04 maart 2009 EINDARREST In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1538 van: nv FORD MOTOR COMPANY (BELGIUM), met zetel te 1082 Brussel, Hunderenveldlaan 10, met ondernemingsnr. 0404.955.204, appellante tegen de vonnissen van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 10-3-2005 en dd. 5-4-2007, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. VAN FRAEYENHOVEN Olivier, advocaat te 2600 Berchem (Antwerpen), Roderveldlaan 3 tegen : nv LEIE-MOTOR in vereffening, met zetel te 8792 Desselgem, Gentseweg 134, met ondernemingsnr. 0429.362.481, geïntimeerde, oorspronkelijk eisende partij, hebbende als raadsman mr. DECLERCK Chris, advocaat te 8530 Harelbeke, Kortrijksesteenweg 387 velt het hof het volgend arrest. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 juni 2007 tekende de nv. Ford Motor Company (Belgium) (hierna "Ford" genoemd) hoger beroep aan tegen de vonnissen op tegenspraak gewezen op respectievelijk 10 maart 2005 en 5 april 2007 door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, eerste kamer, in de zaak met A.R. nr. 4860/02 tussen Ford en de nv Leie-Motor in vereffening (hierna "Leie-Motor" genoemd). De partijen werden ter openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies. De overgelegde stukken werden ingezien. Antecedenten

  1. feitelijke voorgaanden : Onderhavig geschil heeft betrekking op tussen de partijen over en weer geformuleerde vorderingen naar aanleiding van de beëindiging van de concessieovereenkomsten die tussen hen bestonden met betrekking tot de verkoop van Ford personenwagens en bestelwagens enerzijds en vrachtwagens anderzijds in de regio Waregem. Met betrekking tot de feitelijke voorgaanden verwijst het hof naar de uiteenzetting in het in deze zaak op 24/6/2004 gewezen eerste tussenvonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, eerste kamer, onder de hoofding "II. Beknopte samenvatting van de belangrijke feitelijke gegevens en van het standpunt van partijen". Deze feitelijkheden kunnen kort als volgt worden samengevat: Leie-Motor is reeds sedert 1957 exclusief concessiehouder voor de verkoop van Ford-personenwagens en bestelwagens en sedert 1962 voor de verkoop van Ford-vrachtwagens in de regio van Waregem en omstreken. Deze concessies van alleenverkoop concretiseerden zich in opeenvolgende jaarlijkse overeenkomsten, waarvan de laatste met betrekking tot de verkoop van vrachtwagens dateerde van 1/1/1989 en de laatste met betrekking tot de verkoop van personen- en bestelwagens van 1/10/
  2. Leie-Motor bouwde een bloeiende handelszaak uit en werkte binnen haar territorium met vijf onderagenten, namelijk te Harelbeke, Heestert, Moen, Olsene en Zulte. De eerste 30 à 40 jaar van de concessie waren er dan ook geen noemenswaardige problemen. Deze problemen ontstonden pas bij de daling van de verkoopscijfers voor de vrachtwagens midden de jaren tachtig en voor de personen- en bestelwagens in de tweede helft van de jaren negentig. Bij brief van 27/11/1985 vestigde Leie-Motor bij Ford reeds de aandacht op het feit dat het onmogelijk werd de verkoop van vrachtwagens in stand te houden "met de vrachtwagenprodukten welke Ford Motor Company Belgium ter onze beschikking stelt". Er was immers reeds een gedeeltelijke amputatie van het gamma aan vrachtwagens Ford doorgevoerd. Leie-Motor heeft gepoogd dit, met instemming van Ford, enigszins te compenseren door een verkoop van Pegaso-vrachtwagens ter aanvulling van de Ford-vrachtwagens. In 1991 werd Pegaso evenwel opgeslorpt door Iveco Ford Ltd, aan wie Ford eveneens haar vrachtwagenafdeling Ford Cargo had verkocht. Bij aangetekend schrijven dd. 9/4/1991 stelde Ford een einde aan de concessieovereenkomst betreffende Ford vrachtwagens met opgave van volgende reden : "... De vennootschap IVECO Ford heeft ons medegedeeld, dat zij geen bijkomende orders voor de productie zal aanvaarden na 9 april
  3. Bijgevolg betekenen wij U door deze brief de opzeg van uw hoofdconcessieovereenkomst voor Ford Vrachtwagens om te eindigen op 9 april 1993". Een opzeg van 24 maanden dus omwille van de stopzetting van de verkoop van Ford-vrachtwagens op gans het Europees continent. Deze stopzetting was op zich geen verrassing en was reeds in 1988 publiekelijk aangekondigd. Wel stelde Ford voor contact te nemen in verband met een eventuele aanstelling als Ford Service Center voor zware vrachtwagens, hetgeen resulteerde in een naverkoopovereenkomst gesloten voor een periode van 10 jaar waarin Leie-Motor de naverkoop diensten (onderhoud en wisselstukken) voor de vrachtwagens kon waarborgen. Kort nà de opzegging liet Leie-Motor bij brief van 30/12/1991 aan Ford weten dat zij constructieve contacten had gelegd met N.V. Nissan Belgium Truckdivisie (hierna "Nissan" genoemd) en gewezen op de slaagkansen ervan. Ford verzette zich hiertegen bij brief van 2/2/1992 en raadde Leie-Motor aan de vrachtwagenactiviteit af te bouwen en zich te concentreren op de lichte en middelzware bedrijfsvoertuigen van Ford (Courier en Transit). Niettemin bracht Leie-Motor bij brief van 19/2/1992 aan Ford ter kennis dat zij eind januari 1992 een contract met Nissan had afgesloten. Ingevolge het blijvend verzet van Ford, schreef Leie-Motor op 9/4/1992 het volgende: "Wij bevestigen ons vast voornemen om tegen eind 1994 de Nissan commerciële produktlijn op een andere plaats te vestigen, in een separate vennootschap onder te brengen en een afgescheiden management met deze produktlijn te belasten." (letterlijke weergave). Op 3/3/1992 richtte Ford een aangetekend schrijven aan Leie-Motor met de mededeling van een vervroegde beëindiging van de concessieovereenkomst voor Ford vrachtwagens op 20 maart 1992 i.p.v. 9 april 1993 om reden dat de maatschappij Iveco Ford Truck ltd reeds vanaf 20/3/1992 geen bestellingen meer zou ontvangen. Bovendien was de verkoop van Ford Cargo bij Leie-Motor in 1991 gezakt tot twee eenheden. Inmiddels liep de concessie voor personen- en bestelwagens onverminderd en probleemloos verder, evenals de concessie voor de dienst na verkoop vrachtwagens, waarvan het laatste contract dateert van 1/1/
  4. In de loop van de concessie werden ook bijkomende overeenkomsten gesloten m.b.t. een concessie bij verhuring op lange termijn van voertuigen tussen Ford Credit en Leie-Motor (waarbij Ford Credit voertuigen aankocht bij Leie-Motor om deze aan derden op lange termijn te verhuren), een concessieovereenkomst tussen Ford Credit en Leie-Motor i.v.m. leasingvoertuigen, een concessieovereenkomst voor dienst na verkoop personenwagens en bestelwagens alsook een overeenkomst m.b.t. de verkoop van niche-producten, meer bepaald de Probe en de 4x4 Maverick. Tevens werd door Leie-Motor met vijf agenten een "Ford Service agent overeenkomst" afgesloten. Als erkende concessiehouder kreeg Leie-Motor de gelegenheid zich in te schakelen in een nieuw door Ford ontwikkeld concept "Ford Direct", met als doelstelling de verkoop van jonge tweedehandswagens binnen het Ford-distributienetwerk te bevorderen. Een eerste overeenkomst dateerde van 8/6/1994 gevolgd door een tweede overeenkomst op 5/8/
  5. Er zal later betwisting ontstaan omtrent de vraag in hoeverre deze overeenkomst al dan niet deel uitmaakt van de concessie voor personen-en bestelwagens. Sedert 2000 begon de sedert 40 jaren durende concessieverhouding tussen Ford en Leie-Motor barsten te vertonen, o.m. als gevolg van een onzekerheid bij Leie-Motor omtrent haar rol in een door Ford in 1998 gelanceerd - doch uiteindelijk niet doorgevoerd - nieuwe "Concept-Strategie CMA", omtrent de door Ford in 2001-2002 doorgevoerde wijziging van de verkoopscommissie-structuur en omtrent het beleid van Ford waarbij geopteerd werd voor overnames (Aston Martin, Volvo, Landrover) eerder dan voor een diversifiëring van het gamma waardoor het productieassortiment bij de dealer verschraalde. Leie-Motor wees Ford hierop in haar schrijven dd. 22/6/
  6. De relatie verslechterde nà de brief dd. 5/3/2001 van Ford aan Leie-Motor waarin eerstgenoemde wees op een daling van de registraties in het jaar 2000 tot onder de maatstaf van 80% t.o.v. 87,30% in 1998 en 85,01% in
  7. Leie-Motor protesteerde hiertegen bij brief van 15/3/2001 en verweet Ford dat zij vertrok van vervalste en gemanipuleerde cijfers en geen rekening hield met de stijgende verkoop van Ford Direct Wagens in haar aansprakelijkheidsgebied. De relatie verslechterde nog meer nà de brief dd. 30/5/2002 van Ford aan Leie-Motor waarin zij - andermaal - constateerde "dat uw verkoopresultaten, uitgedrukt in percent van het nationaal gemiddelde, in belangrijke mate onder het nationaal gemiddelde blijven, en dit vooral voor registraties en in mindere mate voor afleveringen". Voor het tweede jaar op rij bleek Leie-Motor met een registratiepercentage van 68,56% onder de maatstaf van 80% te zijn gezakt. Ook dit schrijven stuitte op fel protest vanwege Leie-Motor bij brief dd. 28/6/
  8. De volgende stap was de opzegging door Ford van de concessie voor personen- en bestelwagens bij aangetekend schrijven dd. 30/6/2002, brief waarvan Leie-Motor drie dagen vooraf reeds was verwittigd op een informele bijeenkomst met aangestelden van Ford (S. T. en B., manager organisatie concessies) op 27/6/
  9. Er werd een opzeggingstermijn toegekend van twee jaar, eindigende op 30/9/2004 en er werd opgezegd "Wegens economische en organisatorische redenen". Leie-Motor bleek niet de énige wiens concessie werd opgezegd. Diverse andere concessiehoudens (zowat 17 in totaal) werden eveneens opgezegd doch (merendeels) met een opzeggingstermijn van 3 jaar. Volgens Ford pasten deze opzeggingen, en zo ook de opzegging van de concessieovereenkomst met Leie-Motor, in het kader van een algehele herstructurering van haar netwerk binnen Europa als gevolg van een wijzigende Europese regelgeving in het algemeen en van de evolutie van de markt in het bijzonder. Ingevolge de steeds dalende verkoopsresultaten van nieuwe wagens en de weigerachtige houding van Leie-Motor om haar houding te veranderen (aldus Ford), zag Ford voor Leie-Motor geen plaats (meer) weggelegd in haar toekomstig netwerk. Deze plaats heeft zij naderhand toegewezen aan de concurrerende Ford-concessiehouder uit de regio, nl. Garage Moderne uit Kuurne. De verhoudingen tussen Leie-Motor en Ford geraakten compleet verzuurd na het ontslag op 18/7/2002 van G. P., sedert jaren (hoofd)verkoper bij Leie-Motor, en diens quasi onmiddellijke indienst-treding bij Garage Moderne te Kuurne . Een jaar later zou ook de hoofdmagazijnier F. V. deze overstap maken, waardoor Leie-Motor twee van haar belangrijkste mensen in het bedrijf verloor. Leie-Motor was van oordeel dat Ford achter deze ontslagen zat. Bij aangetekend schrijven dd. 24/6/2003 werd om dezelfde "ekonomische en organisatorische redenen " de bestaande Ford Direct overeenkomst eveneens opgezegd, weliswaar slechts met een opzeggingstermijn van 3 maanden beginnende op 1/7/2003 en eindigend op 1/10/2003, zoals contractueel vastgelegd. Bij aangetekend schrijven dd. 31/10/2003 werd de opzeggingstermijn met één maand verlengd om aldus een einde te nemen op 30/11/
  10. Ingevolge de opzegging van de concessieovereenkomst werden de overeenkomsten met de vijf plaatselijke agenten door Leie-Motor eveneens opgezegd tegen de einddatum van de hoofdconcessie. Hierop had Ford trouwens reeds aangedrongen in haar opzegbrief van 30/6/
  11. In het kader van de nog lopende concessieovereenkomst waren er tussen Ford en Leie-Motor eveneens problemen gerezen omtrent de in het kader van de nieuwe Europese regelgeving te verwerken aanpassingen van de bestaande concessieovereenkomsten. Overeenkomstig de groepsvrijstellingsverordering 1400/2002 dienden alle lopende concessieovereenkomsten met de dealers immers per 1/10/2003 te worden beëindigd en vervangen door nieuwe concessiecontracten en contracten van "Ford Erkend Hersteller" en "Ford Erkend Onderdelendistributeur". Hierbij hoorde voor de concessie-houders in opzeg (waaronder Leie-Motor) een door hen ondertekende "akkoordverklaring" houdende de bevestiging dat de onder de vorige concessieovereenkomst gegeven opzeg nog steeds verder liep onder de nieuwe overeenkomsten. Ingevolge de Europese Verordening vervielen de bestaande Ford concessieovereenkomsten immers op 1/10/2003 om te worden vervangen door de nieuwe overeenkomsten. Tussen de partijen liep het vooral mis met de "akkoordverklaring", welke Leie-Motor weigerde te ondertekenen omdat zij deze strijdig achtte met de Europese regelgeving. Haar vrees bestond er voornamelijk in dat zij haar rechten voortvloeiende uit de opzegging van de concessieovereenkomst van 1996 zou komen te verliezen. Ford heeft ten titel van oplossing diverse minnelijke voorstellen geformuleerd, doch geen ervan werd door Leie-Motor aanvaard. De inmiddels opgestarte procedure voor de rechtbank van koophandel te Kortrijk in ontbinding van de bestaande concessieovereenkomst was hieraan zeker niet vreemd, zoals uit de tussen de partijen uitvoerig gevoerde briefwisseling ook blijkt. Een van de gevolgen was dat de FCE Bank ("Ford Credit") overging tot de beëindiging van de stockfinancieringsovereenkomst, om reden dat Leie-Motor niet inging op haar vraag tot het verstrekken van een bankgarantie op eerste verzoek t.b.v. 250.000 EUR. Dit had meegebracht dat Leie-Motor vanaf 1/10/2003 niet meer kon genieten van een uitstel van betaling, doch dat de voertuigen op de factuurdatum dienden betaald te worden. Door de tussenkomst van Ford kon de relatie met Ford Credit worden hersteld. Deze vraag om een bijkomende garantie vanwege Ford Credit had niet enkel te maken met de opzegging van de concessieovereenkomst op zich, maar ook - en zelfs vooral - met de weigering van Leie-Motor om de akkoordverklaring als bijvoegsel van de "Nieuwe Overeenkomsten" te ondertekenen, waardoor zij vanaf 1/10/2003 niet meer als erkende concessiehouder kon aangezien worden en dusdoende niet meer kon genieten van de stockfinancieringsovereenkomst tussen Ford en FCE Bank. Leie-Motor wachtte het einde van de opzeggingstermijn evenwel niet af en ging vanaf 7 november 2003 een samenwerking aan met "Auto's Cardoen". Dit leidde niet tot het gewenste positief resultaat en resulteerde zelfs in een ontbinding en een in vereffeningstelling van de vennootschap, na het verslag van de Raad van Bestuur van 12/7/2004, zulks bij beslissing van de Algemene Vergadering van 19/7/2004 en opgenomen in de notariële akte neergelegd op 20/7/2004 ter griffie van de rechtbank van koophandel te Kortrijk. Ford werd hiervan niet spontaan in kennis gesteld en beschouwde deze nalatigheid als een contractuele inbreuk. Ongerust over de financiële situatie van haar concessiehouder richtte zij op 6/8/2004 aan Leie-Motor een aangetekend schrijven waarin zij deze laatste verantwoordelijk achtte voor alle mogelijke schade die zou voortvloeien uit deze contractuele inbreuk. Tevens maande zij Leie-Motor aan alle boekhoudkundige documenten en verslagen over te maken op basis waarvan de Raad van Bestuur en de Algemene Vergadering van Leie-Motor tot de vereffening hadden beslist. Dit schrijven werd mede ingegeven door de vaststelling dat Leie-Motor reeds "sedert ettelijke maanden" weigerde de BM90 rapporten over te maken, waaruit de evolutie van haar financiële positie moest blijken. Leie-Motor vroeg bij aangetekende brief van 12/8/2004 uitstel om redenen van vakantie doch stelde Ford wel aansprakelijk voor haar ontbinding die zij aanzag als zijnde "volledig en rechtstreeks het gevolg van de contractbreuk door Ford." Aangezien Leie-Motor naliet verduidelijking omtrent haar financiële situatie te verstrekken, zag Ford zich verplicht om de leveringen voor onderdelen te reduceren tot een maximumbedrag van 40.000 euro en ging Ford Credit op haar beurt (andermaal) over tot de stopzetting van de financiering van nieuwe Ford- en Ford Direct voertuigen "zolang wij geen inzicht hebben gekregen in uw huidige financiële positie." Een en ander gebeurde bij aangetekende brieven van 18/8/
  12. Nog diezelfde dag maakte Leie-Motor de gevraagde stukken over aan Ford én aan Ford Credit : deze betroffen meer bepaald het Bijzonder Verslag van de Raad van Bestuur van Leie-Motor, de staat van actief en passief dd. 31/5/2004 en de bijlage bij de staat van actief en passief. Eenmaal in kennis gesteld van deze stukken zegde Ford bij aangetekende brieven van 24/8/2004 alle lopende overeenkomsten op, nl. de "Ford-concessieovereenkomst", de "Ford-Direct Overeenkomst", de "Ford Overeenkomst Erkende Hersteller" en de "Ford Overeenkomst Erkende Onderdelendistributeur", met dien verstande evenwel dat zij aan Leie-Motor nog de optie verleende de overeenkomsten vooralsnog verder te laten lopen tot 30/9/2004 op voorwaarde dat deze optie zou worden gelegd voor 27/8/
  13. Aangezien dit laatste niet gebeurde, stelde Ford bij aangetekend schrijven van 3/9/2004 een onmiddellijk einde aan alle lopende overeenkomsten. De in deze tussenperiode door Leie-Motor nog bestelde voertuigen werden wel nog geleverd en betaald. Op 3/2/2005 ging Leie-Motor over tot de oprichting van een nieuwe vennootschap "N.V. Leiemotor" met dezelfde maatschappelijke zetel en met een gelijkaardig maatschappelijk doel bestaande uit het kopen en verkopen, het huren en verhuren en het herstellen van nieuwe en tweedehandsvoertuigen, het uitvoeren van carrosseriewerken, het uitbaten van depannagediensten, de uitbating van een tankstation ed.
  14. procedurele voorgaanden : Gelet op de steeds verslechterende verstandhouding was Leie-Motor reeds bij exploot van 19/11/2002 overgegaan tot dagvaarding van zowel Ford als van haar verantwoordelijk bestuurder S. T. (niet in zake in de beroepsprocedure). Uiteindelijk, na aanpassingen in de loop van de eerste aanlegprocedure, vorderde Leie-Motor als volgt; Zij vorderde in hoofdorde te zeggen voor recht dat de "resterende" concessie (d.i. de ganse concessie, vrachtwagens uitgezonderd) ten laste van Ford ontbonden wordt op 18/7/2002 met de solidaire, minstens in solidum, veroordeling van Ford en S. T., tot betaling van de som van 3.250.000 euro provisioneel (wat overeenkwam met de waarde van de handelszaak) te vermeerderen met de vergoedende rente vanaf 18/7/2002 en de gerechtelijke rente vanaf 19/11/2002 tot de datum der uiteindelijke betaling, alsook tot de aanstelling van een gerechtsdeskundige-bedrijfsrevisor met als opdracht om de waarde te bepalen going-concern van de handelszaak op 18/7/2002 en de positieve of negatieve residuwaarde op datum van het te vellen vonnis. Minstens vorderde Leie-Motor een provisie van 1.250.000 euro in afwachting van het eindverslag van de gerechtsdeskundige. Deze vordering tot ontbinding was gebaseerd op het gebrek aan goede trouw en loyauteit in hoofde van Ford door achtereenvolgens de concessie voor de vrachtwagens te beëindigen, het gamma aan Ford-producten te laten verschralen, eenzijdig de commissiemarges terug te schroeven, doelbewust de verkoop door Leie-Motor grondig te ondermijnen, haar handelszaak te ontwaarden, kortom zwaar tekort te komen aan het wezen van de contractuele verbintenissen ten aanzien van haar mede-contractant. Ondergeschikt vorderde Leie-Motor de solidaire, minstens in solidum, veroordeling van Ford en S.T. tot betaling van de vergoedingen wegens de beëindiging van de concessieovereenkomst op grond van de artikelen 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (hierna "Alleenverkoopwet" genoemd), in het bijzonder de veroordeling tot de sommen van 2.236.625,16 euro provisoneel (uitgaande van een redelijke opzeggingstermijn van 56 maanden), 923.077,00 euro (meerwaarde cliënteel), 150.000 euro (kosten met het oog op de exploitatie van de concessie), 634.113,64 euro rouwgeld, 457.699,06 euro provisioneel waardeloos geworden investeringen (o.m. gebouwen, computermateriaal, resterende voorraad en ander materiaal), alsook het bedrag van 50.000 euro uit hoofde van rechtsmisbruik wegens het opzettelijk versturen van de opzeggingsbrief op 30/9/2002, zijnde daags voor het in voege treden van de Europese verordening nr. 1400/
  15. Leie-Motor formuleerde verder een aantal bijkomende vorderingen, nl.: - een bedrag van 42.533,55 euro wegens te weinig uitbetaalde marges inzake de verkoopscommissies, méér de gerechtelijke rente vanaf 19/11/2002, - een bedrag van 10.193,00 euro omdat Ford haar vanaf eind 2004 ging betitelen als een onderdelenpunt i.p.v. een onderdelencenter, - een bedrag van 2.538,00 euro uit hoofde van verlies aan bonussen om reden dat door het vertrek van het magazijnhoofd, Leie-Motor geen servicecenter meer kon blijven doch énkel nog een servicepunt, - een bedrag van 9.268,32 euro als vergoeding voor aangerekende kosten voor opleiding van het personeel, die in het verleden door Ford werden terugbetaald, - een bedrag van 3.369,54 euro aan niet-betwiste facturen, - een bedrag van 75.000 euro provisioneel per contract wegens de niet ondertekening/beëindiging van de nieuwe contracten "Ford Erkend Hersteller" en "Ford Erkend Onderdelendistributeur". Leie-Motor hernam eveneens de ganse problematiek inzake de opzegging van de concessieovereenkomst voor vrachtwagens en vorderde de veroordeling van Ford tot betaling van 300.000 euro provisioneel als compensatoire vergoeding wegens een te korte opzeggingstermijn (die i.p.v. 24 minstens 36 maanden had moeten bedragen), 250.710,00 euro (meerwaarde cliënteel) en 55.000 euro provisioneel (rouwgeld). Bij wege van tegenvordering vorderde S.T. lastens Leie-Motor een schadevergoeding van 5.000 euro wegens tergend en roekeloos geding. In een (eerste) tussenvonnis dd. 24/6/2004, waarin de standpunten van de partijen zeer duidelijk werden weergegeven en waarnaar het hof kortheidshalve verwijst, verklaarde de eerste rechter zich bevoegd, werden de stukken J.38 en J.64 van Leie-Motor (zowel de geluidsdragers als de uitgetikte versie) uit de debatten geweerd en werden, vooraleer verder uitspraak te doen, de debatten ambtshalve heropend teneinde Ford toe te laten een aantal in dit vonnis onder punt III.4.
  16. van de beoordeling welomschreven stukken bij het dossier te voegen. Bij conclusie neergelegd op 25/11/2004 formuleerde Ford op haar beurt een tegenvordering strekkende tot de retro-actieve ontbinding van de "resterende" concessieovereenkomst in het nadeel van Leie-Motor wegens het niet naleven door deze laatste van haar contractuele verplichtingen gedurende de opzeggingsperiode en tot de veroordeling van Leie-Motor tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 219.516,00 euro, berekend op basis van 200 niet-gerealiseerde verkopen aan een gemiddelde winstmarge van 1.097,58 euro per eenheid. In een tweede (tussen)vonnis dd. 10/3/2005 oordeelde de eerste rechter als volgt : betreffende de hoofdvorderingen : - alle vorderingen van Leie-Motor ten aanzien van S.T. waarbij de solidaire veroordeling, minstens de veroordeling in solidum, van deze laatste met Ford werd beoogd, werden als ongegrond afgewezen, - de vordering van Leie-Motor t.a.v. Ford m.b.t. de beëindiging van de concessieovereenkomst voor vrachtwagens werd ongegrond verklaard, - de vordering van Leie-Motor t.a.v. Ford betreffende de ontbinding van de resterende concessieovereenkomst werd eveneens ongegrond verklaard, - de vorderingen van Leie-Motor t.a.v. Ford tot het bekomen van aanvullende vergoedingen m.b.t. de concessieovereenkomst (behalve wat betreft de vrachtwagens) op basis van artikel 3 Alleenverkoopwet, meer bepaald de gevorderde meerwaarde inzake cliënteel, de gevorderde exploitatiekosten en het gevorderde rouwgeld, werden ongegrond verklaard, - de vordering van Leie-Motor t.a.v. Ford tot het bekomen van een vervangende schadevergoeding m.b.t. de concessieovereenkomst (behalve voor vrachtwagens) op basis van artikel 2 Alleenverkoopwet werd gegrond verklaard en mevrouw E. V. werd als gerechtsdeskundige aangesteld met als opdracht "de rechtbank te adviseren nopens de hoegrootheid van de gemiddelde semi-brutowinst die eiseres m.b.t. het product van eerste verweerster boekte tijdens de drie laatste jaren voorafgaand aan de opzegging van de concessie-overeenkomst (omvattende alles behalve de vrachtwagens)." In dit verband werd in het tussenvonnis een opzeggingstermijn van 42 maanden als redelijk bestempeld, werd geoordeeld dat de vervangende vergoeding diende berekend te worden op basis van de gemiddelde semi-bruto-winst die de concessiehouder behaalde op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst met als berekeningsbasis de aan de opzegging laatste drie voorafgaande jaren (1999, 2000 en 2001) en werd geoordeeld dat onder semi-bruto-winst wordt verstaan "de bruto-winst verminderd met de indrukbare algemene kosten". In het vonnis werd eveneens geoordeeld dat het concept "Ford-Direct" deel uitmaakt van de concessie en derhalve aan dezelfde opzeggingstermijn onderworpen is. - Ford werd eveneens veroordeeld tot betaling van de som van 9.268,32 euro meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 14/10/2004 tot de datum der volledige betaling (zijnde de vergoeding wegens door het personeel gevolgde opleidingen) alsook tot betaling van de som van 3.369,54 euro (met betrekking tot niet-betwiste gefactureerde prestaties) eveneens meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 14/10/2004 tot de dag der volledige betaling, - alle overige vorderingen van Leie-Motor t.a.v. Ford werden als ongegrond afgewezen. betreffende de tegenvorderingen : - de vordering van Ford lastens Leie-Motor tot retro-actieve ontbinding van de concessieovereenkomst werd als ongegrond afgewezen, - de vordering van S.T. lastens Leie-Motor in schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding, werd ongegrond verklaard, - alle overige vorderingen van Ford en T. t.a.v. Leie-Motor werden als ongegrond afgewezen. De beslissing omtrent de gedingkosten werd aangehouden en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, spijts elk verhaal en zonder borgstelling. De gerechtsdeskundige legde haar eindverslag ter griffie neer op 20/4/
  17. Haar eindbesluit luidt als volgt : "Op basis van het gevoerde onderzoek blijkt dat de gemiddelde semie-bruto-winst die eiseres m.b.t. het product van verweerster boekte tijdens de periode 01/10/1999 - 31/10/2002 per maand 55.207,14 EUR bedraagt." Leie-Motor vorderde bij conclusie dd. 14/4/2006 op grond van het eindverslag van de deskundige een vergoeding voor beëindiging van de concessieovereenkomst (art. 2 Alleenverkoopwet) van 993.728,52 euro (55.207,14 euro x 18m) en een bedrag van 246.226,87 euro als gekapitaliseerde rente vanaf 1/10/2002 tot en met 14/4/2006, hetzij samen 1.239.955,39 euro, dit alles meer de veroordeling van Ford tot betaling van 1,00 euro provisioneel uit hoofde van de kosten van verdediging en de gedingkosten met inbegrip van de expertisekosten. Ford besloot tot de ongegrondheid van de vordering van Leie-Motor, minstens vorderde zij deze vordering te herleiden tot 286.658,00 euro rekening houdende met een aantal door haar opgesomde feiten die zich nà de opzegging hadden voorgedaan. Nog meer ondergeschikt vorderde Ford dat de gerechtsdeskundige met een nieuwe opdracht wordt belast erin bestaande dat een aantal door haar vermelde kostenposten van de basis-berekening zouden worden afgetrokken o.m. alle kosten gerelateerd aan gebouwen, kosten van elektriciteit, gas, water en telefoon, huur installaties, machines en gereedschap, kantoorbenodigdheden, publiciteitskosten, kosten gerelateerd aan het personeel, bestuurdersvergoedingen en waardevermindering onder-delen, al deze kosten - minstens gedeeltelijk - als indrukbare kosten te aanzien zijnde. Een groot discussiepunt bleek de invulling van het begrip "indrukbare kosten". Tijdens de expertiseverrichtingen deden de partijen in dit verband zelfs een beroep op de eerste rechter om dit begrip te verduidelijken. De rechtbank van koophandel te Kortrijk besloot dat het aan de gerechtsdeskundige behoorde de rechtbank te adviseren omtrent wat volgens haar al dan niet indrukbaar was. In het eindvonnis dd. 5/4/2007 begrootte de eerste rechter op billijkheidsgronden de opzegvervangende schadevergoeding op 750.000 euro en ging niet in op de door Ford gevraagde nieuwe opdracht aan de deskundige. De kapitalisatie van de intresten werd toegestaan per 14/4/2006, met dien verstande dat slechts intresten konden worden toegekend vanaf 1/10/2004 (einde van de opzeggingstermijn). De gevorderde vergoeding voor de kosten van verdediging werd als ongegrond afgewezen. Ford werd bijgevolg veroordeeld tot betaling aan Leie-Motor van de som van 750.000,00 euro meer de gerechtelijke intrest a rato van 7% vanaf 1/10/2004 tot 1/1/2007, meer de gerechtelijke intrest a rato van 6% vanaf 1/1/2007 tot de datum der volledige betaling en er werd gezegd voor recht dat de intrest diende te worden gekapitaliseerd per 14/4/
  18. Het meergevorderde werd als ongegrond afgewezen en Ford werd veroordeeld tot de gedingkosten, inclusief het ereloon van de gerechtsdeskundige. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, spijts elk verhaal en zonder borgstelling. Met haar hoger beroep beoogt Ford de vernietiging van de bestreden vonnissen van 10/3/2005 en 5/4/2007 op de punten zoals door haar omschreven en opnieuw wijzende vordert zij de vorderingen van Leie-Motor als ontvankelijk doch ongegrond af te wijzen en haar tegenvordering gegrond te verklaren; dienvolgens de gerechtelijke ontbinding van de concessieovereenkomst ten nadele van Leie-Motor uit te spreken met terugwerkende kracht tot 7 november 2003 (datum van het opstarten van de samenwerking met Cardoen) en Leie-Motor te veroordelen tot een provisionele schadevergoeding van 219.516,00 euro meer de gerechtelijke intresten en de gedingkosten van beide aanleggen. Bij conclusie neergelegd op 12/9/2007 formuleert Leie-Motor een incidenteel beroep. Haar vordering zoals uiteindelijk gefinaliseerd in haar syntheseconclulsie neergelegd op 31/10/2008 strekt ertoe Ford te veroordelen tot betaling van : - 300.000,00 euro provisioneel, 250.710,00 euro en 55.000 euro provisioneel als vergoedingen wegens beëindiging van de concessieovereenkomst voor vrachtwagens, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9/4/1991 en de gerechtelijke rente vanaf 19/11/2002 tot aan de datum van uiteindelijke betaling, - 46.890,03 euro wegens te weinig uitbetaalde marges, meer de gerechtelijke rente vanaf 19/11/2002 tot de dag der uiteindelijke betaling, onder alle voorbehoud om deze vordering uit te breiden in de loop van het geding, - 2.318.699,88 euro als opzegvervangende vergoeding wegens de beëindiging van de resterende concessieovereenkomst (omvattende alles behalve de vrachtwagens) in de zin van artikel 2 Alleenverkoopwet, meer de wettelijke rente vanaf 1/10/2002 tot aan de datum der betaling met dien verstande dat de rente gekapitaliseerd wordt op 14/4/2006, op 17/5/2007 en op 16/6/
  19. - 666.508,82 euro als billijke vergoeding voor meerwaarde cliënteel in de zin van artikel 3,1° Alleenverkoopwet, meer de wettelijke rente vanaf 1/10/2002 tot de datum van uiteindelijke betaling. - 150.000 euro voor kosten met het oog op de exploitatie van de concessie (art. 3,2° Alleenverkoopwet), te vermeerderen met de vergoedende rente vanaf 1/10/2004 tot aan de datum van de uiteindelijke betaling. - 150.000 euro schadevergoeding wegens de "niet ondertekening/beëindiging van de nieuwe (ontwerp)contracten "Ford Erkende Hersteller" en "Ford Erkende Onderdelendistributeur", te vermeerderen met de vergoedende rente vanaf 1/10/2004 tot aan de datum der uiteindelijke betaling. - 50.000 euro wegens rechtsmisbruik, meer de vergoedende rente vanaf 1/10/2002 en de gerechtelijke rente vanaf 19/11/2002 tot aan de datum van de uiteindelijke betaling. Tevens vordert Leie-Motor het vonnis a quo dd. 10/3/2005 te bevestigen wat betreft de veroordelingen tot betaling die aldaar ten aanzien van Ford zijn uitgesproken alsook de veroordeling van Ford tot de gedingkosten van beide aanleggen, inclusief de kosten van het deskundigenonderzoek, op hun beurt te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis dd. 5/4/2007 tot aan de datum der betaling. Beoordeling Onder haar stukken q1 en q2 legt Leie-Motor de exploten van betekening van de bestreden vonnissen voor. Hieruit blijkt dat het vonnis van 10/3/2005 werd betekend op 13/7/2007 daar waar het vonnis van 5/4/2007 werd betekend op 16/5/
  20. Het door Leie-Motor tegen deze vonnissen ingestelde hoger beroep bij verzoekschrift neergelegd op 15/6/2007 is bijgevolg tijdig. Het is eveneens regelmatig naar de vorm. Leie-Motor besluit tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep van Ford, doch voert géén specifieke grieven aan ter ondersteuning van dit middel van onontvankelijkheid. Waar het hof evenmin ambtshalve onontvankelijkheidsmiddelen aanvoert, en er niet te miskennen valt dat Ford als - minstens deels - in het ongelijk gestelde partij, over het noodzakelijk belang en de vereiste hoedanigheid beschikt om hoger beroep in te stellen, is haar hoger beroep ontvankelijk. Ford roept evenmin onontvankelijkheidsmiddelen in tegen het door Leie-Motor ingestelde incidenteel beroep en waar het hof zulks evenmin doet, is ook het incidenteel beroep van Leie-Motor ontvankelijk. Het hof stelt voorts vast dat het incidenteel beroep van Leie-Motor niet gericht is tegen de afwijzing van haar vordering tot ontbinding van de resterende concessieovereenkomst in het nadeel van Ford en de hieraan gekoppelde vordering in schadevergoeding (zie p. 111-112 en 188-189 van haar syntheseconclusie neergelegd op 31/10/2008). Haar incidenteel beroep is evenmin gericht tegen de afwijzing van de vorderingen t.a.v. S.T. noch tegen de afwijzing van de vorderingen tot het bekomen van een rouwgeld op grond van artikel 3,3° Alleenverkoopwet, en het bekomen van een schadevergoeding van 10.193,00 euro en 2.538,00 euro wegens het betitelen van Leie-Motor als respectievelijk onderdelenpunt/servicepunt i.p.v. onderdelencenter/servicecenter. Deze problematieken zijn bijgevolg niet meer aan de orde in de beroepsprocedure. Ford van haar kant brengt geen specifieke grieven in tegen de toekenning in het vonnis dd. 10/3/2005 van de vorderingen van Leie-Motor in betaling van 9.268,32 euro meer intresten uit hoofde van door het personeel gevolgde opleidingen en in betaling van 3.369,54 euro meer intresten uit hoofde van gefactureerde prestaties. Ook op deze punten is het vonnis van 10/3/2005 bijgevolg definitief.
  21. wering uit de debatten van de stukken J.38 en J.64 : Zowel in haar "conclusie I" neergelegd op 31/12/2007 als in haar syntheseconclusie neergelegd op 31/10/2008, vordert geïntimeerde bij wege van incidenteel beroep dat "preleminair (dient) beslist dat de stukken J. 38 en J.64 van geïntimeerde, niet uit de debatten worden geweerd." Deze vordering valt niet te bestempelen als een incidenteel beroep, aangezien het hoger beroep van Ford énkel gericht is tegen de vonnissen van 10/3/2005 en 5/4/2007 en niet tegen het vonnis van 24/6/2004, waarin omtrent de wering van voormelde stukken werd beslist. Deze vordering is aldus te aanzien als een hoger beroep tegen het (eerste) vonnis dd. 24/6/
  22. Waar door de partijen geen gewag wordt gemaakt van de betekening van dit vonnis en geen betekeningsexploot wordt overgelegd, is dit hoger beroep tijdig. Het is bij toepassing van artikel 1056,4° Ger. W. eveneens regelmatig ingesteld. Bij gebrek aan ingeroepen onontvankelijkheidsmiddelen, noch ambtshalve noch door partij Ford, is dit hoger beroep eveneens ontvankelijk. De litigieuze stukken betreffen geluidsopnamen (met uitgetikte versie) van gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen mensen van Ford (S.T./de heer R. B.) en mevrouw C. van Leie-Motor. Het stuk J.38 heeft betrekking op het gesprek dat op 27/9/2002 op de zetel van Ford werd gevoerd tussen S.T. en R.B. enerzijds en K. C. en C. S. anderzijds en het stuk J.64 betreft een gesprek dat op 8/4/2003 werd gevoerd tussen K. C. en R.B.. Het wordt niet betwist dat deze gesprekken verband houden met de betwistingen tussen de partijen die aan de grondslag van onderhavig geschil liggen en tot dit geschil aanleiding hebben gegeven. Het wordt evenmin ernstig tegengesproken dat deze gesprekken door K. C. werden opgenomen zonder medeweten van haar gesprekspartners. In de mate nog zou kunnen aangenomen worden dat deze geluidsopnames geen onrechtmatig bewijsmateriaal uitmaken, kan in ieder geval niet worden genegeerd dat deze opnames in alle heimelijkheid werden gemaakt mét - ontegensprekelijk - als (enig) doel deze later (in de procedure) als bewijsmiddel tegen Ford en/of haar aangestelden aan te wenden. Een geluidsopname in dergelijke omstandigheden gemaakt van gesprekken, waarvan, in tegenstelling tot hetgeen Leie-Motor voorhoudt, moeilijk kan worden betwist dat deze een vertrouwelijk karakter hadden, ook al hadden zij de handelsrelatie tussen de partijen tot voorwerp, dient beschouwd als een deloyaal verkregen bewijsmiddel, en is derhalve uit dien hoofde als onrechtmatig verkregen te aanzien. Aangezien de onrechtmatig-heid bij de verkrijging van deze geluidsopnames uitsluitend toe te schrijven is aan de partij die ze wil voorleggen, nl. Leie-Motor, besliste de eerste rechter volkomen terecht tot de wering van deze stukken uit de debatten. Het hof treedt de overwegingen desbetreffende in het bestreden vonnis onder punt III.
  23. volledig bij, neemt deze over en maakt deze tot de zijne, des te meer de door Leie-Motor aangevoerde argumentatie niet van aard is de door de eerste rechter weerhouden motieven op enigerlei wijze te ontkrachten. Het bestreden vonnis dd. 24/6/2004 dient bijgevolg op dit punt te worden bevestigd, zodat het hoger beroep van Leie-Motor ongegrond voorkomt. Weliswaar dient vastgesteld dat Leie-Motor een aantal citaten uit voornoemde gesprekken in haar conclusies woordelijk heeft opgenomen. In het licht van het voorgaande kan met deze citaten evenmin rekening gehouden worden. Ford vordert trouwens niet de wering van de conclusies van Leie-Motor uit de debatten.
  24. de concessie voor vrachtwagens : Leie-Motor vordert op grond van de artikelen 2 en 3 van de Alleenverkoopwet zowel een opzegvervangende vergoeding (art. 2) als een vergoeding voor meerwaarde cliënteel (art. 3) voorhoudende dat zij géén, minstens een onvoldoende, opzeggingstermijn heeft gekregen en dat de initieel verleende opzeggingstermijn dan nog eenzijdig door Ford werd verbroken. 2.
  25. De toepassing van de Alleenverkoopwet op deze concessie voor vrachtwagens wordt - terecht - niet betwist. Blijkens de voorliggende opeenvolgende overeenkomsten, waarvan de laatste dateert van 1/1/1989, betreft het immers een alleenverkoopconcessie van onbepaalde duur met exclusiviteit in een welomschreven regio en - aldus - uitsluitend uitwerking hebbend op het Belgisch grondgebied. 2.
  26. Een voor onbepaalde termijn verleende alleenverkoopconcessie kan, behalve bij tekortkoming van een van de partijen aan haar verplichtingen, niet worden beëindigd dan met een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding die door de partijen wordt bepaald bij de opzegging van het contract. Zijn partijen het niet eens, dan doet de rechter uitspraak naar billijkheid (artikel 2 van de wet van 27 juli 1961). Zoals in de "antecedenten" reeds uiteengezet stelde Ford een einde aan de reeds sedert 1962 durende concessie voor vrachtwagens bij aangetekend schrijven dd. 9/4/1991 tegen 9/4/1993, aldus een opzeggingstermijn toekennende van 2 jaar. De reden van de opzegging was de stopzetting van de productie van Ford-vrachtwagens bestemd voor het Europese continent door Iveco Ford Truck ltd (hierna "Iveco" genoemd). Deze opzeggingstermijn werd bij aangetekend schrijven dd. 3/3/1992 plots ingekort tot 20/3/1992 om reden dat de datum waarna Iveco Ford Truck Ltd geen bijkomende bestellingen meer zou aanvaarden, werd vervroegd van 9 april 1993 tot 20 maart
  27. Wel werd in de brief van 3/3/1992 bijkomend geconstateerd "dat de verkoop van de Ford Cargo tijdens de laatste maanden gedaald was tot gemiddeld twee eenheden per maand." (vermoedelijk werd "per jaar" bedoeld). Deze beslissing van Iveco, die volgens het schrijven van 3/3/1992 aan de basis lag van de eenzijdige inkorting van de opzeggingstermijn, ligt weliswaar niet voor, doch uit het overzicht van de verkoopscijfers van de vrachtwagens (st. 65 Ford) over de periode 1982 - 1996, blijkt dat er in 1993 in gans België géén vrachtwagens meer zijn verkocht en dat in 1992 slechts 22 voertuigen werden verkocht. Dit wijst er op dat in 1992 de verkoop van de vrachtwagens in heel België is stilgevallen hetgeen de beslissing van Iveco meer dan waarschijnlijk en zodoende genoegzaam aanneembaar maakt. Wel dient vastgesteld dat Ford als concessiegever bij de opzegging geopteerd heeft voor het verlenen van een opzeggingstermijn waarbij een einddatum werd vastgesteld, en niet voor een vergoeding. Zij heeft hierbij gebruik gemaakt van haar keuzerecht, zoals haar toegekend in artikel 2 Alleenverkoopwet, en zich niet beroepen op enige grove tekortkoming in hoofde van haar concessiehouder. Zij is bijgevolg gebonden niet enkel door de door haar gekozen vorm van beëindiging maar eveneens door de termijn die zij hiertoe bepaald heeft (zie WILLEMART, M. & DESTRYCKER, A., De concessieovereenkomst in België, Kluwer 1996 nrs. 51 en 55, p. 46 e.v., 51). Het is overigens op het ogenblik van de opzegging dat de vergoedingsmechanismen in werking treden. Ford diende dan ook deze opzeggingstermijn van 24 maanden te eerbiedigen en niet, zonder enig voorafgaand overleg met, laat staan akkoord van haar concessiehouder, de opzeggingstermijn eenzijdig tot zowat de helft te herleiden. Niets belette Ford overigens te opteren voor een vergoeding dan wel voor een kortere opzeggingstermijn, nu zijzelf in besluiten toegeeft reeds sedert 1988 op de hoogte te zijn geweest van de bedoeling van Iveco om met de verkoop van vrachtwagens op het Europese continent te stoppen en dit als dusdanig reeds aan Leie-Motor had medegedeeld. Ford houdt evenwel voor dat Leie-Motor op geen enkel ogenblik heeft geprotesteerd tegen de wijze waarop en de modaliteiten waaronder de concessieovereenkomst voor vrachtwagens werd beëindigd, zodat zij deze stilzwijgend heeft aanvaard en bijgevolg geen aanspraak meer kan maken op een vergoeding op basis van de Alleenverkoopwet. Er kan in de regel slechts sprake zijn van een stilzwijgende aanvaarding, wanneer dit stilzwijgen omstandig is, t.t.z. wanneer uit het geheel van omstandigheden moet besloten worden dat het stilzwijgen énkel als aanvaarding kan geïnterpreteerd worden. Er kan - en zulks in tegenstelling tot hetgeen Ford voorhoudt - niet bij wijze van algemene regel, aangenomen worden dat ten aanzien van handelaars, een stilzwijgen op zich steeds geldt als aanvaarding. Daarvoor bestaat geen wettelijke grondslag. Het betreft in deze immers geen protest tegen een factuur, doch een protest tegen een door een concessiegever aan een concessiehouder verleende opzeggingstermijn. Aldus dient rekening gehouden te worden met navolgende omstandigheden : Het is inderdaad zo dat Leie-Motor, in weerwil van hetgeen zijzelf beweert, tegen de toegekende opzeggingstermijn van 2 jaar niet - althans niet uitdrukkelijk - heeft geprotesteerd. Dergelijk protest valt in ieder geval niet af te leiden uit de inhoud van haar brieven van 31/12/1991 (haar stuk J 4) en 19/2/1992 (haar stuk J 6) aan Ford. In deze brieven beklemtoonde zij weliswaar de lijdensweg die zij als concessiehouder heeft moeten ondergaan omwille van de inkrimping van het vrachtwagengamma en de stopzetting van de productie van vrachtwagens door Iveco, doch zulks uitsluitend ter ondersteuning van haar vraag aan Ford om nog tijdens de opzegperiode met een nieuwe concessiegever in zee te gaan, nl. Nissan, en niet ter ondersteuning van haar protest tegen de toegekende opzeggingstermijn. Als Leie-Motor de intentie had gehad de haar verleende opzeggingstermijn te betwisten, dan had zij hiervan ongetwijfeld in deze brieven melding gemaakt en/of minstens in deze brieven haar protest geuit. Het feit dat zij dit niet deed, en dit op een ogenblik dat zij nog geen kennis had van een vervroegde beëindiging van de opzeggingstermijn, toont ondubbelzinnig aan dat zij met de haar toegekende opzeggingstermijn akkoord ging. Dit klemt des te meer zij reeds in 1985 bij Ford haar beklag had gedaan over de verschraling van het vrachtwagengamma waardoor de instandhouding van haar opgebouwde truckorganisatie in het gedrang kwam en reeds sedert 1988 door Ford op de hoogte was gebracht van een mogelijke stopzetting van de productie van vrachtwagens bestemd voor het Europese continent. Weliswaar poogt Leie-Motor dit laatste thans tegen te spreken, doch het valt niet te ontkennen dat zij de opzegbrief dd. 9/4/1991, waarin reeds in de aanhef wordt verwezen naar vroegere kennisgevingen m.b.t. de toekomst van Ford Cargo, niet heeft geprotesteerd, noch in haar geheel noch in haar onderdelen. Het betreft inzonderheid volgende passage uit deze aangetekende brief : "U zal zich herinneren, dat wij U in het begin van 1988 uiteengezet hebben, wat de toekomst van Cargo was, zoals wij die op dat moment zagen. Wij hebben duidelijk gesteld, dat ondanks het feit, dat de verkoopcijfers van Cargo in stijgende lijn gingen (vooral in Groot-Brittannië) vroeg of laat haar commerciële activiteiten zouden worden stopgezet. U werd ervan op de hoogte gesteld, dat er bij IVECO Ford Truck Ltd. geen plannen waren om de Cargo vervanging beschikbaar te maken voor de Ford Vrachtwagens concessiehouders op het Continent. Bijgevolg raadden wij U aan plannen voor het toekomstige gebruik van het deel van uw concessiefaciliteiten gewijd aan de zware vrachtwagens te laten varen." Het is trouwens juist omwille van deze reeds sedert jaren gekende problematiek dat Ford toestond dat Leie-Motor tijdens de lopende concessie, vrachtwagens van het merk Pegaso verkocht teneinde de dalende verkoop te compenseren en de door Leie-Motor jarenlange opgebouwde truckafdeling in stand te houden. Dat de dagvaarding als protest zou gelden, zoals Leie-Motor voorhoudt, is onjuist. Een dagvaarding kan gelden als ingebrekestelling, niet als een protest. In het licht van voorgaande gegevens neemt het hof aldus redelijkerwijze aan dat Leie-Motor de opzegtermijn van 24 maanden stilzwijgend doch ondubbelzinnig heeft aanvaard. In tegenstelling tot de bewering van Leie-Motor is deze vaststelling niet strijdig met artikel 6 van de concessiewet, nu een (stilzwijgende) aanvaarding van een opzeggingstermijn geen met de bepalingen van deze wet strijdige overeenkomst uitmaakt. Artikel 2 bepaalt uitdrukkelijk dat de partijen zelf de opzeggingstermijn mogen bepalen bij de opzegging van de concessieovereenkomst. Een (stilzwijgende) aanvaarding van een door de concessiegever verleende opzeggingstermijn is hiermee niet in tegenstrijd. 2.
  28. De vraag stelt zich of Ford, door naderhand eenzijdig de opzeggingstermijn vervroegd te beëindigen op 20/3/1992, en dit middels een aangetekend schrijven van amper drie weken voordien, nl. 3/3/1992, in werkelijkheid contractbreuk heeft gepleegd. Tijdens de duur van de opzeggingstermijn blijven de partijen immers gebonden door hun wederzijdse verplichtingen. 2.3.
  29. In de eerste plaats dient opgemerkt dat Ford pas in december 1992 de verkoop van de vrachtwagens als definitief stopgezet heeft aangezien. Zij bevestigt dit ook aan Leie-Motor in haar aangetekend schrijven dd. 8/1/1993 in volgende bewoordingen : "Tijdens de maand december '92 werd de laatste Ford Cargo aan een klant geleverd. Hiermede werd dus een definitief een punt gezet achter de verkoop van Ford vrachtwagens." (letterlijke weergave). In hetzelfde schrijven werd Leie-Motor trouwens aangesteld als "Service Center voor Ford Vrachtwagens", hetgeen het voor haar mogelijk maakte herstellingen onder garantie uit te voeren en de service te verzekeren voor het door haar opgebouwde wagenpark. Het is evenwel niet duidelijk in hoever hieronder een de facto verderzetting van de concessie tot en met december 1992 kan verstaan worden. Vast staat dat in 1992 door Leie-Motor geen enkele vrachtwagen meer werd verkocht. Mogelijks gold de in december geleverde vrachtwagen dan ook een vrachtwagen die reeds in 1991 besteld was. Ford bewijst in ieder geval niet dat zij aan haar verplichtingen als concessiegever is/kon blijven voldoen tot en met december
  30. Zij bewijst evenmin dat zij de bij brief van 3/3/1992 verkorte opzeggingstermijn als zodanig heeft verlengd tot eind december 1992, derwijze dat deze plots andermaal gewijzigd was en 21 maanden bedroeg. 2.3.
  31. Als voornaamste reden van de vervroegde beëindiging per 20/3/1992 gold de stopzetting van de constructie van vrachtwagens door Iveco. Ford schreef in dit verband het volgende aan Leie-Motor in haar aangetekende brief van 3/3/1992 : "Met ons aangetekend schrijven van 9 april 1991, deelden wij U mede, dat de maatschappij IVECO FORD TRUCK LTD geen bijkomende bestellingen zou aanvaarden na 9 april
  32. IVECO FORD heeft ons nu medegedeeld, dat deze datum vervroegd wordt naar 20 maart
  33. Dit betekent dus ook dat Uw Concessieovereenkomst voor Ford Vrachtwagens eindigt op 20 maart 1992 in plaats van op 9 april 1993." Dit had kunnen betekenen dat door de stopzetting van de productie bij de fabrikant, Ford niet meer in de mogelijkheid verkeerde haar verplichtingen van concessiegever na 20/3/1992 verder na te leven. Wanneer geen Ford vrachtwagens meer werden gebouwd, konden er door de concessiehouders geen Ford vrachtwagens meer worden besteld aangezien Ford deze als concessiegever niet meer kon leveren. Het hof stelt evenwel vast dat Ford zich niet op het verval van de concessie heeft beroepen, waardoor de concessie mogelijks als beëindigd kon worden aangezien zonder schadeloosstelling (zie WILLEMART, M. & DESTRYCKER, A. De concessieovereenkomst in België, Kluwer 1996, nr. 135 p. 127-128). 2.3.
  34. De brief dd. 3/3/1992 wekt wel de indruk dat de vervroegde beëindiging van de concessie in de grond eerder te wijten was aan de sterk dalende verkoopscijfers bij Leie-Motor tot amper 2 eenheden in
  35. Het is immers niet omdat de constructeur de constructie stopzette, dat er ipso facto geen vrachtwagens meer konden verkocht worden. Ten bewijze het feit dat in België in 1992 wel nog 22 voertuigen werden verkocht (waarvan geen enkele door Leie-Motor). Volgende bewoordingen lijken deze indruk trouwens te bevestigen : "... Wij betreuren deze beslissing, doch dienen anderzijds ook te constateren dat de verkoop van de Ford Cargo tijdens de laatste maanden gedaald was tot gemiddeld twee eenheden per maand". Mogelijks is de door Leie-Motor aangegane concessie met Nissan hieraan evenmin vreemd. 2.3.
  36. Het louter feit dat Leie-Motor niet formeel heeft geprotesteerd tegen de vervroegde beëindiging, impliceert geen stilzwijgende aanvaarding van deze beëindigingsmodaliteit in hoofde van Leie-Motor. Bijkomende omstandigheden waaruit een omstandig stilzwijgen zou kunnen afgeleid worden, worden niet voorgebracht en zijn ook niet voorhanden. 2.3.
  37. Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt dat Leie-Motor geheel of gedeeltelijk afstand heeft gedaan van haar aanspraken op betaling van een vergoeding. Afstand van recht wordt niet vermoed. Zij kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend zijn. Opdat er sprake zou zijn van een stilzwijgende afstand van recht, moet zij kunnen afgeleid worden uit een houding of gedraging, die voor geen andere interpretatie vatbaar is. Het valt op dat Leie-Motor vrijwel kort nà de opzegging van haar autoconcessie door Ford op 30/9/2002 overging tot dagvaarding in ontbinding van de concessie voor personen- en bestelwagens, en in betaling van de vergoedingen op grond van de artikelen 2 en 3 Alleenverkoopwet en meteen ook de nodige vergoedingen vorderde voor haar in 1991 opgezegde concessieovereenkomst voor vrachtwagens. Voordien heeft zij inderdaad nooit op énige vergoeding uit dien hoofde aangedrongen noch uitdrukkelijk geprotesteerd tegen de door Ford gebruikte gang van zaken. Dit stilzwijgen is evenwel voor een andere interpretatie vatbaar dan de interpretatie die Ford eraan geeft. Het stilzwijgen kan immers in belangrijke mate zijn ingegeven door de bezorgdheid bij Leie-Motor om haar voertuigenconcessie niet in gevaar te brengen. Wetende dat ingevolge de stopzetting van de constructie en de verkoop van Ford Cargo vrachtwagens in Europa, deze concessie haar hoe dan ook geen economisch en financieel voordeel meer kon opleveren, doch in acht genomen het feit dat de concessie voor personen- en bestelwagens het grootste en meest winstgevende deel van haar activiteit uitmaakte, is het niet ondenkbaar noch onaanneembaar dat zij deze autoconcessie heeft willen vrijwaren naar de toekomst toe, en dit kon zij het best realiseren door de relatie met Ford niet te laten vertroebelen. Een betwisting en mogelijks een procedure omtrent vergoedingen n.a.v. de beëindiging van de vrachtwagenconcessie had de partijen tegenover elkaar geplaatst waardoor de vrees bij Leie-Motor kon ontstaan dat ook de concessie voor personen- en bestelwagens onder druk zou komen te staan, iets wat zij zich uiteraard niet kon veroorloven. In deze optiek is het jarenlang stilzwijgen van Leie-Motor wel degelijk voor een andere interpretatie vatbaar dan de interpretatie van de voorbehoudsloze en onvoorwaardelijke aanvaarding, waarop Ford zich beroept. Een afstand van recht komt zodoende niet bewezen voor. Het hof stelt vast dat Ford zich verder niet beroept op rechtsverwerking noch rechtsmisbruik, zodat de argumenten die Leie-Motor dienaangaande in haar besluiten ontwikkeld heeft, in werkelijkheid niet aan de orde zijn. 2.3.
  38. Leie-Motor herneemt haar oorspronkelijke vordering tot het bekomen van de vergoedingen op grond van artikel 2 en artikel 3,1° van de concessiewet, hetzij respectievelijk 300.000 euro provisioneel als opzegvervangende vergoeding en 250.710,00 euro meerwaarde cliënteel. 2.3.6.
  39. Een billijke vergoeding in de zin van artikel 2 Alleenverkoopwet compenseert de voordelen van de niet verleende opzegging en wordt berekend op grond van die voordelen (CASS. 4 december 2003, Arr. Cass. 2003, 2237; CASS. 6 november 1987, R.W. 1988-89, 8). De toekenning van een opzeggingsvergoeding bij het niet naleven van een opzeggingstermijn is evenwel geen automatisme. De concessiehouder moet aantonen dat hij een nadeel heeft geleden (zie o.m. NAEYAERT, P. & DURSIN, E. "Handelstussenpersonen" in Bijzondere Overeenkomsten, Themis, academiejaar 2008-2009, vormingsonderdeel 50, p. 75 nr. 78). Het doel van de vervangende schadevergoeding is immers het nadeel, geleden door het ontbreken van een opzeggingstermijn of door een te korte opzeggingstermijn, te vergoeden (vgl. CASS. 19 januari 1984, R.W. 1984-85, 1363). Aldus gaat de rechter meestal na wat de redelijke opzeggingstermijn had dienen te zijn, welke opzeggingstermijn in werkelijkheid is toegekend, en welk voordeel de partij aan wie de beëindiging werd betekend, had kunnen realiseren tijdens dat deel van de redelijke opzeggingstermijn, dat niet werd toegekend. Het niet gerealiseerde voordeel is meteen ook het te bewijzen nadeel. Gelet op het gestelde onder punt 2.
  40. van onderhavig arrest, dient uitgegaan te worden van een - aanvaarde - opzeggingstermijn van 24 maanden, welke door een eenzijdige - niet aanvaarde - beslissing van Ford werd ingekort tot 11,5 maanden. Een verder onderzoek naar de "redelijke" opzeggingstermijn is derhalve niet meer aan de orde. Aldus dient onderzocht welk voordeel Leie-Motor had kunnen realiseren in de haar niet toegekende resterende 12,5 maanden. De berekening van dit voordeel, en dus van de opzeggingsvergoeding, gebeurt op basis van de winst die de concessiehouder zou gerealiseerd hebben gedurende de opzeggingsperiode. Daarbij dient uitgegaan te worden van de semi-brutowinst die de concessiehouder haalt uit de concessie, dit is de brutowinst, verminderd met de samendrukbare kosten die verbonden zijn aan de concessie, en die de concessiehouder behaald heeft tijdens een activiteitsperiode die zo dicht mogelijk bij het tijdstip van de beëindiging ligt. Hierbij houdt de rechter rekening met alle gegevens waarover hij op het ogenblik van zijn uitspraak beschikt. Dit betekent dat ook rekening kan gehouden worden met de resultaten door de concessiehouder behaald tijdens het jaar waarin de concessie is opgezegd, hierin begrepen de periode van de gegeven opzeggingstermijn, wanneer niet blijkt dat de resultaten na de opzegging werden beïnvloed door de opzegging (vgl. CASS. 16 mei 2003, T.B.H., 2005,20; RABG, 2004/20, p. 1293-1296) alsook DESTRYCKER, A. "Een vernieuwde toepassing van art. 2 van de Alleenverkoopwet", RABG, 2004/20, p. 1296-1301). Te dezen stelt het hof vast dat Leie-Motor weliswaar in besluiten verwijst naar de laatste drie voorafgaande boekjaren en op grond hiervan een provisionele schadevergoeding van 300.000 euro vordert (zonder bijkomende expertise), doch, niettegenstaande haar zeer uitvoerig gestoffeerd stukkenbundel, dienaangaande geen stukken voorlegt noch concrete aanwijzingen geeft omtrent de door haar in de voorgaande jaren geboekte financiële resultaten. Het enige waarnaar zij verwijst is het overzicht van de verkoopcijfers van vrachtwagens sedert 1982, zijnde het stuk door Ford als haar stuk 65 overgelegd. Hieruit blijkt dat in 1988 door Leie-Motor 19 voertuigen werden verkocht doch in de daaropvolgende jaren deze verkoop sterk is gedaald naar 7 voertuigen in 1989, 1 voertuig in 1990 en 2 voertuigen in 1991, om vanaf 1992 niets meer te verkopen. Deze daling is in zekere mate gelijklopend aan de daling van de totale vrachtwagenverkoop van Ford in België. Door de stopzetting van de constructie van vrachtwagens voor verkoop op het Europese continent werden vanaf 1992 in gans België geen Ford vrachtwagens meer verkocht. Uit dit overzicht blijkt aldus, zoals hoger trouwens reeds vastgesteld, dat er voor Leie-Motor vanaf 1992 uit haar concessie geen enkel economisch en financieel voordeel meer te halen viel. Hoe dan ook dient vastgesteld dat Leie-Motor de door haar gevorderde provisionele schadevergoeding niet met preciese gegevens onderbouwt noch dienaangaande voldoende concrete aanwijzingen verstrekt, zodat, mede in het licht van het gestelde in de voorgaande paragraaf, Leie-Motor niet bewijst dat de tekortkoming van Ford bij het niet naleven van de door haar gegeven en door Leie-Motor aanvaarde opzeggingstermijn, haar nadeel heeft berokkend. De vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 2 Alleenverkoopwet werd zodoende in het bestreden vonnis van 10/3/2005 terecht afgewezen, weze het op grond van andersluidende motieven. 2.3.6.
  41. Voor de toekenning van een billijke bijkomende vergoeding wegens de bekende meerwaarde inzake cliënteel, dient aan drie voorwaarden cumulatief te zijn voldaan, namelijk : - een aanzienlijke meerwaarde aan cliënteel; - het cliënteel moet zijn aangebracht door de concessiehouder; - de concessiegever moet na de beëindiging van de overeenkomst verder kunnen genieten van het cliënteel (M. WILLEMART & S. WILLEMART., "Chronique de jurisprudence 1997-2007, La résiliation unilatérale des concessions de vente exclusive à durée indéterminée", J.T. 2008, p. 2 e.v. nr. 5.2.1). De vraag nog onverlet latende in hoeverre aan de eerste twee voorwaarden is voldaan, valt het hoe dan ook niet te ontkennen dat aan de derde voorwaarde nooit kan zijn voldaan om de eenvoudige reden dat Ford is opgehouden met het produceren en verkopen van Ford vrachtwagens in Europa en in België nà
  42. Deze vordering van Leie-Motor faalt zodoende evenzeer.
  43. de "resterende" concessieovereenkomst : 3.
  44. omvang van de concessie : Naast de concessie voor vrachtwagens, bestonden er tussen Ford en Leie-Motor concessieovereenkomsten voor personen- en bestelwagens, voor de dienst na verkoop personen- en bestelwagens, alsook bij leasing van voertuigen. Er waren eveneens overeenkomsten afgesloten m.b.t. de verkoop van niche-producten (Probe en Maverick), m.b.t. fleetverkopen (verkopen aan speciale gunstige voorwaarden aan bepaalde bevoorrechte kopers) en m.b.t. de verkoop van Ford Direct voertuigen. Daarnaast, ingevolge de op 1/10/2002 gewijzigde Europese regelgeving dient eveneens rekening gehouden te worden met de door Ford niet ondertekende nieuwe contracten "Ford Erkende Hersteller" en "Ford Erkende Onderdelendistributeur". De partijen voeren betwisting omtrent de vraag zo de overeenkomst m.b.t. deze Ford Direct voertuigen al dan niet een concessieovereenkomst uitmaakt, meer bepaald of zij deel uitmaakt van de concessieovereenkomst voor personen- en bestelwagens (visie Leie-Motor), dan wel een afzonderlijke overeenkomst ("concept") is die met de autoconcessie geen uitstaans heeft, doch uitsluitend tot doel heeft de verkoop van jonge tweedehands Ford voertuigen binnen het distributienetwerk van Ford te bevorderen met behoud van de merkgarantie, de zogenaamde "bijna nieuwe wagens" of "nearly new cars" (visie Ford). Tussen Leie-Motor en Ford werden dienaangaande twee opeenvolgende overeenkomsten opgemaakt op respectievelijk 8/6/1994 en 5/8/1997 (stukken c1 en c2 bundel Leie-Motor). Het betreffen overeenkomsten van onbepaalde duur doch het is niet duidelijk in hoeverre de tweede overeenkomst de eerste verving. Beide overeenkomsten wijken in ieder geval inhoudelijk onderling niet van elkaar af en zijn zelfs - grotendeels - in gelijke bewoordingen opgesteld. Vast staat dat Leie-Motor ten tijde van de opzegging van de autoconcessie op 30/9/2002, nog steeds voertuigen onder het Ford Direct concept verkocht en de overeenkomst derhalve nog volop lopende was. De verkoopsconcessie is een wederkerige overeenkomst waarbij een partij, de concessiegever, aan een andere partij, de concessiehouder, het recht voorbehoudt om in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen, die hij als concessiegever zelf vervaardigt of verdeelt (art. 1 § 2 Alleenverkoopwet). Hieraan dient toegevoegd dat de concessiehouder zich er minstens stilzwijgend toe verplicht om de goederen, die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken, op zijn beurt te verkopen. Een concessie inzake alleenverkoop is een wederzijdse overeenkomst waarbij de concessiehouder vanwege de concessiegever het recht heeft verkregen op de exclusieve verkoop van de door deze vervaardigde of verdeelde artikelen of producten en die deze producten of artikelen in eigen naam en voor eigen rekening verkoopt. Er is sprake van exclusiviteit wanneer de concessiehouder als énige geniet van het recht om de door de concessiegever vervaardigde of verdeelde producten in eigen naam en voor eigen rekening binnen een bepaald marktsegment te verkopen (zie WILLEMART, M. & DESTRYCKER, A., De concessieovereenkomst in België, Kluwer 1996, p.1 e.v.; WILLEMART, M; & WILLEMART, S., J.T. 2008, p. 3 pt. 2.2.). Er moet bovendien aangetoond worden dat de opeenvolgende koopverkoopovereenkomsten gesloten worden in uitvoering van een kaderovereenkomst. De relatie tussen de concessiegever en de concessiehouder dient immers een noodzakelijk gestructureerd en georganiseerd karakter te hebben om van een daadwerkelijke concessieovereenkomst te kunnen spreken. Aangezien beide partijen handelaars zijn, kan zulks met alle rechtsmiddelen bewezen worden. Welnu, terzake kan moeilijk betwist worden dat de overeenkomsten van 1994 en 1997 een volledig uitgewerkt gestructureerd kader opleggen binnen dewelke de Ford Direct voertuigen mogen verkocht worden. Immers : - de Ford Direct voertuigen zijn producten die door Ford zelf worden gefabriceerd en verdeeld; - enkel aan de concessiehouder wordt voor diens aansprakelijkheidsgebied een "exclusief en niet overdraagbaar gebruiksrecht" van dit zogenaamd "concept Ford Direct" toegekend, - de voertuigen moeten aan door Ford strikt bepaalde criteria te voldoen. - Ford verbindt er zich toe aan de concessiehouder voertuigen te koop aan te bieden die aan de voorwaarden van het Ford Direct Concept beantwoorden. De concessiehouder zal deze op hun beurt verkopen met een door Ford opgelegde "Ford Direct Garantie" (nl. één jaar waarborg - onbeperkt aantal kilometers) én een "Ford assistance" (2 jaar). - de concessiehouder zal een voldoende aantal voertuigen aankopen, zodat een gemiddelde stock van vier voertuigen kan aangehouden worden. Er dient altijd een recente stocklijst ter beschikking van het cliënteel te zijn, met alle specificaties en verkoopprijzen. - de aankopen door de concessiehouder dienen te gebeuren conform het veilingssysteem en het algemeen veilingreglement van BCA zoals in de launchgids bijgevoegd. - de concessiehouder dient in te staan voor de nodige publiciteit waarbij hij énkel het officiële promotiemateriaal mag gebruiken en hij is verplicht mede te werken aan de nationale verkoopscampagnes van Ford. In de publiciteit mag geen gebruik gemaakt worden van de termen zoals "occasie, tweedehands" noch van de woorden "als nieuw". - er wordt bovendien uitdrukkelijk bedongen dat de overeenkomst inzake de Concept voertuigen "automatisch" eindigt "wanneer de Ford Concessie Overeenkomst Personenvoertuigen en Bestelwagens gesloten tussen de partijen ten einde komt".(art. 15 van de overeenkomsten van 1994 en 1997). Niet énkel de inhoud van de voornoemde overeenkomsten getuigt van dit georganiseerd en gestructureerd kader. Ook de praktische uitwerking ervan op het terrein getuigt van de opzet de verkoop van bijna nieuwe Ford voertuigen strikt binnen het eigen net te houden : zo blijkt vooreerst dat het merendeel van de te koop aangeboden Ford Direct voertuigen afkomstig is van korte termijnverhuringen, waarbij Ford de voertuigen aan enkele verhuurfirma's verkoopt met een buy back verplichting, erin bestaande dat Ford deze na een relatief korte periode terug inkoopt en doorverkoopt en verdeelt onder haar exclusieve concessiehouders die deze voertuigen onder het Ford Direct Concept embleem en met behoud van merkgarantie doorverkopen aan de (eind)gebruikers. Ten bewijze hiervan de stukken 101 en 102 (bundel Ford), bevattende respectievelijk de verkoopfacturen van diverse autoverhuurmaatschappijen aan Ford en de (door)verkoopfacturen van Ford aan Leie-Motor. Ford bewijst in dit verband niet dat Leie-Motor Ford Direct voertuigen aan andere personen heeft aangekocht dan aan Ford zelf. Leie-Motor is hierin trouwens zeer formeel en Ford spreekt dit als dusdanig niet op gemotiveerde en onderbouwde wijze tegen. Volgend rondschrijven dd. 23/1/2001 van Ford aan alle "concessiehouders FORD DIRECT" (st. c4 bundel Leie-Motor) toont in dit verband zelfs zeer duidelijk de nauwe link tussen de concessieovereenkomst voor personenwagens en de verkoop van de Ford Direct wagens, die als het ware hierin geïncorporeerd wordt. "
  45. Ford Direct verbintenis voor het jaar
  46. In lijn met onze verbintenis tegenover de Ford concessiehouders ter verdediging van de distributie van nieuwe en bijna nieuwe voertuigen hebben wij wederom voor het jaar 2001 de totaliteit van de verkochte wagens aan de verhuurmaatschappijen beschermd onder vorm van een 100% buy back conventie. Concreet gesteld hebben wij aan de verhuurmaatschappijen een totaal volume van 4.500 voertuigen verkocht voor levering in het jaar
  47. Dit volume is volledig in lijn met het volume van vorig jaar en komt overeen met onze beste inschatting van de remarketing capaciteit van ons net. Graag verbindt Ford België zich wederom voor het jaar 2001 om dit buy back volume enkel te verdelen via de officiële Ford Direct concessiehouders. Wij kunnen echter deze verbintenis enkel waarmaken in zoverre U, als Ford Direct concessiehouder, bereid bent de verbintenis aan te gaan om dit volume af te zetten in het jaar 2001... In bijlage vindt U dan ook een voorstel van groothandelsaankoop voor het jaar 2001, dat overeenkomst met uw rechtmatig aandeel. Noteer alvast dat het totaal verdeelde volume absoluut realiseerbaar is aangezien wij deze aantallen reeds twee jaar achtereen behaald hebben. Tevens komt dat objectief overeen met ongeveer 15% van het totaal door U verkochte nieuwe wagens aan particulieren.... Teneinde U en ons toe te laten in de toekomst het potentiëel van Ford Direct voertuigen te verhogen, raden wij U ten stelligste aan de verdeling van dit product binnen uw regio te herbekijken en een omzetverhoging in samenwerking met, een door U gecontroleerd agentennet, te willen considereren." Het feit dat het als "Concept Ford Direct" wordt gedefinieerd, staat er dan ook niet aan in de weg dat dit concept deel uitmaakt van de concessieovereenkomst voor personen- en bestelwagens en er in werkelijkheid een uitbreiding van is. En dat Leie-Motor in de verkoop van Ford Direct voertuigen zeer goed is geslaagd, blijkt uit de diverse felicitaties die zij vanwege Ford in ontvangst mocht nemen (zie brief dd. 22/10/2001 van Ford aan Leie-Motor : st. c.10 bundel Leie-Motor). De vaststelling dat de opzeggingstermijn in voormelde overeenkomsten bepaald wordt op 3 maand, plaatst deze overeenkomsten niet buiten het kader van de aan Leie-Motor toegekende concessie : dit heeft wel voor gevolg enerzijds dat deze korte opzeggingstermijn in strijd is met artikel 2, eerste lid, Alleenverkoopwet en op grond van het dwingend karakter van de wet, geen toepassing kan vinden, anderzijds dat de concessie voor Ford Direct voertuigen aan dezelfde opzeggingstermijn als de concessie voor personenwagens onderhevig is. 3.
  48. vordering tot ontbinding van de "resterende" concessie uitgaande van Ford : In graad van hoger beroep herneemt Ford haar oorspronkelijke tegenvordering tot ontbinding van de "resterende" concessieovereenkomst met retroactieve kracht tot 7/11/2003 op grond van grove tekortkomingen daterende van tijdens de opzeggingstermijn. Dit is een toepassing van artikel 1184 B.W. De bewijstlast omtrent de beweerde grove tekortkomingen rust hierbij op Ford. In dit verband dient opgemerkt dat de argumentatie van Leie-Motor dat deze vordering juridisch onmogelijk is om reden dat, eenmaal de concessiegever de concessie heeft opgezegd, hij zich niet meer kan beroepen op ernstige tekortkomingen van de concessiehouder, te dezen niet opgaat, aangezien Ford, ter staving van haar vordering tot ontbinding, geen ernstige terkortkomingen van de concessiehouder inroept van voor de opzegging, doch zich uitsluitend beroept op - althans beweerde - ernstige tekortkomingen die door Leie-Motor zouden zijn begaan nà de opzegging en dus tijdens de opzeggingsperiode. Gedurende de opzeggingstermijn lopen de verplichtingen verder, zodat bij niet-naleving ervan de mogelijkheid om de overeenkomst te verbreken bij grove tekortkomingen blijft bestaan. Uiteraard blijft ook de ontbinding op gemeenrechterlijke basis (artikel 1184 B.W.) mogelijk. Opdat een vordering tot ontbinding van een wederkerige overeenkomst zou kunnen slagen is het noodzakelijk dat de ingeroepen tekortkomingen van dusdanige ernstige aard zijn dat zij elke verderzetting van de contractuele relaties onmogelijk maken. Op blz. 157 van haar "aanvullende en syntheseconclusie in hoger beroep" neergelegd op 15/9/2008 geeft Ford een kort overzicht van deze tekortkomingen in hoofde van Leie-Motor. Al deze tekortkomingen komen er op neer dat Leie-Motor haar verplichtingen ten aanzien van Ford niet meer nakwam éénmaal zij voertuigen van Cardoen begon te verdelen t.t.z. vanaf 7/11/
  49. Het is vooreerst niet onwaarschijnlijk dat de datum waarop de samenwerking met Cardoen een aanvang nam, niet lukraak gekozen is. Op 1/10/2003 verviel immers de bestaande Ford concessie-overeenkomst als gevolg van de nieuwe Europese Verordening nr. 1400/2002 en, zoals reeds in de antecedenten uiteengezet, bestonden er tussen de partijen ernstige betwistingen omtrent de ondertekening van de "Nieuwe" - verordeningsconforme - overeenkomsten, inzonderheid wat betreft de aanvullende "akkoordverklaring" door Leie-Motor te ondertekenen ter bevestiging dat de gevolgen van de opzegging van de (oude) concessieovereenkomst onverkort hun uitwerking bleven houden. Weliswaar handelde Ford enigszins onzorgvuldig bij het overmaken van de documenten aan Leie-Motor, doch dit neemt niet weg dat Leie-Motor de bewuste akkoordverklaring weigerde te ondertekenen met als gevolg dat Ford op haar beurt de nieuwe overeenkomsten van "Ford Erkend Hersteller" en "Ford Erkend Onderdelendistributeur" weigerde te ondertekenen. Een en ander bracht Leie-Motor in een precaire situatie, derwijze dat het opstarten van de samenwerking met Cardoen op zich niet onbegrijpelijk was, al was het maar om haar eigen handelszaak in stand te houden. Daarbij kwam nog dat haar voornaamste verkoper G. P. in de zomer van 2002 (dus rond de opzegging van de concessie) naar de concurrentie N.V. Garage Moderne was overgestapt, hierin in 2003 gevolgd door de belangrijkste magazijnier F. V. en dat deze concurrerende concessiehouder - mede hierdoor - het gros van de concessie in handen kreeg. De relatie tussen Ford en Leie-Motor stond na de opzegging hoe dan ook duidelijk onder zware druk. Het uitvoerig tussen de partijen gevoerde brief- en faxverkeer laat hieromtrent aan duidelijkheid niets te wensen over. Dit heeft Leie-Motor evenwel niet verhinderd om Ford-voertuigen te blijven verkopen, zij het in mindere mate. Zo bedroeg het penetratiepercentage van Leie-Motor in 2003 nog 4,34% om in (de eerste negen maanden van 2004 (dus zolang de concessie nog liep) te verminderen tot 3,83%. In 2004 betrof het aantal Ford-registraties in het aansprakelijkheidsgebied van Leie-Motor nog 133 voertuigen in 2003 en 107 voertuigen in
  50. Weliswaar beliep het aantal nieuw verkochte wagens in 2004 amper 12 eenheden, doch zoals hoger reeds aangegeven, maakte ook het "Ford Direct Concept" onderdeel uit van de - uitgebreide - concessie en heeft Leie-Motor voertuigen onder dit concept blijven verkopen (zie o.m. st. J.136 Leie-Motor). Het is overigens ook zo dat met het oog op de verkoop van de Autos's Cardoen de toonzaal tot meer dan 2000 m² werd uitgebreid. Leie-Motor behield aldus ruimte om haar Ford wagens tentoon te stellen. Een en ander om aan te tonen dat Leie-Motor na 7/11/2003, naast Cardoen-voertuigen, eveneens Ford wagens is blijven verkopen. Het is dus niet zo dat Leie-Motor nà 7/11/2003 haar verplichtingen ten aanzien van haar concessiegever niet meer is nagekomen. Ford bewijst in ieder geval niet afdoende dat Leie-Motor geen of onvoldoende inspanningen meer deed om haar wagens nà 7/11/2003 te verkopen. Bovendien kan men er niet omheen dat, zoals de eerste rechter terecht opmerkte, een concessiehouder in opzeg, het moeilijk(er) heeft zich te handhaven. Gelet op de zeer gespannen verhouding tussen Ford en Leie-Motor, gold zulks voor laatstgenoemde des te meer. In dit verband kan trouwens bijkomend worden gewezen op de problemen van Leie-Motor i.v.m. de verdere stockfinanciering door Ford Credit en de reducering door Ford van haar leveringen voor onderdelen tot max. 40.000 euro. Eenmaal in het bezit van het verslag van de Raad van Bestuur van Leie-Motor, dat aanleiding gaf tot de in vereffeningstelling van de vennootschap, zegde Ford zelfs de concessieovereenkomst en de overeenkomsten "Erkende Hersteller" en "Erkende Onderdelendistributeur" met ingang van september 2004 vervroegd op, met als gevolg dat Leie-Motor, inmiddels in vereffening, in september 2004 geen prestaties meer heeft (kunnen) verrichten. Ford kan zich, ter staving van haar ontbindingsvordering, niet beroepen op het niet bereiken van het minimumregistratievolume waarvan sprake in het appendix 4B (p.2) onder punt (xii) van de concessieovereenkomst van 1/10/1996, nu enkel het niet bereiken van het minimum registratievolume van 80% gedurende drie opeenvolgende jaren als grove tekortkoming wordt aangemerkt. Terzake beliep het registratievolume van Leie-Motor in de drie jaren, voorafgaand aan 2003 respectievelijk 76,56% in 2000, 68,56% in 2001 en 80,80% in 2002 (zijnde het jaar van de opzegging). In 2003 zakte het dan wel weer tot 69,92, doch er is géén sprake van een onder de 80% gezakt registratievolume gedurende drie opeenvolgende jaren. In de aldus omschreven en concrete omstandigheden dient, samen met de eerste rechter, te worden besloten dat, indien Leie-Motor niet meer ten volle zou gepresteerd hebben ten aanzien Ford, dit niet als ernstige wanprestatie kan aangezien worden in die mate dat dit de ontbinding van de concessieovereenkomst ten laste van Leie-Motor kan rechtvaardigen. De vordering van Ford strekkende tot de - retroactieve - ontbinding van de concessieovereenkomst werd derhalve door de eerste rechter op gepaste wijze als ongegrond afgewezen. Aldus kan Ford géén aanspraak maken op een schadevergoeding, bestaande uit de winstderving van

(200)niet-verkochte wagens. 3.
  1. vergoeding op grond van artikel 2 Alleenverkoopwet : Het weze vooraf duidelijk dat er, evenmin als voor de concessie voor vrachtwagens, betwisting bestaat nopens de toepasbaarheid van de Alleenverkoopwet op de concessie voor personen- en bestelwagens en aanverwante concessies. Het betreft immers eveneens een alleenverkoopconcessie voor onbepaalde duur met exclusiviteit in een welbepaalde regio en uitsluitend uitwerking hebbend op het Belgisch grondgebied. 3.3.
  2. Zoals hoger onder punt 2.3.6.
  3. van onderhavig arrest reeds gesteld, compenseert de vergoeding in de zin van artikel 2 Alleenverkoopwet de voordelen van de niet verleende opzegging. Het doel van een dergelijke vergoeding is het nadeel te vergoeden dat werd geleden door het ontbreken van een opzeggingstermijn of door een te korte opzeggingstermijn (vgl. CASS. 19 januari 1984, R.W. 1984-85, 1363). Er dient bijgevolg te worden nagegaan welke de redelijke opzeggingstermijn had dienen te zijn en welk voordeel de partij aan wie de beëindiging werd betekend, had kunnen realiseren tijdens de redelijke opzeggingstermijn die niet werd toegekend. 3.3.
  4. Onder redelijke termijn wordt verstaan de termijn die als voldoende dient te worden beschouwd om het de concessiehouder mogelijk te maken zijn activiteiten te heroriënteren opdat de beëindiging niet tot zijn ondergang zou leiden (CASS. 10 februari 2005, T.B.H. 2005, 922). De redelijke opzeggingstermijn moet bijgevolg de concessiehouder in staat stellen om de verbintenissen na te leven die hij met derden is aangegaan en zich een netto-inkomen te verschaffen dat gelijkwaardig is aan het gederfde inkomen, desnoods door een volledige of gedeeltelijke reconversie van zijn activiteiten. Het komt er derhalve op neer dat een gelijkwaardige situatie wordt gevonden met een bron van netto-inkomsten die gelijkwaardig is aan deze die de concessiehouder verloren is en dit hoeft niet noodzakelijk een nieuwe concessie van hetzelfde product of van een gelijkaardig product te zijn (zie WILLEMART, M. & WILLEMART, S., J.T. 2008, p. 4). Voor het bepalen van de duur van de opzeggingstermijn wordt rekening gehouden met een aantal objectieve criteria zoals de duurtijd van de concessie, de uitgestrektheid van het gebied, het aandeel van de concessie in de globale activiteiten van de concessiehouder, de evolutie van het bedrijfsresultaat dat de concessiehouder haalt uit de verdeling van het in concessie gegeven product, de bekendheid van de in concessie gegeven producten, de investeringen die gedaan werden specifiek met het oog op de concessie en de specificiteit van de producten. De duur van de alleenverkoopconcessie, die hier minstens sedert 1958 heeft bestaan (eerste overeenkomst daterende van 1/1/1958 : st. a.1 bundel Leie-Motor), is uiteraard belangrijk doch voor het bepalen van de omvang van een billijke vergoeding is de evolutie van het resultaat van de concessie evenzeer belangrijk. Hoewel Ford er niet in geslaagd is de verkoopscijfers van voor 1957 voor te leggen (om reden dat deze door Febiac niet meer zijn bijgehouden), kan moeilijk betwist worden dat Leie-Motor het automerk "Ford" in haar regio heeft gelanceerd en dit tot een begrip heeft verheven. In de loop der jaren werd de concessie zelfs uitgebreid met Ford Direct wagens alsook met niche-producten (Probe en Maverick) en producten zoals voor de dienst na verkoop. Mede in acht genomen de omvang van het aansprakelijkheidsgebied (dat overigens vanaf 1/1/1982 nog werd uitgebreid : st. a.21 bundel Leie-Motor) en omvattende het grondgebied van de gemeenten Waregem, Deerlijk, Wielsbeke, Anzegem, Avelgem, Zulte, Harelbeke en Zwevegem, betrof dit een belangrijke concessie, in die mate zelfs dat met vijf onderagenten werd samengewerkt. Dat er grotere territoria bestaan, is wellicht juist, doch de regio waarvoor Leie-Motor de alleenverkoop kreeg toegewezen, is een dichtbevolkte regio met een groot potentieel aan cliënteel. Bovendien is het in de autobranche geenszins een gewoonte dat een concessie zich uitstrekt over meerdere provincies, laat staan over gans het Belgisch grondgebied. De globale activiteiten van Leie-Motor omvatten ook enkel de autoconcessie met aanverwanten en toebehoren. Weliswaar maakt Ford gewag van een verkoop van Nissan vrachtwagens, doch uit niets blijkt dat deze verkoop, na de beëindiging van de concessie voor vrachtwagens in 1993, enige uitstaans heeft gehad met de latere economische activiteiten van Leie-Motor. Niet onbelangrijk in dit verband is de brief dd. 9/4/1992 van Leie-Motor aan Ford waarin de eerstgenoemde, na de weigering van Ford om haar toestemming te verlenen een concessie met Nissan aan te gaan, aan Ford bevestigde dat het haar "vast voornemen was om tegen eind 1994 de Nissan commerciële produktlijn op een andere plaats te vestigen, in een separate vennootschap onder te brengen en een afgescheiden management met deze produktlijn te belasten." (st. j.8 bundel Leie-Motor). Het is niet duidelijk in hoeverre deze afzonderlijke vennootschap daadwerkelijk werd opgericht en in hoeverre de Nissan-concessie voor vrachtwagens een succes is geweest. Wel blijkt niet dat de verkoop van Nissan-vrachtwagens één van de activiteiten van Leie-Motor is geweest, zeker niet in de laatste 10 à 15 jaar van de autoconcessie. Aldus mag redelijkerwijze aangenomen worden dat de verkoop van Ford voertuigen (personen- en bestelwagens, Ford Direct, fleetverkopen, niche-producten en dienst na verkoop) de volledige activiteit van Leie-Motor uitmaakten, minstens tot 7/11/2003, datum waarop bijkomend een samenwerking met Auto's Cardoen werd opgestart. Leie-Motor heeft ook steeds goede bedrijfsresultaten neergezet, zowel binnen haar aansprakelijkheidsgebied als binnen de provincie West-Vlaanderen alsook t.o.v. de gemiddelde resultaten op het Belgisch grondgebied. Gedetailleerde cijfermatige gegevens omtrent de periode voor 1997 zijn er niet voorhanden, doch waar niet blijkt dat Ford zich op enigerlei wijze heeft beklaagd over de verkoopscijfers van Leie-Motor in die periode, dient aangenomen te worden dat deze verkoopcijfers zeer goed waren. Het door de partijen voorgelegde cijfermateriaal van na 1997 en inzonderheid de Ford registraties van Leie-Motor t.o.v. het nationaal gemiddelde toont aan dat Leie-Motor goed presteerde, nl. 100,72% in 1997, 87,30% in 1998, 85,01% in
  5. In 2000 en 2001 daalde dit weliswaar onder de 80%, doch in 2002 steeg dit opnieuw naar 80,80%. Eenzelfde evolutie is terug te vinden in het penetratiecijfer van Leie-Motor nl. 9,40% in 1997 naar 5,37% in
  6. Wel vertonen deze cijfers een enigszins vertekend beeld aangezien hierin de verkoopscijfers van de Ford Direct wagens niet begrepen zijn en er evenmin rekening werd gehouden met de invloed van de fleetverkopen op het globale verkoopspakket. De impact van deze fleetverkopen is nochtans zeer verschillend naargelang de regio's : zo is in regio's waar belangrijke Ford-vestigingen zijn (o.m. Genk) de impact ervan veel groter dan in andere regio's waarin dit niet het geval is (o.m. de regio Waregem waarin Leie-Motor actief was). Een duidelijker beeld is dit van de numerieke verkopen over de periode 1993 tot 2002 (p. 35 syntheseconclusie Leie-Motor). Hieruit blijkt dat het verkoopscijfer - op het jaar 2002 na - niet dusdanig gedaald is, wel dat waar in de periode van 1993 tot en met 1997 énkel nieuwe voertuigen werden verkocht, in de periode vanaf 1998 de daling van de verkoop van nieuwe voertuigen grotendeels werd gecompenseerd door de verkoop van Ford Direct wagens, verkoop die door Ford in diverse brieven, zowel aan Leie-Motor als aan alle overige concessiehouders, sterk aangemoedigd werd, en waarin Leie-Motor ook bijzonder succesvol was. Ten bewijze het feit dat de verkoop van Ford Direct wagens bij Leie-Motor steeg van 8,9% in 1998 tot 56,4% in 2002 en dit tegenover 5,4% in 1998 en 9,5% in 2002 op nationaal vlak. In 2001 bekleedde Leie-Motor zelfs de tweede plaats van het land met een verkooppercentage van 72,7%. In 2002 was dit 56,4% waarmee Leie-Motor nog de vierde plaats haalde. De algemene daling van de verkoopscijfers bij Leie-Motor wat de nieuwe personenwagens Ford betreft, valt eigenlijk samen met een algemene daling van de verkopen van nieuwe wagens in gans België. In 2002 was er zelfs een daling van 33% t.o.v. de resultaten van
  7. Voor West-Vlaanderen daalde de verkoop sedert 1997 zelfs met 49,3% (st. J.162a bundel Leie-Motor). Het merk Ford staat garant voor een kwaliteitsvol en duurzaam product. Vandaar ook dat dit, mede dank zij de jarenlange inspanningen van Leie-Motor, kon bogen op een trouw cliënteel. De slogan "Ford en Leie-Motor, d'as beter" straalde vertrouwen uit en koppelde Leie-Motor rechtstreeks aan het kwaliteitsvolle Ford-merk. Vandaar ook de moeilijkheden die Leie-Motor nà de opzegging heeft ondervonden om een gelijkwaardige merkconcessie te vinden en uiteindelijk met Auto's Cardoen, die een totaal verschillende opzet beoogt, in zee is gegaan (met weinig succes overigens, gelet op de in vereffeningsstelling van Leie-Motor in juli 2004). De omzet van Ford als leverancier van Leie-Motor, gebaseerd op de jaarlijkse facturaties van Ford aan Leie-Motor (st. k. 45 t.e.m. 49 bundel Leie-Motor) is in de jaren voorafgaand aan de opzeg enigszins gelijk gebleven nl. 366.058.265 oude bef per 31/10/1997, 360.847.157 oude bef per 31/10/1998, 374.299.858 oude bef per 31/10/1999, 320.840.116 oude bef per 31/10/2000 en 361.030.502 oude bef per 31/10/
  8. De bruto-winst in de laatste drie jaren voorafgaand aan de opzegging beliep (zonder de verkoop van brandstoffen) 1.126.229,73 euro per 31/10/2000, 1.168163,47 euro per 31/10/2001 en 1.266.145,38 euro per 31/10/
  9. Weliswaar was het boekjaar afgesloten per 31/10/2002 het mogelijks eerste verlieslatende boekjaar (nl. tot beloop van 18.849,80 euro), hetgeen volgens de door de deskundige onderzochte jaarrekeningen in hoofdzaak te wijten bleek aan een sterke vermindering van de post "andere bedrijfsopbrengsten" t.o.v. de voorgaande boekjaren enerzijds en een niet onbelangrijke vermeerdering van de post "waardevermindering voorraden" t.o.v. de vorige boekjaren anderzijds. Voorgaand cijfermateriaal toont in ieder geval aan dat Leie-Motor een bloeiende handelszaak was, die pas de laatste jaren minder goed presteerde op het vlak van de verkoop van nieuwe personenwagen, verlies dat in zekere mate werd gecompenseerd door een stijgende verkoop van Ford Direct wagens, het jaar 2002 uitgezonderd. Leie-Motor verwijst eveneens naar de gedane investeringen als één van de criteria voor het bepalen van een redelijke opzeggingstermijn, doch dit criterium is terzake niet doorslaggevend, aangezien ingevolge de lange duur van de concessie, heel wat investeringen ten volle hebben kunnen renderen en werden afgeschreven. Leie-Motor beroept zich eveneens op een aantal subjectieve criteria, die in werkelijkheid niets anders zijn dan de tekortkomingen die zij Ford verweet ter ondersteuning van haar in eerste aanleg geformuleerde vordering tot gerechtelijke ontbinding van de concessieovereenkomst. Zij voegt hieraan toe : "Deze 18 tekortkomingen van appellante aan de uitvoering te goeder trouw van haar verbintenissen ten opzichte van geïntimeerde zijn evenveel contractuele tekortkomingen op grond waarvan geïntimeerde schadeloosstelling vordert, gelijk aan de bedragen zoals omschreven in het beschikkend gedeelte.", (p. 173 randnr. 121 van haar syntheseconclusie neergelegd op 31/10/2008). Met deze bedragen worden de vergoedingen op grond van de artikelen 2 en 3 Alleenverkoopwet bedoeld, want dit is wat Leie-Motor uiteindelijk vordert. Leie-Motor kan evenwel de door haar opgesomde tekortkomingen van Ford - in graad van hoger beroep zelfs nog aangedikt -, en die uitsluitend dienden ter rechtvaardiging van haar vordering tot gerechtelijke ontbinding, niet transformeren in "subjectieve" criteria ter bepaling van de billijke opzeggingstermijn. Zij kan evenmin op basis van deze - beweerde - tekortkomingen, de opzegvervangende vergoeding in de zin van artikel 2 Alleenverkoopwet laten bepalen. Waar Leie-Motor, na afwijzing van haar vordering tot gerechtelijke ontbinding, hiertegen geen incidenteel beroep heeft ingesteld, is deze afwijzing definitief, zo ook de overwegingen die tot de afwijzing van de vordering door de eerste rechter bij vonnis van 10/3/2005 geleid hebben. Het doel van de vervangende schadevergoeding is noch min noch meer het nadeel, geleden door het ontbreken van een opzeggingstermijn of door een te korte opzeggingstermijn te vergoeden. Het betalen van een billijke vergoeding is immers geen autonome contractuele verbintenis, maar "een verbintenis die in de plaats treedt van de niet nagekomen contractuele verbintenis een redelijke opzeggingstermijn in acht te nemen" (zie CASS. 4 december 2003, R.W. 2005-06, 257). De houding van Ford, waaromtrent de eerste rechter reeds op definitieve wijze heeft beslist dat deze geen grove of ernstige tekortkomingen bevatte, is in deze dan ook niet medebepalend in de beoordeling van de redelijke opzeggingstermijn en a fortiori ook niet bij de vaststelling van de billijke opzeggingsvergoeding. Wel is het zo dat de rechter in concreto rekening kan houden met alle gegevens waarover hij op het ogenblik van zijn uitspraak beschikt. Dit betekent dat hij ook rekening kan houden met de resultaten door de concessiehouder behaald tijdens het jaar waarin de concessie is opgezegd, hierin begrepen de periode van de gegeven opzeggingstermijn, wanneer niet blijkt dat de resultaten na de opzegging werden beïnvloed door de opzegging (vgl. CASS. 16 mei 2003, T.B.H., 2005,20; RABG, 2004/20, p. 1293-1296 alsook DESTRYCKER, A. "Een vernieuwde toepassing van art. 2 van de Alleenverkoopwet, RABG, 2004/20, p. 1296-1301; CASS. 7 april 2005, R.W. 2005-06, 1176 met noot D. MERTENS "Artikel 2 Alleenverkoopwet. Begroting in abstracto of in concreto : een achterhaalde discussie", R.W. 2005-06, 1177 e.v.). Dit betekent evenwel niet dat een dergelijke in concreto beoordeling mag ontaarden in een loutere vergoeding van de werkelijke schade. Dit is immers in strijd met de essentie van een opzegvervangende vergoeding in de zin van artikel 2 Alleenverkoopwet. Dit belet niet dat welbepaalde feiten die zich na de opzegging hebben voorgedaan, uit billijkheidsoverwegingen kunnen in rekening gebracht worden. Welnu, rekening houdend enerzijds met : - de lange duurtijd van de concessie, - het jarenlange bloeiende karakter van het bedrijf, - de duurzaamheid en de kwaliteit van het te verdelen product, - de grote naambekendheid van Leie-Motor in haar aansprakelijkheids-gebied en zelfs er buiten, - de jarenlange binding van Leie-Motor met het automerk Ford, in die mate dat Leie-Motor in de volksmond gelijkstond aan "Ford", en anderzijds met : - de gedaalde bedrijfsresultaten gedurende de laatste jaren, weliswaar deels getemperd door de stijgende verkoop van Ford Direct Wagens, - de vaststelling dat Leie-Motor nog tijdens de opzeggingstermijn een nieuwe concessie met Auto's Cardoen heeft afgesloten die op 7/11/2003 kon worden opgestart, doch welke reeds uit haar aard geen gelijkwaardige resultaten kon opleveren als de ruime concessie bij Ford, besluit het hof tot een redelijke opzeggingstermijn van 36 maanden. Dit vindt trouwens bevestiging in de vaststelling dat voor alle 17 overige concessiehouders in opzeg, eveneens 3 jaar opzeggingstermijn werd toegekend nl. tot 1/10/2005, weliswaar op één na ...! Aangezien aan Leie-Motor slechts een opzeggingstermijn werd verleend van 24 maanden, en deze opzeggingstermijn in werkelijkheid met één maand werd ingekort ingevolge de opzegging op 3/9/2004 omwille van de discussies tussen de partijen omtrent de gevolgen van de in vereffeningstelling van de vennootschap Leie-Motor, is Leie-Motor, ingevolge de beëindiging van de concessieovereenkomst op 30/9/2002, nog gerechtigd op een vergoeding gelijk aan 13 maanden gederfde opzeggingstermijn. 3.3.
  10. Bij vonnis van 10/3/2005 beslist de eerste rechter dat Leie-Motor gerechtigd is op een vervangende vergoeding, berekend op basis van de gemiddelde semi-bruto-winst die de concessiehouder behaalde op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst, dat de resultaten van de laatste drie jaren voorafgaande aan de opzegging als berekeningsbasis dienen genomen te worden en dat de semi-bruto-winst bestaat uit de bruto-winst verminderd met de indrukbare algemene kosten (pt. A.4.
  11. p. 19 folio 02047 van het vonnis). Het hof stelt vast dat de partijen omtrent deze overwegingen, die de grondslag van de deskundigenopdracht uitmaken, geen hoger beroep/incidenteel beroep hebben aangetekend. De aangestelde gerechtsdeskundige legde haar eindverslag neer op 20/4/2006 en begrootte de gemiddelde semi-bruto-winst die Leie-Motor m.b.t. het product van Ford boekte tijdens de periode van 1/10/1999 tot 31/10/2002 op 55.207,14 euro per maand. Leie-Motor aanvaardt deze becijfering door de gerechtsdeskundige. Ford van haar kant verwijt de gerechtsdeskundige bij de begroting van de semi-bruto-winst te zijn uitgegaan van een bedrijf "going concern", zonder rekening te houden met het feit dat Leie-Motor onmogelijk niet-indrukbare kosten kon hebben gehad ingevolge het opstarten van een nieuwe automobielactiviteit, eerst door de verkoop (vanaf 7/11/2003) van Auto's Cardoen, nadien - na de in vereffeningstelling - door de oprichting op 3/2/2005 van een nieuwe vennootschap N.V. Leiemotor op dezelfde locatie. Uit het verloop van het deskundigenonderzoek is gebleken dat er heel wat discussie is gerezen omtrent de concrete invulling van het begrip "indrukbare" of samendrukbare kosten. Ford legde zelfs bij de rechtbank van koophandel te Kortrijk op 11/8/2005 een verzoek neer ter verduidelijking van de deskundigenopdracht. De rechtbank is op dit verzoek niet ingegaan en liet het aan de gerechtsdeskundige over om het aspect van de indrukbare kosten te onderzoeken. Ford blijft staande houden dat rekening dient gehouden te worden met de feiten nà de opzeggingstermijn die een invloed hebben gehad op de al dan niet indrukbaarheid van de algemene kosten. De kosten zijn indrukbaar of niet naargelang de stopzetting van de uitoefening van de concessie ze normaal gezien al dan niet doet wegvallen. Dit is een feitenkwestie (zie WILLEMART, M. & DESTRYCKER, A, De concessieovereenkomst in België, p. 68). In casu dienden als berekeningsbasis van de semi-bruto-winst van de concessiehouder de resultaten van de laatste drie jaar voorafgaand aan de opzegging te worden genomen. Hiertegen werd door Ford geen hoger beroep aangetekend. De gerechtsdeskundige heeft dan ook, terecht want in navolging van het vonnis van 10/3/2005, de indrukbare kosten per boekjaar 31/10/2000, 31/10/2001 en 31/10/2002 berekend, en geen rekening gehouden met de feiten die zich nà de opzegging hebben voorgedaan. Deze konden immers in gene mate de indrukbare kosten uit de voorgaande boekjaren beïnvloeden. De benadering door de gerechtsdeskundige vanuit een "going concern" standpunt is trouwens het best verenigbaar met de opzet van een opzegvervangende vergoeding : zoals hoger reeds aangehaald staat een opzegvervangende vergoeding in de zin van artikel 2 Alleenverkoopwet immers niet gelijk aan een vergoeding voor werkelijk geleden schade doch heeft zij als doel het nadeel geleden door het ontbreken van een opzeggingstermijn of door een te korte opzeggingstermijn te vergoeden. Zulks kan maar vanuit de invalshoek dat de onderneming gedurende de periode van de opzeggingstermijn normaliter wordt voortgezet (going concern). De argumentatie van Ford m.b.t. het deskundigenverslag is trouwens de weergave van haar opmerkingen op het voorverslag, waarop door de gerechtsdeskundige telkenmale op gemotiveerde wijze werd geantwoord. Het hof treedt het deskundig verslag dan ook bij. Aldus kan de opzegvervangende vergoeding begroot worden op : 13 x 55.207,14 euro = 717.692,82 euro in hoofdsom. 3.3.
  12. Leie-Motor maakt aanspraak op de wettelijke rente vanaf 1/10/2002, zijnde de aanvangsdatum van de opzeggingstermijn tot aan de datum der betaling, met dien verstande dat deze rente achtereenvolgend gekapitaliseerd wordt op 14/4/2006, op 17/5/2007 en op 16/6/2008, respectievelijke data van neerlegging van haar conclusies houdende o.m. de gerechtelijke aanmaning in de zin van artikel 1154 B.W. 3.3.4.
  13. Het recht op billijke vergoeding, waarop de concessiehouder aanspraak kan maken, ontstaat en wordt bepaald op het ogenblik dat de overeenkomst beëindigd wordt (CASS. 10 februari 2005, T.B.H., 2005, 922). Aangezien de intrest een compensatoir karakter heeft, is zij aldus verschuldigd vanaf 1/10/2002, zoals door Leie-Motor gevorderd. 3.3.4.
  14. Een schuldvordering tot betaling van een schadevergoeding houdt geen geldschuld in als bedoeld in artikel 1153 B.W. (vgl. CASS. 18 juni 1981, Arr. Cass. 1980-81, 121). In de mate evenwel, zoals in onderhavig geval, een vergoeding verschuldigd is op een bepaald tijdstip, op grond van een wettelijke betaling en te berekenen op de in de wet bepaalde wijze, kan, in tegenstelling tot hetgeen Ford voorhoudt, wel toepassing gemaakt worden van anatocisme (vgl. CASS. 6 januari 2006, Pas. 2006, 78). Het wordt voorts niet betwist dat de gerechtelijke aanmaning, waarvan sprake in artikel 1154 B.W., kan opgenomen zijn in een gedinginleidende akte of in een conclusie. Zij heeft wel alleen uitwerking voor de op dat ogenblik reeds vervallen intresten. In casu werden de opeenvolgende gerechtelijke aanmaningen opgenomen in de conclusies door Leie-Motor neergelegd op 14/6/2006, op 17/5/2007 en op 16/6/
  15. 3.
  16. vergoeding op grond van artikel 3 Alleenverkoopwet : 3.4.
  17. Vooreerst dient opgemerkt dat, waar Leie-Motor voor de eerste rechter nog een rouwgeld tot beloop van 634.113,64 euro vorderde, deze vordering in graad van hoger beroep niet wordt hernomen. Het incidenteel beroep van Leie-Motor is in ieder geval niet gericht tegen de afwijzing van deze vordering door de eerste rechter in het vonnis van 10/3/
  18. 3.4.
  19. Leie-Motor vordert wel een bijkomende vergoeding cliënteel overeenkomstig artikel 3,1° Alleenverkoopwet, begroot op 9% van haar gemiddelde jaarlijkse omzet geboekt tijdens de laatste drie jaren voorafgaand aan de opzegging van de concessieovereenkomst. Voor de toekenning van een billijke bijkomende vergoeding wegens de bekende meerwaarde aan cliënteel, dient aan drie voorwaarden voldaan te zijn, namelijk : - een aanzienlijke meerwaarde aan cliënteel - het cliënteel moet zijn aangebracht door de concessiehouder - de concessiegever moet na de beëindiging van de overeenkomst verder kunnen genieten van het cliënteel. Hoger werd reeds aangenomen dat Leie-Motor als eerste het automerk Ford in de regio Waregem en omstreken heeft geïntroduceerd én gelanceerd en hier rond gedurende meer dan 40 jaar een bloeiende handelszaak heeft uitgebouwd en gerund. De minder gunstige resultaten in de laatste twee jaren voor de opzegging, cijfers die enigszins moeten gerelativeerd worden gelet op de - min of meer compenserende - stijgende verkoop van Ford Direct wagens en fleetverkopen (in mindere mate), zijn niet van aard afbreuk te doen aan het onbetwistbare feit dat door Leie-Motor een aanzienlijk cliënteel werd aangebracht, dat een aanzienlijke meerwaarde vertegenwoordigde. Noch de opzegging, noch de opstarting van een samenwerking met Auto's Cardoen in november 2003, noch de in vereffeningstelling van Leie-Motor in juli 2004, zijn van die aard dat Ford deze aanzienlijke aanwinst van cliënteel heeft zien verloren gaan. Leie-Motor heeft het automerk Ford in de regio Waregem op de kaart gezet en Ford heeft hiervan, ook nà de opzeggingstermijn, ongetwijfeld de vruchten blijven dragen, weze dat thans via een andere concessiehouder werd aangekocht. Dit werd trouwens in de hand gewerkt door het feit dat zowel de voornaamste verkoper van Leie-Motor als de voornaamste magazijnhouder Leie-Motor na jarenlange dienst hebben verlaten om bij de concurrerende concessiehouder N.V. Garage Moderne te gaan werken. Zowel G. P. als F. V. waren het gezicht van Leie-Motor en meteen ook van Ford in de streek, zodat deze laatste ongetwijfeld nà de beëindiging van de overeenkomst, van het door Leie-Motor aangebrachte aanzienlijk cliënteel verder heeft kunnen genieten. Het tegendeel beweren, zou de waarheid geweld aandoen en is overigens weinig geloofwaardig. Het mag duidelijk wezen dat Garage Moderne met een welbepaald doel de belangrijkste personen uit het bedrijf van Leie-Motor heeft weggehaald, zodat Ford als concessiehouder slecht geplaatst is te beweren dat het ganse cliënteel van Leie-Motor voor haar verloren is gegaan. Ford betwist het gevorderde bedrag voorhoudende dat een vergoeding voor derving van winsten die worden gegenereerd op cliënteel niet kan worden begroot op de omzet. Het hof kan Ford hierin bijtreden. De cliënteelvergoeding dient op billijkheidsgronden vastgesteld te worden op een bedrag, berekend op basis van de nettowinst uit de concessie aan de hand van de drie laatste jaren voor de beëindiging van de concessie, en dit over een periode van één jaar. Uit de door Leie-Motor voorgelegde jaarrekeningen van de boekjaren 1/11/1998 - 31/10/1999, 1/11/1999 - 31/10/2000 en 1/11/2000 - 31/10/2001 (zijnde de drie boekjaren voorafgaand aan het jaar van de opzegging) blijkt een te bestemmen winstsaldo van respectievelijk 13.275,22 euro (535.521 oude bef) per 31/10/1999, 27.202,08 euro (1.097.329 oude bef) per 31/10/2000 en 11.158 euro per 31/10/
  20. Het gemiddelde over deze drie boekjaren bedraagt ( euro 13.275,22 + euro 27.202,08 + euro 11.158) : 3 = 17.211,77 euro per jaar. Leie-Motor kan bijgevolg aanspraak maken op een cliënteelvergoeding in de zin van artikel 3,1° Alleenverkoopwet tot beloop van 17.211,77 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1/10/2002 tot aan de datum van volledige betaling. Het hof stelt vast dat Leie-Motor dienaangaande geen kapitalisatie van intresten vordert. 3.4.
  21. Leie-Motor vordert op grond van artikel 3,2° Alleenverkoopwet betaling van de som van 150.000 euro in hoofdsom, voor de kosten van de exploitatie van de concessie, te vermeerderen met de vergoedende rente vanaf 1/10/2004 tot aan de datum van uiteindelijke betaling. Dit bedrag van 150.000 euro vertegenwoordigt de helft van de gevoerde publiciteit van de afgelopen 15 jaar voorafgaand aan de opzegging. Leie-Motor kan slechts aanspraak maken op deze bijkomende vergoeding wanneer zij aantoont dat de door haar beweerde publiciteitskosten Ford als concessiegever voordeel opleveren na het einde van de overeenkomst. Als eisende partij draagt Leie-Motor hieromtrent de bewijslast. Welnu, het loutere feit in de laatste 15 jaar publiciteit te hebben gemaakt voor het automerk Ford en aanverwanten, zoals de Ford Direct voertuigen en de niche-producten (Probe en Maverick), vormt op zich nog niet het bewijs dat deze gemaakte publiciteitskosten in enige mate voordeel hebben opgeleverd voor de concessiegever nà de beëindiging van de concessie. Evenmin als voor de eerste rechter slaagt Leie-Motor in de op haar rustende bewijslast. 3.
  22. de bijkomende vordering van Leie-Motor buiten de Alleenverkoopwet : 3.5.
  23. vordering wegens te weinig uitbetaalde marges : Leie-Motor beklaagt zich over het feit dat Ford in 2001 eenzijdig de structuur van de verkoopscommissies op een ingrijpende wijze heeft gewijzigd en vordert de som van 46.890,03 euro méér de gerechtelijke rente vanaf 19/11/2002 wegens te weinig uitbetaalde marges. Het systeem van de "variabele marges" wordt op een schematische maar duidelijke manier uitgelegd in het stuk 40 (1-39) van Ford. Het komt erop neer dat waar de vroegere verkoopscommissies vast waren (13%, 16% voor de Mondeo), thans de structuur intern wordt gewijzigd en opgesplitst in enerzijds vaste marges (nl. een basismarge van 5% en een vaste kwaliteitsmarge van 4%) en anderzijds variabele marges (variabele kwaliteitsmarge van 3%, "customer viewpoint"-marge (vertaald : klanttevredenheid) van 0,5% en een verkoopprestatie-bonus van 2%). Aldus hadden de concessiehouders de mogelijkheid om boven de vaste marge van 9% nog een bijkomende variabele marge van 5,5% te krijgen. Volgens het nieuwe systeem kon bijgevolg een maximale marge van 14,5% bereikt worden t.o.v. 13% in het verleden. In concreto betekende dit voor Leie-Motor inderdaad een vermindering van de commissies. De variabele marges werden immers berekend op grond van de afleveringen van personenwagens aan particuliere klanten (fleet en Ford personeel uitgesloten) en aangezien deze verkoop in 2001-2002 voor Leie-Motor gedaald was, bracht dit een vermindering van de variabele commissie mee van 4% naar 2,25% voor de periode 1/3/2002-31/5/2002, en naar 2,50% voor de periode 1/6/2002-30/11/2002 (st. j. 34 en j. bundel Leie-Motor). Ford beging evenwel geen onregelmatigheid door het invoeren van dit nieuwe commissiesysteem. Artikel 14.2 van de concessie-overeenkomst van 1/10/1996, zoals in 1997 gewijzigd en aangepast, voorziet immers uitdrukkelijk het volgende : "Ford behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor de prijzen die zij de Concessiehouder in rekening brengt aan te passen en een systeem van prijzen in te voeren dat is gebaseerd op de prestaties van de Concessiehouder. Ford zal te allen tijde trachten de Concessiehouder vroegtijdig door middel van een schriftelijke aankondiging te informeren omtrent wijzigingen in prijzen of bijkomende kosten." Dat Ford zich aan deze laatste verplichting gehouden heeft en dat het bijgevolg géén eenzijdig opgelegde wijziging betrof, doch een wijziging die het resultaat was van 2 jaar durende intensieve onderhandelingen tussen het dealersnetwerk van Ford en Ford zelf, blijkt genoegzaam uit het e-mailbericht dd. 29/8/2001 uitgaande van dhr. B. A., Voorzitter FDA, aan alle collega-dealers (st. 39 bundel Ford) en luidende o.m. als volgt : "De invoering van de variabele marges is een beslissing van Ford Of Europe gesteund op een aantal marktgegevens die zeker ook in het belang zijn van de concessiehouders. Sinds bijna 2 jaar worden hierover onderhandelingen gevoerd tussen Ford en een commissie "variabele marges" van FDA. ... Het moet ook gezegd worden dat wij steeds een zeer open dialoog hebben gehad met Ford en dat zij in de mate van het mogelijke ingegaan zijn op onze eisen of opmerkingen. .... Om te besluiten denken wij dat verzet tot het invoeren van de variabele marges niet alleen zinloos was geweest maar bovendien gevaarlijk met het oog op mogelijke ingrijpende veranderingen van de marktsituatie vanaf volgend jaar...." Leie-Motor was derhalve tijdig en voldoende ingelicht omtrent het vernieuwde systeem van de verkoopscommissie-structuur en kan zich niet meer op het oude systeem beroepen om vooralsnog de "minder betaalde" marges te vorderen. De aan Leie-Motor uitbetaalde verkoopscommissies werden regelmatig berekend op grond van de nieuw toegekende marges en vormen zodoende geen grond voor een vordering tot betaling van - volgens het vroegere systeem - te weinig uitbetaalde marges. Deze vordering werd door de eerste rechter dan ook terecht als ongegrond afgewezen. 3.5.
  24. vergoeding wegens niet-ondertekening/beëindiging van de nieuwe contracten "Ford Erkend Hersteller" en "Ford Erkend Onderdelendistributeur" : Er is inderdaad tussen de partijen heel was discussie geweest omtrent de ondertekening van deze nieuwe overeenkomsten. Dat Ford onzorgvuldig te werk is gegaan door de exemplaren van de nieuwe overeenkomsten, nl. Ford concessieovereenkomst, overeenkomst erkende hersteller en overeenkomst erkende onderdelendistributeur, niet onmiddellijk aan Leie-Motor ter ondertekening over te maken daar waar zij zulks wel deed t.a.v. haar andere concessiehouders, staat er niet aan in de weg dat Leie-Motor evenmin weinig medewerking verleende door stelselmatig te weigeren de bijgevoegde "akkoordverklaring" te ondertekenen, waarin zij bevestigde dat de opzeg gegeven bij brief van 30/9/2002 onverkort verder gold onder de nieuwe overeenkomsten. Dit alles niettegen-staande Ford in haar aangetekend schrijven dd. 16/10/2003 nochtans expliciet garandeerde "... dat de akkoordverklaring zeker niet tot doel heeft om... uw gebeurlijke rechten voortvloeiend uit de beëindiging van de vorige concessieovereenkomst uit te sluiten." (st. j. 81 bundel Leie-Motor). Leie-Motor bewijst evenwel niet door deze problematiek enige schade te hebben geleden. Uiteindelijk kon de concessie worden verdergezet, weliswaar aanvankelijk gepaard gaande met een aantal problemen o.m. wat de stockfinanciering door Ford Credit betreft, waardoor een aantal leveringen aan klanten aanvankelijk in het gedrang dreigden te komen. Deze vordering werd door de eerste rechter dan ook evenzeer terecht als ongegrond afgewezen. 3.5.
  25. vergoeding wegens rechtsmisbruik : Leie-Motor houdt staande dat de opzegging van de concessieovereenkomst door Ford een vorm van rechtsmisbruik uitmaakt, nu zij heeft opgezegd zonder de minste motivering aan de vooravond van het in voege treden van de Verordening nr. 1400/2002, dat in artikel 3 § 4 wel een motivering oplegt. Vooreerst dient opgemerkt dat de opzegging dateert van 30/9/2002 derwijze dat de Verordening, die pas op 1/10/2002 in werking trad, nog niet van toepassing was. Dat zulks te kwader trouw is geschied, wordt niet aangetoond. Leie-Motor was trouwens niet de énige concessiehouder wiens concessie werd opgezegd. Nog 17 andere concessiehouders werden opgezegd. Bovendien werd de opzegging, evenals alle overige opzeggingen, gemotiveerd door de verwijzing naar "economische en organisatorische redenen". Aldus blijkt geenszins dat Leie-Motor als énige geviseerd werd. Een motivering is in het licht van artikel 2 Alleenverkoopwet ook niet vereist. Juist omdat eeuwigdurende verbintenissen in ons rechtssysteem niet thuishoren en zelfs strijdig zijn met de openbare orde, kan elke overeenkomst van onbepaalde duur door opzegging beëindigd worden, weliswaar mits eerbieding van een redelijke opzeggingstermijn. Dit geldt uiteraard ook voor verkoopsconcessies van onbepaalde duur, waarvoor zelfs een specifieke wettelijke regeling werd uitgewerkt in de Alleenverkoopwet. Het hof kan best aannemen dat Leie-Motor zich door Ford onheus behandeld voelde, doch door de concessie met aangetekend schrijven dd. 30/9/2002 op te zeggen handelde Ford niet in strijd met wat van een redelijke contractpartij mag verwacht worden. Wel bleek naderhand dat de door haar toegekende opzeggingstermijn van 2 jaar onbillijk en té kort was, doch dit maakt de opzegging nog niet tot een daad van rechtsmisbruik. Leie-Motor kan zodoende geen aanspraak maken op een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik.
  26. Gedingkosten 4.
  27. Gelet op alle voorgaande overwegingen komen zowel het hoger beroep van Ford als het incidenteel beroep van Leie-Motor slechts ten dele gegrond voor. Het hoger beroep van Leie-Motor tegen het (eerste) tussenvonnis dd. 24/6/2004 is ongegrond. Het hoger beroep van Ford is énkel gegrond wat de toe te kennen opzegvervangende vergoeding betreft en ongegrond voor al het overige. Het incidenteel beroep van Leie-Motor is énkel gegrond voor wat de cliënteelvergoeding betreft en ongegrond voor het overige. Dit heeft voor gevolg dat : - het eerste tussenvonnis dd. 24/6/2004 wordt bevestigd - het tweede (tussen)vonnis dd. 10/3/2005 wordt vernietigd waar de vordering tot het bekomen van een cliënteelvergoeding als ongegrond wordt afgewezen en waar een billijke opzeggingsvergoeding gelijk aan een opzeggingstermijn van 42 maanden werd weerhouden, - het eindvonnis dd. 5/4/2007 wordt vernietigd wat betreft de toegekende opzegvervangende vergoeding in hoofdsom. 4.
  28. Omtrent de gedingkosten van de eerste aanlegprocedure, met inbegrip van de expertisekosten, oordeelde de eerste rechter op gepaste wijze. Ten onrechte begroot Leie-Motor haar rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg volgens de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Artikel 10 van het in uitvoering van deze wet genomen Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 bepaalt dat de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 in werking zijn getreden op 1 januari
  29. De artikelen 1 tot en met 12 van deze wet zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden (artikel 13 van deze wet). Hetzelfde Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 heeft het Koninklijk Besluit van 30 november 1970 "tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" opgeheven (artikel 9). Deze nieuwe tarieven zijn aldus toepasselijk op het huidig geding in hoger beroep. De rechtsplegingsvergoeding in de procedure voor de eerste rechter dient begroot te worden volgens de op dat ogenblik geldende wetgeving, nl. het K.B. van 30/11/1970, aangezien de nieuwe regeling en bedragen slechts gelden per aanleg. De nieuwe wet is enkel van toepassing op hangende zaken en niet op reeds in eerdere aanleggen beslechte zaken (zvgl. VOET, S. "Enkele praktische knelpunten bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten", R.W., 2007-08, 1130). Welnu, een zaak is hangend tot een eindbeslissing wordt geveld in de betrokken aanleg (vgl. LINDEMANS, J-D, "De toepasselijkheid van de Wet verhaalbaarheid Erelonen op "hangende geschillen", R.W., 2007-08, 1387). Waar de bestreden vonnissen werden uitgesproken voor 1 januari 2008, geldt aldus de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het K.B. van 30/11/
  30. 4.
  31. Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk dient elke partij haar eigen gedingkosten van het hoger beroep te dragen. Wat de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep betreft vordert Ford de basisvergoeding van 15.000 euro daar waar door Leie-Motor het maximumbedrag van 30.000 euro wordt gevorderd op grond van de complexiteit van het dossier en de vele bijzondere processuele verwikkelingen. Op grond van artikel 1022, vierde lid, Ger. W. kan de rechter op verzoek van een van de partijen (i.c. Leie-Motor) de basisvergoeding verhogen om reden van de "complexiteit van de zaak" . Hoewel complexiteit niet uitsluitend kan getoetst worden aan de lengte van de neergelegde conclusies en hiermeee niet - noodzakelijk - rechtstreeks evenredig is, kan de voorhanden zijnde complexiteit in deze zaak moeilijk worden genegeerd, gelet niet enkel op de zeer uitvoerige conclusies die door beide partijen werden neergelegd, maar ook, en niet in het minst, op de diversiteit en de omvang van de te behandelen betwistingen en te onderzoeken vorderingen. Aldus gaat het hof in op de door Leie-Motor gevorderde rechtsplegingsvergoeding hoger beroep t.b.v. 30.000 euro. Dit heeft voor gevolg dat, waar de partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld, de tegenover elkaar verschuldigde rechtsplegingsvergoedingen hoger beroep worden gecompenseerd, met dien verstande dat door Ford aan Leie-Motor nog een opleg van 15.000 euro verschuldigd blijft. Er is geen reden hierop wettelijke intresten toe te kennen. OP DEZE GRONDEN HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep van nv Leie-Motor in vereffening tegen het vonnis van 24 juni 2004 ontvankelijk doch ongegrond; Verklaart het hoger beroep van nv Ford Motor Company (Belgium) tegen de vonnissen van 10 maart 2005 en 5 april 2007 ontvankelijk en slechts gegrond in de hierna bepaalde mate; Verklaart het incidenteel beroep van nv Leie-Motor in vereffening tegen voormelde vonnissen ontvankelijk en eveneens slechts gegrond in de hierna bepaalde mate; Bevestigt het bestreden tussenvonnis van 24 juni 2006, in de mate waarin het wordt bestreden, met betrekking tot de beslissing omtrent de wering van de stukken J.38 en J.64 van nv Leie-Motor in vereffening; Doet het bestreden (tussen)vonnis van 10 maart 2005, in de mate waarin het wordt bestreden, enkel teniet in zover de vordering tot vergoeding meerwaarde cliënteel als ongegrond wordt afgewezen en in zover in de overwegingen wordt besloten dat nv Leie-Motor in vereffening recht heeft op een opzeggingstermijn van 42 maanden met betrekking tot alle aspecten van de concessieovereenkomst (vrachtwagens uitgezonderd), en opnieuw wijzende : Zegt voor recht dat, alle aspecten in acht genomen, nv Leie-Motor in vereffening recht heeft op een opzeggingstermijn van 36 maanden met betrekking tot alle aspecten van de concessieovereenkomst (vrachtwagens uitgezonderd), Verklaart de vordering van nv Leie-Motor in vereffening tot het bekomen van een vergoeding voor meerwaarde cliënteel ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate : Veroordeelt nv Ford Motor Company (Belgium) om te betalen aan nv Leie-Motor in vereffening het bedrag van zeventienduizend tweehonderd en elf euro zevenenzeventig eurocent (17.211,77 euro), te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1/10/2002 tot aan de datum van volledige betaling. Bevestigt het bestreden (tussen)vonnis van 10 maart 2005 voor al het overige. Bevestigt het be

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.