id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 05 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090305.9 Rolnummer: 2007/AR/2984 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-07-01 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 19:20 Fiche Wanneer de succesvolle betwisting van de afstamming langs vaderszijde uitgaat van de verwekker, verkrijgt en behoudt het kind automatisch de naam van de moeder, aangezien de afstamming langs moederszijde dan noodzakelijk al eerder vaststond. Het kind blijft in dat geval de naam van de moeder dragen, behoudens indien de moeder en de nieuwe juridische vader gezamenlijk verzoeken dat het de naam van de vader zou dragen. De van kracht zijnde wetgeving voorziet nergens in de mogelijkheid om in dat geval de familienaam van de gewezen vader te behouden. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Vaststelling vaderschap - Algemeen BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Naam - Familienaam BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Algemeen (afstamming) Vrije woorden: Vorderingen met betrekking tot de afstamming - Nietigverklaring van de erkenning vaderschap - Gevolgen van de afstamming - Familienaam van het kind. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 05 maart 2009 ________ 2007/AR/2984 - In de zaak van: M. S., wonende te , appellante, hebbende als raadsman mr. RYCKAERT Luc, advocaat te 9900 EEKLO, Koningin Astridplein 14 tegen :
- V. D. Y., , wonende te ,
- V. H. H., , wonende te , geïntimeerden sub 1en 2, hebbende als raadsman mr. TAETS Jo, advocaat te 9971 LEMBEKE, Sportstraat 40
- D. M. K. (voor V. H. T.), , met kantoor te 9000 GENT, Antwerpenplein 13-14, in zijn hoedanigheid van voogd ad hoc over de minderjarige V. H. T., geïntimeerde q.q. in persoon, velt het hof het volgend arrest: De appellante heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 14 december 2007 hoger beroep ingesteld tegen het op 4 oktober 2007 uitgesproken vonnis van de derde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waarbij: - de rechtbank zich zonder rechtsmacht verklaarde om te oordelen over de vordering (van de eerste geïntimeerde) met betrekking tot de familienaam van T.; - de erkenning van T. V. H., geboren op te en aldaar ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van het jaar 2002 onder nummer 0025, door de tweede geïntimeerde bij akte verleden op 4 februari 2002 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Eeklo en aldaar ingeschreven onder nummer 6 van het aanvullend geboorteregister en op 4 februari 2002 gerandmeld in de geboorteakte van T. V. H., werd nietig verklaard; - werd gezegd dat de tweede geïntimeerde de vader niet is van T. V. H. voornoemd; - werd gezegd dat T. niet meer de familienaam van H. V. H. mag dragen; - werd bepaald dat de eerste geïntimeerde de vader is van T. V. H. voornoemd; - werd verstaan dat verder zal gehandeld worden overeenkomstig artikel 333 B.W. inzake de melding aan de burgerlijke stand; - de vordering van de eerste geïntimeerde tot veroordeling van de appellante en de tweede geïntimeerde tot betaling van een schadevergoeding werd afgewezen als niet gegrond; - de appellante en de tweede geïntimeerde werden verwezen in de gerechtskosten, zoals nader begroot. In haar beroepsakte en daaropvolgende beroepsconclusies vorderde de appellante dat het hof het bestreden vonnis ten dele zou tenietdoen en voor recht zou zeggen dat de eerste rechter ten onrechte heeft gezegd dat het kind T. V. H. niet meer de familienaam « v. H. » mag dragen. Tevens vroeg ze om de eerste geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep, zoals nader begroot. De eerste geïntimeerde vroeg in zijn syntheseconclusies dat het hof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond zou verklaren en het bestreden vonnis zou bevestigen, kosten zoals nader begroot ten laste van de appellante. De tweede geïntimeerde vorderde in zijn syntheseconclusies dat het hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en hem akte zou verlenen dat hij akkoord gaat dat T. verder de familienaam V. H. draagt. Verder vroeg hij om de eerste geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep, zoals nader begroot. De derde geïntimeerde vorderde in zijn beroepsconclusies dat het hof het hoger beroep ongegrond zou verklaren, het bestreden vonnis zou bevestigen en de kosten, zoals nader begroot, ten laste van de appellante en de tweede geïntimeerde zou leggen. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 5 februari 2009 bij monde van hun raadslieden; de dossiers van de rechtspleging en de neergelegde stukken werden ingezien. Substituut-procureur-generaal Carl Bergen werd ter zelfde terechtzitting gehoord in zijn mondeling advies, waarop de partijen afzagen van hun recht op repliek. De zaak werd in beraad genomen. BEOORDELING
- Het hoger beroep van de appellante is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.
- Feitelijke en procedurele voorgaanden De oorspronkelijke vordering van de eerste geïntimeerde strekte tot de nietigverklaring van de erkenning van het kind T. V. H. door de tweede geïntimeerde op 4 februari
- Bij tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 3 april 2003 werd een paterniteitstest bevolen. Tegen dit vonnis werd door de appellante en de tweede geïntimeerde hoger beroep aangetekend. Bij arrest van de anders samengestelde elfde kamer van dit hof van 17 februari 2005 werd aan de appellante en de tweede geïntimeerde akte verleend van de afstand van hun hoger beroep, aan de eerste en de derde geïntimeerde van hun aanvaardingen, en werd de afstand van hoger beroep gedecreteerd. Na het deskundigenverslag van Prof. De Paepe bestond tussen de partijen geen discussie meer over het feit dat de tweede geïntimeerde niet de vader is van T. en de erkenning d.d. 4 februari 2002 derhalve diende te worden nietig verklaard noch nopens het feit dat de eerste geïntimeerde de vader is van T.. Thans bestaat alleen nog betwisting omtrent de familienaam van T.. Daar waar de appellante en de tweede geïntimeerde voor de eerste rechter aanvankelijk vorderden dat voor recht zou gezegd worden dat T. de naam van de moeder zal dragen, waren zij nadien van oordeel dat diens familienaam ongewijzigd moet blijven.
- In het geval de betwisting van de afstamming langs de ene zijde gegrond wordt verklaard, blijft de afstamming langs de andere zijde vastgesteld. Het kind heeft dan de naam van de ouder van die andere zijde. Strikt juridisch bestaat dan slechts een afstammingsbewijs voor die zijde die meteen noodzakelijk de eerst vastgestelde afstamming is. Ook wanneer de succesvolle betwisting van de afstamming langs vaderszijde uitgaat van de verwekker (artikelen 318, § 5 - 330, §3 B.W.), wat ten deze het geval is, verkrijgt (artikel 335, §2 B.W.) en behoudt (artikel 335, §3 B.W.) het kind automatisch de naam van de moeder, aangezien de afstamming langs moederszijde al eerder vaststond. Na de succesvolle betwisting van het vaderschap van de tweede geïntimeerde komt diens vaderschap en derhalve ook diens familienaam voor het kind - als reflectie van de afstammingsband - te vervallen en wordt de vaderlijke afstamming automatisch vastgesteld ten aanzien van de genetische vader. In dat geval kan het kind de naam van de nieuwe juridische vader slechts dragen voor zover deze man en de moeder daartoe een gezamenlijk verzoek richten tot de ambtenaar van de burgerlijke stand (artikel 335, §3 , eerste lid B.W.), zoniet blijft het kind de naam van zijn moeder dragen. De van kracht zijnde wetgeving voorziet nergens in de mogelijkheid om in dat geval de familienaam van de gewezen vader te behouden. De door de appellante aangehaalde arresten van het Arbitragehof kunnen aan het bovenstaande geen afbreuk doen. Het arrest van het Arbitragehof van 7 november 1996 betreft de vervanging van de naam van de moeder door die van de vader, wat dus een gans andere casus is dan in de huidige zaak waar er geen dergelijke wijziging (meer) wordt nagestreefd. Het arrest van het Arbitragehof van 23 november 2005 handelt over artikel 335, §2 B.W., zijnde het geval dat de afstamming alleen van moederszijde vaststaat, daar waar in casu op grond van artikel 330, §3 B.W. de bijkomende afstammingsband van de eerste geïntimeerde (als biologische vader) van rechtswege werd vastgesteld. De vordering van de appellante om T. de naam van de tweede geïntimeerde te laten behouden, kan dan ook niet worden ingewilligd. Het hoger beroep is derhalve ongegrond.
- Gelet op de hoedanigheid van de partijen komt het in huidig familiaal geschil wenselijk voor om iedere partij in haar eigen kosten in hoger beroep te verwijzen, met dien verstande dat de respectieve rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond. Bevestigt de bestreden gedeelten van het aangevochten vonnis. Verwijst partijen elk in hun eigen kosten van onderhavige beroepsprocedure, met dien verstande dat de rechtsplegingsvergoedingen gecompenseerd worden, de kosten derhalve niet nuttig nader begroot zijnde. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 5 maart 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Kurt Goossens K. Vandenberghe N. De Turck A. Deene Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div