← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090305.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 05 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090305.12 Rolnummer: 2008-AR-0505 Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2011-11-08 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 19:20 Fiche De echtscheidingsvordering is ingeleid vóór 1 september 2007 en de echtscheiding is uitgesproken na 1 september

  1. Het hof beoordeelt de impact van de wet van 27 april 2007 tot hervorming van het echtscheidingsrecht n.a.v. een vordering tot een provisionele onderhoudsuitkering. Aanspraak, omvang en modaliteiten, toekennings- en begrotingscriteria worden beoordeeld volgens oud recht. De looptijd van de provisionele onderhoudsuitkering wordt thans niet ingeperkt en zal worden beoordeeld wanneer de definitieve persoonlijke onderhoudsuitkering wordt beslecht. Als vereffeningsdatum geldt het instellen van de vordering. Voor terugwerking naar de datum van de feitelijke scheiding is geen uitzonderlijke omstandigheid bewezen zodat een billijkheidscriterium niet verder moet worden onderzocht. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Algemeen (echtscheiding (oud)) Vrije woorden: Echtscheiding - provisionele onderhoudsuitkering - Wet 27 april 2007 - toepasselijke wet - overgangsrecht - duurtijd Vereffening en verdeling - retroactiviteit - art. 1278 Ger.W. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de ter Kamer ________ Terechtzitting van 05 maart 2009 ________ beperkt hoger beroep ________ 2008/AR/505 - In de zaak van: K........... A........, gepensioneerde, wonende te ................................, appellant, hebbende als raadsman mr. DE MUYT Ingrid, advocaat te 9990 MALDEGEM, Bloemestraat 57, tegen: V....... C......... L........, luidens de termen van het verzoekschrift tot hoger beroep: gepensioneerde, wonende te ......................................, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. SERGEANT Sigfried, advocaat te 8000 BRUGGE, Zwijnstraat 3, velt het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 22 februari 2008, heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 5 november 2007 werd verleend door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, tweede kamer. De geïntimeerde heeft incidenteel beroep ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting bij monde van hun raadslieden. De dossiers van de rechtspleging en de overgelegde stukken werden ingezien. DE RELEVANTE FEITEN, DE PROCEDUREVOORGAANDEN EN DE VORDERINGEN
  2. De partijen traden een eerste keer in het huwelijk op 24 november 1989 onder het wettelijk stelsel. Hun echtscheiding door onderlinge toestemming werd op 4 maart 1993 overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand (stukken 1 en 2 appellant). De partijen huwden opnieuw op 12 mei 2000, zonder huwelijkscontract. Ze zijn gepensioneerd en hebben geen kinderen ten laste.
  3. Op 27 februari 2003 vroeg de geïntimeerde dringende en voorlopige maatregelen bij de vrederechter van het eerste kanton te Brugge (stuk 4 appellant). Bij vonnis van 4 juni 2003 machtigde deze vrederechter de geïntimeerde om afzonderlijk te verblijven. Er werd geen onderhoudsgeld begroot (stuk 5 appellant). Op 7 augustus 2003 ging de geïntimeerde vervolgens over tot dagvaarding in echtscheiding en tot het bekomen van voorlopige maatregelen. Na echtscheiding werd door de geïntimeerde een persoonlijke onderhoudsuitkering gevorderd van 380 EUR per maand, minstens provisioneel. Tijdens de echtscheiding werd hetzelfde bedrag aan persoonlijke onderhoudsuitkering gevorderd. In conclusies neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 13 februari 2004 stelde de appellant een tegenvordering tot echtscheiding op grond van art. 231 (oud) B.W. In conclusies neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 1 augustus 2006 werd voormelde vordering omgezet in een vordering ex art. 232, 1ste lid (oud) B.W.
  4. Bij het bestreden vonnis van 5 november 2007 werd de hoofdvordering van de geïntimeerde strekkende tot echtscheiding op grond van art. 229-231 (oud) B.W. ongegrond verklaard. De tegenvordering van de appellant strekkende tot echtscheiding op grond van art. 232 (oud) B.W. werd gegrond bevonden. De echtscheiding tussen de partijen werd uitgesproken met de bepaling dat de feitelijke scheiding een aanvang nam minstens sedert 11 juni
  5. In het kader van de vraag van de appellant tot omkering/relativering van het schuldvermoeden werd hij gemachtigd tot een getuigenverhoor en de geïntimeerde tot het tegenbewijs aangaande twee gequoteerde feiten, met name dat de geïntimeerde: - op 2 mei 2003 zonder enige reden en heimelijk zonder voorafgaande kennisgeving aan de appellant, de echtelijke woonst heeft verlaten om nooit meer terug te komen; - na de feitelijke scheiding op heimelijke wijze geld is gaan afhalen van de gezamenlijke rekening van de partijen zonder daar enige rekenschap van te geven. De vereffening en verdeling van de huwgemeenschap en/of van de gebeurlijke onverdeeldheid die tussen partijen zal bestaan hebben werd bevolen in functie van hun huwelijksovereenkomst van 21 september 1992 en met aanstelling van notarissen. De appellant werd veroordeeld tot het betalen aan de geïntimeerde van een bedrag van 200 EUR per maand, begrensd voor een periode van twaalf maanden ingaand vanaf 1 december 2007, als provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering. In de overwegingen van het bestreden vonnis is er echter sprake van een periode van zes maanden. Het verzoek van de appellant tot het bevelen van de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap met terugwerkende kracht vanaf 2 mei 2003 werd ontvankelijk verklaard, doch er werd gezegd voor recht dat deze vordering hic et nunc niet kon beoordeeld worden. De beslissing over de nog niet beslechte bijkomende vorderingen, waaronder de gedingkosten, werd aangehouden.
  6. De appellant vermeldt in zijn conclusie de betekening van het bestreden vonnis aan de geïntimeerde op 3 maart
  7. De geïntimeerde legde wat haar betreft een uittreksel uit het bevolkingsregister neer van 29 juli 2008 als relevant bijkomend stuk, waartegen geen verzet van de appellant (proces-verbaal van de terechtzitting van 4 december 2008). De erin vermelde echtscheidingsdatum van 4 april 2008 stemt overeen met de betekeningsakte van 3 maart 2008 van het bestreden vonnis waarvan de appellant melding maakt. De echtscheiding trad dus in kracht van gewijsde op 4 april 2008 en werd ook blijkens dit stuk overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Brugge op 27 juni
  8. Het hoger beroep van de appellant is beperkt. Hij vordert: - de vordering van de geïntimeerde tot het betalen van een provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding ongegrond te verklaren; - te zeggen voor recht dat de vereffening-verdeling niet dient te gebeuren in het licht van een niet bestaand huwelijkscontract; - te zeggen voor recht dat de vereffening-verdeling dient terug te werken tot 11 juni 2003; - de kosten in deze aanleg ten laste te leggen van de geïntimeerde, zoals door hem begroot.
  9. De geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk en slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren voor wat de opmerking in het (bestreden) vonnis betreft dat de vereffening-verdeling bevolen is in functie van de huwelijksovereenkomst van 21 september
  10. Op incidenteel beroep vordert de geïntimeerde de beperking in de tijd van de provisioneel toegekende onderhoudsuitkering ongedaan te maken en deze toe te kennen voor onbepaalde termijn. Voor het overige vraagt zij de integrale bevestiging van het eerste vonnis. Zij vraagt de veroordeling van de appellant tot de kosten van hoger beroep, die zij begroot. BEOORDELING DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE HOGERE BEROEPEN Het bestreden vonnis werd uitgesproken op 5 november
  11. De appellant vermeldt zoals gezegd in zijn conclusie de betekening ervan aan de geïntimeerde op 3 maart 2008 (conclusie neergelegd op 29 mei 2008, pagina 1). De betekeningsakte ligt niet voor. De appèlakte werd tijdig neergelegd ter griffie van het hof op 22 februari
  12. Nopens de ontvankelijkheid van het hoger beroep is er geen betwisting. Het hoger beroep is in de gegeven omstandigheden tijdig en regelmatig in alle opzichten. Het is ontvankelijk. Ook het incidenteel beroep werd regelmatig ingesteld en is ontvankelijk. DE PROVISIONELE ONDERHOUDSUITKERING. vooraf: De appellant heeft dienaangaande volgende beroepsgrieven: - de eerste rechter heeft niet onderzocht of de appellant het uitgekeerde onderhoudsgeld kan recupereren; na de beslechting van de schuldvraag moet hij desgevallend de ten onrechte uitbetaalde bedragen kunnen terugvorderen; - de geïntimeerde heeft geen dringende noden noch behoeften die een provisioneel onderhoudsgeld rechtvaardigen; - qua duurtijd is er een tegenstrijdigheid in het bestreden vonnis: de eerste rechter begrensde de uitkering tot zes maanden maar veroordeelde de appellant om gedurende twaalf maanden te betalen; - de appellant vindt dat er geen proportionaliteit is tussen de korte duur van het huwelijk en de lange periode waarin hij on-derhoudsgeld dient te betalen. de impact van de wet van 27 april 2007 tot hervorming van het echtscheidingsrecht (B.S. 7 juni 2007)
  13. In alle gevallen waarin de echtscheidingsprocedure werd ingeleid uiterlijk op 31 augustus 2007 op grond van fout of op grond van twee jaar feitelijke scheiding, blijft het recht op een onderhoudsuitkering na echtscheiding op basis van een uitdrukkelijke overgangsbepaling nog beheerst door de oude artikelen 301, 306, 307 en 307bis B.W. (art. 42, § 2 tweede lid W. 27 april 2007). Dit betekent dat indien de echtscheidingsvordering, zoals te dezen, reeds was ingeleid vóór 1 september 2007 en na 1 september 2007 de rechtbank van eerste aanleg de echtscheiding uitspreekt de echtscheidingsrechter na de ontbinding van het huwelijk de oude artikelen 301, 306, 307 en 307bis B.W. blijft toepassen wat betreft de aanspraak, de omvang en de modaliteiten van die persoonlijke onderhoudsuitkering. Deze overgangsrechtelijke regeling geldt evenzeer voor de provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding indien, zoals ter zake, de vordering tot omkering/relativering van het schuldvermoeden nog hangend is. 2.
  14. De partijen erkennen dat de oude echtscheidingswet van toepassing is (proces-verbaal van de terechtzitting van 4 december 2008). Overeenkomstig de vast staande principes kan overeenkomstig art. 301 (oud) B.W juncto art. 306 (oud) B.W., 307 (oud) B.W. en 307bis (oud) uitspraak worden gedaan wat betreft de aanspraak, de omvang en de modaliteiten van de provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering. 2.
  15. De vraag rijst evenwel of de nieuwe regel inzake de maximumduur van de alimentatie beperkt tot de duur van het huwelijk, zoals vervat in art. 301 § 4 B.W., in casu van onmiddellijke toepassing moet zijn zoals door de eerste rechter werd aanvaard. Bij een arrest van 3 december 2008 nr. 172/2008 heeft het Grondwettelijk Hof artikel 42, § 5 van de Wet van 27 april 2007 vernietigd. De directe consequentie van deze vernietiging door het Grondwettelijk Hof van voormelde § 5 is dat de verwijzing ernaar in art. 42 § 2, 2de lid van de wet van 27 april 2007 zonder betekenis is geworden nu het gaat om een verwijzing naar een vernietigde wettekst. Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest van 3 december 2008 deze vernietiging evenwel uitgesproken aangaande een op 1 september 2007 in kracht van gewijsde getreden beslissing over de onderhoudsuitkering na echtscheiding. Het Grondwettelijk Hof heeft zich niet uitgesproken over de rege-ling aangaande de onderhoudsuitkering na echtscheiding in za-ken waarin de echtscheiding pas na de inwerkingtreding van de nieuwe echtscheidingswet wordt uitgesproken. De vraag blijft dus gestand naar de al dan niet grondwettigheid van art. 42, § 2, 2de lid Ger.W. in zoverre daarin inhoudelijk is bepaald dat de onderhoudsuitkering toegekend in een pas na de inwerkingtreding van de nieuwe echtscheidingswet uitgesproken echtscheiding op grond van twee jaar feitelijke scheiding wel onderworpen is aan de nieuw ingevoerde maximumduur (raadpleeg P. S......., "Problemen van overgangsrecht van de wet van 27 april
  16. De echtscheiding op grond van bepaalde feiten resp. op grond van onherstelbare ontwrichting", in P. S......, F. S..... en G. V................. (eds), Knelpunten echtscheiding, afstamming en verblijfsregelingen, Intersentia, Antwerpen-Oxford, 2009, 119-122). De partijen hebben geen expliciet standpunt ingenomen nopens de uiteindelijke loopduur van de (provisionele) persoonlijke on-derhoudsuitkering en voormelde vraagstelling. Het hof maakt in het licht van wat voorafgaat hoe dan ook abstractie van de overwegingen van de eerste rechter. Het gaat trouwens ter zake slechts over een provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering. Het hof beoordeelt enkel of er aanleiding is om deze provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering reeds in de tijd te beperken. Naar het oordeel van het hof zijn er de facto noch de iure daartoe redenen (cf. ook infra). De uiteindelijke looptijd van de definitieve persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding kan te gepasten tijde worden beoordeeld wanneer deze definitieve persoonlijke onderhoudsuitkering wordt beslecht. Dit moet mogelijk zijn voor de maximumduur van het huwelijk wordt overschreden. de toekennings- en begrotingscriteria
  17. De geïntimeerde is provisioneel uitkeringsgerechtigd. Het criterium is dat van artikel 301 (oud) B.W. juncto 307 (oud) B.W. Bij de begroting van de persoonlijke onderhoudsuitkering moet rekening gehouden worden met de inkomsten én de mogelijkheden van de geïntimeerde teneinde haar op die manier een gelijkwaardige levensstandaard te waarborgen. Daarbij verwijst de wet naar de gemiddelde levensstandaard van de echtgenoten vanaf de huwelijkssluiting, in casu 12 mei 2000, tot aan de feitelijke scheiding, in casu 11 juni
  18. Anderzijds moet de draagkracht van de onderhoudsplichtige in aanmerking genomen worden, dit alles op het ogenblik van de echtscheiding en niet op het ogenblik van de feitelijke scheiding. Ter bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt rekening gehouden met zijn werkelijke inkomsten en met zijn werkelijke lasten. De onderhoudsuitkering wordt bekomen uit de inkomsten én goederen van de onderhoudsplichtige echtgenoot, met deze be-perking weliswaar dat de uitkering één derde van de netto-inkomsten (niet de goederen) van de onderhoudsplichtige niet mag overschrijden (ook in geval van onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van feitelijke scheiding: Grondwettelijk Hof nr. 48/2000, 3 mei 2000, B.S. 5 juli 2000). Art. 301, § 3 (oud) B.W. bepaalt dat, indien de toestand van de uitkeringsgerechtigde een ingrijpende wijziging heeft ondergaan zodat het bedrag van de uitkering niet meer verantwoord is, de rechtbank de uitkering kan verminderen of opheffen. Het vereiste van een ingrijpende wijziging in de toestand van de uitkeringsgerechtigde heeft enkel tot doel een proliferatie van het aantal vorderingen tot herziening te voorkomen. De rechter moet ook rekening houden met de wijziging die zich in de bestaansmiddelen van de uitkeringsgerechtigde heeft voorgedaan tussen de uitspraak van de echtscheiding en de over de uitkering te wijzen beslissing, ook al betreft het geen aanzienlijke of ingrijpende wijziging. De fiscale repercussies voor beide partijen hebben eveneens invloed.
  19. In zijn tweede grief voert de appellant aan dat het provisioneel onderhoudsgeld slechts kan gestoeld zijn op de onmiddellijke en dringende nood en behoeftesituatie van de geïntimeerde. Het hof treed deze stelling niet bij en steunt op de hierboven vermelde criteria. Het gaat niet om een noodtoestand.
  20. De appellant is van mening dat hij het uitgekeerde onderhouds-geld moet kunnen recupereren. Het gaat te dezen inderdaad om een verrekenbare provisie indien het schuldvermoeden zou worden omgekeerd of gerelativeerd in de zin van art. 306 (oud) B.W. De appellant kan niet gevolgd worden in zijn eerste grief die er op neer komt dat geen provisie zou mogen worden toegekend wanneer een recuperatie onmogelijk zou blijken, omdat de geïntimeerde niet aantoont dat zij over goederen zou/zal beschikken waarop zou kunnen verhaald worden. De louter hypothetische toestand van een toekomstig onvermogen van de geïntimeerde is geen wettelijk criterium om een provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding te weigeren. Dergelijk beweerd onvermogen staat trouwens niet vast. De appellant maakt in dit verband gewag van een heimelijke wegname van spaargelden door de geïntimeerde in
  21. Bij de hoger aangehaalde beschikking in kortgeding van 24 december 2003 werd notaris W. BOSSUYT te Brugge aangesteld om een getrouwe inventaris op te stellen. Deze inventaris ligt niet voor. Dergelijke beweerde wegname staat nog niet vast. De appellant werd dienaangaande tot het getuigenbewijs toegelaten. In haar syntheseconclusies voor het hof (p. 7/9) erkent de geïntimeerde enkel dat zij de helft van de spaarrekening van volgens haar 12.000 EUR (p. 4/9 van zelfde conclusies) heeft ontvangen. Verder beroept de appellant zich nog op een schuldvereffening van een persoonlijke lening op afbetaling aan Krefima in de periode 2000-2001 (stuk 3 appellant). Hij zou voor de afbetaling van de schulden van de geïntimeerde hebben ingestaan. Deze schuld en haar afbetaling is, gelet op het tijdsverloop, niet meer relevant voor het hangend geschil. de draagkracht van de appellant De appellant is geboren op 3 maart
  22. Hij stelt over een pensioen van ongeveer 1.360 EUR te beschikken maar niet meer over huurgelden noch extra-inkomsten. Het enige stuk dat de appellant voorlegt over zijn pensioen toont een betaling aan van 1.360,35 EUR voor de maand december 2007 (stuk 12 appellant). Zijn getuigschrift van woonst dateert van 13 juli 2006 (stuk 10 appellant). Hij is dan nog in Brugge ingeschreven. In zijn ver-zoekschrift tot hoger beroep vermeldt hij een adres in Blankenberge. De appellant zou de voormalige echtelijke (huur)woning in Brugge niet meer bewonen en thans wonen in zijn eigen woning in Blankenberge (die voordien was verhuurd). Dit klinkt aannemelijk, maar wordt niet gestaafd door stukken. De geïntimeerde aanvaardt echter impliciet deze toestand door te stellen "Appellant heeft aldus geen huur te betalen, dit in tegenstelling tot concluante" (syntheseberoepsconclusie pagina 5). Het hof aanvaardt dat de appellant op zijn hoge leeftijd geen nuttige extra-inkomsten meer haalt (in casu uit het plaatsen van strandcabines). De geïntimeerde beweert dat de appellant een belangrijk roerend inkomen heeft uitbeleggingen. Daarvan liggen geen stukken voor. draagkracht van de geïntimeerde De geïntimeerde is geboren op 20 juni
  23. Zij stelt over een pensioen van ongeveer 888,94 EUR te beschikken en een huur van maandelijks 324,78 EUR te moeten dragen. Sinds haar pensioen in 1999 kluste ze wat bij als poetsvrouw, maar staakte deze activiteit sedert juli 2002 om gezondheidsredenen. Verder roept ze medische kosten in. Haar (beperkte) arbeidsovereenkomst werd op 13 juni 2002 op-gezegd (stuk 2 geïntimeerde). Haar pensioenuitkering voor januari 2008 bedroeg 888,94 EUR (stuk 22 geïntimeerde). Haar huuruitgaven, inclusief lasten en onderhoud, bedroegen 324,78 EUR per 1 januari 2008 (stuk 23 geïntimeerde). De medische kosten die ze inroept hebben betrekking op een periode tot februari 2005 (stukken 13-14 geïntimeerde). Het hof stelt vast dat deze uitgaven gedekt zijn door de beschikking in kortgeding van 4 januari 2006 waar rekening werd gehouden met de medische kosten om haar onderhoudsuitkering tijdens de echtscheidingsprocedure wegens gewijzigde omstandigheden te verhogen. Van latere medische kosten ligt geen enkel stuk voor. Verder beroept de geïntimeerde zich op de gewone uitgaven van levensonderhoud, maar die zijn er ook aan de zijde van de ap-pellant. Na haar pensioenuitkering en huuruitgaven beschikt ze over 564,16 EUR (situatie januari 2008). Ze plaatst dit tegenover het pensioen van de appellant die kosteloos woont, om rechten op een behoud van de levensstandaard van tijdens het huwelijk aan te voeren. hoegrootheid, aanvang en duurtijd van de provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering
  24. Gelet op wat voorafgaat is de appellant die (ex)echtgenoot met de hoogste draagkracht, en is de geïntimeerde niet in staat een gelijkwaardige levensstandaard te behouden als de gemiddelde levensstandaard tijdens het samenleven. Het past derhalve haar een provisionele onderhoudsuitkering toe te staan. Rekening gehouden met voormelde feitelijke gegevens en de wettelijke criteria, waaronder ook de 1/3 begrenzing, werd deze provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering door de eerste rechter rechtmatig begroot op 200 EUR per maand.
  25. De appellant is gegriefd door de wanverhouding tussen drie jaar huwelijks samenleven en het intussen reeds meer dan vijf jaar betalen van onderhoudsuitkeringen. Bij de vrederechter had de geïntimeerde in 2003 een persoonlijke onderhoudsuitkering van 250 EUR aangevraagd (stuk 4 appellant). De vrederechter oordeelde dat beide partijen ongeveer gelijkaardige inkomsten hadden, waardoor hij geen onderhoudsgeld heeft begroot (stuk 5 appellant). In kort geding tijdens de echtscheidingsprocedure bekwam de geïntimeerde bij beschikking van 24 december 2003 vanaf 7 augustus 2003 een persoonlijke onderhoudsuitkering van 150 EUR, maandelijks te betalen en indexgebonden (stuk 6.8 appellant). Bij beschikking van 4 januari 2006 werd dit bedrag wegens gewijzigde omstandigheden verhoogd naar 200 EUR vanaf 1 november 2005 (ongenummerd onderdeel van stuk 6 appellant). Aan de zijde van de appellant werd daarbij rekening gehouden met inkomsten uit zijn pensioen en huuropbrengsten; aan de zijde van de geïntimeerde met haar pensioen en met haar huurlasten, medische kosten en belastingsschulden. Deze beschikking heeft uitwerking tot aan de ontbinding van het huwelijk. De toekenning van een (provisionele) persoonlijke onderhoudsuitkering na de echtscheiding wordt evenwel beoordeeld vanaf de ontbinding van het huwelijk. Terecht oordeelde de eerste rechter in die zin dat er voor hem geen sprake was van een afwezigheid van proportionaliteit. De persoonlijke onderhoudsuitkeringen tijdens de feitelijke scheiding en echtscheidingsprocedure staan los van deze erna verschuldigd, al dan niet provisioneel.
  26. De appellant brengt terecht als grief aan dat de eerste rechter de uitkering in de beoordeling begrensde tot zes maanden maar hem in het dictum veroordeelde om twaalf maanden te betalen. Dit is inderdaad een desgevallend recht te zetten tegenstrijdig-heid.
  27. Bij incidenteel beroep vordert de geïntimeerde evenwel de beperking in de tijd van de provisioneel toegekende onderhoudsbijdrage ongedaan te maken en deze toe te kennen voor onbepaalde termijn. Er is vooralsnog inderdaad geen aanleiding om de duurtijd van deze provisionele uitkering in te perken (cf. ook supra). De partijen waren en zijn in de gelegenheid hun procedure ten gronde (weerlegging/relativering schuldvermoeden) te benaarstigen en het provisioneel karakter van de uitkering laat de terugvorderbaarheid volop toe wanneer deze zich zou aandienen. DE VEREFFENING-VERDELING VAN DE HUWGEMEENSCHAP een huwelijkscontract? De eerste rechter beval de vereffening en verdeling van de huw-gemeenschap en/of van de gebeurlijke onverdeeldheid die tussen partijen zal bestaan hebben, in functie van hun huwelijksovereenkomst van 21 september
  28. De partijen zijn het er over eens dat zij op 12 mei 2000 huwden onder gelding van het wettelijk stelsel, bij gebrek aan huwelijkscontract. De partijen traden een eerste keer in het huwelijk op 24 novem-ber 1989 onder het wettelijk stelsel, en scheidden op 4 maart 1993 door onderlinge toestemming. Zij maken nergens melding van een huwelijkscontract van
  29. Een verwijzing ernaar in de beoordeling is dus niet naar recht verantwoord. de retroactieve ontbinding tot aan het ontstaan van de feitelijke scheiding (art. 1278, 4de lid Ger.W)
  30. De appellant vordert voor het hof te zeggen voor recht dat de vereffening-verdeling dient terug te werken tot 11 juni
  31. Voor de eerste rechter vroeg hij de terugwerking tot 2 mei
  32. De eerste rechter oordeelde dat het verzoek niet kon beoordeeld worden bij gebrek aan voldoende gegevens, onder verwijzing naar art. 1278, lid 4 Ger.W., en dat het de partijen vrijstaat deze discussie te voeren in het kader van hun bevolen vereffening en verdeling.
  33. Art. 1278, 4de lid Ger.W. staat de rechter toe om de gevolgen van de echtscheiding wat de goederen betreft te laten terugwerken tot de datum van het ontstaan van de feitelijke scheiding, indien hij dit billijk acht wegens uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak. Deze vordering tot verdergaande retroactieve ontbinding kan worden gesteld zowel tijdens de echtscheidingsprocedure aan de rechtbank, op voorwaarde dat deze is gevat aangaande de vereffening-verdeling na echtscheiding en ze ook beveelt (art. 1278, 4de lid Ger.W), als na de ontbinding van het huwelijk in de loop van de werkzaamheden van de vereffening-verdeling bij de notaris (art. 1278,5de lid Ger.W.). De appellant heeft aldus deze vordering regelmatig voor de echtscheidingsrechter ingesteld.
  34. De aanduiding van de aanvangsdatum van de feitelijke scheiding is een verplichte vermelding in het dispositief van het echtschei-dingsvonnis ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken op grond van een feitelijke scheiding (art. 1269, 2de lid (oud) Ger.W.) en heeft dus gezag van gewijsde ten aanzien van de vereffenaar. In het kader van de toepassing van art. 1278, 4de lid Ger.W. kan een partij tijdens de vereffening-verdeling dan ook niet vragen dat een andere aanvangsdatum van feitelijke scheiding wordt gehanteerd. De appellant vordert dit niet: hij vordert immers voor het hof dat de vereffening-verdeling zou terugwerken tot 11 juni
  35. De door de echtscheidingsrechter vastgestelde datum van de feitelijke scheiding op 11 juni 2003 is daarbij blijkbaar niet het voorwerp van het principaal beroep.
  36. Overeenkomstig art. 1278, 2de lid Ger.W. werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken ten aanzien van de echtgenoten en wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld, zijnde ter zake de dag van de betekening van de dagvaarding op 7 augustus
  37. Voor de terugwerking van de vereffeningsdatum tot de datum van het ontstaan van de feitelijke scheiding stelt art. 1278, 4de lid Ger.W. twee cumulatieve criteria voorop waarop de rechter zich moet steunen, namelijk uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak en billijkheid. De appellant wijst op het verdwijnen van de affectio societatis tussen de echtgenoten tijdens de feitelijke scheiding. Hij haalt aan dat de geïntimeerde bij haar vertrek de helft van de spaarrekeningen heeft leeggehaald waardoor duidelijk blijkt dat zij een definitieve streep onder het huwelijk heeft gezet. De loutere afwezigheid van de affectio societatis houdt evenwel niet het bewijs in van het voorhanden zijn van uitzonderlijke om-standigheden. De feitelijke scheiding is op zich geen uitzonderlijke omstandigheid eigen aan de zaak. Bij gebreke van bewezen uitzonderlijke omstandigheid dient het billijkheidscriterium zelfs niet meer te worden onderzocht. De vordering van de appellant tot retroactieve ontbinding tot aan de vaststelde datum van aanvang van de feitelijke scheiding faalt naar recht. DE KOSTEN Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn deels gegrond. Het past de kosten van deze aanleg ten laste te laten van elke partij die ze maakte. Gelet op art. 1017, 4de lid Ger.W. kunnen in dit familiegeschil de rechtsplegingsvergoedingen over de partijen als (ex)echtgenoten worden omgeslagen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond; doet het bestreden vonnis teniet in de mate dat: - het bevel tot vereffening-verdeling van de huwgemeenschap en/of de onverdeeldheid tussen de partijen werd gegeven ‘in functie van hun huwelijksovereenkomst van 21 september 1992'; - de provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering werd begrensd voor een periode van zes, respectievelijk twaalf maanden met ingang van 1 december 2007; - het verzoek van de appellant tot het bevelen van de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap met terugwerkende kracht vanaf 2 mei 2003 ontvankelijk werd verklaard, doch hic et nunc ongegrond; wijst opnieuw wat betreft de vordering van de appellant tot retro-actieve ontbinding van de huwgemeenschap tot aan het ontstaan van de feitelijke scheiding op 11 juni 2003: verklaart deze vordering ontvankelijk, doch wijst ze af als niet gegrond; verstaat dat art. 1278, 2de lid (oud) Ger.W. ten volle zijn uitwerking behoudt; bevestigt, binnen de perken van de hogere beroepen, voor het overige het bestreden vonnis weliswaar op voormelde gronden en met dien verstande dat: - de provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering verschuldigd is vanaf 4 april 2008 en niet begrensd is in de tijd; - de partijen gehuwd waren onder het wettelijk stelsel en de bevolen vereffening en verdeling bijgevolg niet in functie staat van enig huwelijkscontract; verwijst elke partij in haar eigen kosten van het hoger beroep; slaat de rechtsplegingsvergoedingen in deze aanleg over de partijen om; verstaat dat deze kosten derhalve niet nuttig te begroten zijn; zegt voor recht dat art. 1024 Ger.W. onverminderd geldt. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op vijf maart tweeduizend en negen. Aanwezig: mevrouw Sabine De Bauw raadsheer, wn. kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.