id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090304.7 Rolnummer: 2008/RK/303 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-15 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 19:20 Fiche - De urgentie is enerzijds een bevoegdheidsvereiste en anderzijds een gegrondheidsvereiste van het kort geding. - Als bevoegdheidsvereiste houdt de urgentie in dat de eisende partij in de gedinginleidende dagvaarding omstandigheden moet aanvoeren waaruit kan worden afgeleid dat de zaak spoedeisend is. - De vraag of de aangevoerde omstandigheden in werkelijkheid aanwezig zijn en of de zaak werkelijk spoedeisend is, betreft de grond van de zaak. De urgentie als gegrondheidsvereiste wordt beoordeeld op het ogenblik van de uitspraak. - Artikel 1039 Ger. Wetb., dat bepaalt dat de beschikkingen in het geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf, belet de kort-geding-rechter niet de rechten van de partijen te onderzoeken. Alleen mag hij geen maatregelen bevelen die deze rechten op een definitieve en onherroepelijke wijze aantasten. - De kort-geding-rechter kan, mitsbelangenafweging, ingeval van onverwijlde spoed, voorlopig de uitvoering bevelen van een contractuele verbintenis, wanneer de aanspraken van de eisende partij in overeenstemming zijn met haar ogenschijnlijk recht. Daartoe is vereist dat de ingeroepen rechten niet op ernstige wijze kunnen worden betwist. Hoe verregaander de gevorderde maatregel, des te duidelijker de rechten van de partijen moeten vaststaan. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Kort geding - voorwaarden - urgentie - artikel 584 Ger. Wetb. Voorlopige uitvoering van contractuele verbintenis - voorwaarden. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 04 maart 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2008/RK/303 van:
- M. C., cardiochirurg, wonende te ..............,
- bvba D. C. M., met zetel te............, met ondernemingsnr.:........, appellanten tegen de beschikking in kortgeding, op tegenspraak gewezen door de voorzitter der rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk dd. 26-9-2008, oorspronkelijk eisers, hebbende als raadslieden - mr. VAN GOETHEM Raf, advocaat te 3000 Leuven, Bondgenotenlaan 138; - mr. VAN BUGGENHOUT Christian, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 106; tegen : vzw HEILIG HARTZIEKENHUIS ROESELARE-MENEN, met zetel te 8800 Roeselare, Wilgenstraat 2, met ondernemingsnr. 0409.779.072, geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. LETERME Bernard, advocaat te 8530 Harelbeke, Kortrijksesteenweg 387; velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 5 november 2008, hebben C. M. en de bvba D. C. M. (hierna samen "de appellanten" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking (in het verzoekschrift "vonnis" genoemd) die op 26 september 2008 op tegenspraak tussen partijen gewezen werd door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zetelend in kort geding. Dit hoger beroep, dat tijdig is en regelmatig naar de vorm, is ontvankelijk. Antecedenten I.
- In hun dagvaarding in kort geding, betekend op 20 juni 2008, en in hun conclusies voor de eerste rechter zetten de appellanten uiteen dat C. M. (hierna dokter M. genoemd) sinds 1995 als ziekenhuisarts verbonden is aan de dienst cardiochirurgie van de vzw Heilig Hartziekenhuis (hierna "het Ziekenhuis" genoemd) en dat zij, via de bvba D. C. M. (hierna "bvba M." genoemd) een contract heeft met het Ziekenhuis. In 2002 werd dokter S. eveneens als cardiochirurg aangesteld in het Ziekenhuis. De appellanten stelden dat dokter S. zich van meet af aan vijandig gedroeg tegenover dokter M. en dat de samenwerking stroef verliep. Volgens hen groeide er een feitelijke werkverdeling, waarbij dokter M. de coronaire ingrepen deed en dokter S. de aorta- en klepchirurgie. Om het vermeende continuïteitsprobleem inzake de aorta- en klepchirurgie bij afwezigheid van dokter S. op te lossen, verklaarde dokter M. zich bereid gedurende maximaal twee jaar een bijkomende gespecialiseerde opleiding inzake aorta- en klepchirurgie te volgen bij Prof. V. N. aan het UZ te Gent. De appellanten betoogden dat het Ziekenhuis, ondanks de positieve evaluatierapporten van Prof. V. N., in januari 2008 onwettig besliste om dokter M. te evalueren via een interne audit en dat haar, eveneens op onwettige wijze, een verbod werd opgelegd om aorta- en klepchirurgie uit te voeren in afwachting van de resultaten van deze audit. Volgens de appellanten lag het dispuut met dokter S. aan de basis van het handelen van het Ziekenhuis. Zij stelden dat dokter M. alle vertrouwen in de ziekenhuisdirectie verloren had. Toen de raadsman van dokter M. vaststelde dat zij geboycot werd, reageerde het Ziekenhuis volgens de appellanten door een crisiscomité bijeen te roepen, dat in het onoplosbaar geachte geschil tussen de twee stafleden van de dienst cardiochirurgie de kant koos van dokter S. Op 21 mei 2008 zegde het Ziekenhuis de overeenkomst met Dokter M. op met een opzeggingstermijn van 18 maanden. Volgens de appellanten was dokter M. het slachtoffer van structureel-organisatorische problemen op de dienst cardiochirurgie. Zij stelden dat het, omwille van de zeer ernstige vertrouwensbreuk tussen haar en het Ziekenhuis, voor Dokter M. niet meer mogelijk was om in normale omstandigheden haar ziekenhuisactiviteiten gedurende de rest van de opzeggingstermijn verder uit te oefenen. Dokter M. ging volgens hen gebukt onder het onwettig opgelegde algemeen verbod tot uitvoering van aorta- en klepchirurgie en de opzegging van de samenwerking bood geen oplossing voor de structureel-organisatorische problemen in het Ziekenhuis. Zij achtten het noodzakelijk dat een wachttoestand werd gecreëerd in afwachting van hun vordering tot gerechtelijke ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst wegens wanprestatie. De appellanten vorderden voor de kort-geding-rechter dat hij zou zeggen voor recht: - dat de verplichtingen van Dokter M. krachtens haar overeenkomst met het ziekenhuis gedurende de resterende termijn van de opzeg tijdelijk werden geschorst, zodat zij niet langer gehouden was haar professionele activiteiten in het Ziekenhuis verder te zetten tot de beëindiging van de vooropgestelde opzeggingstermijn van 18 maanden, dan wel tot de tussenkomst van een uitspraak ten gronde over de vordering tot gerechtelijke ontbinding lastens het ziekenhuis van de overeenkomst; - dat de stopzetting van haar ziekenhuisactiviteiten geen contractbreuk inhield in hoofde van dokter M.; - dat dokter M. minstens tot het verstrijken van de vooropgestelde opzeggingstermijn van 18 maanden een maandelijks bedrag van 31.250,00 EUR ontving van het Ziekenhuis, onder verbeurdverklaring van een dwangsom van 10.000,00 EUR per week vertraging in de uitbetaling van de maandelijkse vergoeding. Ten slotte vroegen de appellanten dat de op te leggen maatregelen zouden gelden onder voorbehoud van alle rechten en dat het Ziekenhuis veroordeeld werd tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 EUR.
- Het Ziekenhuis achtte de vordering ongegrond en vroeg dat de appellanten veroordeeld werden tot alle kosten. Het stelde dat, vóór de komst van dokters S., de aorta- en klepchirurgie achtereen-volgens door dokter V. d. M. en door dokter D. verricht werd. Het feit dat dokter M. zich bereid had verklaard een bijkomende opleiding te volgen aan het UZ te Gent, bewees volgens het Ziekenhuis dat haar ervaring op het vlak van de aorta- en klepchirurgie ontoereikend was. Verder wees het Ziekenhuis erop dat dokter M. enkel de eerste twee evaluaties van Prof. V. N. in verband met deze opleiding aanhaalde. In een derde evaluatie stelde Prof. V. N. dat dokter M. geen onderscheid kon maken tussen een routinegeval en een meer complex geval. Hij besloot dat hij geen nut zag in het verder zetten van de opleiding van dokter M. Het Ziekenhuis betwistte overigens dat het aan dokter M. verbod oplegde om klepchirurgische ingrepen uit te voeren. Wel gaf het haar, nadat op 25 januari 2008 een patiënt overleden was op wie zij een klepoperatie had uitgevoerd, instructie om dit niet als enig chirurg te doen. Volgens het Ziekenhuis stemde dokter M. daarmee in. Het Ziekenhuis benadrukte dat de samenwerking met dokter M. beëindigd was in overeenstemming met de bepalingen van de overeenkomst en met het unaniem advies van de medische raad. Het stelde dat de vordering niet kon toegekend worden, omdat de zaak niet spoedeisend was en omdat de gevorderde maatregelen op een definitieve wijze de rechten van partijen zouden vastleggen. Bovendien toonden de appellanten volgens het Ziekenhuis niet aan dat het evidente rechten had geschonden. Tevens was het van oordeel dat aan dokter M. in geen geval het aanzienlijke bedrag kon worden toegekend, dat zij vorderde en waartegenover geen enkele tegen-prestatie stond. Ten slotte verzette het Ziekenhuis zich tegen het opleggen van een dwangsom en het uitvoerbaar verklaren van de beschikking.
- De eerste rechter verklaarde de vordering toelaatbaar, maar wees ze af als ongegrond en veroordeelde de appellanten tot de gedingkosten. Hij achtte de zaak spoedeisend, aangezien beide partijen ernstige ongemakken zouden kunnen ondervinden doordat zij de opgezegde overeenkomsten normaal nog tot het einde van de opzeggingstermijn (26 november 2009) dienen na te leven. Het feit dat de appellanten op het ogenblik van het sluiten van de debatten nog niet ten gronde hadden gedagvaard, had volgens de eerste rechter niet tot gevolg dat de zaak niet (meer) spoedeisend was. Hij overwoog dat, indien hij dokter M. zou vrijstellen van prestaties gedurende de resterende tijd van de opzeggingstermijn, de cardiochirurgische dienst van het Ziekenhuis hierdoor op zeer korte termijn in ernstige problemen zou komen en mogelijks in haar voortbestaan zou bedreigd worden, met alle gevolgen van dien voor het Ziekenhuis. Hij oordeelde dat het gevorderde geen maatregel bij voorraad was en buiten het beperkt kader van het kort geding viel. Verder stelde de eerste rechter dat hij, als kort-geding-rechter ook bevoegd was om maatregelen te nemen die minder ver gingen dan de gevorderde maatregelen. Hij stelde dat er zou kunnen gedacht worden aan het verkorten van de opzeggingstermijn, zodat dokter M. nog een zekere tijd, maar niet tot 26 november 2009, zou moeten werken in het ziekenhuis. Alhoewel het wederzijds vertrouwen tussen de partijen volgens de eerste rechter zeker geschokt was en de sfeer zeker bedorven was, achtte hij het niet bewezen dat het voor dokter M. zo goed als onmogelijk zou zijn om verder te werken in het Ziekenhuis, zoals zij voorhoudt. Hij overwoog dat tussen de opzegging en het sluiten der debatten geen concrete feiten waren gebeurd waaruit dit zou blijken. In de mate dat de eerste gevorderde maatregel niet bevolen werd, ook niet in een minder ver gaande versie, ging de eerste rechter niet verder in op het overige van de vordering. II.
- Het hoger beroep van de appellanten strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en, opnieuw wijzende, hun oorspronkelijke vordering gegrond verklaart. De appellanten wijzen op het paradoxaal karakter van de beschikking van de eerste rechter, die enerzijds vaststelt dat het vertrouwen tussen partijen geschokt is, maar anderzijds beslist dat dokter M. verder moet blijven werken. Zij stellen dat er sedert de bestreden beschikking nog enkele zeer ernstige feiten gebeurd zijn in het ziekenhuis, die elke normale verdere samenwerking definitief onmogelijk maken. Verder argumenteren de appellanten dat het door de eerste rechter aangevoerde continuïteitsgevaar niet meer aan de orde is. Zij stellen vast dat het Ziekenhuis nog steeds niet naar een opvolger voor dokter M. heeft gezocht en anderzijds wijzen zij erop dat sedert 31 juli 2008 alle aorta- en klepchirurgische ingrepen rechtstreeks naar dokters S. of, bij zijn afwezigheid, naar het UZ te Gent worden doorverwezen, terwijl dokter S. steeds meer taken delegeert aan zijn assistent, zodat zij niet meer noodzakelijk is voor de dienst.
- Het Ziekenhuis vraagt de bevestiging van de bestreden beschikking, de afwijzing van de oorspronkelijke vordering als ongegrond en onbewezen en de veroordeling van de appellanten tot alle kosten van het geding. Beoordeling I.
- Op grond van artikel 584 Ger.W. doet de kort-geding-rechter, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak. De rechtsmacht van de kort-geding-rechter is aldus aan twee voorwaarden onderworpen, namelijk de spoedeisende aard van de gevorderde maatregel en het feit dat deze maatregel geen nadeel mag toebrengen aan de zaak zelf.
- De urgentie is enerzijds een bevoegdheidsvereiste en anderzijds een gegrondheidsvereiste van het kort geding (BEERNAERT, S., Algemene principes van het civiele kort geding, R.W., 2001-2002, 1341). Uit artikel 9 van het gerechtelijk wetboek vloeit voort dat de urgentie een wezenlijke component is van de materiële bevoegdheid van de kort-geding-rechter (vgl.: FETTWEIS, A., Bevoegdheid, p. 253, nr. 468; LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 452, p. 244). Als bevoegdheidsvereiste houdt de urgentie in dat de eisende partij in de gedinginleidende akte omstandigheden moet aanvoeren waaruit kan worden afgeleid dat de zaak spoedeisend is. (CASS. 11 mei 1990, R.W. 1990-91, 987). De appellanten hebben in hun inleidende dagvaarding uiteengezet dat het om de door hen aangehaalde redenen voor dokter M. niet meer mogelijk was om nog gedurende 18 maanden naar behoren en op een verantwoorde wijze haar professionele activiteiten verder uit te voeren voor het ziekenhuis en dat dringend maatregelen dienden genomen te worden om deze patstelling te ontmijnen. Er is aldus voldaan aan de urgentie als bevoegdheidsvereiste voor het kort geding.
- De vraag of de aangevoerde omstandigheden in werkelijkheid aanwezig zijn en of de zaak derhalve werkelijk spoedeisend is, betreft de grond van de zaak (LAENENS J. e.a., a.w., nr. 452, p. 245; CASS. 10 april 2003, Arr. Cass. 2003, 956). Er is sprake van spoedeisendheid, indien een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang te voorkomen, dan wel ernstige ongemakken te vermijden (vgl. CASS. 21 mei 1987, R.W. 1987-88, 1425). Men kan aldus zijn toevlucht nemen tot het kort geding wanneer een ernstig nadeel te vrezen is indien de gewone procedure zou gevolgd worden of m.a.w. telkens wanneer de gewone rechtspleging niet bij machte is het geschil tijdig op te lossen (vgl. CASS. 17 maart 1995, Arr. Cass. 1995, 320). Wanneer aan de voorwaarde van spoedeisendheid voldaan is, kan de kort-geding-rechter maatregelen tot bewaring van recht bevelen, indien er een schijn van rechten is die het nemen van de beslissing verantwoordt (vgl. CASS. 6 juni 2003, T.B.H., 2004, 258). Hoe verregaander de gevorderde maatregel, des te duidelijker de rechten van de partijen moeten vaststaan (BRESSELEERS, G., conclusie bij CASS. 5 mei 2000, Arr. Cass., 2000, 854, nr. 4).
- De kort-geding-rechter doet bovendien uitspraak bij voorraad. Artikel 1039 van het gerechtelijk wetboek, dat bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf, belet de kort-geding-rechter niet de rechten van de partijen te onderzoeken. Alleen mag hij geen maatregelen bevelen die deze rechten op een definitieve en onherroepelijke wijze aantasten (vgl. CASS. 31 januari 1997, Arr. Cass., 1997, 140). II.
- Uit de voorliggende stukken blijkt dat dokter M. sedert 1995 werkzaam was in het Ziekenhuis. Op 28 juli 1995 deelde het Ziekenhuis de beslissing van haar raad van beheer mede in verband met haar toelating als geneesheer hartchirurgie naast dokter V. D. M. in de associatie heelkunde en dit voor een periode van één jaar, beginnende op 1 augustus
- Op 6 augustus 1996 ondertekende dokter M. een individuele overeenkomst tussen het Ziekenhuis en de S.V. Groep Chirurgie Heilig Hartziekenhuis, waarin bedongen werd dat zij vanaf 1 augustus 1996 haar "kunde in hoofdzaak" in het Ziekenhuis zou uitoefenen als hartchirurg in de dienst hartchirurgie. In deze overeenkomst van onbepaalde duur werd ook bepaald dat zij onder meer kon beëindigd worden "door opzegging door één der partijen mits een aangetekend schrijven van vooropzeg van 15 maanden, te vermeerderen met een bijkomende maand per dienstjaar van de geneesheer-vennoot boven de 10 jaar dienstpraktijk in het Ziekenhuis". Dezelfde dag ondertekende dokter M. ook de algemene regeling van het ziekenhuis, waarnaar trouwens verwezen werd in de individuele overeenkomst. Het wordt tussen partijen niet betwist dat dokter M. haar activiteit in het Ziekenhuis uitoefende via de bvba M..
- Bij aangetekende brief van 21 mei 2008 bracht het Ziekenhuis er de appellanten van op de hoogte dat zij de overeenkomst met dokter M. opzegde en dat de opzeggingstermijn 18 maanden bedroeg en een aanvang nam op 26 mei
- In dezelfde brief verklaarde het Ziekenhuis tegelijk de samenwerking met bvba M. op te zeggen met dezelfde opzeggingstermijn. Deze beslissing werd genomen na een unaniem advies d.d. 13 mei 2008 van de medische Raad, die vaststelde dat, gezien de onhoudbare situatie ten aanzien van dokter M., er geen andere oplossing meer was dan deze waarbij haar overeenkomst als ziekenhuisgeneesheer werd opgezegd.
- Tijdens de duur van een opzeggingstermijn blijven partijen ertoe gehouden hun wederzijdse verbintenissen verder uit te voeren. De maatregel die de appellanten in kort geding vorderen strekt ertoe dat de verplichtingen van dokter M. krachtens haar overeenkomst met het Ziekenhuis "gedurende de resterende termijn van de opzeg tijdelijk worden geschorst." Zij preciseren dat dit betekent dat dokter M. "niet langer gehouden is om haar professionele activiteiten" in het Ziekenhuis verder te zetten "tot de beëindiging van de vooropgestelde opzeggingstermijn van 18 maanden, dan wel tot de tussenkomst van een uitspraak ten gronde over de vordering tot gerechtelijke ontbinding lastens het Ziekenhuis" van de overeenkomst. Volgens Dokter M. is elke verdere samenwerking met het Ziekenhuis definitief onmogelijk geworden en is er daarom urgentie om de gevorderde maatregel te bevelen.
- Dokter M. heeft na de betekening van de opzegging haar activiteiten in het ziekenhuis verder gezet. De dagvaarding in kort geding werd pas een maand later, op 20 juni 2008, betekend. De vaststelling dat de appellanten niet onmiddellijk na de opzegging het nodige initiatief hebben genomen met het oog op het bekomen van de gevorderde maatregelen, is een omstandigheid waarmee rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de urgentie. Uit deze houding zou een vermoeden kunnen geput worden dat er, door de situatie die ontstond vanaf het ogenblik van de opzegging, geen urgentie was om de gevraagde maatregel te nemen. Doch dit vermoeden is weerlegbaar. De essentiële vraag is immers of er daadwerkelijk urgentie is op het ogenblik dat de kort-geding-rechter de zaak behandelt. De urgentie als gegrondheidsvereiste van het kort geding moet immers beoordeeld worden op het ogenblik van de uitspraak (vgl. CASS. 11 mei 1998, Arr. Cass. 1998, 505). Noch het feit dat de appellanten pas op 28 november 2008 de dagvaarding ten gronde lieten betekenen - waarin zij de gerechtelijke ontbinding vorderen van de overeenkomsten tussen partijen lastens het Ziekenhuis en een schadevergoeding van 1,00 EUR provisioneel - noch de omstandigheid dat zij in dit geding ten gronde geen voorafgaande maatregel vorderen op grond van artikel 19, tweede lid van het gerechtelijk wetboek, sluiten noodzakelijk uit dat er op dit ogenblik desgevallend urgentie zou kunnen bestaan.
- Aan de hand van de feitelijke gegevens die de appellanten inroepen en de conclusies die zij daaruit trekken, tonen zij evenwel niet aan dat er urgentie is om de gevorderde maatregel te bevelen. 5.
- De appellanten verwijten het Ziekenhuis manifest misbruik te hebben gemaakt van het recht tot opzegging van de overeenkomst om structureel-organisatorische problemen op te lossen. Dit verwijt betreft de opzegging zelf en de motieven die daar volgens de appellanten toe geleid hebben. Zonder zich daarover ten gronde uit te spreken stelt het hof vast dat dit aan de appellanten bekend was vanaf het ogenblik dat zij de opzeggingsbrief van 21 mei 2008 ontvingen. Uit de vaststelling dat dokter M. gedurende bijna een maand haar activiteiten in het ziekenhuis verder zette, zonder de kort-geding-rechter te vatten, dient besloten te worden dat er wegens dit vermeende misbruik van het recht tot opzegging op zich geen urgentie bestond om de gevorderde maatregel te vorderen. Bovendien is aan dit verwijt van de appellanten ten aanzien van het Ziekenhuis als zodanig niets meer veranderd sedert de opzegging, zodat men niet inziet waarom het thans wel urgent zou zijn om dokter M. om die reden vrij te stellen van prestaties. 5.
- Evenmin kunnen de appellanten, ter staving van hun stelling dat de vordering urgent is, zich beroepen op het verbod van het Ziekenhuis om zelfstandig klepchirurgische operaties uit te voeren. Deze "dwingende instructie" aan dokter M. om geen klepchirurgie meer uit te voeren als enig cardiochirurg dateert immers reeds van geruime tijd vóór de opzegging van de overeenkomst, namelijk van 31 januari
- Dokter M. vond dit geen beletsel om gedurende ruim vier maanden haar activiteiten in het ziekenhuis verder te zetten. De appellanten tonen niet aan dat deze instructie vanaf 20 juni 2008 of op enig later tijdstip de samenwerking wel onmogelijk maakte. De appellanten kunnen daarvoor geen argument putten uit het bericht dat de hoofdgeneesheer van het Ziekenhuis op 29 juli 2008 richtte aan een aantal artsen. Daarin werd uiteengezet op welke wijze diende gehandeld te worden indien, bij afwezigheid van dokter S., een dringende aorta- of klepchirurgische ingreep moest uitgevoerd worden. Uit dit bericht blijkt dat, behalve "bij zeer complexe cardiale ingrepen" - waarbij de patiënt naar het UZ te Gent diende overgebracht te worden - een staflid van de dienst cardiochirurgie van het UZ Gent de ingreep in het Ziekenhuis zou uitvoeren. Dit bericht is op het eerste gezicht niets anders dan een bevestiging van de beslissing van 31 januari 2008: aangezien dokter M. niet zelfstandig klepchirur-gische ingrepen mocht uitvoeren diende, bij afwezigheid van dokter S., noodzakelijk een beroep te worden gedaan op een arts van een ander ziekenhuis, meer bepaald het UZ Gent. 5.
- Verder stellen de appellanten dat het Ziekenhuis het sedert de opzegging dokter M. psychologisch volstrekt onmogelijk maakt om haar ziekenhuisactiviteiten normaal verder te zetten. Volgens hen wordt dokter M. de facto geboycot bij de uitvoering van haar werk. Ter staving daarvan halen de appellanten de volgende elementen aan: - een brief van 30 mei 2008, waarin het Ziekenhuis betreurde dat dokter M. bezwaar had geuit tegen de aanwezigheid van een anesthesist bij een door haar geplande ingreep en deze handelwijze als onaanvaardbaar en niet voor herhaling vatbaar bestempelde; de betreffende anesthesist had deel uitgemaakt van het crisiscomité, dat tot de opzegging van de overeenkomst van dokter M. had geadviseerd; - de omstandigheid dat er sinds de opzegging bijna geen interne doorverwijzingen meer gebeuren van patiënten naar dokter M.; de appellanten achten het Ziekenhuis daarvoor aansprakelijk omdat dit het gevolg is van het verbod van het Ziekenhuis om haar nog zelfstandig klepchirurgische ingrepen te laten verrichten; - de stelling dat de acties van het Ziekenhuis dokter M. contractueel, financieel en emotioneel benadelen; door lastercampagnes wordt haar reputatie besmeurd en haar professionele toekomst gehypothekeerd. Het is begrijpelijk dat de beslissing van het Ziekenhuis om de overeenkomst op te zeggen - ongeacht de omstandigheden waarin dit gebeurde - door dokter M. als pijnlijk ervaren wordt en niet bevorderlijk is voor het vertrouwen tussen de partijen. Dit is trouwens in de regel het geval bij de eenzijdige beëindiging van een overeenkomst van onbepaalde duur. De opzegging creëert ongetwijfeld een psychologisch probleem voor de contractpartij, aan wie ze werd betekend. Uit dit feit op zich kan evenwel niet besloten worden dat deze partij dient vrijgesteld te worden van verdere prestaties tijdens de duur van de opzeggingstermijn. In de individuele overeenkomst die Dokter M. heeft ondertekend is de mogelijkheid tot beëindiging met een - lange - opzeggingstermijn uitdrukkelijk overeengekomen. Dokter M. stemde er aldus mee in om, in het geval dat de overeenkomst op die wijze eindigde, ook na de opzegging nog prestaties te leveren. De psychologische gevolgen van de opzegging waren trouwens op zich niet van die aard dat er urgentie was om daarvan vrijgesteld te worden, aangezien dokter M. gedurende een maand na de opzegging verder haar verbintenissen uitvoerde, zonder maatregelen te vorderen. De appellanten maken niet aannemelijk dat de bijkomende elementen die zij aanhalen de psychologische weerslag van de opzegging in die mate verzwaard hebben, dat er thans wel urgentie voorhanden is om de gevorderde maatregel te bevelen. Het blijkt niet en het wordt trouwens ook niet voorgehouden dat dokter M. systematisch, of meer dan uit de gewone regeling van de dienst anesthesie voortvloeit, moest samenwerken met de anesthesist die deel had uitgemaakt van het crisiscomité. Voor zover deze samenwerking om psychologische of andere redenen onmogelijk zou zijn, zou er desgevallend slechts urgentie kunnen zijn om aan het ziekenhuis te bevelen deze anesthesist niet langer te laten assisteren bij de operaties van dokter M.. Dit is evenwel niet het voorwerp van de vordering in kort geding van de appellanten. Wat de vermindering van nieuwe patiënten betreft, leggen de appellanten een bericht voor dat zij op 3 november 2008 aan het Ziekenhuis hebben gericht. Indien deze vermindering het gevolg is van de beslissing die het Ziekenhuis op 31 januari 2008 heeft genomen om dokter M. niet meer toe te laten zelfstandig klepchirurgie te beoefenen, is hoger (onder 5.2.) reeds vastgesteld dat er desbetreffend geen urgentie is. Wat de overige verwijzingen betreft, is het de stelling van het Ziekenhuis dat het de artsen zijn die beslissen naar welke collega zij doorverwijzen en dat het Ziekenhuis daarin niet kan tussenkomen. Indien de appellanten zouden aantonen dat er een verlies aan patiënten is, dat dit te wijten is aan het Ziekenhuis en dat zij daardoor materiële en/of morele schade zouden lijden, dan kunnen zij daarvoor schadevergoeding vorderen van het Ziekenhuis voor de rechter ten gronde. Zij tonen niet aan dat de door hen gevorderde kort geding maatregel noodzakelijk of zelfs nuttig zou zijn om deze schade te vermijden of te beperken. Wat de materiële schade betreft is het op het eerste gezicht trouwens onzeker of ze wel voorhanden is, in de mate dat de appellanten zelf verklaard hebben dat er een verdeelsleutel is van de winst tussen de dokters van de dienst hartchirurgie, zodat een minder aantal patiënten niet noodzakelijk een weerslag heeft op de inkomsten. Wat de morele schade betreft, zou het vrijstellen van dokter M. om prestaties te leveren er toe leiden dat geen enkele doorverwijzing van patiënten meer gebeurt. 5.
- De appellanten werpen op dat de goede patiëntenzorg zeer ernstig in het gedrang komt door het nalatig optreden van het Ziekenhuis. Zij verwijzen in dit verband naar een schrijven dat dokter M. op 21 oktober 2008 richtte aan het Ziekenhuis. Daarin verklaarde zij dat er ernstige tekortkomingen waren van dokter S. in verband met verlofdagen en wachtverplichtingen. Naast de wijze waarop Dokter S. een vakantieregeling had opgedrongen, laakte zij het feit dat hij weigerde te werken met "Medar", waardoor de toegankelijkheid voor wachtdoende artsen van andere disciplines en het optimaliseren van MKG registratie van cardio-chirurgische patiënten nog niet op punt stond. Verder stelde zij voor dat de verlof- en wachtregeling best in samenspraak met het UZ te Gent zou gebeuren, omdat dokter S. geen achterwacht meer deed. Ten slotte haalde dokter M. twee situaties aan, die zich hadden voorgedaan in september 2008, waarbij respectievelijk een assistent en zijzelf dokter S. hadden dienen te vervangen voor een dringende ingreep, alhoewel hij wachtarts was. Dokter M., die verklaarde dat deze toestanden haar onder zware druk zetten, vroeg rekening te houden met deze opmerkingen. Het Ziekenhuis heeft de inhoud van dit schrijven betwist in een brief van 7 november
- De appellanten halen geen concrete feiten aan die zich sedertdien zouden hebben voorgedaan en die een ernstige bedreiging zouden vormen voor de zorgen aan de patiënten. Wel stellen zij in hun conclusies dat het ziekenhuis in gebreke blijft om aan de structureel-organisatorische problemen te verhelpen. Het hof stelt vast dat de omstandigheden die de appellanten aanhalen, voor zover zij met de werkelijkheid overeenstemmen, de activiteiten van dokter M. bemoeilijken. Desgevallend zouden - teneinde tijdelijk te verhelpen aan deze moeilijkheden - bepaalde maatregelen kunnen worden bevolen ten aanzien van het Ziekenhuis en/of de arts die volgens de appellanten in gebreke blijven. De appellanten tonen evenwel niet aan dat deze omstandigheden in die mate de uitoefening van de activiteiten van dokter M. beletten, dat er urgentie bestaat om van de kort-geding-rechter een volledige vrijstelling van haar verbintenissen te bekomen met behoud van een betalingsverbintenis van het Ziekenhuis. 5.
- Ten slotte herhalen de appellanten dat de diverse hoger vermelde handelingen van het Ziekenhuis de reputatie en de carrière van dokter M. onherstelbaar hebben beschadigd. Deze schade, voor zover bewezen en aan het Ziekenhuis toerekenbaar, kan het voorwerp uitmaken van een vordering in vergoeding voor de rechter ten gronde. De appellanten tonen niet aan dat deze schade vermeden of beperkt wordt door een maatregel die inhoudt dat voortijdig - voor het verstrijken van de opzeggingstermijn - een einde wordt gesteld aan de activiteiten van dokter M..
- De appellanten argumenteren dat de cardiochirurgische dienst van het Ziekenhuis niet in het gedrang zal komen door het feit dat dokter M. haar activiteiten zal stopzetten. Zij stellen dat er in de praktijk nu reeds een automatische doorverwijsregeling is naar het UZ te Gent in geval van afwezigheid van dokter S. en dat heel wat cardiochirurgische taken doorgeschoven werden naar diens assistent dokter Ramadan. Verder overwegen de appellanten dat dokter M. niet kan blijven opdraaien voor het feit dat het ziekenhuis maanden na de opzeggingsbeslissing nog steeds niet gezocht heeft naar een andere cardiochirurg. Ten slotte wijzen zij erop dat de tijdelijke terugval naar één cardiochirurg geen probleem kan zijn om de erkenning van de dienst te behouden. Deze beschouwingen maken de gevorderde maatregel niet urgent voor de appellanten. Zij zouden slechts belang kunnen hebben indien een afweging zou dienen gemaakt te worden tussen de belangen van de partijen om te beslissen over het al dan niet toekennen van de gevorderde maatregel. Deze afweging zou evenwel pas aan de orde kunnen komen nadat zou vaststaan dat aan de vereisten van de urgentie en de uitspraak bij voorraad voldaan is. III.
- Onverminderd de bovenstaande overwegingen in verband met de urgentie van de gevorderde maatregel, stelt het hof vast dat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 1039 gerechtelijk wetboek.
- De appellanten vorderen dat de kort-geding-rechter beslist dat de verplichtingen van dokter M. uit de overeenkomst worden "geschorst" voor de resterende duur van de opzegging, minstens tot er een uitspraak ten gronde is. Mede gelet op het feit dat de appellanten pas zes maanden na de opzegging een dagvaarding ten gronde hebben laten betekenen, zou de toekenning van de gevorderde maatregel er feitelijk op neerkomen dat dokter M. definitief bevrijd is van haar verbintenis om activiteiten in het Ziekenhuis uit te oefenen. Bovendien koppelen de appellanten deze vrijstelling van prestaties aan de verplichting voor het Ziekenhuis om, eveneens gedurende de resterende duur van de opzeggingstermijn, een aanzienlijke vergoeding te betalen van 31.250,00 EUR per maand of 375.000,00 EUR op jaarbasis. In hun inleidende dagvaarding zetten de appellanten uiteen dat dokter M. in 2007 een brutovergoeding ontving van ongeveer 300.000,00 EUR, doch dat deze som lager was dan gebruikelijk, omdat voor dat jaar, gelet op de door haar gevolgde bijscholing, de verdeelsleutel binnen de associatie met dokter S., die normaal 50/50 bedroeg, tijdelijk gewijzigd werd in 37,5/
- Volgens de appellanten mocht dokter M. voor 2008 een brutovergoeding verwachten van 400.000,00 EUR. Concrete gegevens liggen in dit verband niet voor. De gevorderde maatregel betekent dat de kort-geding-rechter ongeveer de volledige som zou dienen toe te kennen - bij wijze van schadevergoeding, aangezien tevens gevorderd wordt dat dokter M. vrijgesteld wordt van prestaties - waarop zij volgens de eigen verklaring van de appellanten aanspraak kan maken indien zij wel haar verbintenissen verder uitvoert tot het einde van de opzeggingstermijn.
- De kort-geding-rechter kan, mits belangenafweging, ingeval van onverwijlde spoed, voorlopig de uitvoering bevelen van een contractuele verbintenis, wanneer de aanspraken van de eisende partij in overeenstemming zijn met haar ogenschijnlijk recht (vgl.: CASS., 22 februari 1991, T.B.H., 1991, 672; CASS. 13 mei 1991, Arr. Cass., 1990-91, 910). Daartoe is vereist dat de ingeroepen rechten niet op ernstige wijze (kunnen) worden betwist noch tegengesproken. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat een andersluidende beslissing van de rechter ten gronde de voorlopige maatregel en de gevolgen daarvan, niet kan teniet doen (vgl.: VAN OEVELEN A. en LINDEMANS, J., Het kort geding. Herstel en schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter, T.P.R., 1985, p. 1053, nr. 4). De partij die in kort geding veroordeeld wordt, maar ten gronde voldoening krijgt, zal niet meer kunnen bekomen dan het doen verdwijnen vanaf de beslissing door de bodemrechter van de voordien in kort geding genomen maatregel. Voor de schade die voortvloeit uit de nakoming van het in kort geding opgelegd bevel, zal deze partij slechts een vergoedingsaanspraak kunnen laten gelden bij de tenuitvoerlegging van een "kennelijk" onjuiste beslissing in kort geding. Dit betekent dat de kort-geding-rechter door middel van een "summier" onderzoek van de zaak, eigen aan de behandeling in kort geding, een beslissing neemt die door de bodemrechter niet meer kan worden vernietigd, ook niet impliciet, wat de kort-geding-rechter tot grote waakzaamheid moet aanzetten in kort-gedingen waarvan het voorwerp in feite het zelfde is als dit van de rechter ten gronde. Hoe verregaander de gevorderde maatregel, des te duidelijker de rechten van de partijen moeten vaststaan (BEERNAERT, S., Algemene principes van het civiele kort geding, R.W., 2001-2002, 1348).
- Op basis van een summier onderzoek van de zaak en zonder zich daarover ten gronde uit te spreken, stelt het hof vast dat de middelen die het Ziekenhuis inroept ter staving van haar stelling dat zij geen misbruik gemaakt heeft van haar recht tot opzegging van de overeenkomst en dat zij evenmin foutief gehandeld heeft tijdens de opzeggingstermijn, niet van meet af aan van alle grond ontbloot zijn. Slechts na een grondig onderzoek van de zaak, dat enkel de bodemrechter kan voeren, zal kunnen bepaald worden of de opzegging rechtmatig gebeurde, onder meer mede gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, waaronder de spanningen die er volgens de eigen verklaringen van de appellanten waren tussen de artsen van de dienst cardiochirurgie. Rekening gehouden daarmee staat onvoldoende vast dat de maatregel die de appellanten vorderen, overeenstemt met een schijnbaar recht van de appellanten, dat niet voor betwisting vatbaar is. Het hof zou, door de maatregel op te leggen die de appellanten vorderen, als kort-geding-rechter, op definitieve wijze contractuele rechten van partijen vastleggen, meer bepaald het recht voor dokter M. om tijdens de opzeggingstermijn en tot het einde van de overeenkomst geen activiteiten meer uit te oefenen in het Ziekenhuis. Gekoppeld aan deze vrijstelling van prestaties, zou de maatregel om het Ziekenhuis maandelijks een vergoeding te doen betalen van 31.250,00 EUR, neerkomen op de veroordeling van het Ziekenhuis tot betaling van een aanzienlijke schadevergoeding, waarvan aan de hand van de voorliggende stukken niet met voldoende zekerheid kan beoordeeld worden of ze verschuldigd is.
- De vaststelling dat aan de voorwaarden voor de toekenning van de gevorderde maatregel in kort geding niet voldaan is, belet de appellanten niet om, indien zij van oordeel zijn dat, door de fout van het Ziekenhuis, elke samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk is, eenzijdig en onmiddellijk een einde stellen aan de overeenkomst. Het zal dan aan de bodemrechter behoren om te beoordelen of zij daartoe gerechtigd waren en aanspraak kunnen maken op schadevergoeding ten laste van het Ziekenhuis. IV. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het hoger beroep van de appellanten ongegrond is en dat de bestreden beschikking dient bevestigd te worden, zij het deels op andere gronden. Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep zijn de gerechtskosten in hoger beroep ten laste van de appellanten. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van C. M. en van de bvba D. C. M., ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt de bestreden beschikking, zij het op deels andere gronden; Veroordeelt Caroline M. en bvba D. C. M. tot de gerechtskosten in hoger beroep, aan hun zijde niet te begroten aangezien zij te hunnen laste zijn en aan de zijde van de vzw Heilig Hartziekenhuis Roeselare-Menen begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 12e kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 4-3-
- Aanwezig: - E. Dursin, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - G. Danneels, raadsheer; - M. De Busscher, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div