← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090304.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090304.11 Rolnummer: 2007/AR/1930 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-04 Raadplegingen: 155 - laatst gezien 2026-07-02 19:20 Fiche De dading is een overeenkomst waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen. Vereist is dat beide partijen toegevingen doen, zonder dat de ene partij de gegrondheid van de aanspraken van de andere partij erkent. Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg (art. 2052 B.W.). Dit betekent dat de partijen op hun vroegere, betwiste, rechtsverhouding niet meer kunnen terugkomen. Indien een partij dit toch doet, dan kan de andere partij zich beroepen op de exceptie van dading. Meestal wordt aangenomen dat de exceptie van dading een exceptie van niet-ontvankelijkheid is. Volgens artikel 2044, tweede lid B.W. moet de dading schriftelijk worden opgemaakt. Dit belet niet dat de dading tot stand komt door de loutere toestemming van de partijen. Het vereiste van een geschreven akte betreft enkel de bewijsvoering. Een brief, uitgaande van een partij, kan op zichzelf ten aanzien van haar wederpartij, geen bewijs aanbrengen, noch een bron van verbintenissen zijn. Het is enkel de aanvaarding die toelaat aan dit eenzijdige geschrift bewijswaarde te verlenen. Het stilzwijgen is in beginsel dubbelzinnig. De aanvaarding kan slechts blijken uit het stilzwijgen, indien er omstandigheden zijn die deze dubbelzinnigheid opheffen, zodanig dat daaruit redelijkerwijze enkel nog een aanvaarding kan worden afgeleid. Ook ten aanzien van handelaars is het stilzwijgen op zich geen bron van verbintenissen. Enkel een omstandig stilzwijgen kan een aanvaarding van een aanspraak-bevestiging opleveren. De exceptio non adimpleti contractus (ENAC) of exceptie van niet-uitvoering is een tijdelijk verweermiddel dat een contractant de mogelijkheid biedt de nakoming van de eigen verbintenissen uit te stellen, zolang de wederpartij in gebreke blijft. De juridische grondslag van de exceptie van niet-nakoming moet gezocht worden in de onderlinge afhankelijkheid van de wederzijdse verbintenissen. Er moet dus een voldoende samenhang zijn tussen de op te schorten verbintenis en de prestatie, waarvan de partij, die beroep doet op de exceptie, de niet-nakoming aanvoert. Het is niet uitgesloten dat de niet-nakoming van een verbintenis in een overeenkomst kan ingeroepen worden om de opschorting van de verbintenis van de andere partij in een andere overeenkomst te verantwoorden, mits volgens de bedoeling van de partijen de beide overeenkomsten een onafscheidelijk geheel vormen en er tussen die overeenkomsten een wederkerig verband bestaat. De exceptie van niet-uitvoering moet te goeder trouw worden uitgevoerd, wat onder andere betekent dat er slechts in evenredigheid met de niet-nakoming mag worden opgeschort. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Dading Vrije woorden: - Dading - Begrip - Exceptie van dading - Dading - Bewijs in handelszaken - Omstandig stilzwijgen - Exceptie van niet-uitvoering - voorwaarden. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 4-3-2009 TUSSENARREST na tussenarrest dd. 4-2-2009 aanstelling deskundige Art. 973 §1 Ger.W.dd. 24-6-2009 om 10.30 h - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1930 van: nv INDUSTRIE-NEGOCE-CONFORT-HYGIENE (afgekort: I.N.C.H.), met zetel te 7522 Doornik, Rue du Mont des Carliers 20, met ondernemingsnr. 0415.056.862, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde, op tegenspraak gewezen dd. 29-5-2007, oorspronkelijk verweerster op hoofdeis en eiseres op tegeneis, hebbende als raadslieden mr. VERBEKE Lino en mr. MELIS Filip, beiden advocaat te 8200 Brugge, Diksmuidse Heerweg 126 tegen : bvba MEC/C&S, met zetel te 9750 Zingem, Kolmstraat 30A, met ondernemingsnr. 0440.759.387, geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres op hoofdeis en verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman mr. GIELEN Dirk, advocaat te 1000 Brussel, Sint-Annastraat 28 bus 3 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Gelet op het tussenarrest van 4 februari 2009, waarbij de debatten heropend werden teneinde de voorlegging toe te laten van het exploot van betekening van het bestreden vonnis. Dit betekeningsexploot dateert van 28-6-

  1. Het hoger beroep, dat ingesteld werd bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 26 juli 2007, is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. Antecedenten I.
  2. Bij exploot van aanmaning-dagvaarding d.d. 14 juli 2005 vorderde de bvba MEC/C&S (hierna "MEC" genoemd) de veroordeling van de nv Industrie-Negoce-Confort-Hygiene (hierna "INCH" genoemd) tot betaling van 32.507,01 EUR, vermeerderd met de "wettelijke en gerechtelijke" intresten en de gedingkosten. Deze vordering had betrekking op twee facturen voor het confectioneren (in Bulgarije) door MEC van matrasbeschermers in opdracht van INCH, meer bepaald een factuur nr. 40 van 21 december 2004 voor 15.761,00 EUR en een factuur nr. 6 van 19 februari 2005 voor 12.635,23 EUR. Boven de hoofdsommen vorderde MEC conventionele rente herleid tot 9,5% per jaar en een conventionele schadevergoeding herleid tot 10%. In conclusies vorderde MEC uiteindelijk 32.507,01 EUR, te verminderen met het inmiddels door INCH betaalde bedrag van 4.928,27 EUR, dat overeenstemde met btw, verschuldigd op de beide factuurbedragen. Zij besloot tot de ongegrondheid van de door INCH ingestelde tegeneis en vroeg dat het vonnis uitvoerbaar werd verklaard bij voorraad.
  3. INCH stelde dat gebreken waren vastgesteld aan een deel van de goederen, die MEC geconfectioneerd had en die bestemd waren voor de klanten Tengelman en Carrefour, en dat MEC dit had erkend. Wat Carrefour betrof, leidde dit er volgens INCH toe dat zij een grote hoeveelheid matrasbeschermers manueel moest controleren. INCH besloot in eerste instantie tot de onontvankelijkheid van de vordering van MEC op grond van de exceptie van dading. Zij hield voor dat tijdens een vergadering van 26 mei 2005 overeengekomen was dat zij tot slot van alle rekeningen de btw ten bedrage van 4.928,27 EUR zou betalen. Ten gronde beriep INCH zich op de exceptie van niet nakoming van haar verbintenissen (de exceptio non adimpleti contractus of ENAC) door MEC. Zij stelde dat zij gerechtigd was de betaling van de facturen uit te stellen tot zij vergoed was voor de schade die zij door de gebrekkige leveringen had geleden. In ondergeschikte orde argumenteerde INCH dat de vordering van MEC was uitgedoofd ingevolge wettelijke schuldvergelijking met de schadevergoeding waarop INCH aanspraak maakte en die zij begrootte op 48.260,00 EUR. Zij vorderde veroordeling van MEC tot betaling van het saldo na compensatie dat 27.074,93 EUR bedroeg. In de meest ondergeschikte orde stelde zij met betrekking tot deze schadevergoeding een tegeneis in en vorderde zij, na toepassing van de gerechtelijke schuldvergelijking, de veroordeling van MEC tot betaling van het saldo van 27.074,93 EUR, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 24 januari 2005, vanaf het instellen van de vordering als gerechtelijke rente. "Minstens" vorderde zij dat MEC veroordeeld werd tot betaling van "een provisioneel bedrag van 32.507,01 EUR" en de aanstelling van een gerechtsdeskundige. Zij verzette zich tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad.
  4. De eerste rechter verklaarde de vorderingen ontvankelijk. De hoofdvordering achtte hij gedeeltelijk gegrond. Hij veroordeelde INCH tot betaling aan MEC van 25.814,75 EUR, meer de verwijlintresten aan 9,5% per jaar op 13.025,62 EUR vanaf 21 december 2004 tot 14 juli 2005 en op 10.442,34 EUR vanaf 19 februari 2005 tot 14 juli 2005, en de gerechtelijke intresten op 25.814,75 EUR vanaf 14 juli 2005 tot de dag der algehele betaling. Het meer gevorderde van de hoofdeis, evenals de tegeneis, wees hij af en hij veroordeelde INCH tot de gedingkosten. De eerste rechter achtte het bestaan van een dading niet bewezen. Hij stelde vast dat INCH de factuur nr. 40 van 21 december 2004 als zodanig niet had betwist. MEC had, samen met de goederen die daarvan het voorwerp uitmaakten, enkel verkeerdelijk een 140-tal matrasbeschermers van tweede keus meegeleverd. Deze goederen waren evenwel niet aangerekend. Na aftrek van de daarop betaalde btw bleef er aldus op grond van deze factuur nog een saldo verschuldigd van 13.025,62 EUR, te vermeerderen met een verwijlintrest aan 9,5% per jaar vanaf 21 december 2004 tot 14 juli 2005 en een verhoging van 1.302,56 EUR, evenals gerechtelijke intresten op 14.328,18 EUR vanaf 14 juli 2005 tot de dag der algehele betaling. Ook met betrekking tot de factuur nr. 6 van 19 februari 2005 stelde de eerste rechter vast dat zij als zodanig niet betwist was en dat, na betaling van de btw tot beloop van 2.192,89 EUR, op grond daarvan nog 10.442,34 EUR verschuldigd bleef, vermeerderd met de verwijlintrest aan 9,5% vanaf 19 februari 2005 tot 14 juli 2005, een verhoging van 1.044,23 EUR en de gerechtelijke intresten op 11.486,57 EUR vanaf 14 juli 2005 tot de dag der algehele betaling. Wat de tegenvordering betrof overwoog de eerste rechter dat er eenzijdige vaststellingen waren gedaan en rapporten waren opgesteld door het door Carrefour aangestelde expertisebureau Intertek in verband met goederen die door MEC aan INCH gefactureerd waren op 12 januari 2005 en die INCH betaald had. Hij leidde uit de stukken van het dossier af dat MEC ter plaatse was geweest, dat zij zich bereid getoond had om tussen te komen in de schade die INCH geleden had door de slechte levering, dat zij had aangedrongen op een snelle controle van de stukken om de definitieve schade te kunnen begroten en dat INCH op basis van een handgeschreven nota de schade had begroot op 48.082,00 EUR. Hij stelde vast dat er geen tegensprekelijk-heid geweest was bij de controle die door INCH was uitgevoerd. De eerste rechter overwoog dat INCH de kosten voor het controleren van 28.657 matrasbeschermers (afkomstig van de leveringen die met de facturen 2 en 6 waren aangerekend) niet ten laste van MEC kon leggen. Hij stelde dat het noodzakelijk was gebleken om alle reeds verpakte matrasbeschermers individueel te openen, omdat INCH zelf vergeten was etiketten mee te leveren die daarop dienden aangebracht te worden. Verder stelde de eerste rechter vast dat INCH haar bewering dat uiteindelijk 3.614 matrasbeschermers als verloren dienden beschouwd te worden wegens gebreken niet bewees. Hij achtte het eigenaardig dat INCH nagelaten had om, kort na de controle van de geleverde goederen, MEC uit te nodigen om een en ander vast te stellen. Ook de door INCH gevorderde vergoeding van 80 manuren voor het herstellen van een deel van de geleverde matrasbescherming wees de eerste rechter af, omdat INCH nagelaten had MEC uit te nodigen een en ander vast te stellen en zij door zelf tot herstelling over te gaan elke latere controle onmogelijk heeft gemaakt. Tenslotte overwoog de eerste rechter dat er geen redenen waren om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad. II.
  5. Het hoger beroep van INCH strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw recht spreekt zoals zij gevorderd heeft voor de eerste rechter. Bovendien vraagt zij dat MEC veroordeeld wordt tot de gedingkosten. In haar uitvoerig gemotiveerde conclusies herneemt INCH de middelen die zij voor de eerste rechter heeft opgeworpen. Zij stelt dat de eerste rechter ten onrechte haar exceptie van dading heeft verworpen. Zij wijst erop dat MEC haar brief van 6 juni 2005, waarbij zij het tot stand gekomen akkoord bevestigde, niet heeft geprotesteerd, hetgeen de aanvaarding ervan impliceert en dat zij bovendien de btw voorbehoudloos in ontvangst heeft genomen. INCH betwist niet dat de twee facturen, waarvan MEC betaling vordert, verschuldigd zijn, doch argumenteert dat de eerste rechter ten onrechte haar tegenvordering heeft afgewezen. Zij benadrukt dat MEC wel degelijk inzage gekregen heeft in de rapporten van de door haar aangestelde expert, dat zij haar aansprakelijkheid erkend heeft en zich bereid verklaart heeft tussen te komen in de schade. Bovendien wijst zij erop dat de verpakkingen niet dienden geopend te worden om de etiketten te kunnen aanbrengen. Verder stelt zij dat MEC, voorafgaand aan de procedure, de schaderaming nooit heeft betwist. Zij besluit dat zij zich wel degelijk op de exceptie van niet-uitvoering kon beroepen, minstens dat er wettelijke compensatie is opgetreden of gerechtelijke compensatie moet toegepast worden. In zeer ondergeschikte orde herhaalt zij haar eis tot veroordeling van MEC om "een provisioneel bedrag van 32.507,01 EUR" te betalen en een gerechtsdeskundige aan te stellen, gelast met de begroting van de door haar geleden schade. Verder verwerpt INCH de door MEC ingestelde vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Zij argumenteert bovendien dat er geen reden is om een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toe te kennen aan MEC. Zelf vraagt zij een rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 EUR op hoofdvordering en 2.500,00 EUR op tegenvordering.
  6. MEC besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt dat het hof het bestreden vonnis bevestigt in al zijn onderdelen en INCH veroordeelt tot een rechtsplegingsvergoeding van 5.000,00 EUR en een schadevergoeding van 2.500,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding. Zij argumenteert dat INCH het bestaan van een dading niet bewijst. Zij stelt dat het gebrek aan protest van een "voorstel tot dading" nooit als aanvaarding ervan kan gelden, terwijl er volgens haar evenmin sprake is van een voorbehoudloos in ontvangst nemen van de betaling van de btw. MEC stelt dat er in verband met de facturen nr. 40 van 21 december 2004 en nr. 6 van 19 februari 2005 geen betwisting is geweest en dat INCH daaromtrent geen tegenvordering instelt, zodat zij geen enkele reden heeft om ze niet te betalen. MEC erkent dat er klachten waren in verband met de levering die het voorwerp uitmaakte van de factuur nr. 2 van 12 januari 2005 - die INCH overigens betaald heeft -, doch werpt op dat INCH daaromtrent een buitensporige schade-eis formuleerde. MEC stelt dat zij het protest van INCH in verband met deze factuur nr.2 niet heeft aanvaard, dat INCH haar aanbod om mee te werken aan een oplossing heeft aangewezen en dat zij naliet MEC te betrekken bij de eenzijdig uitgevoerde onderzoeken, die haar niet tegenstelbaar zijn. MEC betoogt dat zij in geen geval moet instaan voor de kosten die INCH maakte om de goederen stuk voor stuk te openen, aangezien dit hoe dan ook nodig was om het etiket, dat INCH vergeten was aan MEC mede te delen, aan te brengen. MEC stelt dat uit het rapport van Carrefour blijkt dat dit etiket in de verpakking moest aangebracht worden en niet op de verpakking. Verder merkt MEC op dat zij veel te laat en met name pas op 12 april 2005 voor het eerst kennis kreeg van het rapport en de schadebegroting, op een ogenblik dat de goederen vermoedelijk reeds verkocht waren door Carrefour en derhalve geen controle meer mogelijk was. Ondergeschikt argumenteert MEC dat de vordering van INCH sterk overdreven is. Zij wijst erop dat INCH beweert 28.657 stuks gecontroleerd te hebben, terwijl de betreffende levering slechts 16.812 stuks telde. Bovendien merkt MEC op dat de 3.614 stuks die volgens INCH definitief verloren zijn, haar nooit werden teruggestuurd. Bovendien stelt zij vast dat elk bewijs ontbreekt dat de gebreken aanleiding gaven tot het presteren van 1.680,7 werkuren. Op de vraag van INCH tot aanstelling van een deskundige kan volgens MEC niet worden ingegaan omdat ze laattijdig is, INCH zelf reeds lang herstelmaatregelen heeft genomen en vaststellingen niet meer mogelijk zijn. MEC vraagt de verhoogde rechtsplegingsvergoeding. Zij stelt dat INCH te kwader trouw is, dat haar houding kennelijk onredelijk is en haar beroep roekeloos. Zij verwijt INCH de zaak nodeloos complex te hebben gemaakt. Verder laakt zij de houding die INCH tijdens het proces aannam. Wat de door INCH gevraagde rechtsplegingsvergoeding betreft, stelt MEC dat een tegenvordering geen aanleiding kan geven tot een afzonderlijke rechtsplegings-vergoeding. Ten slotte is MEC van oordeel dat INCH kennelijk misbruik maakt van het recht op hoger beroep. Zij stelt dat dit hoger beroep volstrekt ongegrond is en wijst erop dat INCH in hoger beroep geen enkel nieuw argument aanhaalt. Dit verantwoordt volgens MEC de gevorderde schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Beoordeling I.
  7. Op 21 december 2004 rekende MEC met een factuur nr. 40 aan INCH 15.781,00 EUR aan voor levering van 18.677 matras-beschermers en toebehoren. INCH verklaart dat deze goederen voor haar klant Tengelman bestemd waren. In een brief van 7 januari 2005 liet D. V. D. W., de zaakvoerder van MEC, aan INCH weten dat, "bovenop" de bestelde goederen - die volgens hem voldeden aan de gestelde kwaliteitseisen - per vergissing ongeveer 140 afgekeurde stuks mee geplooid waren en in aparte dozen meegeleverd.
  8. Op 12 januari 2005 stelde MEC een factuur nr. 2 op aan INCH van 14.109,12 EUR voor 16.812 matrasbeschermers en toebehoren en op 19 februari 2005 een factuur nr. 6 van 12.635,23 EUR voor 14.661 stuks. Deze leveringen waren bestemd voor Carrefour. INCH betaalde de factuur nr. 2 op 25 januari
  9. Op 24 januari 2005 stelde Intertek rapporten op voor Carrefour in verband met vier soorten matrasbeschermers, geleverd door INCH en waarvan de kenmerken (soorten stof en afmetingen) overeenstemden met deze van de goederen geleverd door MEC. Het onderzoek gebeurde op basis van een steekproef van 50 (voor drie van de vier soorten) of 80 (voor de vierde soort) exemplaren. In elk van de vier rapporten staat dat vlekken werden vastgesteld op de matrasbeschermers, dat de verpakking niet 100% in orde was en dat het gele etiket met vermelding van de speciale promotie ontbrak. In het verslag met betrekking tot de matrasbeschermers in spons/PVC voor tweepersoonsbedden was bovendien ook sprake van het stukspringen van de elastieken bij trekbeweging en van een samengetrokken weefdraad. In het rapport aangaande de matras-beschermers voor eenpersoonsbedden in spons/PVC werd ook melding gemaakt van een verschil in breedte tussen de twee uiteinden van de matrasbeschermer. In verband met de onderzochte matras-beschermers voor eenpersoonsbedden in Jersey/PVC werd bovendien vermeld dat er, wat de afmetingen betrof, een verschil was zowel in de lengte als in de breedte. Ingevolge deze verslagen liet Carrefour aan INCH weten dat de goederen geblokkeerd werden en dat ze pas opnieuw konden vrijgegeven worden na verder nazicht.
  10. In een brief van 1 februari 2005 aan INCH stelde MEC: "Het elimineren van de ateliers die aan de basis liggen van de nachtmerrie heeft als gevolg dat de capaciteit op dit ogenblik onvoldoende is om volgende week dinsdag 08/02 het volledige order van 24/01 afgewerkt te leveren." MEC vroeg INCH haar tegen de daaropvolgende ochtend te informeren "om in voorkomend geval alsnog het transport uit te stellen." Op 11 februari 2005 richtte MEC een e-mailbericht aan INCH, waarin zij meedeelde dat de bestelling van 21 januari 2005 zou uitgevoerd worden op maandag (14 februari 2005). Verder stelde MEC dat zij telefonisch contact zou opnemen, om de opmerkingen van INCH te kennen en om een afspraak te maken voor de week daarop, "om de zaken te regelen" ("pour règler les choses"). In een e-mailbericht van 1 maart 2005 aan INCH stelde MEC: "Naar aanleiding van het constructief gesprek van vorige week woensdag bevestig ik U nogmaals mijn bereidheid tussen te komen in de schade welke U heeft geleden door de slechte leveringen. Het ligt geenszins in mijn bedoeling mij te onttrekken aan mijn verantwoordelijkheid. De verrassing was ook voor mij kompleet en pijnlijk. Evenwel durf ik aan te dringen om de diensten, andere dan confectie te willen vereffenen: noch de transporteur noch de leveranciers van de accesoires kunnen bestraft worden voor de slechte leveringen. Ik hoop dat de controle van de geleverde stukken binnen het kortst mogelijke tijdsbestek is voleindigd om de definitieve schade te kunnen vaststellen" (letterlijke weergave). Zij berekende deze "andere diensten" voor wat de factuur van 21 december 2004 betrof op 10.157,70 EUR en voor de factuur van 19 februari 2005 op 7.646,77 EUR.
  11. INCH legt een handgeschreven document voor, dat gedateerd is op 16 maart 2005 en waarin onder de titel "coût Bulgarie" of "kost Bulgarije" een opsomming wordt gegeven van de schade en kosten waarvan zij thans vergoeding vordert. Volgens dit document bestaat de gevorderde som van 48.260,00 EUR uit de kostprijs van 3.614 verloren stuks (14.510,00 EUR), de kosten voor werkuren (19.600,00 EUR), de kosten voor uitpakken (3.250,00 EUR), herstellen (1.400,00 EUR) en inpakken (5.000,00 EUR materiaal en 4.500,00 EUR werk).
  12. In een aangetekende brief van 4 april 2005 aan INCH liet MEC weten dat zij, naar aanleiding van de onbetaalde facturen van 21 december 2004 en 19 februari 2005, een ontmoeting wenste te hebben met INCH, bij voorkeur op 19 april 2005, om een regeling te treffen ter voldoening van deze facturen. In een aangetekend schrijven van 12 april 2005 aan MEC uitte INCH haar verwondering over de ontvangst van een brief waarbij betaling gevraagd werd van deze twee facturen. Zij stelde dat zij op 24 januari 2005 MEC op de hoogte gesteld had van de gebreken aan de matrasbeschermers en dat zij op 16 maart 2005 een detail had meegedeeld van de schade in verband met de 28.657 stuks die zij had moeten controleren. Zij somde de kosten en schadeposten op die vermeld waren in het hoger aangehaald handgeschreven stuk, met dien verstande dat het totaal bedrag 48.082,00 EUR was. Bovendien wees INCH erop dat ter gelegenheid van de bespreking van 16 maart 2005 was overeengekomen dat MEC haar een creditnota zou overmaken voor de twee facturen en dit voor een bedrag van 23.467,96 EUR, exclusief btw. Niettemin verklaarde INCH zich akkoord om MEC te ontmoeten op 19 april
  13. Met een faxbericht van 12 mei 2005 stelde MEC een datum voor aan INCH om het "aangenaam gesprek van 19 april ll verder te zetten". MEC herhaalde haar verzoek in een brief van 17 mei
  14. Met een brief van 6 juni 2005 bevestigde INCH dat zij, zoals overeengekomen tijdens het laatste bezoek van MEC in haar kantoren, op 26 mei 2005 het bedrag van 4.928,27 EUR, dat de btw vertegenwoordigde op de facturen van 21 december 2004 en 19 februari 2005, tot slot van alle rekeningen betaald had. Zij stelde dat haar werkelijke schade 48.082,00 EUR was en vroeg MEC een creditnota mede te delen van 23.467,96 EUR. De rest van haar schade zou zij zelf ten laste nemen. INCH legt het bewijs van betaling van de som van 4.928,27 EUR op 26 mei 2005 voor. II.
  15. INCH beroept zich voor de afwijzing van de vordering van MEC in hoofdorde op de exceptie van dading. De dading is een overeenkomst waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen (artikel 2044 B.W., vgl. DEKKERS, R. en VERBEKE, A., Handboek Burgerlijk Recht, 2007, nr. 1443, p. 805). Vereist is dat beide partijen toegevingen doen, zonder dat de ene partij de gegrondheid van de aanspraken van de andere partij erkent (vgl.: CASS. 19 juni 1989, Arr. Cass., 1988-89, 1254; CASS., 31 maart 1993, R.W., 1994-95, 1052). Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg (art. 2052 B.W.). Dit betekent dat de partijen op hun vroegere, betwiste, rechtsverhouding niet meer kunnen terugkomen. Indien een partij dit toch doet, dan kan de andere partij zich beroepen op de exceptie van dading (vgl.: CASS. 9 september 1994, Arr. Cass., 1994, 727). Meestal wordt aangenomen dat de exceptie van dading een exceptie van niet-ontvankelijkheid is (TILLEMAN B., CLAEYS, I., COUDRON, Ch., LOONTJENS, K., A.P.R., Dading, nr. 879, p. 426 en de daar aangehaalde rechtsleer en rechtspraak). Volgens artikel 2044, tweede lid B.W. moet de dading schriftelijk worden opgemaakt. Dit belet niet dat de dading tot stand komt door de loutere toestemming van de partijen. Het vereiste van een geschreven akte betreft enkel de bewijsvoering (DEKKERS, R. en VERBEKE, A., a.w., nr. 1444, p. 805).
  16. Het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst belet niet dat INCH ten aanzien van MEC, die een handelsvennootschap is, met alle middelen van recht mag aantonen dat een dading tot stand gekomen is, die inhield dat zij, ter beëindiging van het geschil tussen partijen, tot slot van alle rekeningen een som betaalde die overeenstemde met de verschuldigde btw, vermeld op de facturen waarvan MEC betaling vordert. INCH blijft evenwel in gebreke dit bewijs te leveren. Zij argumenteert ten onrechte dat het bestaan van de dading blijkt uit het gebrek aan protest van MEC tegen haar brieven van 12 april 2005 en 6 juni 2005, evenals uit het feit dat MEC zonder voorbehoud de betaling van de btw aanvaardde. 2.
  17. Er kan niet, bij wijze van algemene regel, aangenomen worden dat, ten aanzien van handelaars, het bewijs van het bestaan van een overeenkomst geleverd wordt door het gebrek aan protest tegen een brief. Daarvoor bestaat geen wettelijke grondslag. Naar burgerlijk bewijsrecht geldt dat een geschrift geen bewijs kan opleveren ten voordele van degene die het geschreven heeft (artikel 1331 B.W.). Het - soepeler - bewijsrecht in handelszaken wijkt daar niet fundamenteel van af. Aldus geldt dat boeken van kooplieden bewijs opleveren tegen hen (art. 1330 B.W.). Artikel 25, lid 2 van het wetboek van koophandel bepaalt dat koop en verkoop kunnen bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur. De regel dat de aanvaarde factuur het bewijs oplevert van de overeenkomst geldt enkel voor de handelskoop. Voor andere handelsverrichtingen kan de rechter uit de aanvaarding van de factuur een feitelijk vermoeden putten en er het bewijs in vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis (CASS. 24 januari 2008, RABG 2008, 931). Aangenomen wordt bovendien dat, inzake handelsverrichtingen, de aanvaarding van de factuur, waaruit het voormelde vermoeden wordt geput, kan blijken uit het gebrek aan protest. In het voorliggend geval gaat het niet om het bewijs van het bestaan van een overeenkomst, die zou volgen uit de aanvaarding van een factuur, maar stelt INCH dat een dading tot stand zou zijn gekomen omdat MEC niet geantwoord heeft op twee brieven. Een brief, uitgaande van een partij, kan op zichzelf ten aanzien van haar wederpartij, geen bewijs aanbrengen, noch een bron van verbintenissen zijn. Het is enkel de aanvaarding die toelaat aan dit eenzijdige geschrift bewijswaarde te verlenen. Het stilzwijgen is in beginsel dubbelzinnig. De aanvaarding kan slechts blijken uit het stilzwijgen, indien er omstandigheden zijn die deze dubbelzinnigheid opheffen, zodanig dat daaruit redelijkerwijze enkel nog een aanvaarding kan worden afgeleid. Ook ten aanzien van handelaars is het stilzwijgen op zich geen bron van verbintenissen. Enkel een omstandig stilzwijgen kan een aanvaarding van een aanspraak-bevestiging opleveren. 2.
  18. In de brief van 12 april 2005 stelde INCH dat ter gelegenheid van een bespreking van 16 maart 2005 was overeengekomen dat MEC een creditnota zou opmaken voor de facturen van 21 december 2004 en 19 februari
  19. MEC heeft deze brief niet geprotesteerd, doch uit haar brief van 4 april 2005 blijkt dat zij het niet eens was met de inhoud ervan. Het feit dat zij daarin vroeg een ontmoeting te organiseren om een regeling te treffen ter voldoening van deze facturen toont aan dat er volgens haar geen akkoord tot stand gekomen was op 16 maart
  20. Uit het faxbericht dat MEC op 12 mei 2005 richtte aan INCH blijkt bovendien dat er volgens haar tijdens de bijeenkomst van 19 april 2005 evenmin een akkoord tot stand gekomen was, aangezien zij voorstelde om dit gesprek verder te zetten. De brief van 6 juni 2005, waarin INCH dan bevestigde dat er op 26 mei 2005 een akkoord tot stand gekomen was en zij de btw betaald had tot slot van alle rekeningen, gaf weliswaar evenmin aanleiding tot een uitdrukkelijk en schriftelijk protest, maar ook uit dit stilzwijgen kan geen aanvaarding door MEC worden afgeleid, aangezien zij reeds op 14 juli 2005 een dagvaarding liet betekenen aan INCH. Het feit dat MEC geen voorbehoud formuleerde na ontvangst van de betaling door INCH van 4.928,27 EUR op 26 mei 2005 bewijst - gelet op de op 14 juli 2005 betekende dagvaarding - evenmin het bestaan van de door INCH voorgehouden dading. Uit de mededeling onderaan de overschrijving van dit bedrag kon trouwens geenszins afgeleid worden dat het een betaling tot slot van alle rekeningen betrof. Zij vermeldde enkel dat het de betaling was van de btw op de facturen 6 en 40 ("FACT 6 ET 40 PAIEMENT TVA-BTW"), hetgeen, gelet op de gesprekken over een schadevergoeding, kon doen veronderstellen dat later - bijvoorbeeld op het ogenblik dat er een akkoord was over de schaderegeling - nog verdere betaling zou volgen. III.
  21. INCH heeft de facturen nr. 40 van 21 december 2004 en nr.6 van 19 februari 2005, waarvan MEC betaling vordert, niet geprotesteerd. Zij houdt trouwens niet voor dat de daarin aangerekende prijs niet verschuldigd is. De geleverde goederen waren conform aan de bestelde en vertoonden geen gebreken. Er zijn weliswaar met de levering, die op 21 december 2004 gefactureerd werd, naast de aangerekende - en volledig conforme - goederen, 140 afgekeurde matrasbeschermers meegeleverd, doch dit misverstand was reeds op 7 januari 2005 opgelost en het blijkt niet dat INCH daardoor schade heeft geleden. Aangezien voor deze afgekeurde goederen niets werd aangerekend, dient er evenmin een bedrag in mindering gebracht te worden van het factuurbedrag. Aangezien MEC voldaan heeft aan haar leverings-verplichting, was INCH betaling verschuldigd van de facturen van 21 december 2004 en 19 februari
  22. INCH beroept zich op de exceptio non adimpleti contractus (ENAC) of exceptie van niet-uitvoering. Dit is een tijdelijk verweermiddel dat een contractant de mogelijkheid biedt de nakoming van de eigen verbintenissen uit te stellen, zolang de wederpartij in gebreke blijft (vgl. CASS. 13 mei 2004, R.W. 2004-05, 1587; CASS. 26 mei 1989, Arr. Cass., 1988-89, 1131). De juridische grondslag van de exceptie van niet-nakoming moet gezocht worden in de onderlinge afhankelijkheid van de wederzijdse verbintenissen (vgl. CASS. 12 september 1973, Arr. Cass., 1974, 36). Er moet dus een voldoende samenhang zijn tussen de op te schorten verbintenis en de prestatie, waarvan de partij, die beroep doet op de exceptie, de niet-nakoming aanvoert (KRUITHOF, R., BOCKEN, H., e.a., Overzicht van rechtspraak (1981-1992). Verbintenissen , T.P.R. 1994, nr. 263, p. 565). Deze exceptie wordt gebruikelijk ingeroepen in het kader van verbintenissen uit eenzelfde wederkerige overeenkomst. INCH zou zich kunnen beroepen op de exceptie van niet-uitvoering wanneer zij aantoont dat MEC in gebreke is gebleven haar verbintenis uit te voeren (vgl. CASS., 13 mei 2004, R.W. 2004-05, 1587; CASS. 15 mei 2000, R.W. 2001-02, 917). Dit is niet het geval. MEC heeft haar verbintenissen uit de overeenkomsten voor het confectioneren van matrasbeschermers, waarop de facturen van 21 december 2004 en 19 februari 2005 betrekking hebben, volledig uitgevoerd. Evenwel is het niet uitgesloten dat de niet-nakoming van een verbintenis in een overeenkomst kan ingeroepen worden om de opschorting van de verbintenis van de andere partij in een andere overeenkomst te verantwoorden, mits volgens de bedoeling van de partijen de beide overeenkomsten een onafscheidelijk geheel vormen en er tussen die overeenkomsten een wederkerig verband bestaat (vgl. CASS. 8 september 1995, Pas., 1995, I, 785). INCH toont niet aan dat de verschillende bestellingen die zij bij MEC gedaan heeft een onafscheidelijk geheel vormen en dat tussen de betreffende overeenkomsten een wederkerig verband bestaat. De beweerde tekortkomingen van MEC hebben betrekking op leveringen, waarvan de prijs aangerekend werd bij factuur nr. 2 van 12 januari
  23. Na de levering van deze goederen heeft INCH haar betalingsverbintenis uitgevoerd. De omstandigheid dat zij na de levering en de betaling vaststelt dat goederen die het voorwerp uitmaakten van deze overeenkomst gebreken vertoonden, stond haar niet toe om haar betalingsverbintenis in het kader van twee andere overeenkomsten met MEC op te schorten. De exceptie van niet-uitvoering moet te goeder trouw worden uitgevoerd, wat onder andere betekent dat er slechts in evenredigheid met de niet-nakoming mag worden opgeschort (vgl. STORME, M.E., De exceptio non adimpleti contractus als uitlegvraag..., R.W. 1989-90, p. 319 e.v.). In de gegeven omstandigheden kon de vaststelling dat sommige goederen die geleverd werden in het kader van één overeenkomst, gebreken vertoonden, niet verantwoorden dat INCH haar betalingsverplichting - die het dubbele bedroeg van de totale som verschuldigd in het kader van de litigieuze overeenkomst - opschortte. De betalingsverbintenis van INCH is noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, de tegenprestatie van de - betwiste - verbintenis van MEC tot vergoeding van de schade die INCH beweert geleden te hebben. De niet-nakoming van de betalingsverbintenis mag geen doel op zich worden, namelijk de onafdwingbaarheid van de eigen verbintenissen bekomen. Het moet gaan om een exceptie, gesneden op maat van de voorafgaande tekortkoming van de schuldenaar, teneinde de onderlinge afhankelijkheid van de verbintenissen in de uitvoeringsfase van de overeenkomst te doen eerbiedigen (CORNELIS, L., Algemene theorie van de verbintenis, p. 464-465).
  24. INCH kan zich evenmin beroepen op de wettelijke schuldvergelijking. Opdat zij zou optreden is vereist dat twee partijen wederzijdse schulden hebben tegenover elkaar, dat deze schulden een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken tot voorwerp hebben en dat de schulden vaststaand en opeisbaar zijn (art. 1289 en 1291 B.W.). In de mate dat aan deze voorwaarden voldaan is, heeft van rechtswege schuldvergelijking plaats tussen beide schulden. Zij doven elkaar uit op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, tot beloop van hun wederkerig bedrag (art. 1290 B.W.; vgl. CASS. 24 april 1997, R.W. 1997-98, 574). In het voorliggend geval is in elk geval niet voldaan aan de voorwaarde dat de beide schulden - die een geldsom tot voorwerp hebben - vaststaand zijn. De voorwaarde van het vaststaand karakter houdt in dat de wederzijdse schulden niet betwist worden of niet voor ernstige betwisting vastbaar zijn en dat de bedragen bepaald zijn of door een eenvoudige berekening kunnen worden vastgesteld (vgl. VAN GERVEN, W., Verbintenissenrecht, 2006, p. 633). De vordering van MEC is vaststaand - en opeisbaar - , maar over de vordering van INCH bestaat ernstige betwisting en in ieder geval staat de omvang ervan thans helemaal niet vast. De omstandigheid dat geen wettelijke schuldvergelijking mogelijk is, belet niet dat de rechter desgevallend de gerechtelijke schuld-vergelijking kan toepassen. Deze schuldvergelijking geldt evenwel slechts vanaf de datum van de gerechtelijke uitspraak waarin de wederzijdse schulden zijn bepaald (VAN GERVEN, W., a.w., p. 637). Of dit thans mogelijk is moet blijken uit het onderzoek van de tegenvordering van INCH.
  25. De door MEC gevorderde sommen, zoals door de eerste rechter herleid rekening gehouden met de betaling door INCH van een som, gelijk aan de verschuldigde btw op beide factuurbedragen, en vermeerderd met de daarop verschuldigde - herleide - conventionele rente en verhoging, zijn verschuldigd. IV.
  26. De tegeneis van INCH strekt tot vergoeding van de kosten die zij gemaakt heeft en de schade die zij geleden heeft door gebreken aan door MEC geleverde goederen.
  27. De voorliggende stukken tonen aan dat minstens een deel van de matrasbeschermers die MEC aan INCH factureerde op 12 januari 2005, gebreken vertoonde. MEC heeft dit erkend en zich ertoe verbonden om INCH daarvoor te vergoeden. 2.
  28. De rapporten die op 24 januari 2005 door Intertek op basis van steekproeven werden opgesteld in verband met de gebreken aan de vier soorten matrasbeschermers die het voorwerp uitmaakten van de levering die op 12 januari 2005 werden opgesteld, zijn niet tegensprekelijk opgesteld ten aanzien van MEC. Wanneer MEC kennis heeft kunnen nemen van deze rapporten kan niet met zekerheid worden afgeleid uit de voorliggende stukken. Dat zij op de hoogte was van het feit dat er een probleem was met door haar geleverde goederen blijkt evenwel uit haar brief van 1 februari 2005 aan INCH, waarin MEC het had over "het elimineren van de ateliers die aan de basis liggen van de nachtmerrie". Zij riep dit in om uitstel te vragen voor de levering van een bestelling, die geplaatst was op 24 januari
  29. Gelet op de datum van de brief van 1 februari 2005 lijkt de "nachtmerrie" betrekking te hebben op de problemen die vastgesteld waren aan de goederen, die op 12 januari 2005 gefactureerd waren. MEC maakt niet aannemelijk dat dit andere leveringen betrof. 2.
  30. In haar e-mailbericht van 11 februari 2005 aan INCH, waarin zij aankondigde de bestelling van 21 januari 2005 (dit zijn de goederen die gefactureerd werden met de factuur nr. 6 van 19 februari 2005) te zullen uitvoeren op 14 februari 2005, verklaarde MEC een afspraak te willen maken "om de zaken te regelen." Zij kan geen redelijke verklaring geven over wat er anders te regelen was dan de problematiek van de gebreken aan de goederen, gefactureerd op 12 januari
  31. 2.
  32. De inhoud van het e-mailbericht van 1 maart 2005 aan INCH bevestigt dat MEC op de hoogte was van het feit dat door haar geleverde goederen gebreken vertoonden. Zij bevestigde dat zij zich niet zou onttrekken aan haar aansprakelijkheid en verklaarde zich bereid tussen te komen in de schade die INCH leed. Uit hetzelfde bericht blijkt ook dat de omvang van de schade niet vast stond. MEC drong aan dat de controle zo spoedig mogelijk zou "voleindigd" worden. 2.
  33. Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt dat het MEC verboden werd of onmogelijk gemaakt de nodige vaststellingen te verrichten en de goederen te controleren. Evenwel toont INCH niet aan dat zij de handgeschreven afrekening van haar schade en kosten, gedateerd op 16 maart 2005, aan MEC heeft overhandigd. In ieder geval staat het vast dat MEC er niet mee instemde om deze som te betalen. In haar brief van 4 april 2005 drong zij integendeel opnieuw aan op een gesprek met het oog op een regeling. INCH bewijst niet dat het tijdens de bespreking van 19 april 2005 tot een akkoord kwam tussen partijen. Wel bestond de wil bij MEC om tot een regeling te komen, hetgeen blijkt uit haar schrijven van 12 mei 2005, waarin zij vroeg om het "aangenaam gesprek van 19 april ll verder te zetten". Dat de verdere bespreking van 26 mei 2005 evenwel tot een akkoord leidde, bewijst INCH niet.
  34. Uit de gegevens van het dossier waarvan het hof kennis kan nemen blijkt aldus dat MEC tijdig op de hoogte werd gebracht van het feit dat er gebreken waren aan een deel van de levering, die zij op 12 januari 2005 gefactureerd had en dat daarover in de periode tussen februari en mei 2005 diverse contacten plaats vonden. MEC verklaarde zich bereid om de schade, waarvoor zij aansprakelijk was, te vergoeden. Zij gaf niet te kennen dat zij niet in de gelegenheid was de schade vast te stellen. Er liggen evenwel geen stukken voor die de tegensprekelijke vaststelling van de schade bewijzen en er kwam geen akkoord tot stand over een door MEC verschuldigde schadevergoeding. De bewijslast daaromtrent berust bij INCH. Aan de hand van de handgeschreven nota, gedateerd 16 maart 2005 en de rapporten van Intertek, bewijst INCH de gevorderde schadevergoeding niet. Gelet op de specifieke omstandigheid dat MEC van meet af aan erkende dat er iets verkeerd liep bij het confectioneren van de goederen die op 12 januari 2005 gefactureerd werden, dat zij bereid was om schade te vergoeden en dat zij daarover onderhandelde met INCH, mag aan INCH, omwille van het feit dat zij naliet de schade tegensprekelijk te laten vaststellen, niet het recht ontzegd worden om vooralsnog haar schade te bewijzen. INCH stelt dat zij nog steeds in het bezit is van de onverkoopbaar gebleven goederen. Het is aldus mogelijk dat een deskundige nog nuttige vaststellingen kan doen en aan het hof informatie kan verschaffen die het desgevallend zal toelaten zich uit te spreken over schade waarvoor MEC aansprakelijk is en over de omvang daarvan. Vooraleer zich verder uit te spreken over de tegenvordering, stelt het hof een deskundige aan met de opdracht zoals hierna vermeld. Aangezien INCH op geen enkel ogenblik heeft voorgehouden dat andere goederen, dan deze die behoorden tot de levering die gefactureerd werd op 12 januari 2005, gebreken vertoonden, is het onderzoek van de gerechtsdeskundige daartoe beperkt. Op de openbare terechtzitting van 21 januari 2009 verklaarden de partijen, voor het geval dat een deskundige werd aangesteld, afstand te doen van de formaliteiten voorzien bij art. 972 § 1, 2 van het gerechtelijk wetboek in verband met de installatievergadering.
  35. Gelet op het ontbreken op heden van enig bewijs omtrent de omvang van de door INCH geleden schade, kan geen gevolg verleend worden aan haar verzoek om, in afwachting van het deskundigenverslag, een provisie toe te kennen. Aangezien op dit ogenblik de tegenvordering van INCH niet kan bepaald worden, is evenmin voldaan aan de voorwaarde voor gerechtelijke schuldvergelijking. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv Industrie-Négoce-Confort-Hygiëne (INCH) ontvankelijk en beslist daarover reeds als volgt; Bevestigt het bestreden vonnis in de mate het de vorderingen ontvankelijk verklaarde en in zover het de vordering van de bvba MEC/C&S deels gegrond verklaarde, nv INCH veroordeelde tot betaling aan bvba MEC/C&S van de in het bestreden vonnis vermelde bedragen en het meer gevorderde van de hoofdsom afwees; Vernietigt het bestreden vonnis reeds in de mate dat het de tegenvordering van INCH afwees zonder voorafgaandelijk een deskundigenonderzoek te bevelen; En, vooraleer verder te oordelen over de tegenvordering, over de vordering van de bvba MEC/C&S wegens tergend en roekeloos hoger beroep en over de gerechtskosten; Stelt aan als deskundige mevrouw Ilse Garez, industrieel ingenieur textiel, Belgiëlaan 8, 9051 Sint-Denijs-Westrem (tel. 09.222.53.72), Met als opdracht, overeenkomstig de artikelen 962 e.v. van het gerechtelijk wetboek inzake het gerechtelijk deskundigenonderzoek; Na voorafgaande uitnodiging van de partijen bij een ter post aangetekende brief en hun raadslieden met gewone brief, met mededeling van de plaats, dag en uur waarop zij haar werkzaamheden zal aanvangen; De partijen aanhoren, kennis nemen van hun verklaringen, stukken, bescheiden en bundels, alle nodige of nuttige inlichtingen inwinnen bij de partijen en zonodig bij derden, en de partijen zo mogelijk verzoenen; Te Blandain, Rue du Mont des Carliers 20, of op enige andere door nv INCH aangewezen plaats waar ze zich volgens haar bevinden, de matrasbeschermers, die volgens nv INCH deel uitmaakten van de levering, die de bvba MEC/C&S haar factureerde op 12 januari 2005, identificeren; Advies verlenen over de vraag of de aangewezen matrasbeschermers deel uitmaakten van de voormelde levering; in bevestigend geval: - deze matrasbeschermers beschrijven, - zeggen hoeveel matrasbeschermers behept zijn met de door INCH aangehaalde gebreken, - zeggen of deze gebreken reeds aanwezig waren op het ogenblik van de levering; - zeggen of deze gebreken van die aard zijn dat de matrasbeschermers daardoor niet meer voldoen aan de kwaliteitsvereisten die verwacht worden door de gemiddelde klant; - zeggen of aan de vastgestelde gebreken kon verholpen worden en in bevestigend geval de herstelkost begroten en desgevallend de blijvende minderwaarde bepalen; Advies geven over de mogelijkheid om, gelet op de aard en de frequentie van de vastgestelde gebreken, door middel van steekproeven de 16.812 matrasbeschermers die deel uitmaakten van de litigieuze levering, te onderzoeken op het voorkomen van deze gebreken en, in bevestigend geval, deze steekproef beschrijven en de kosten daarvan ramen, zowel wat werkuren als materiaal betreft, rekening houdend met de ter zake gangbare prijzen in 2005; Advies geven over het aantal werkuren nodig om alle 16.812 matrasbeschermers te onderzoeken op de vastgestelde gebreken en opnieuw te verpakken; de wijze van onderzoek beschrijven, een raming maken van de daaraan verbonden kosten, zowel wat uurloon als materiaal betreft, rekening houdend met de gangbare prijzen van materiaal en uurloon in 2005; Advies geven over de vraag of de "promotie-etiketten" dienden aangebracht te worden in de verpakking dan wel op de verpakking van de matrasbeschermers; indien zij dienden aangebracht te worden in de verpakking, het aantal werkuren te ramen nodig om 16.812 matrasbeschermers van hun verpakking te ontdoen, het promotie-etiket aan te brengen en opnieuw te verpakken; een raming maken van de daaraan verbonden kosten, zowel wat uurloon als verpakkingsmateriaal betreft, rekening houdend met de gangbare prijzen van materiaal en uurloon in 2005; Antwoorden op alle vragen van de partijen, nuttig voor de oplossing van het geschil; Hiervan een gemotiveerd en onder eed bevestigd verslag neer te leggen ter griffie van dit hof, op te stellen binnen vier maanden na de aanvaarding van haar opdracht, met dien verstande dat de partijen over vier weken na de verzending van het voorlopig deskundigenverslag beschikken om hierop opmerkingen te formuleren; Beveelt de deskundige en de partijen of hun raadslieden in toepassing van art. 973 § 1 Ger.W. om te verschijnen voor het hof zetelend in raadkamer op woensdag 24 juni 2009 te 10.30 uur teneinde het hof in te lichten over het verloop van de werkzaamheden; Verstaat evenwel dat deze verschijning vervalt indien het verslag vóór de gestelde datum wordt neergelegd of wanneer alle partijen hun schriftelijk akkoord hebben meegedeeld met de verlenging van de toegestane termijn; Zegt dat de nv INCH als meest gerede partij de kosten en het ereloon van de deskundige zal voorschieten; Bepaalt het voorschot dat de nv INCH ter griffie van het hof zal consigneren binnen de 15 dagen na de kennisneming van onderhavig arrest op 2.500,00 EUR + 21 % BTW, samen 3.025,00 EUR. Bepaalt het redelijk deel van het voorschot dat aan de deskundige kan worden vrijgegeven teneinde de kosten van het onderzoek te dekken op 1.250,00 EUR + 21 % BTW, samen 1.512,50 EUR. Houdt de beslissing omtrent de gerechtkosten aan en verwijst de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 4-3-
  36. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. B. De Wilde G. Danneels E. Dursin A. Van de Putte Rep.nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.