← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090311.21

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090311.21 Rolnummer: 2004/AR/2935 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-11-04 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 19:22 Fiche Akten, nietig verklaard wegens overtreding van de taalwet, stuiten de verjaring alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straf van verval (artikel 40, derde lid van de wet van 15 juni 1935). Het tijdstip voor de neerlegging van een conclusie ter griffie wordt niet bepaald door een vervaltermijn, maar door een bespoedigende termijn. De rechter mag trouwens niet ambtshalve tot wering uit de debatten van laattijdige conclusies overgaan wanneer deze zijn neergelegd met instemming van de andere partij; deze instemming moet niet uitdrukkelijk zijn gegeven. De rechter mag evenmin conclusies ambtshalve weren uit de debatten zonder de partijen de gelegenheid te hebben gegeven daarover tegenspraak te voeren. Aangezien de conclusietermijn geen termijn van rechtspleging is, die toegekend is op straf van verval, is artikel 40, derde lid, van de taalwet daarop niet van toepassing. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemeen (taalgebruik in gerechtzaken) Vrije woorden: - Wet op het taalgebruik in gerechtszaken - Vervanging van nietige conclusies - Verjaring - Vervaltermijnen en bespoedigende termijnen Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 11-3-2009 EINDARREST na tussenarrestendd. 4-10-2006 dd. 28-2-2007 & dd. 28-5-2008 - In de zaak met het rolnummer 2004/AR/2935 van : sarl LEVA SUD, (in de appèlakte : la SARL LEVASUD; in het bestreden vonnis : LA FIRME LEVA SUD) vennootschap naar Frans recht met zetel in Frankrijk te F-06640 St. Jeannet, Zac de Saint Esteve, Route de la Baronne, ingeschreven in het handelsregister te Grasse onder nr. B.320476476 (91B00118), appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 7-1-1994, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. VRIELYNCK Jean-Paul, advocaat te 1180 Brussel, De Frélaan 269/4 ; tegen : nv LE LIS, (in de appèlakte en in het bestreden vonnis : nv LE LIS - VERTO BELGIUM) met zetel te 9220 Hamme (O.-VL.), Industriepark, Zwaarveld 25, met ondernemingsnr.: 0488.393.980, geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. VAN DER VORST Ivan, advocaat te 9000 Gent, Pekelharing 4 velt het hof het volgend arrest. Gelet op de arresten door deze kamer van het hof, anders samengesteld, gewezen op 4 oktober 2006, 28 februari 2007 en 28 mei

  1. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. De zaak werd hernomen in de huidige samenstelling van het hof. Antecedenten. I.
  2. In het arrest van 4 oktober 2006 vroeg het hof, in toepassing van artikel 755, vierde lid van het gerechtelijk wetboek, opheldering over de daarin vermelde punten.
  3. In het arrest van 28 februari 2007 verklaarde het hof het hoger beroep ontvankelijk. Het hof zegde voor recht dat de aanvullende conclusie, door de appellante neergelegd op 11 augustus 2005, nietig was wegens strijdigheid met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Bovendien weerde het hof de "synthesebesluiten" van de appellante, die zonder de instemming van de geïntimeerde waren neergelegd na het verstrijken van de conclusietermijnen, uit de debatten. Hetzelfde gebeurde met haar stavingstuk, genummerd 27 quater, waarvan de appellante niet aantoonde dat zij het, uiterlijk samen met haar aanvullende conclusie, aan de geïntimeerde had meegedeeld. Vooraleer verder recht te doen, heropende het hof ambtshalve de debatten, enkel teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag welke rechter op grond van artikel 5.
  4. van het EEX-Verdrag kennis kon nemen van het geschil, rekening houdend met het op de overeenkomsten tussen partijen toepasselijke recht, dat diende bepaald te worden overeenkomstig het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. De partijen werden gemachtigd daarover een conclusie neer te leggen.
  5. In het arrest van 28 mei 2008 kwam het hof tot de bevinding dat de overeenkomsten tussen partijen onderworpen waren aan het Belgische recht. Deze overeenkomsten waren internationale koopverkopen van roerende lichamelijke zaken waarop, gelet op het ogenblik waarop zij tot stand kwamen, naar Belgisch recht het Verdrag van Den Haag van 1 juli 1964 houdende een eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken (hierna "de Eenvormige Koopwet" genoemd), van toepassing was. Aangezien, op grond van artikel 59.1 van de Eenvormige Koopwet, de plaats van betaling deze van de vestiging van de geïntimeerde was en de rechter van deze plaats krachtens artikel 5.
  6. van het op het geschil toepasselijke EEX-Verdrag, rechtsmacht had, besloot het hof dat de Belgische rechter over rechtsmacht beschikte om uitspraak te doen over het geschil. Verder stelde het hof vast dat de appellante op 23 april 2007 ter griffie van het hof een "nieuwe aanvullende en syntheseconclusie na arrest de vernietiging van de vorige verklarend" had neergelegd. Daarin argumenteerde de appellante dat deze conclusie geldig was neergelegd. Zij beriep zich meer bepaald op artikel 40, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (hierna "de taalwet" genoemd), waarin wordt bepaald: "De akten, nietig verklaard wegens overtreding van deze wet, stuiten de verjaring alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straf van verval". De appellante leidde daaruit af dat de akte, die nietig verklaard was - in dit geval haar aanvullende conclusie - herhaald mocht worden binnen een nieuwe termijn, van dezelfde duur als de "aanvangstermijn", die loopt vanaf de beslissing tot nietigverklaring wegens schending van de taalwet. Aangezien geïntimeerde zich niet had uitgesproken over de vraag of deze "nieuwe aanvullende en syntheseconclusie" deel uitmaakte van het debat, heropende het hof, vooraleer daarover - en over de grond van de zaak - te beslissen, ambtshalve de debatten teneinde de geïntimeerde toe te laten daarover standpunt in te nemen en de appellante in de mogelijkheid te stellen daarop desgevallend te antwoorden. II.
  7. In haar conclusie, neergelegd na het arrest van 28 mei 2008, vraagt de geïntimeerde dat het hof voor recht zegt dat de conclusie, die de appellante neerlegde op 23 april 2007, geen deel uitmaakt van het debat en ze dienvolgens uit de debatten weert. Zij wijst erop dat het hof in het arrest van 28 februari 2007 de debatten heropend heeft, enkel om de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag welke rechter kennis kon nemen van het geschil op grond van artikel 5.
  8. van het EEX-Verdrag. Aldus bakende het hof volgens de geïntimeerde het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan af. De geïntimeerde stelt dat het debat nog enkel kan gaan over het onderwerp dat door de rechter is aangewezen, dat geen nieuwe vorderingen meer kunnen worden gesteld en bestaande vorderingen die buiten het aangewezen onderwerp vallen niet kunnen worden uitgebreid of gewijzigd.
  9. De appellante antwoordt daarop dat het arrest van 28 februari 2007 twee beslissingen bevatte:

(1)het zegde voor recht dat de aanvullende conclusie van de appellante, neergelegd op 11 augustus 2005, nietig was, wegens overtreding van artikel 24 van de taalwet;
(2)het heropende de debatten om de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag welke rechter kennis kon nemen van het geschil op grond van artikel 5.1 van het EEX-Verdrag. De eerste beslissing heeft volgens de appellante tot gevolg dat voor haar een nieuwe termijn, van dezelfde duur als de aanvangstermijn, loopt om de nietig verklaarde akte te herhalen. Zij stelt dat de door haar neergelegde aanvullende en syntheseconclusie geldig werd neergelegd, zodat ze deel uitmaakt van het debat. Zij wijst erop dat er geen schending is van de rechten van verdediging van de geïntimeerde, aangezien haar nieuwe conclusie dezelfde is als de vorige maar met vertaling in het Nederlands van de aanhalingen in de Franse taal. Wat de tweede beslissing betreft zet de appellante uiteen dat zij afzonderlijke conclusies heeft neergelegd, waarvan het voorwerp enkel een antwoord was op de vraag van het hof, waarvoor de debatten heropend werden. Bespreking. I.
  1. In het arrest van 28 februari 2007 heeft het hof beslist dat de aanvullende conclusie, ter griffie neergelegd door de appellante op 11 augustus 2005, nietig was. Het hof weerde bovendien de "synthesebesluiten" van de appellante (door haar neergelegd ter griffie op 19 januari 2007 als bijlage van haar "besluiten in antwoord op het tussenarrest") en haar stavingstuk genummerd 27 quater, uit de debatten. Het verklaarde het hoger beroep ontvankelijk en, vooraleer verder recht te doen, heropende ambtshalve de debatten, enkel teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag welke rechter kennis kon nemen van het geschil op grond van artikel 5.1 van het EEX-Verdrag. Wanneer de heropening der debatten wordt bevolen, kunnen de partijen enkel nog standpunt innemen nopens de reden waarom de debatten werden heropend. Er kunnen geen nieuwe vorderingen worden ingesteld en bestaande vorderingen, die buiten het aangewezen onderwerp vallen, kunnen niet worden gewijzigd of uitgebreid (vgl.: CASS., 28 oktober 2003, Pas., 2003, 1729). Evenmin mag de rechter kennisnemen van argumenten die vreemd zijn aan het doel waarvoor het debat werd heropend (vgl.: CASS., 31 januari 2002, Arr. Cass., 2002, 307). De debatten blijven immers gesloten, behalve omtrent de punten waarvoor zij werden geopend. De appellante heeft op 25 mei 2007 een conclusie neergelegd die betrekking had op het voorwerp van de heropening van het debat. De "nieuwe aanvullende en syntheseconclusie na arrest de vernietiging van de vorige verklarend", die de appellante op 23 april 2007 neerlegde, had dezelfde inhoud als de "synthesebesluiten" die door het arrest van 28 februari 2007 uit de debatten waren geweerd en behandelde diverse aspecten van de betwistingen tussen partijen, maar niet de vraag die het voorwerp was van de bij dit arrest bevolen heropening der debatten. Deze "nieuwe aanvullende en syntheseconclusie na arrest de vernietiging van de vorige verklarend" wordt derhalve uit het debat geweerd.
  2. Akten, nietig verklaard wegens overtreding van de taalwet, stuiten de verjaring alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straf van verval (artikel 40, derde lid van de wet van 15 juni 1935). De wetgever bepaalt de termijnen, waaraan proceshandelingen onderworpen worden. Naast minimum- of wachttermijnen, die het verrichten van een proceshandeling voorafgaan (zoals dagvaardings- of verschijningstermijnen) zijn er maximumtermijnen. Bij de maximumtermijnen onderscheidt men vervaltermijnen en bespoedigende termijnen (vgl.: LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, 2008, nr. 216-217, p. 128). Termijnen die op straffe van verval zijn gesteld, zoals de termijnen voor het aantekenen van een rechtsmiddel (artikelen 1048, 1051 en 1073 Ger.W.) mogen niet worden verkort of verlengd, zelfs met instemming van partijen, tenzij dat verval gedekt is onder omstandigheden bij de wet bepaald (artikel 50, eerste lid Ger.W.). Termijnen die niet op straffe van verval zijn bepaald, kan de rechter vóór hun vervaltermijn verkorten of verlengen (artikel 51 Ger.W.). Het tijdstip voor de neerlegging van een conclusie ter griffie wordt niet bepaald door een vervaltermijn, maar door een bespoedigende termijn (LAENENS, J. e.a., a.w., nr. 217, p. 129). De rechter mag trouwens niet ambtshalve tot wering uit de debatten van laattijdige conclusies overgaan wanneer deze zijn neergelegd met instemming van de andere partij; deze instemming moet niet uitdrukkelijk zijn gegeven (vgl.: CASS. 6 april 2001, Arr. Cass. 2001, 635). De rechter mag evenmin conclusies ambtshalve weren uit de debatten zonder de partijen de gelegenheid te hebben gegeven daarover tegenspraak te voeren. Aangezien de conclusietermijn geen termijn van rechtspleging is, die toegekend is op straf van verval, is artikel 40, derde lid, van de taalwet daarop niet van toepassing.
  3. De appellante kon zich niet beroepen op artikel 40, derde lid van de taalwet om, nadat haar aanvullende conclusie, neergelegd op 11 augustus 2005, nietig werd verklaard, een andere conclusie neer te leggen, die wel in overeenstemming was met de taalwet. Op 23 april 2007 was de conclusietermijn, waarin de appellante de nietige conclusie van 11 augustus 2005 had neergelegd, verstreken en de geïntimeerde stemde niet in met de verlenging ervan. De nietigverklaring van deze conclusie wegens schending van de taalwet veranderde daar niets aan. Bovendien waren de debatten gesloten, behalve wat het voorwerp van de heropening bij arrest van 28 februari 2007 betrof. II.
  4. In haar inleidende dagvaarding van 3 november 1993 vorderde de geïntimeerde de veroordeling van de appellante tot betaling van de tegenwaarde in Belgische frank van 476.543,70 FRF en de kosten van het geding. De vordering strekte tot betaling van 12 facturen voor levering van op houten bobijnen verpakte staaldraadkabel, voor een totale som van 425.295,70 FRF, onder aftrek van een creditnota van 49.370,00 FRF. De vordering bedroeg aldus de tegenwaarde van 375.925,70 FRF, vermeerderd met de conventionele verwijlrente herleid tot de "gerechtelijke rente of 8%", die 100.618,00 FRF bedroeg op 15 april
  5. De eerste rechter veroordeelde de appellante tot betaling aan de geïntimeerde van 1.500.000 BEF ten provisionele titel en verzond de zaak, wat het saldo betrof, naar de bijzondere rol.
  6. In hoger beroep argumenteert de appellante dat de eerste rechter ten onrechte toepassing heeft gemaakt van de procedure van korte debatten, alhoewel de geïntimeerde dit niet gevraagd had en de appellante om de verzending naar de rol of minstens om een uitstel had gevraagd. Zij stelt dat de eerste rechter, door aldus te handelen, haar rechten van verdediging heeft geschonden. Bovendien is de appellante van oordeel dat de eerste rechter, door haar te veroordelen tot betaling van 1.500.000 BEF ten provisionele titel, artikel 19, tweede lid, van het gerechtelijk wetboek geschonden heeft. In conclusies, neergelegd op 26 november 1996, argumenteert de appellante dat zij het grootste deel van de facturen, waarvan de geïntimeerde betaling vordert, betwist heeft. Zij stelt dat de geïntimeerde de overeengekomen prijzen niet geëerbiedigd heeft en onder andere goederen heeft aangerekend die de appellante heeft teruggestuurd. Zij besluit dat de vordering van de geïntimeerde slechts gedeeltelijk gegrond is. Bij tegeneis vordert zij vergoeding omdat de geïntimeerde de handelsrelatie tussen partijen brutaal beëindigd heeft. Zij begroot haar schade op de tegenwaarde van 200.000 FRF wegens de meerprijs die zij bij derden heeft moeten betalen, nadat de geïntimeerde vanaf begin 1991 weigerde nog staaldraadkabel te leveren, en op de tegenwaarde van 300.000 FRF wegens verlies van sommige klanten en verlies aan geloofwaardigheid bij andere klanten. Zij vordert de veroordeling van de geïntimeerde tot betaling van de tegenwaarde van 500.000 FRF, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 1 juli 1991 en te verminderen met het bedrag van de hoofdeis. Zij vraagt dat desgevallend een deskundige wordt aangesteld om het door haar geleden nadeel te ramen.
  7. De geïntimeerde verklaart de grief van de appellante in verband met de zogenaamde betwisting van de facturen als tergend en/of roekeloos te ervaren. De geïntimeerde begroot uiteindelijk, gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep, haar vordering op 57.309,50 EUR in hoofdsom en 15.339,12 EUR conventionele rente tot de datum van de dagvaarding. Zij vraagt de veroordeling van de appellante tot betaling van deze sommen, meer 12,56 EUR per dag vanaf de datum van de inleidende dagvaarding tot op de datum van de volledige betaling. Zij vraagt te zeggen voor recht dat daarvan het bedrag van 37.184,03 EUR, waartoe de appellante op grond van het provisionele vonnis veroordeeld werd, in mindering wordt gebracht. De tegenvordering van de appellante acht zij onontvankelijk omdat zij niet berust op een feit of een handeling die in de dagvaarding werd aangevoerd, noch een verweer tegen de hoofdvordering uitmaakt. Ondergeschikt stelt zij dat de appellante haar schade niet bewijst. Tenslotte vordert zij 15.000,00 EUR wegens tergend en roekeloos hoger beroep, meer de vergoedende rente vanaf 28 maart 2008 en de veroordeling van de appellante tot de gedingkosten. III.
  8. Artikel 19, tweede lid van het gerechtelijk wetboek, in de versie zoals het gold ten tijde van het geding voor de eerste rechter, bepaalde dat de rechter alvorens recht te doen, een voorafgaande maatregel kon bevelen om de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voorlopig te regelen. Als voorlopige regeling van de toestand van partijen kon een partij veroordeeld worden tot een voorlopige betaling op de inleidende zitting, op grond van de artikelen 735 en 19, lid 2 van het gerechtelijk wetboek, indien er een schijn van recht bestond dat het bedrag waartoe zij veroordeeld werd, verschuldigd was. De vaststelling van een schijn van recht belette evenwel niet dat het bestaan van het recht nog voor betwisting ten gronde vatbaar bleef. Een beslissing alvorens recht te doen in de zin van artikel 19, tweede lid van het gerechtelijk wetboek, heeft immers geen gezag van gewijsde (vgl.: CASS. 12 april 2000, Arr. Cass. 2000, 781).
  9. De geïntimeerde stelde in haar inleidende dagvaarding niet dat de zaak slechts korte debatten behoefde en vorderde niet dat de zaak zou behandeld worden op de inleidende zitting. Dit gebeurde niettemin en de eerste rechter verklaarde in de overwegingen van het bestreden vonnis de vraag van de geïntimeerde tot toekenning van een bedrag van 1.500.000 BEF in te willigen "ingevolge dit kort debat omtrent de voorlopige regeling van de toestand van partijen (art. 19 tweede lid Ger.W.)." Nochtans was de veroordeling van de appellante tot betaling van 1.500.000 BEF "ten provisionele titel" geen voorlopige maatregel alvorens recht te doen, maar betrof het een uitspraak ten gronde die voor de eerste rechter niet meer voor betwisting vatbaar was. De eerste rechter verzond de zaak immers enkel nog "wat het saldo" betrof naar de bijzondere rol, hetgeen impliceerde dat hij de veroordeling van 1.500.000 BEF als definitief beschouwde en de appellante daaromtrent geen verweer meer kon voeren. Aangezien de eerste rechter aldus, in het kader van een debat dat gevoerd werd met het oog op een voorlopige maatregel en zonder dat de appellante daaromtrent nog verder verweer kon voeren, reeds ten gronde uitspraak deed over een deel van de vordering, dient het bestreden vonnis vernietigd te worden. IV.
  10. Uit artikel 15 van de Eenvormige Koopwet volgt dat de koopverkoopovereenkomsten tussen partijen bewezen kunnen worden met alle middelen van recht. De vordering van de geïntimeerde heeft betrekking op 12 facturen voor de verkoop van staaldraadkabel, waarvan de oudste dateert van 30 september 1988 en de recentste van 10 december
  11. De appellante betwist niet dat zij deze facturen ontvangen heeft. Zij houdt voor de meeste facturen geprotesteerd te hebben, doch legt daarvan geen enkel bewijs voor. Op de handelaar rust de verplichting tijdig en concreet te reageren tegen facturen, wanneer niet wordt ingestemd met de inhoud ervan. Het niet-protesteren tegen facturen binnen een redelijke termijn na de ontvangst ervan geldt als vermoeden van de aanvaarding ervan. Door niet tijdig te reageren, aanvaardt de bestemmeling dat wat in de factuur wordt bevestigd, overeenstemt met de overeenkomst, zodat de aanvaarding geldt als bewijs van de inhoud van de overeenkomst.
  12. De appellante heeft niet alleen nagelaten de facturen te protesteren, bovendien betwist zij als zodanig niet de gefactureerde goederen ontvangen te hebben. Alleen houdt zij voor een gedeelte daarvan teruggestuurd te hebben naar een vennootschap, behorende tot de groep waarvan de geïntimeerde deel uitmaakt. Uit de voorliggende stukken blijkt dat (een deel van ?) de goederen in depot of ter consignatie aan de appellante geleverd werden met het oog op verkoop. Dit was met name het geval voor de goederen die het voorwerp waren van de factuur nr. 5120 van 30 september
  13. Bij brief van 4 oktober 1988 liet de geïntimeerde weten dat deze factuur enkel dienstig was voor haar boekhouding. Aldus diende de appellante deze - en mogelijk ook andere gefactureerde - goederen pas te betalen wanneer zij verkocht waren. De goederen die zij niet verkocht kon zij aan de geïntimeerde terugsturen. Deze handelwijze blijkt uit een schriftelijke bevestiging van 16 maart 1990 door de appellante - in antwoord op een brief die de geïntimeerde haar in het kader van een revisorencontrole had gestuurd - dat zij 88.225 FRF verschuldigd was aan de geïntimeerde, dat zij 164.565 FRF goederen in consignatie had en dat er bovendien voor 166.700,00 FRF niet vervallen schulden waren. Volgens een gelijkaardige schriftelijke bevestiging die de appellante op 14 januari 1991 ondertekende, bedroeg de vervallen schuld op dat ogenblik 25.095,00 FRF, waren er voor 164.565,00 FRF goederen in consignatie en voor 151.185,31 FRF niet vervallen schulden. De geïntimeerde stelde een creditnota op van 49.370,00 FRF voor de goederen die de appellante had teruggestuurd. Zij bracht dit bedrag in mindering van haar vordering. De appellante toont niet aan dat de goederen die zij terugstuurde een hogere waarde vertegenwoordigden dan het bedrag waarvoor zij een creditnota ontving.
  14. De geïntimeerde heeft een afrekening gemaakt van de openstaande facturen, onder aftrek van de voormelde creditnota, in haar aangetekende ingebrekestelling van 9 juli
  15. De appellante toont niet aan dat zij de inhoud daarvan heeft geprotesteerd. Er is bovendien geen enkel spoor van opmerking of protest door de appellante - op enig nuttig tijdstip - in verband met de door de geïntimeerde aangerekende prijzen. De appellante toont niet aan dat er over de eenheidsprijzen, die zij opsomde in de brief van 25 april 1994 aan haar raadsman, een overeenkomst bestond met de geïntimeerde.
  16. De geïntimeerde kan aldus aanspraak maken op betaling van 375.925,70 FRF of 57.309,50 EUR. De goederen, of minstens een deel ervan, werden in consignatie gegeven met het oog op verkoop. De geïntimeerde verklaarde met betrekking tot de factuur van 30 september 1988 dat zij niet diende betaald te worden op de vervaldag. Gegevens over de precieze data waarop betaling van de geleverde goederen en verwijlrente verschuldigd was, liggen niet voor. Volgens de geïntimeerde bedraagt de verwijlrente, berekend aan de conventionele rente, herleid tot de toen geldende wettelijke rentevoet (8% per jaar) en afgerekend op de datum van dagvaarding, 15.339,12 EUR. De appellante voert daarover geen enkele concrete betwisting. Ook dit onderdeel van de vordering kan toegekend worden. Gelet op de schommelingen van de wettelijke rentevoet, kan het bedrag van de gerechtelijke rente evenwel niet op een vast bedrag per dag begroot worden, zoals de geïntimeerde doet. Aangezien het bestreden vonnis vernietigd wordt, is er geen reden om de door de eerste rechter ten provisionele titel toegekende som in mindering te brengen van het bedrag van de veroordeling. V.
  17. De tegenvordering die de appellante voor het eerst in hoger beroep instelt strekt ertoe vergoeding te bekomen van schade die zij beweert geleden te hebben omdat de geïntimeerde volgens haar vanaf begin 1991 weigerde haar nog goederen te leveren, zonder daarvoor enige uitleg te geven. Volgens de appellante bestaat deze schade uit de meerprijs die zij aan derden moest betalen enerzijds en uit de aantasting van haar reputatie bij klanten anderzijds. Krachtens de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep ingesteld worden indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer op de hoofdvordering uitmaken of tot compensatie strekken (vgl.: CASS. 23 februari 2006, Pas. 2006, 428). Dit houdt in dat het voorwerp van een dergelijke tegenvordering minstens enig feitelijk verband moet vertonen met een bij de eerste rechter aanhangige vordering en derhalve met de oorzaak ervan, zonder dat vereist is dat de tegenvordering uitsluitend zou berusten op het feit dat of de handeling die in de dagvaarding wordt vermeld.
  18. In de dagvaarding zet de geïntimeerde uiteen dat de appellante betaling verschuldigd is van de facturen, die daarin worden opgesomd. Verder maakt zij melding van de ingebrekestelling die zij aan de appellante toegestuurd heeft om betaling van deze facturen te bekomen en van de volgens haar factuurvoorwaarden verschuldigde rente en bevoegde rechtbank. Daarin is tevens sprake van de jarenlange zakenrelatie tussen partijen. De vordering van de appellante die ertoe strekt schadevergoeding te bekomen wegens de plotse beëindiging van deze jarenlange zakenrelatie, waarin de bij hoofdeis gevorderde facturen kaderden, vertoont een feitelijk verband met deze hoofdeis. Bovendien vraagt de appellante dat compensatie wordt toegepast tussen haar vordering en deze van de geïntimeerde. De tegenvordering is bijgevolg ontvankelijk.
  19. De appellante, op wie de bewijslast van haar tegenvordering rust, legt geen stukken voor in verband met de beweerde weigering van de geïntimeerde om haar goederen te leveren. In zover er tussen partijen geen overeenkomst bestond op grond waarvan de geïntimeerde zich ertoe verbonden had om gedurende een bepaalde duur of tot opzegging van deze overeenkomst de door de appellante bestelde goederen te leveren, had de geïntimeerde geen verplichting om met de appellante te contracteren. De individuele verkoopsweigering is in principe geoorloofd. Zij vloeit voort uit het recht voor elke handelaar om vrij de personen te kiezen waarmee hij een overeenkomst sluit. De contractvrijheid als fundamenteel beginsel van de economische ordening impliceert de vrijheid om niet te contracteren. De weigering om te contracteren is wel onrechtmatig wanneer zij misbruik van recht uitmaakt. Het loutere feit dat de partijen in het verleden met elkaar gecontracteerd hebben, maakt de contract-weigering nog niet noodzakelijk onrechtmatig. Dit zou wel het geval zijn wanneer de leverancier geen belang heeft bij de weigering of wanneer de weigering een kennelijk onevenwicht in de belangen van de partijen creëert. Uit de bespreking van de hoofdvordering is evenwel gebleken dat de appellante een aanzienlijke openstaande schuld had ten aanzien van de geïntimeerde. Voor zover de appellante zou aantonen dat de geïntimeerde weigerde bijkomende leveringen te verrichten, kan dergelijke weigering niet als rechtsmisbruik bestempeld worden, zelfs niet wanneer de appellante zou aangeboden hebben om de nieuwe leveringen contant te betalen. De tegenvordering is dan ook ongegrond. VI. Het instellen van hoger beroep tegen een vonnis waardoor men zich gegriefd voelt, is een recht, dat slechts wordt misbruikt en ontaardt in een ongeoorloofde handeling, die tot schadevergoeding aanleiding geeft, indien het roekeloos, met kwade wil of te kwader trouw wordt uitgeoefend. De loutere vaststelling dat een hoger beroep ongegrond is en dat de appellant zich vergist heeft in de draagwijdte van zijn rechten of faalt in zijn bewijslast, verleent aan het hoger beroep geen tergend of roekeloos karakter. De eerste rechter veroordeelde de appellante op definitieve wijze tot betaling van 1.500.000 BEF, nog vooraleer zij de gelegenheid had gehad haar verweer ten gronde te laten gelden en desgevallend een tegenvordering in te stellen. Zij was aldus genoodzaakt hoger beroep aan te tekenen, teneinde haar middelen, die een ernstig onderzoek verdienden, te kunnen voordragen. De geïntimeerde toont niet aan dat het hoger beroep van de appellante voortvloeit uit kwaad opzet of hatelijkheid en aldus een tergend karakter vertoont. Evenmin getuigt de beslissing van de appellante om het geschil aan de rechter in hoger beroep voor te leggen, van een lichtzinnigheid waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden. De vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep is derhalve ongegrond. VII. Het hoger beroep van de appellante is weliswaar gegrond, in de mate dat het bestreden vonnis dient nietig verklaard te worden, doch de vordering van de geïntimeerde is grotendeels gegrond en de tegenvordering van de appellante ongegrond. Bijgevolg zijn de gerechtskosten in beide aanleggen ten laste van de appellante. Ten onrechte vordert de geïntimeerde driemaal 1200,00 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding wegens de heropening der debatten in hoger beroep. Het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat" dat van toepassing is op dit geding, voorziet niet in de toekenning van een aanvullende rechtsplegingsvergoeding in geval van heropening van het debat. Voor het overige kunnen de gerechtskosten, zoals begroot door de geïntimeerde, haar worden toegekend. Aangezien de appellante de vernietiging vraagt van het bestreden vonnis, stond de vordering van de geïntimeerde in hoger beroep ter betwisting voor haar volledig bedrag. Gelet op het bedrag van de vordering bedraagt de rechtsplegingsvergoeding 3.000,00 EUR OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Weert de "nieuwe aanvullende en syntheseconclusie na arrest de vernietiging van de vorige verklarend", die de appellante op 23 april 2007 neerlegde, uit het debat. Verklaart het hoger beroep van de sarl Leva Sud ontvankelijk en in de volgende mate gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw recht doende en gelet op artikel 1068, eerste lid, van het gerechtelijk wetboek, verklaart de vordering van de nv Le Lis ontvankelijk en in de volgende mate gegrond: Veroordeelt de sarl Leva Sud tot betaling aan de nv Le Lis van de som van TWEEËNZEVENTIGDUIZEND ZESHONDERDACHTENVEERTIG EURO EN TWEEËNZESTIG CENT (72.648,62 EUR) vermeerderd met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet op 57.309,50 EUR vanaf de dagvaarding tot de datum van betaling; Wijst het meer gevorderde, evenals de vordering wegens tergend en roekeloos geding, af als ongegrond; Verklaart de tegenvordering van de sarl Leva Sud ontvankelijk, doch ongegrond. Veroordeelt de sarl Leva Sud tot de gedingkosten in beide aanleggen, aan haar zijde niet te begroten aangezien zij te haren laste zijn, en aan de zijde van de nv Le Lis begroot op 399,88 EUR kosten dagvaarding, 282,60 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep; Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 12e kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 11-3-
  20. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. B. De Wilde G. Danneels E. Dursin A. Van de Putte Rep.nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.