id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090309.12 Rolnummer: 2007/AR/2752 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 185 - laatst gezien 2026-07-02 19:22 Fiche Géén bevrijding bij persoonlijk belang. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Algemeen Vrije woorden: Faillissement - Bevrijding kosteloze borgstelling. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de bis Kamer ________________ Terechtzitting van 9 maart 2009 ________________ Verzoek bevrijding kosteloze borgstellers afgewezen ________________ 2007/AR/2752 - In de zaak van: FORTIS BANK N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Warandeberg 3, appellante, hebbende als raadsman mr. HEYNDERICKX Eliane, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Mgr. Stillemansstr. 61 bus 6, tegen:
- W. A., wonende te , eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. CLAEYS Stefaan, advocaat te 9000 GENT, H. Frere Orbanlaan 151,
- C. C., wonende te , tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. CLAEYS Stefaan, advocaat te 9000 GENT, H. Frere Orbanlaan 151,
- D. R. E.,, met kantoor te , optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de N.V. WILBRA, met maatschappelijke zetel te 9270 Kalken, Colmanstraat 51, derde geïntimeerde,
- P. M.,, met kantoor te , optredende in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van de N.V. WILBRA, met maatschappelijke zetel te 9270 Kalken, Colmanstraat 51, vierde geïntimeerde, velt het hof het volgend arrest: Partijen werden gehoord ter terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien. Voor de curatele van het faillissement van de NV WILBRA (gesloten door vereffening op 28 juni 2007) is niemand verschenen.
- Bij verzoekschrift, neergelegd op 15 november 2007, heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 28 juni 2007 op tegenspraak gewezen door de 6de kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde (F/06/01147 - FT. 977/D). Een exploot van betekening ligt niet voor. Feiten en procedure in eerste aanleg
- De N.M.K.N., rechtsvoorganger van de NV FORTIS BANK (hierna: "appellante"), stond bij overeenkomst van 21 september 1993 kredieten toe aan de NV WILBRA voor een bedrag van 48.536.000 BEF (= 1.203.176,00 EUR). Op 27 september 1993 stonden de echtgenoten A. W. en C. C. (hierna: "geïntimeerden") hoofdelijk borg voor 5.000.000 BEF (= 123.946,76 EUR) in hoofdsom. Een bijkomend krediet voor 10.000.000 BEF (= 247.893,52 EUR) werd aan de NV WILBRA toegestaan bij overeenkomst van 31 mei
- Ook hiervoor stonden geïntimeerden borg voor 5.000.000 BEF (= 123.946,76 EUR) in hoofdsom. Tenslotte werd bij akte van 15 november 1994 nog een krediet toegestaan aan de NV WILBRA door appellante voor 43.700.000 BEF (= 1.083.294,70 EUR), waarvoor geïntimeerden andermaal voor 5.000.000 BEF (= 123.946,76 EUR) borg stonden. Bij vonnis van 31 oktober 1995 verklaarde de rechtbank van koophandel te Dendermonde de NV WILBRA failliet, waarbij mrs. E. D. R. en M. P. als curatoren werden aangesteld. Op 5 oktober 2005 legde appellante een verklaring neer, waarbij zij conform art. 10, 1° van de wet van 20 juli 2005 opgave deed van de zekerheidstellingen door geïntimeerden tot waarborg van de kredieten van de gefailleerde. Op 21 december 2005 legden geïntimeerden een verklaring neer conform art. 10, 3° van genoemde wet (art. 72ter Faill.W.), waarbij zij bevrijding vorderden van hun verbintenissen als "kosteloze" borgstellers. Bij vonnis a quo van 28 juni 2007 werd het verzoek tot bevrijding van geïntimeerden gegrond verklaard en werden zij integraal bevrijd. Procedure in hoger beroep
- Het hoger beroep werd ingesteld door de NV FORTIS BANK. Appellante stelt dat het in casu geen "kosteloze" zekerheidstelling betreft, vermits geïntimeerden beiden direct en indirect economisch voordeel haalden dankzij de zekerheid. In ondergeschikte orde stelt appellante dat er geen disproportionaliteit bestaat, minstens dat deze niet wordt bewezen. Geïntimeerden stellen dat ze als "kosteloze" persoonlijke borgen moeten worden beschouwd en dat de betrokken schuld niet in verhouding staat met hun inkomen en vermogen (disproportionaliteit). Ze volharden in hun verzoek tot integrale bevrijding en vragen bevestiging van het vonnis a quo. Ondergeschikt vragen ze tweede geïntimeerde te bevrijden van haar verbintenissen uit hoofde van haar zekerstelling ten gunste van appellante en vrijstelling van het verloop en de betaling van rente op hun zekerheidstellingen. Beoordeling
- Door de wetswijziging van 20 juli 2005 (B.S. 28 juli 2005) - die er kwam na het arrest van het Arbitragehof van 30 juni 2004 (R.W. 2004-2005, 662) - werd de bevrijding van de kosteloze borg losgekoppeld van de verschoonbaarheid van de gefailleerde, dit laatste niet mogelijk zijnde voor rechtspersonen (art. 81 Faill.W). Art. 72bis, art. 72ter en art. 80,3° Faill.W. regelen thans een afzonderlijke procedure voor natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde natuurlijke persoon of rechtspersoon. De kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidstelling is het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidsteller kan genieten als gevolg van de zekerheidstelling (Cass., 26 juni 2008, C.07.0546.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8, inzake G.P./NV BROUWERIJEN ALKEN-MAES ; Cass., 26 juni 2008, C.07.0596.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.9, inzake COMMERCIAL FINANCE GROUP/J.M. en D.B.H., zie juridat en R.W. 2008-2009, 365). Het Hof van Cassatie weerhield hierbij ook dat uit de parlementaire voorbereiding volgt, dat de finaliteit van art. 80,3° Faill.W. alléén strekte tot de bevrijding van de natuurlijke personen die door hun bereidwilligheid verplicht zijn om de schulden van de gefailleerde te delgen, terwijl ze hierbij géén persoonlijk belang hebben. Geïntimeerden hebben zich persoonlijk borg gesteld en waren resp. oprichter, aandeelhouders, afgevaardigd bestuurder van de gefailleerde en echtgenoten (stuk II.12 appellante), alsook ontvingen zij sinds 1988 vergoedingen en andere voordelen in natura via hun managementsvennootschap NV WETAP (zie stukken II.2, II.3, II.4 en II.5 appellante, ook het verslag van bedrijfsrevisor K. van 15 februari 1996, blz. 5, 6 en 9 - stuk II.1 appellante). Bij het aangaan van de kredieten voor hun vennootschap hadden geïntimeerden belang omdat ze hieruit inkomsten verwierven (in welke vorm ook) en er financiële middelen vrijkwamen die het mogelijk maakten waarde te creëren voor geïntimeerden als aandeelhouders. Een handelsvennootschap wordt geleid met de bedoeling winsten te genereren. Dit direct of indirect economisch voordeel brengt mee dat ze niet als kosteloze borgen kunnen worden beschouwd. Gezien geïntimeerden zich niet kosteloos borg stelden voor de NV, moet niet onderzocht worden of hun verbintenis al dan niet in verhouding staat tot hun inkomen/vermogen.
- Een verzoek tot kwijtschelding van de lopende intresten op de borgschuld (om reden van het ruime tijdsverloop waarvan de oorzaak door partijen wordt betwist) behoort niet tot het voorwerp van huidige procedure op basis van art. 72bis, art. 72ter en art. 80,3° Faill.W. M.b.t. de gedingkosten bij een procedure tot bevrijding van de natuurlijke persoon die zich meent "kosteloos" zeker te hebben gesteld, is het Hof van oordeel dat - gelet op de aard van het bevrijdingsgeschil - elke partij haar eigen gedingkosten moet dragen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet; Derhalve opnieuw oordelende: Zegt voor recht dat de persoonlijke zekerheidstelling van geïntimeerden tot waarborg van de verbintenissen door de NV WILBRA aangegaan t.o.v. appellante niet kosteloos gebeurde, zodat hun verzoek tot bevrijding als ongegrond wordt afgewezen. Verwijst elke partij in haar eigen gedingkosten. * * * * * * * * * * Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer zeven bis, op 9 maart tweeduizend en negen. Aanwezig:dhr. Frank Deschoolmeester, raadsheer, wnd. kamervoorzitter;dhr. Yves Henderickx, griffier.Y. HENDERICKX F. DESCHOOLMEESTER Repertoriumnr. : 2009/ Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div